Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-58

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Sociale Zaken en Pensioenen (Sociale Zaken)

Vraag nr. 1931 van mevrouw van Kessel d.d. 4 maart 2002 (N.) :
Pijncentra. ­ Erkenning.

Federaal minister Frank Vandenbroucke voorzag vorig jaar 144 miljoen frank voor de oprichting van een twintigtal gespecialiseerde pijncentra tegen september 2001. Kan de geachte minister meedelen welke de stand van zaken is in dit dossier ?

Hoeveel centra zijn er tot nu toe erkend, en welke ?

Indien er nog geen centra zouden erkend zijn, wat is hiervan de reden ?

Welke verdere stappen zal de regering nemen voor de verdere aanpak van pijnbestrijding in de ziekenhuizen ? Komen er maatregelen op het vlak van onderwijs, opleiding, uitbouw van een algologische functie ?

Antwoord : De oprichting van een aantal gespecialiseerde pijncentra, waarin het geachte lid geďnteresseerd is, is één van de maatregelen die voorzien zijn in een advies dat het Comité voor advies inzake de zorgverlening ten aanzien van de chronische ziekten en specifieke aandoeningen (CACZ) van de Wetenschappelijke Raad van het RIZIV in het najaar van 2000 heeft uitgebracht met betrekking tot de behandeling van chronische pijn in het kader van chronische ziekten.

Samen met de minister van Volksgezondheid heb ik (in februari 2001) aan de betrokken organen van het RIZIV gevraagd om het voorstel betreffende de gespecialiseerde pijncentra en een aantal andere voorstellen uit het advies in concrete beleidsmaatregelen om te zetten tegen september 2001.

Wat de gespecialiseerde pijncentra betreft, is het de bedoeling om de werking en financiering van die centra te regelen via overeenkomsten die tussen het RIZIV en de gespecialiseerde pijncentra moeten worden gesloten. Hiervoor is een budget uitgetrokken van 135 miljoen frank (ongeveer 3 346 500 euro) op jaarbasis. De beheersorganen van het RIZIV die voor het sluiten van de overeenkomsten instaan, zijn het Verzekeringscomité en het College van geneesheren-directeurs.

Bij de bespreking ­ door die beheersorganen van het RIZIV ­ van het voorstel om gespecialiseerde pijncentra op te richten, is echter gebleken dat het oorspronkelijke voorstel van het CACZ van de Wetenschappelijke Raad nog veel vragen opriep, waarop een gefundeerd antwoord dient te worden gegeven vooraleer effectief overeenkomsten met pijncentra kunnen worden gesloten. In maart 2001 is daarom aan de betrokken afdeling van de Wetenschappelijke Raad gevraagd het advies te heroverwegen. Op basis van deze aanvullingen keurde het Verzekeringscomité in zijn zitting van 3 december 2001 het voorstel van het CACZ goed op voorwaarde dat het College van geneesheren-directeurs bij de praktische uitwerking van het zorgvernieuwingsproject rekening houdt met enkele bijkomende opmerkingen van het Verzekeringscomité.

Het College van geneesheren-directeurs heeft hiertoe al overlegd met een aantal specialisten in pijnbestrijding en wacht nu op meer concrete gegevens van hun kant.

De vragen die zich nog stellen met betrekking tot de gespecialiseerde pijncentra, hebben deels te maken met de precieze rol van die pijncentra in het geheel van de zorgverlening aan patiënten die chronisch pijn lijden. Dat de gespecialiseerde centra zich moeten profileren als derde-lijns-centra, staat daarbij niet ter discussie. Welke patiënten (met welke pathologieën, welke pijnproblemen en welk verleden) juist door zulke derde-lijns-centra beoogd worden en baat kunnen hebben bij de tussenkomsten van zulke centra, is echter veel minder duidelijk. Ook de taakomschrijving van de derde-lijns-pijncentra roept nog vragen op : wat behoort tot de taken van een derde-lijns-pijncentrum en wat niet? In welke mate verschillen de taken en activiteiten van een derde-lijns-pijncentrum daadwerkelijk van wat er al op de eerste en tweede lijn aan pijnbestrijding gebeurt? Tenslotte concentreren een aantal vragen zich op de werkingsvoorwaarden waaraan de gespecialiseerde pijncentra zullen moeten voldoen om een kwalitatieve werking te garanderen en op de criteria op basis waarvan de pijncentra die voor een overeenkomst in aanmerking komen, zo objectief mogelijk kunnen geselecteerd worden.

Omwille van al die vragen heeft het sluiten van overeenkomsten met gespecialiseerde pijncentra inderdaad vertraging opgelopen. Vermoedelijk zal het nog wel enkele maanden duren vooraleer effectief zulke overeenkomsten zullen kunnen worden gesloten.

Wat de andere maatregelen inzake de behandeling van chronische pijn betreft waarvoor in het voormelde advies van een afdeling van de Wetenschappelijke Raad gepleit wordt, zou ik willen opmerken dat een aantal van die maatregelen buiten mijn bevoegdheid vallen. Zo behoren sommige maatregelen tot de bevoegdheid van de ministers van Onderwijs van de gemeenschappen. De eventuele uitbouw van een algologische functie in de ziekenhuizen ­ waarvoor in het advies alleen in algemene termen gepleit wordt, zodat vermoedelijk nog meer studiewerk vereist is om hiertoe effectief te kunnen overgaan ­ behoort dan weer eerder tot de bevoegdheid van de minister van Volksgezondheid. Wat enkele andere maatregelen betreft die betrekking hebben op de verzekering voor geneeskundige verzorging (zoals het voorzien van een honorarium voor de deelname van de huisarts aan de multidisciplinaire bespreking van zijn patiënt in een gespecialiseerd pijncentrum, het eventueel verplichten van een tweede medisch advies ingeval bepaalde chirurgische ingrepen worden overwogen, en het voorstel om via de accreditering de bijscholing van artsen op het vlak van pijnbestrijding te stimuleren), is echter aan de betrokken organen van het RIZIV (de Technische Geneeskundige Raad en de Accrediteringsstuurgroep) de opdracht gegeven om deze voorstellen te bestuderen en te concretiseren.