2-235 | 2-235 |
De heer Guy Moens (SP.A), rapporteur. - Dit ontwerp werd op 10 oktober 2002 in de commissie besproken.
In haar inleidende uiteenzetting heeft mevrouw Neyts op de haar eigen assertieve wijze de essentie van dit ontwerp nogmaals toegelicht. Een en ander gebeurde al in juni, maar deze keer vroeg zij onze bijzondere aandacht voor twee bijkomende punten.
Ten eerste de vraag of er met dit ontwerp niet te veel macht of te veel bevoegdheidsdomeinen werden toevertrouwd aan de raad van bestuur, waardoor de naar de gewesten overgedragen bevoegdheid zou kunnen worden uitgehold. De staatssecretaris heeft gespecificeerd dat enkel de taken kunnen worden uitgebreid, maar niet de bevoegdheden.
Ten tweede heeft de staatssecretaris beklemtoond dat het woord `kunnen' in de paragraaf over de financiering van het Agentschap helemaal niet betekent dat de gewesten eventueel zouden kunnen weigeren om bij te dragen. Integendeel, voor de gewesten geldt een absolute bijdrageverplichting. De verdeelsleutel voor de bijdragen is in de tekst opgenomen, maar de bedragen moesten op het ogenblik van de bespreking nog worden bepaald. Voor het begrotingsjaar 2003 heeft de staatssecretaris die bedragen inmiddels meegedeeld.
Mevrouw Willame heeft de discussie geopend. Zij heeft de totstandkoming van dit ontwerp van meet af aan zeer aandachtig gevolgd. Zij is niet zo gelukkig met de afschaffing van de Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel, noch met de overdracht van diens taken aan de Gewesten. Naar haar zeggen hebben verschillende nijverheidstakken hun ongenoegen over deze hervorming laten blijken. Zij twijfelen aan de efficiëntie van het nieuwe Agentschap waarvan de financiering niet is verzekerd, en vrezen voor een blokkering van de raad van bestuur door de uitoefening van allerhande vetorechten. Het Agentschap zou dus allesbehalve een slagkrachtig beleidsinstrument zijn.
Mme Magdeleine Willame-Boonen (CDH). - Monsieur Moens, je reviendrai là-dessus.
De heer Guy Moens (SP.A). - Vervolgens heeft de heer Caluwé het tegengestelde standpunt verdedigd. Hij vond dat men veel verder had moeten gaan in de overheveling van de bevoegdheden naar de gewesten en dat dit Agentschap - het stukje federale bevoegdheid dat overblijft - niet alleen overbodig is, maar ook nadelig voor de Vlamingen. De bevoegdheden in de Raad van bestuur zijn zo verdeeld dat Vlaanderen, in verhouding tot zijn betekenis in het Belgisch stelsel, onvoldoende aan zijn trekken komt.
De heer Barbeaux heeft enkele juridische spitsvondigheden aangestipt; zo zouden de gewesten eventueel kunnen weigeren te betalen. Zijn aandacht ging echter vooral naar de pensioenrechten van het personeel van de oude dienst. Nu er een geding aanhangig is bij de rechtbank, besluit hij dat de huidige regering vroeger aangegane verplichtingen niet wil nakomen.
De heer Van den Brande en de heer Vankrunkelsven hebben dan een aantal in de COSTA gemaakte afspraken aan de openbaarheid prijsgegeven. Volgens de heer Van den Brande zijn er in de COSTA over deze materie veel meer en andere afspraken gemaakt. De heer Vankrunkelsven van zijn kant heeft de besprekingen in de COSTA langdurig toegelicht. Het was een boeiend betoog over zaken die nog niet publiek bekend waren en niet van historische betekenis ontbloot. Zijn conclusie was alleszins dat hij tevreden is met de genomen maatregelen omdat zij overeenstemmen met de afspraken in de COSTA.
De heer Van Hauthem heeft het vervolgens nogmaals gehad over de bijdragen van de gewesten. Het verwonderde hem dat het bedrag voor de federale overheid wel gekend was, maar dat voor de gewesten nog niet.
De minister was het niet eens met mevrouw Willame. Volgens haar biedt het Agentschap voor Buitenlandse Handel heel wat garanties.
De werkgeversorganisaties waren aanvankelijk wel wat kritisch, maar ze zijn inmiddels bijgedraaid en vinden dat alles nu naar behoren werkt.
De financiële bijdrage van de gewesten is gewaarborgd. Als antwoord op de vragen van de heer Van Hauthem verklaart de minister dat het totaalbedrag van de bijdragen van de gewesten is vastgesteld op ongeveer 2.875.000 euro.
Er kunnen zendingen worden georganiseerd als minstens twee gewesten en de federale overheid daaraan deelnemen Het volstaat dat een enkel gewest of de federale overheid de raad van bestuur van het Agentschap het initiatief voorlegt om een gezamenlijke zending te organiseren.
Het Agentschap voor Buitenlandse Handel mag zich rechtstreeks tot de bedrijven wenden naar aanleiding van de gezamenlijke handelsmissies.
Er bestaat weinig gevaar dat er in de raad van bestuur gebruik zal worden gemaakt van het vetorecht.
De minister beschouwt het Agentschap als een uitstekend instrument om het probleem van de Buitenlandse Handel op te lossen.
De minister spreekt het standpunt van de heer Caluwé tegen, die beweert dat het Vlaams Gewest ondervertegenwoordigd is in de raad van bestuur van het Agentschap.
Volgens de heer Barbeaux is de wet betreffende de afschaffing of herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten ongrondwettelijk en had de afschaffing van de Belgische dienst en de oprichting van het Agentschap in een enkel ontwerp moeten worden geregeld. De minister heeft daarop geantwoord dat het samenwerkingsakkoord moest worden gesloten vooraleer het Agentschap kon worden opgericht.
De minister bevestigt nogmaals dat artikel 25 van het statuut van het personeel van de BDBH nog steeds van toepassing is en zal worden gerespecteerd.
Als antwoord op de slotvraag van mevrouw Willame-Boonen wat de gevolgen van de afschaffing van de Belgische Dienst voor Buitenlandse handel zullen zijn voor de bevoegdheden van de minister, antwoordt deze laatste dat zij als minister bevoegd zal blijven voor de buitenlandse handel. Bovendien doet de minister van Buitenlandse Zaken meer en meer een beroep op haar voor de uitoefening van bepaalde taken, zoals contacten met internationale organisaties en de overdracht van een aantal bevoegdheden.
Ik bedank de diensten, die erin geslaagd zijn nog een passage aan het verslag toe te voegen als reactie op de uiteenzetting van mevrouw Willame.
Het wetsontwerp werd aangenomen met 7 tegen 4 stemmen. Het verslag werd goedgekeurd met 8 stemmen bij 1 onthouding.
De heer Olivier de Clippele (MR). - Ik bedank de heer Moens voor zijn uitgebreid verslag. Ik heb gemerkt dat hij het onderwerp zeer goed beheerst.
Ik heb vanmiddag via de radio vernomen dat mevrouw de minister morgen naar Saudi-Arabië vertrekt om prins Filip te vergezellen op een handelsmissie. Op de vraag hoe een vrouw in Saudi-Arabië wordt ontvangen, antwoordde ze dat een vrouw met macht wel degelijk wordt toegelaten. Ik wil het niet over uw persoon hebben, mevrouw de minister, want in Brussel hebt u wel degelijk gezag, maar als er sprake is van macht, rijst de vraag of u als federaal minister wel over de juiste bevoegdheid beschikt.
En effet, l'accord de coopération soumis au vote me paraît assez timoré en matière de compétences. On ne parvient pas à régler clairement ce problème parce que l'accord ne répond pas encore complètement au souhait des entreprises. Je ne vais pas rappeler le débat que nous avons eu en juillet et qui a été correctement retranscrit par le rapporteur. Ce débat portait sur le fait que cette nouvelle Agence pour le Commerce extérieur n'aura pas de ministre de tutelle. Je connais la remarque du Conseil d'État sur le financement mais ce dernier ne paraît pas encore entièrement garanti. Nous avons aussi évoqué l'interdiction du contact direct avec les entreprises.
Contrairement à Mme Willame, je ne crois pas à la disparition de cette agence. Nous savons qu'un fait est plus puissant qu'un lord-maire. Les faits démontreront la nécessité de la présence de ministres fédéraux au sein de certaines missions à caractère économique, et ce dans l'intérêt de tous.
Le premier ministre a récemment reconnu, à son retour de Chine, que cet accompagnement était très profitable pour notre économie. Je vous rappelle qu'en outre, cinq mille entreprises exportatrices ont été interrogées et que 93% d'entre elles ont estimé que l'image de marque Made in Belgium prévalait toujours sur d'autres images commerciales.
En outre, dans nos pays occidentaux, on peut comprendre que l'appareil d'État n'interfère pas directement dans l'économie. Mais dans d'autres pays, essentiellement asiatiques, l'appareil d'État intervient encore très souvent dans les décisions prises dans le domaine du commerce extérieur et d'échanges commerciaux. Se pose donc toujours un problème de protocole. Bien entendu, la présence d'un prince royal peut le résoudre et ouvrir des portes. Toutefois, des entreprises ont déjà expliqué que votre accompagnement, madame la ministre, contribuait utilement à ces missions économiques. Je vous félicite donc pour le rôle que vous jouez. Je suis convaincu que vous le remplirez à merveille lors de la mission durant laquelle vous accompagnerez le Prince Philippe en Arabie Saoudite. Se pose néanmoins toujours le problème de la présence d'un ministre fédéral puisque c'est la Belgique qui conserve une image sur la scène internationale, qui y est reconnue et qui offre une image de marque pour les entreprises.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Onze fractie heeft in juli 2001 stevige kritiek geuit op de Lambermont- en Lombardakkoorden. Volgens ons werden er te weinig stappen vooruit gezet in de Vlaamse bestuurskracht en in de Vlaamse fiscaliteit. Bovendien ging men er op achteruit wat de positie van de Vlamingen in Brussel betreft. Nu wordt één van de weinige realisaties, die ons werden voorgespiegeld, voorgesteld. Dit samenwerkingsakkoord is echter teleurstellend. Het holt de principiële mogelijkheid voor Vlaanderen om een eigen afzet- en uitvoerbeleid te voeren, uit. Het op te richten Agentschap beantwoordt helemaal niet meer aan het ideaalbeeld dat ons werd voorgehouden. Het had namelijk hoogstens als een dienstencentrum voor de gewesten mogen fungeren zonder afbreuk te doen aan het principe van het ene loket. Die dienden exclusief aan de gewestelijke agentschappen toe te komen. De ondernemingen zouden zich voor hun uitvoer- en afzetproblemen dus steeds tot hun gewestelijk agentschap moeten kunnen wenden zonder rekening te houden met federale initiatieven. Het voorgestelde samenwerkingsakkoord dreigt deze bevoegdheidstoewijzing te doorbreken. Het Agentschap krijgt immers de mogelijkheid om zich in bepaalde gevallen toch rechtstreeks tot de ondernemingen te wenden.
Het akkoord is ook op een ander manier nadelig voor Vlaanderen. De buitenlandse handel is verhoudingsgewijs in hoofdzaak een Vlaamse aangelegenheid. Het Agentschap wordt evenwel deels federaal, deels gewestelijk gefinancierd volgens een verdeelsleutel op basis van de opbrengst van de personenbelasting. Dat betekent dat de financiering voornamelijk uit Vlaamse hoek zal komen. De zetelverdeling binnen de raad van bestuur weerspiegelt deze krachtsverhouding helemaal niet. De vertegenwoordigers van het Vlaamse Gewest in de raad hebben bovendien geen vetorecht omdat het volstaat dat twee van de drie gewesten, in casu het Waalse en het Brusselse, voorstander zijn van een gezamenlijke handelsmissie. Het Agentschap kan dus, in samenwerking met het Waalse en Brusselse agentschap, allerlei zendingen opzetten die hoofdzakelijk met Vlaams geld zullen worden gefinancierd. Deze aberratie is een betreurenswaardig gevolg van de Lambermont- en Lombardakkoorden. Daarom moet voor ons de zetelverdeling in de raad van bestuur van het Agentschap een weerspiegeling zijn van het aandeel van ieder gewest in de financiering van het Agentschap of in de Belgische buitenlandse handel.
Meer en meer beseft Vlaanderen dat de huidige staatsvorm voortdurend zijn inefficiëntie bewijst. De ene regering bemoeilijkt het werk van de andere. De ene minister blokkeert de initiatieven van de andere. Het ene parlement acht zich meer waard dan het andere. Federale en regionale niveaus steken elkaar stokken in de wielen. Dat was gisteren de klacht op het Vlaams Economisch Congres. Een groeiend aantal Vlamingen vraagt zich af of de enige oplossing niet te vinden is in een confederale organisatie van ons land. De dubbelzinnige en weinig efficiënte uitvoering van het Lambermontakkoord betekent voor ons alleen maar een aanzet voor een volgende ronde in de staatshervorming. Het verheugt ons dan ook dat ook in het ontwerpprogramma van de VLD wordt gepleit voor een confederatie. De volgende federale regeringsvorming zal daarvoor de uiteindelijke toets zijn.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Mijn bedoeling is niet uitgebreid onze kritiek uiteen te zetten over de wijze waarop de exportpromotie en -begeleiding naar aanleiding van de Lambermontakkoorden verder gedecentraliseerd werd. Ik zeg wel gedecentraliseerd en niet geregionaliseerd, want van een volledige regionalisering is er geen sprake. Een aantal bevoegdheden en instellingen bleven wel degelijk federaal, met name de Delcrederedienst, dus de waarborg tegen import-, export- en investeringsrisico's, de vertegenwoordiging van de gewesten en het multilateraal handelsbeleid. Eigenlijk was het vooral de bedoeling de onduidelijkheden en overlappingen uit de weg te ruimen. Het voorliggende samenwerkingsakkoord geeft uitvoering aan dit onderdeel van het Lambermontakkoord, maar uit alles blijkt dat de mogelijkheid tot federale recuperatie nog steeds aanwezig is. Overlappingen worden niet vermeden, integendeel. Het Agentschap dat wordt opgericht kan beslissen en overgaan tot de organisatie van gezamenlijke handelsmissies, op initiatief van één of meer gewesten en onder het voorzitterschap van de erevoorzitter. Los van het feit dat het Agentschap volgens het samenwerkingsakkoord de mogelijkheid heeft, niet de verplichting, een erevoorzitter aan te duiden, en nu al geweten is wie de uitverkorene is, is er de vraag waarom er een federaal agentschap nodig is om gezamenlijke missies te organiseren. Dat kunnen de gewesten zelf in onderling overleg doen. Twee van de drie gewesten zijn al voldoende om samen met de federale overheid het Agentschap op te starten. Het Agentschap reikt daarnaast een aantal exportprijzen uit, zoals de Royal Export Awards en de Mercuriusprijzen. Het federaal agentschap treedt op als loket voor buitenlandse VIP's die België bezoeken en het federaal agentschap bepaalt de rol van de buitenlandse Kamers van Koophandel.
Artikel 4 van het samenwerkingsakkoord bepaalt dat de Belgische diplomatieke en consulaire diensten en de gewestelijke vertegenwoordigers alle macro-economische, juridische, reglementaire en andere gegevens aan het Agentschap moeten doorgeven. Daardoor wordt naar onze mening de versnippering en de onduidelijkheid uit het verleden niet weggewerkt, maar gehandhaafd. De Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen (SERV) heeft er terecht de aandacht op gevestigd dat inzake handelmissies de Vlaamse bedrijven zich weliswaar bij Export Vlaanderen moeten inschrijven, maar dat de administratieve voorbereiding en afwikkeling van de zendingen rechtstreeks tussen het Agentschap en de bedrijven kan gebeuren. Tot zover het enige-loket-systeem.
Wat de samenstelling van de raad van bestuur betreft, was er ooit een Vlaamse regering die de vertegenwoordiger van het Vlaams Gewest uit de raad van bestuur van de vroegere Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel terugtrok en de Vlaamse zetel onbezet liet omdat de paritaire samenstelling van de raad van bestuur op geen enkele wijze het aandeel van de gewesten in de buitenlandse handel weerspiegelde. Nu zien we dat de raad van bestuur alweer op paritaire basis is samengesteld: vier vertegenwoordigers aangeduid door elk van de drie gewesten en vier vertegenwoordigers aangeduid door de federale regering. Dit is een aberratie die eveneens tot uiting komt bij de financiering van het Agentschap: het samenwerkingsakkoord legt de federale dotatie aan het Agentschap vast op ongeveer 2,5 miljoen euro, jaarlijks te indexeren, en stelt dat de gewesten een bijdrage kunnen leveren. Het woord `kunnen' blijft staan, maar moet op aansporing van de Raad van State als `moeten' worden gelezen. Op 8 november 2001 stelde Vlaams minister Gabriëls nochtans over het voorontwerp van samenwerkingsakkoord: "De Gewesten kunnen, maar zijn niet verplicht daarbovenop een aanvullende financiële bijdrage te leveren".
Het bedrag dat de gewesten nu blijkbaar verplicht zijn bij te dragen, staat niet in het samenwerkingsakkoord. Aanvankelijk was een bijdrage immers niet verplicht zodat er ook geen bedrag werd vermeld. Volgens de verklaring van de minister in de Commissie zou dit neerkomen op een kleine 2,9 miljoen euro. Daarover zou er een politiek akkoord zijn afgesloten tussen de federale overheid en de gewesten. Dat is een bijzonder vreemde manier van werken. Waarom werd het samenwerkingsakkoord niet aangepast aan de opmerkingen van de Raad van State? Door deze politieke regeling zal Vlaanderen mee betalen voor gezamenlijke zendingen waaraan het zelf niet deelneemt.
Tijdens dezelfde interpellatie in 2001 verklaarde minister Gabriëls dat er taalkaders moesten komen. Ook daarvan is er in het samenwerkingsakkoord geen sprake.
De laatste belgitude zit in de verdeelsleutel, het criterium dat bepaalt hoeveel de gewesten elk moeten bijdragen. Het criterium is ditmaal de opbrengst van de personenbelasting: 62,17% voor rekening van Vlaanderen, 28,82% voor rekening van Wallonië en 9,06% voor rekening van Brussel. Het feit dat dit criterium ook gebruikt werd bij de overdracht van de bevoegdheid van Buitenlandse Handel naar de gewesten, doet niets af aan de vaststelling dat Franstalig België er altijd weer in slaagt de voor hen voordeligste verdeelsleutel uit de brand te slepen. Bij de financiering van de gemeenschappen wordt het criterium van het aandeel in de personenbelasting liefst zo laag mogelijk gehouden, omdat dit voor het Franstalige België beter uitkomt. Bij de overdracht van de bevoegdheid Landbouw is de verdeelsleutel plots de economische activiteit in de landbouwsector omdat dat Wallonië goed uitkomt. Bij de Buitenlandse Handel geldt dat criterium niet langer en kiest men voor de personenbelasting.
Dit samenwerkingsakkoord voert het Lambermontakkoord verder uit, een akkoord dat toen al onze goedkeuring niet kon wegdragen. Gelet bovendien op de samenstelling van de raad van bestuur van het Agentschap, op de financiering ervan en op de belangrijke rol van de federale overheid, kunnen we dit samenwerkingsakkoord niet goedkeuren.
Mme Magdeleine Willame-Boonen (CDH). - Je remercie le rapporteur d'avoir extrêmement bien résumé, à la volée, nos travaux en commission. Je tenais cette après-midi à formuler à nouveau les objections de mon groupe au sujet de la création d'une agence du commerce extérieur telle que la prévoit le projet de loi portant assentiment à l'accord de coopération du 24 mai 2002 entre l'État fédéral et les Régions.
Je suis d'autant plus déterminée à le faire en séance plénière que des sénateurs de la majorité, dont M. de Clippele, avaient laissé entendre, il y a quelques mois dans la presse, que jamais, au grand jamais, ils ne voteraient la régionalisation de pareille compétence. Or, je dois remarquer que ces collègues ont brillé par leur absence ou par leur silence en commission. Cela m'encourage à relayer leur opposition initiale en espérant qu'ils maintiendront cette opposition lors du vote de ce soir. On peut rêver.
Le Sénat s'apprête donc à donner son assentiment à l'accord de coopération entre l'État fédéral et les Régions relatif à la création d'une agence pour le commerce extérieur. La création de cette agence permettra-t-elle d'atténuer les conséquences pour notre commerce extérieur de la suppression de toute compétence fédérale dans la promotion des exportations ? Cette suppression était votre objectif et ce fut d'ailleurs votre victoire, monsieur Van Quickenborne, à la Saint-Polycarpe. Vous avez obtenu ce résultat mais Dieu sait si pas mal de francophones s'y opposaient !
À la lecture du texte créant cette agence germent quelques doutes. En effet, l'agence n'a aucune garantie de disposer à l'avenir des moyens budgétaires indispensables. Elle sera en permanence sous la menace d'un veto de chacune des Régions et elle ne pourra pas travailler directement pour les entreprises comme celles-ci le souhaitaient.
En ce qui concerne les moyens budgétaires, la seule garantie dont dispose l'agence, et la ministre en a parlé très précisément en commission, est un budget octroyé par le fédéral d'un montant de 2,875 millions d'euros, soit le coût des traitements de 46 personnes. L'intervention des Régions dans le budget de l'agence est facultative même si des avis divergents coexistent, notamment ceux du Conseil d'État ou du ministre Jaak Gabriëls. J'ai été professeur de français, j'ai donc enseigné qu'il y a une légère nuance entre « pouvoir » et « devoir ». En outre, cette intervention doit être décidée à l'unanimité des représentants des Régions. Une Région ne pourra donc décider d'intervenir seule dans le financement de l'agence. L'an prochain, les Régions vont intervenir. Mais qu'en sera-t-il ensuite ? Cela se décidera année par année. Quelle garantie avez-vous obtenue, madame la ministre, quant à la pérennité du financement régional ? Disposez-vous de prévisions budgétaires, à court ou à moyen terme ? Donc le budget est incertain, le financement fédéral étant dérisoire.
Les procédures de prise de décision de l'agence sont un problème supplémentaire. Produit d'une logique confédérale, l'agence en présente la faiblesse majeure : le prise de décision à l'unanimité, donc la paralysie. Je ne dois pas vous faire de dessin sur les réalités de l'Union européenne, où tous nous nous demandons que faire pour sortir des blocages dus à cette règle de l'unanimité. Pourtant ici, nous instituons la règle de l'unanimité.
Le budget de l'agence doit être approuvé par les représentants de chacune des Régions. Chaque Région disposera donc d'un droit de veto. Le conseil d'administration composé de seize membres, quatre pour chaque Région et quatre pour l'État fédéral, sera également surveillé par des commissaires du gouvernement.
Chaque fois qu'une décision aura été prise, ce commissaire pourra aller dire à la Région flamande, à la Région wallonne ou à la Région de Bruxelles-Capitale qu'un problème se pose. Les Régions auront alors quelques jours pour bloquer les décisions.
Toutes les décisions prises par le Conseil d'administration pourront faire l'objet d'un veto de la part de chaque gouvernement régional. C'est d'autant plus grave que l'exercice de ce droit peut porter sur la violation de l'intérêt général. Il faut tout de même des justification à ce droit de veto. L'une de celles-ci est la violation de l'intérêt général. C'est là une notion juridique qui me semble extraordinairement floue et malléable au gré des impératifs politiques.
Enfin, contrairement à leur voeu, les entreprises ne seront pas représentées au sein du comité d'accompagnement de l'agence, laquelle est chargée de coordonner la mise en oeuvre des décisions prises par le conseil d'administration. Ici encore, le texte approuvé par la majorité témoigne du peu de cas qu'elle fait des voeux des entreprises. La FEB m'a envoyé une prise de position du VEV l'avant-veille de notre discussion en commission. Ce n'est donc pas une francophone rabique qui s'exprime tout à coup, je traduis aussi l'avis de cette association : le souhait des entreprises n'a pas été rencontré.
Compte tenu de la volonté de certains gouvernements régionaux de supprimer toute intervention du fédéral dans le domaine du commerce extérieur, il ne fait aucun doute que le fonctionnement de l'agence sera rapidement paralysé par l'utilisation systématique des droits de veto des Régions.
Un troisième problème se pose en ce qui concerne l'accès des entreprises à l'agence. Il faut déplorer, avec les entreprises, l'interdiction faite à l'agence de fournir directement aux entreprises de l'information, des études et de la documentation sur les marchés extérieurs. L'agence ne peut fournir ces éléments qu'aux services régionaux chargés du commerce extérieur. Il ne peut donc y avoir de contact direct entre les entreprises et l'Agence. De tels contacts risqueraient-ils de légitimer cette dernière ? C'est à craindre, car il est clair que le passage obligé par les services régionaux ne peut conduire qu'à une augmentation de la bureaucratie, à un ralentissement du service offert et à une moindre adéquation de celui-ci au besoin des entreprises.
La question qui se pose in fine est donc la suivante : pourquoi créer un instrument qui ne pourra fonctionner - j'ai parlé du budget, du veto, de l'interdiction d'accès direct aux entreprises - si ce n'est pour dire après quelques mois que l'agence ne marche pas et qu'elle doit être supprimée. C'est une logique inattaquable ! On aura démontré l'inutilité de ce « brol », permettez-moi l'expression bien bruxelloise, et il sera supprimé. Pourquoi créer un instrument, si ce n'est pour le supprimer, ou pour s'en servir au départ comme paravent, comme on a déjà pu le voir dans nos évolutions institutionnelles, afin de camoufler les échecs.
Mais, comme l'a souligné notre collègue Patrik Vankrunkelsven, il est vrai que la maison Belgique et la famille royale sont encore un label qui marche. On va donc essayer une fois encore de l'utiliser et on verra si cela marche. Pas beaucoup de budget, un droit de veto, pas d'accès direct aux entreprises, et jetons le reste aux orties sans exprimer aucune nostalgie.
Je vous remercie, madame la ministre, des réponses que vous apporterez à mes interrogations avec toute la précision et la compétence qui vous caractérisent. Votre compétence doit d'autant plus être soulignée que la tâche qui vous a été assignée au sein de ce Gouvernement était pour le moins ingrate. Vous avez dû démanteler le ministère de l'Agriculture et l'Office belge du Commerce extérieur, deux institutions qui rassemblaient un savoir-faire que ne vous êtes pas privée de souligner.
Mon groupe votera contre l'assentiment à l'Accord de coopération du 24 mai 2002 entre l'autorité fédérale et les régions relatif à la création d'une agence pour le Commerce extérieur. J'espère que quelques-uns de mes collègues de la majorité nous accompagneront et ne voteront pas pour une stupidité qui est évidemment un pas de plus dans le démantèlement de l'État.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik dank de heer Moens voor zijn vlot en bondig verslag. Meer nog moet ik mevrouw Willame bedanken die, zoals ik al eerder heb gezegd, mijn beste propagandiste in Vlaanderen zou kunnen zijn. Zover zal het vermoedelijk evenwel niet komen.
In tegenstelling tot mevrouw Willame stemt het wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord met betrekking tot de oprichting van een Agentschap voor Buitenlandse Handel mij wel tevreden. Eindelijk, zou ik zeggen, want tijdens de vorige staatshervormingen werd op zijn minst driemaal geprobeerd Buitenlandse Handel te regionaliseren, wat echter steeds onmogelijk bleek. De stap van vandaag is dan ook een symbolische overwinning op de oude Belgische Staat en bewijst dat samenwerking tussen de verschillende niveaus in ons land mogelijk is.
In het verleden werden de bevoegdheden op eenzelfde domein tussen de verschillende niveaus vaak slecht verdeeld. Ik denk hier vooral aan de gezondheidszorg, waar verschillende deelbevoegdheden aan de gemeenschappen enerzijds en aan de federale overheid anderzijds werden toevertrouwd.
De nieuwe verdeling van de bevoegdheden tussen de gewesten en de federale overheid is logisch en werkzaam. Het zwaartepunt ligt bij de gewesten, wat evident is omdat de bevoegdheden inzake economie en landbouw gewestelijke materie zijn. Het is dan ook logisch dat de promotie en de prospectie ervan op gewestelijk niveau plaatsvinden, daarenboven via één loket. Zoals mevrouw Willame terecht heeft opgemerkt, was het inderdaad een belangrijke betrachting om het enige loket op het niveau van de gewesten te situeren, teneinde de grote dubbelzinnigheid van het verleden te vermijden. De interactie tussen de buitenlandse handel en de lokale economie gebeurt dus via de gewesten. We zijn echter van oordeel dat het federale niveau behouden moet blijven. Dat is niet alleen symbolisch, maar ook praktisch.
Er is de internationaal geprezen databank van gegevens van de landen waaraan we willen leveren, waarmee we handel willen drijven. Deze onder de drie gewesten verdelen zou alleen maar een achteruitgang betekenen. Afgesproken werd de verzamelde gegevens niet rechtstreeks aan de bedrijven te geven, maar via het enige gewestelijk loket.
Er zijn ook de gezamenlijke missies. In tegenstelling tot de bewering van de heer Van Hauthem zal een gewest nooit een missie waarin het niet participeert moeten financieren. De federale missies hebben alleen plaats mits akkoord van de drie gewesten. Dat is geen slechte zaak. In bepaalde landen betekenen het etiket België of de aanwezigheid van een lid van het koninklijk huis, nu eenmaal een voordeel voor de bedrijven uit de drie gewesten.
Er worden ook sleutels ingebouwd. De gewesten kunnen in bepaalde gevallen hun veto uitspreken. Bovendien werd de financiering bewust afhankelijk gemaakt van de gewesten, met het doel deze de leiding te doen behouden in het Agentschap. Gelet op de databank en de gezamenlijke missies hebben de bedrijven en de gewesten niet anders dan voordeel bij een goed functioneren van het Agentschap.
Tot slot wil ik er nog aan toevoegen dat het Agentschap beperkt is, niet alleen in middelen maar ook in manschappen. Er worden niet meer dan vijftig personen tewerkgesteld. Dit aantal moet evenwel meer dan volstaan voor het beperkt takenpakket dat aan het Agentschap wordt toevertrouwd.
Kortom, de verdeling tussen de bevoegdheden op gewestelijk en federaal niveau is uitstekend. Ik ben er dan ook van overtuigd dat Buitenlandse Handel voortaan beter zal werken dan in het verleden.
Mevrouw Annemie Neyts-Uyttebroeck, minister, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, en belast met Landbouw. - Allereerst wil ik graag de rapporteur, Guy Moens, en allen die hem hebben bijgestaan, bedanken voor het verslag, dat inderdaad een zeer volledig en correct overzicht geeft van de discussie die afgelopen week in de commissie werd gevoerd. Alleen heeft mevrouw Willame, voor zover ik me herinner, niet gezegd dat ik het best ontslag zou nemen. Ze heeft wel de elegantie bewonderd waarmee ik aan politieke striptease doe, dit wil zeggen me van mijn bevoegdheden ontdoe.
Mme Magdeleine Willame-Boonen (CDH). - Madame la ministre, je vous ai seulement félicitée pour l'élégance avec laquelle vous vous dépouilliez de vos propres compétences. Ce n'est pas la même chose.
Mme Annemie Neyts-Uyttebroeck, ministre, adjointe au ministre des Affaires étrangères, et chargée de l'Agriculture. - Vous avez utilisé d'autres termes, mais cela revient au même. Qu'importe, je suis ici pour répondre aux questions et remarques que vous avez formulées.
Le sénateur de Clippele continue à voir quelques faiblesses dans l'accord de coopération tel qu'il vous est soumis mais il ne croit pas à une prochaine disparition de l'agence. Il en a donné les raisons et a ajouté que les entreprises auraient toujours besoin de l'accompagnement de ministres fédéraux. J'en prends bonne note.
Pour ma part, j'ai constaté à plusieurs reprises que les entreprises s'empressaient d'accompagner le premier ministre ou d'autres ministres lorsqu'ils se déplaçaient vers des lieux lointains.
La présence d'un ministre fédéral lors des futures missions conjointes demeurera nécessaire dans la mesure où ce ministre doit assurer la « couverture constitutionnelle » de l'activité et des éventuelles déclarations de son Altesse royale, le Prince Philippe. En effet, dans notre système constitutionnel, un membre aussi éminent de la famille royale a besoin de ce type de présence : le ministre fédéral assure la direction politique des missions et ce, dans un esprit de très grande coopération, sinon, cela serait impossible.
Je signale que depuis l'été dernier, au moment de la mission en Russie, les entreprises ne pouvaient plus s'inscrire à ces missions qu'en passant par les agences régionales de promotion à l'exportation.
Les missions se déroulent bien - nous en commençons une demain - et connaissent une participation croissante des entreprises. Prosaïquement, je me dis que les entreprises ne payeraient certainement pas des montants aussi importants si elles n'étaient pas satisfaites de la manière dont les missions se déroulent. De plus, nous leur demandons systématiquement de nous communiquer par écrit, et de façon anonyme, une évaluation des missions auxquels elles ont participé, en signalant les éventuels manquements.
C'est ainsi que de mission en mission, nous nous organisons de mieux en mieux ; nous veillons non seulement à ce que les entreprises qui le souhaitent puissent avoir de très nombreux contacts dans les villes ou capitales visitées mais également à ce que ces rencontres se déroulent à la satisfaction des entreprises.
Mevrouw De Schamphelaere heeft gezegd dat dit Agentschap de Vlaamse bevoegdheid voor export- en afzetbeleid uitholt. De heer Vankrunkelsven heeft overtuigend aangetoond dat dit niet het geval is.
Mevrouw De Schamphelaere heeft ook de vrees uitgedrukt dat het bestaan van het Agentschap de éénloketfunctie van de gewesten uitholt. Om een beetje stout te zijn: het verbaast me telkens weer hoeveel `éénloketten' er op diverse plaatsen worden uitgebouwd, in steden, gemeenten, provincies, regio's. Ze doen maar. De heer Vankrunkelsven heeft er ook aan herinnerd dat duidelijk bepaald is dat het contact tussen het Agentschap en de bedrijven enkel rechtstreeks kan verlopen in het kader van de voorbereiding van een gezamenlijke missie. In alle andere gevallen verlopen de contacten via de regionale agentschappen.
Net zoals in de commissie is er ook vandaag een opmerking gemaakt over de keuze van de verdeelsleutel. In mijn antwoord in de commissie heb ik eraan herinnerd dat de sleutel van de personenbelasting twee keer wordt gebruikt, zowel voor het toewijzen aan de gewesten van de bedragen die vroeger voor promotie van export en afzet in de federale begroting stonden ingeschreven, als voor hun bijdragen aan het Agentschap. Het gaat dus om tweemaal dezelfde sleutel.
Er zijn opmerkingen gemaakt bij de samenstelling van de raad van bestuur. Ik ben het niet eens met de conclusies die daaraan worden verbonden, namelijk dat de pariteit waarmee de gewestregeringen hebben ingestemd door de ondertekening van het samenwerkingsakkoord hebben, volgens de enen de goede werking van het Agentschap onmogelijk zal maken, volgens de anderen zal verhinderen dat Vlaanderen aan zijn trekken komt. Er werd een keuze gemaakt en geopteerd voor pariteit, maar tegelijk voor de mogelijkheid dat elke commissaris van een gewestregering een beslissing waartegen bezwaar bestaat, kan opschorten.
Mme Willame a répété que l'apport des Régions au budget de l'agence était rien moins qu'assuré. Une fois encore, je me permets de renvoyer à l'avis du Conseil d'État, qui a estimé que l'utilisation du verbe « pouvoir » dans l'accord de coopération ne signifie nullement que les Régions peuvent se soustraire au devoir de contribuer au financement de l'Agence mais cela doit être compris comme une obligation de contribuer.
Par ailleurs, il est évident qu'une loi reste d'application aussi longtemps qu'elle n'est pas modifiée ou abrogée, tout comme un accord politique demeure valable aussi longtemps que toutes les parties continuent à l'honorer. Je ne puis certifier que l'agence aura une pérennité politique et institutionnelle éternelle. Il est tout à fait possible que l'on décide un jour de faire table rase de tout cela. Nous verrons bien mais, en ce qui me concerne, je penche plutôt du côté de M. de Clippele qui croit que cette agence continuera à exister parce qu'elle fonctionnera à la satisfaction des participants.
Mme Willame, qui ne sera sans doute pas convaincue par tous ces arguments, a dit que les décisions du conseil d'administration devaient toujours être prises à l'unanimité. Or, l'article 7 de l'annexe 2 à l'accord de coopération stipule que « les décisions du conseil d'administration sont prises à la majorité des suffrages des membres présents ou représentés, sauf dispositions contraires dans le présent accord de coopération et ses annexes ».
Mme Magdeleine Willame-Boonen (CDH). - J'ai surtout parlé des commissaires de gouvernements qui avaient un droit de veto. Il faut donc que ces trois commissaires se prononcent à l'unanimité.
Mme Annemie Neyts-Uyttebroeck, ministre, adjointe au ministre des Affaires étrangères, et chargée de l'Agriculture. - Non. L'unanimité implique que tout le monde est d'accord. L'unanimité est toute autre chose que l'absence d'opposition dans le chef d'un ou de plusieurs commissaires de gouvernement. En droit constitutionnel belge, l'unanimité n'est pas la même chose que le consensus.
De surcroît, l'article 7 de l'annexe 2 à l'accord de coopération stipule que « les décisions du conseil d'administration sont prises à la majorité des suffrages des membres présents ou représentés, sauf dispositions contraires dans le présent accord de coopération et ses annexes ». Les dispositions contraires sont au nombre de deux : la décision d'organiser une mission conjointe conduite par le Prince et l'ajout de nouvelles tâches aux tâches de l'agence. Les missions princières impliquent la participation de toutes les régions et de l'autorité fédérale, l'ajout de tâches d'intérêt commun doit recueillir l'unanimité. Par contre, la majorité simple, qui fait d'ailleurs le pendant et tempère la composition paritaire du conseil d'administration et la présence d'un commissaire par Région, suffit dans tous les autres cas.
Ik dank senator Vankrunkelsven voor de wijze waarop hij het belang van dit samenwerkingsakkoord heeft toegelicht.
Mijn antwoord aan heer Van Hauthem zal hem waarschijnlijk niet overtuigen. Ik heb in elk geval de keuze van de verdeelsleutel toegelicht voor de federale middelen die vroeger aan buitenlandse handel werden besteed en die nu naar de gewesten gaan en uitgelegd hoe ze zullen bijdragen tot de financiering van het Agentschap.
Na deze toelichting verzoek ik de leden van de meerderheidspartijen dan ook het ontwerp aan te nemen.
-De algemene bespreking is gesloten.