Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-53

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid

Vraag nr. 1923 van mevrouw M. De Schamphelaere d.d. 4 maart 2002 (N.) :
Overheidspersoneel. Contractuelen. Verbreking van de arbeidsovereenkomst wegens dwingende reden. Uitbetaling van het (achterstallig) vakantiegeld en van de werkloosheidsuitkering voor (niet)-vergoede vakantiedagen.

In mijn schriftelijke vragen nr. 1226 van 26 maart 2001 (Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 2-36 van 12 juni 2001, blz. 1771-1773) en nr. 1554 van 21 september 2001 (Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 2-43 van 6 november 2001, blz. 2204-2205) vroeg ik aan uw collega, de heer Luc Vandenbossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen reeds (gedeeltelijk) uitleg over voornoemde materie.

Uit de antwoorden op luik 3 van de twee door mij gestelde voornoemde vragen blijkt dat er in dit geval geen recht is op vakantiegeld voor de periode van de niet-gepresteerde vooropzeg, daar hier de regeling van toepassing het koninklijk besluit van 19 november 1998 is (cf. artikel 1, 3, 1, en artikel 10) betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.

Als antwoord op de luiken 4 en 5 van eerstgenoemde vraag deelt de minister mij mede dat het aantal dagen jaarlijks vakantieverlof voor het contractueel personeelslid dat in de loop van het jaar de dienst verlaat pro rato zal worden verminderd volgens artikel 12, 1, van voornoemd koninklijk besluit, en dat voor de berekening van het vakantiegeld dezelfde voorwaarden gelden als die welke zijn vastgesteld voor de rijksambtenaren (koninklijk besluit van 30 januari 1979). In dit bedrag wordt rekening gehouden met het referentiejaar, zijnde het voorafgaande jaar, en ook met de diensten gepresteerd in het lopende jaar tot op de dag van de verbreking, met inbegrip van de compensatiedagen voor feestdagen samenvallend met een zaterdag of een zondag.

Bovendien wordt mij in antwoord op luik 7 van deze eerste vraag en luik 5 van deze tweede vraag meegedeeld dat vakantiedagen die niet werden genomen, dienden genomen te worden tijdens de periode van tewerkstelling; ze gaan dus verloren en er wordt nooit een loonsom betaald.

Een werkloze die het vorige jaar was tewerkgesteld in de openbare sector en die dus van voornoemde regeling heeft genoten, wordt gelijksgesteld met iemand die geen recht heeft op vakantiegeld, maar slechts op een vakantiepremie. Iemand die daarentegen in het priv-stelsel werkte en recht heeft op een (on)volledig vakantiegeld (= uitgesteld loon), dient de vakantiedagen gedekt door vakantiegeld uit te putten ten laatste vr 31 december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar (artikelen 44 en 46, 1, 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, en artikel 20 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 betreffende de werkloosheid).

Graag had ik van de geachte minister het volgende vernomen :

1. Kan voornoemde vakantiepremie ook als (uitgesteld) loon beschouwd worden in de zin van voorvermeld koninklijk besluit, en zo neen, kunnen er in dit geval wel werkloosuitkeringen ingehouden worden ?

2. Is het niet voorbarig dat een uitbetalingsinstelling bij het indienen van een uitkeringsaanvraag dadelijk van de veronderstelling uitgaat dat iemand (nog) recht heeft op 24 vakantiedagen (volledig jaar), en naar rata hiervan maandelijks reeds twee (compenserende) dagen uitkeringen inhoudt op het bedrag dat er moet betaald worden ?

3. Dient deze instelling bij een dergelijke aanvraag, niet eerst een attest te vragen (afgeleverd door de ex-werkgever), om na te gaan hoeveel vakantiegeld en vakantiedagen de werkloze reeds genoten heeft vr het lopend jaar, hoe deze verrekening gebeurde, en wacht zij niet best tot na 31 december om een juiste (eind)afrekening te maken ?

4. Wordt er ook rekening mee gehouden dat er door de ex-werkgever een som kan zijn ingehouden op het vakantiegeld van het lopend jaar, als er pro rato meer vakantiedagen werden genomen dan waarop er recht was ?

Antwoord : 1. Bij de toepassing van de werkloosheidsreglementering wordt onderscheid gemaakt tussen enkel en dubbel vakantiegeld. De dagen gedekt door enkel vakantiegeld worden beschouwd als dagen gedekt door loon en zijn om die reden niet vergoedbaar.

Het contractueel overheidspersoneel dat geniet van de specifieke vakantieregeling openbare diensten ontvangt, gezien de specifieke vakantieregeling, bij uitdiensttreding slechts een vakantiepremie (vergelijkbaar met dubbel vakantiegeld, doch minder hoog), doch geen loon (vergelijkbaar met enkel vakantiegeld) voor de in de toekomst gelegen vakantiedagen. Deze personen ontvangen dus geen voordeel dat leidt tot een verlies van uitkeringen.

2 en 3. Ter gelegenheid van de uitkeringsaanvraag gaat de uitbetalingsinstelling na welke vakantieregeling toepasselijk is en hoeveel vakantiedagen de werknemer reeds genomen heeft. Deze gegevens worden door de werkgever vermeld op het formulier C4. Blijkt uit dit formulier dat de specifieke vakantieregeling openbare diensten toepasselijk is, dan wordt hiermee rekening gehouden en is er geen beletsel voor de toekenning van uitkeringen.

4. Het feit dat de werknemer die geniet van de normale vakantieregeling, in het vakantiedienstjaar een hoger aantal vakantiedagen heeft uitgeput dan datgene waarop hij recht heeft, kan geen invloed hebben op het recht op uitkeringen. De betreffende werknemer kan dan vergoedbaar zijn vanaf de datum van de uitkeringsaanvraag tot het einde van het jaar, aangezien alle vakantiedagen zijn uitgeput en geen beletsel voor de toekenning van de uitkeringen meer bestaat.

Betreft het een situatie waarin de werknemer in het vakantiejaar reeds vakantiedagen zou nemen, waarop hij pas in het jaar daarop recht heeft, dan houdt dit een overtreding van de wetgeving in. In dergelijk geval zal het recht op uitkeringen in het tweede jaar vastgesteld worden alsof de wetgeving correct werd nageleefd en zal geen uitkering toegekend worden voor een aantal dagen gelijk aan het aantal betaalde vakantiedagen waarop de werknemer in principe recht heeft.