2-225

2-225

Belgische Senaat

Handelingen

VRIJDAG 19 JULI 2002 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Algemene bespreking van het onderdeel Buitenlandse Betrekkingen en Landsverdediging

De heer Geens, rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Vandaag zijn we samen om onze zesmaandelijkse programmawet te bespreken. We kunnen er bijna de klok op gelijk zetten: elke zes maanden is het tijd voor de zoveelste aflevering van een reeks programmawetten. We weten allemaal dat een programmawet bedoeld is om de begroting toch maar sluitend te maken, om nog snel enkele problemen op te lossen, die vaak geld, veel geld kosten. Zuinigheid is iets wat de regering nauwelijks of niet kent. We willen het haar wel leren, maar we hebben niet de pretentie te veronderstellen dat het zal lukken.

De Kamer is erin geslaagd om van 145 artikelen er 207 te maken. De stijging van het aantal artikelen is recht evenredig met de toename van de benodigde middelen. In de commissie hebben onze collega's ons niet de kans gegeven artikelen te schrappen. We hebben daartoe nochtans heel wat amendementen ingediend. Ik weet ook niet waarom ze niet werden aanvaard, ook al knikten bepaalde leden van de meerderheid af en toe zeer instemmend. Of dit goed is of niet zullen de komende jaren uitwijzen. We voorspellen in elk geval dat goochelen met geld op langere termijn nooit rendeert. De paarsgroene droom zal ons - zo zal blijken - bijzonder veel geld kosten en daarvan zullen we allemaal een stukje betalen.

De programmawet is optioneel bicameraal. Dat betekent dat ze niet noodzakelijk in beide kamers moet worden besproken. Dat u hier zit, collega's, hebt u dus uzelf aangedaan. Voor ons was het niet nodig. Wij hadden deze beker aan ons willen laten voorbijgaan.

De meerderheidspartijen vonden het echter nodig om de programmawet te evoceren. Als wij een wetsontwerp evoceren, dan is het omdat we er problemen mee hebben, dat we er iets willen aan wijzigen, dat we er onvolmaaktheden willen uithalen. Meestal evoceren we als we er niet mee akkoord gaan, als we naar andere oplossingen willen zoeken.

Onze collega's van de meerderheid hebben de programmawet geëvoceerd opdat de oppositie haar diepe inzichten kenbaar kan maken en kan amenderen. We hebben amendementen ingediend, maar er zullen er helaas weinig worden aangenomen.

Ik vraag me af of de meerderheid de eerste minister niet zouden moeten overtuigen van het nut van de Senaat. Ik heb gisterenavond iemand horen citeren uit illustere boeken, ik heb zelfs iemand horen zeggen dat hij tegen de afschaffing van de Senaat was.

Als de premier ten gepaste tijde fulmineert dat de Senaat voor vertraging zorgt, dan heeft hij het steevast over de vertragingsmanoeuvres van de oppositie. Nu stellen we vast dat hij zich vergist, want het zijn niet de oppositiepartijen, maar de meerderheidspartijen die evoceren. De meerderheidspartijen wilden deze programmawet vandaag zo graag opnieuw bespreken.

Er werd hier gisteravond heel wat gezegd over het ontstaan van de programmawetten. Ik heb heel goed geluisterd.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - We hebben dat geleerd van uw fractievoorzitter, die ons soms urenlang heeft beziggehouden met het voorlezen uit boeken die we ook in ons bezit hebben.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik zou het niet durven hebben over `bezighouden', want ik heb hier gisteren collega's horen zeggen dat ze bijzonder veel geleerd hebben van de heer Vandenberghe. De heer Van Quickenborne zei `Ik volg mijn leermeester, ik heb veel van hem geleerd en ik zal u uitleggen hoe de programmawet ontstaan is'.

Minister Daems diende vroeger als lid van de oppositie zelfs een stapel amendementen in van één meter twintig hoog.

We vragen ons af wie hier vertragingsmanoeuvres uitvoert. Gisterenavond hoorde ik hier boeken voorlezen, het ontstaan van de programmawet en zelfs het ontstaan van de Senaat en van de Nationale Bank werd uitgelegd.

We vragen ons af of de meerderheidspartijen de geëvoceerde teksten ongewijzigd zal aannemen. Als de oppositie iets evoceert, dan is dat met de bedoeling er iets aan te wijzigen of nieuwe voorstellen te lanceren.

Er was alleen een schuchtere poging van mevrouw Lizin en de heer Destexhe, die een amendement indienden, maar het opnieuw introkken.

Wat hebben we eraan als leden van de meerderheid een programmawet evoceren zonder ze te willen amenderen, als ze met die evocatie niets willen doen en alles aan de oppositie overlaten? (Protest van minister Daems) Wij hebben een heleboel amendementen ingediend, waaronder een aantal zeer degelijke.

Hebben de partijen van de meerderheid alleen maar een politiek spelletje willen spelen? (Geroep) Of is de dadendrang van paarsgroen plots zo groot geworden dat ze bovenop haar eigen rol, ook die van de oppositie wil overnemen? (Applaus en gejouw) We zouden het toejuichen indien ze ons op de oppositiebanken zouden komen vervoegen!

M. Jean-François Istasse (PS). - Madame Thijs, j'ai beaucoup d'estime pour vous et je ne cherche pas à vous interrompre. Cependant, je tiens à dire que, si nous avons évoqué ce projet de loi-programme, ce n'est pas nécessairement pour y déposer des amendements. Nous avions beaucoup de très bonnes choses à dire à propos de cette loi-programme, qui vient au bon moment et permet une avancée réelle dans la législation de notre pays. Nous nous sommes exprimés de manière claire et complète hier soir. Maintenant, on peut avancer.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Dat is helemaal geen argument, mijnheer Istasse. Een programmawet evoceren, doe je alleen maar om haar te verbeteren. Hoe de meerderheidspartijen dat aanpakken weet ik niet, maar de CD&V-fractie organiseert bij elk geëvoceerd ontwerp grondig overleg. Wij maken amendementen op. U had dat ook kunnen doen, mijnheer Istasse, en dan zou mevrouw Lizin haar amendementen naar behoren hebben kunnen verdedigen en mogelijk zelfs laten goedkeuren.

Wat voeren de partijen van de meerderheid dan wel in het schild? Dat vragen we ons al de hele week af. Geraken ze het misschien onderling niet eens over wat ze dit laatste jaar nog willen doen? Wij hebben de indruk dat rood, groen en blauw elkaar vooral stokken in de wielen willen steken. Zo doet men toch niet aan politiek! `Samen uit, samen thuis' hebben wij altijd geleerd, maar de manier waarop de regeringspartijen elkaar nu pesten, is meer dan gênant. Zeker is dat de nervositeit in de regering toeneemt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ze weten niet hoe te reageren nu de VS dreigen met een oorlog tegen Irak!

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Heeft u al met de ministerraad over de oorlogsdreiging vergaderd, mijnheer Daems? Volgens De Standaard van vandaag gaat het er nu echt wel van komen.

Politici moeten normaal blijk geven van enige zin voor verantwoordelijkheid. Dat is iets totaal anders dan ieder zijn zin geven en teren op het potje dat wij hebben nagelaten. (Uitroepen)

Van verantwoordelijk bestuur is geen sprake, wel van iedereen zijn zin geven. Dat blijkt alleen al uit het feit dat het aantal artikelen van de programmawet, dat oorspronkelijk op 145 lag, na een aantal besprekingen is uitgegroeid tot 207. Omdat elke regeringspartij er iets aan wil toevoegen, omdat ze in dit laatste regeringsjaar allemaal nog wat cadeautjes willen uitdelen.

Wie beleid voert, moet beslissingen durven te nemen en moet neen durven te zeggen tegen de verleiding om te potverteren. Dat gebeurt niet meer. We kunnen voor of tegen de zin voor verantwoordelijkheid kiezen, maar verantwoording zal u ooit moeten afleggen, mijnheer Daems.

Het laatste jaar van de regeerperiode zal volgens ons problemen geven. De meerderheid wil resultaten laten zien. Wat valt er echter te zien? Sabena is er niet meer, de NMBS is nog maar pas terug op de rails gezet. De regering faalt op heel wat punten. Straks zullen we er 21 opnoemen. Het wordt tijd dat de meerderheid resultaten toont. Het is afgelopen met de leuke verhalen.

Met de beste wil van de wereld hebben wij geprobeerd om de coherentie van het verhaal van de meerderheid te zien. Daar zijn we niet in geslaagd, hoewel we er uren op hebben gestudeerd en er nachten aan hebben gewijd. We hebben wel heel goede amendementen ingediend. Nu verwachten we dat de meerderheid enkele van onze amendementen goedkeurt. Ik weet dat sommigen dat in hun hart willen, maar het is moeilijk om die stap te zetten.

Ik kom tot het deel over Defensie in de programmawet. Dat onderdeel is ook weer dit jaar een samenraapsel van regelingen die de bemoeienissen van de minister van Landsverdediging inzake personeelsbeleid groter zouden maken, zeker wat de syndicale afvaardigingen betreft. Gelukkig heeft de regering de Raad van State ernstig genomen en de nodige aanpassingen aangebracht. Minister Flahaut was blij toen ik dat zei, maar als de regering iets goeds doet, moet de oppositie dat ook kunnen zeggen.

Dat weerhield de regering er niet van om toch een nieuw amendement in te dienen met betrekking tot de representativiteit van de vakbonden waarover geen advies aan de Raad van State werd gevraagd. Die werkwijze klagen wij aan.

De vakbonden en de basis zijn tevreden, niet alleen over de nieuwe regeling inzake de syndicale afvaardiging, maar ook over het akkoord dat de minister met hen heeft gesloten over de aanpassing van de loonbarema's. Wat wij al sinds drie jaar vroegen, wordt plots mogelijk, nadat de militairen op straat kwamen. Er worden pas zaken gerealiseerd als mensen op straat komen en hun ongenoegen uiten.

Dat neemt niet weg dat er nog vele gaten moeten worden gevuld. Of zij ooit gevuld zullen worden, blijft natuurlijk de vraag. Wij hebben immers nog geen acht dagen geleden vice-eerste minister Vande Lanotte horen zeggen dat iedereen op het deksel van zijn potje moet gaan zitten, omdat er moet worden bespaard zodat de begroting in evenwicht blijft.

Beloftes kosten geld. Hoe kunnen beloftes worden ingelost als er geen geld is? Wij denken dan ook dat minister Flahaut in de problemen terecht zal komen. Er komen geen bijkomende middelen en de middelen die hij nodig heeft om zijn beloftes in te lossen, moet hij op zijn eigen begroting vinden. De premier heeft nog wel even aan minister Flahaut moeten duidelijk maken dat hij de middelen voor de aanpassing van de loonbarema's in zijn eigen begroting moet vinden.

De eerste minister komt overigens telkens op het juiste ogenblik tussenbeide, namelijk bij de definitieve hervorming, bij de compensatieregeling, en enkele weken geleden bij de looneisen. Onze grote zorg vandaag is te weten of de vakbonden niet een kat in een zak hebben gekocht. Alles wijst immers in die richting.

Dit dossier is bijzonder belangrijk.

In het leger zit bovendien bijzonder veel burgerpersoneel en ook daar nijpt het schoentje, want als dit dossier niet op de voet wordt gevolgd, dan vrezen wij dat het einde nog niet in zicht is. Het adagium `Luister naar mijn woorden, kijk niet naar mijn daden.' is hier perfect van toepassing.

Ondertussen heeft de minister van Landsverdediging het nieuwe investeringsplan voorgesteld en titelen de kranten dat de militairen meer geld en nieuw materiaal zullen krijgen. Wij kunnen alleen maar verzuchten `Too little, too late.'

De hervorming van het leger is er weliswaar gekomen, maar het leger kan niet altijd op hetzelfde niveau blijven. Er moet worden geïnvesteerd in nieuw materiaal.

Daarenboven beweert de minister dat er de voorbije twee jaar voor meer dan 1,5 miljard euro in het leger werden geïnvesteerd, tegenover een gemiddelde jaarlijkse investering van 630 miljoen euro gedurende de vorige regeerperiode.

Als oppositie hebben wij er geen enkel probleem mee om toe te geven dat dit correct is. Wij moeten ook echter ook eerlijk blijven. Het is niet moeilijk om aan een dergelijk bedrag te komen, als de vastleggingen voor de A400M, de vervanger van de C-130, erin zijn opgenomen. Zo kom je heel snel aan een dergelijk investeringsbedrag.

Met het strategisch transportschip zal de regering nog mooiere resultaten kunnen voorleggen. De militair in de kazerne of op buitenlandse missie zal zich afvragen voor wie al die miljarden hebben gediend. Dat zal het probleem zijn, want op deze mensen zal er moeten worden bespaard.

Ik zou de regering willen vragen om de oefening eens te maken voor elke investeringspost over de laatste vijf jaar. Ik ben benieuwd of de regering dan hetzelfde resultaat zal bekomen. De senatoren kunnen deze vergelijking niet maken, want zij beschikken nog steeds niet over de exacte cijfers van het investeringsplan. Wij dringen erop aan die cijfers zo snel als mogelijk aan de leden van de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden te bezorgen. Ik heb daarvoor ook in de commissie gepleit. Wij bespreken in de commissie regelmatig wat resoluties, wat wetsontwerpen en verdragen, maar wij zouden ook zicht moeten krijgen op de evoluties in het leger.

We vragen ons trouwens af wat er de jongste jaren allemaal gebeurd is. Het leger verkeert meer en meer in staat van ontbinding, want de grote hervorming van het leger is stilgevallen. Een hervorming veronderstelt immers een voortdurende nieuwe input, een constante begeleiding en ondersteuning, maar dat is niet het geval. Er heerst een zware malaise in ons leger, van de basis tot de top.

Als zowel de basis als de top beginnen te morren, is er ontegensprekelijk iets aan de hand. De basis wordt niet meer vervangen. Het middenkader loopt leeg, want die militairen stappen over naar de privé-sector of beginnen een zelfstandig beroep. Ik kan hen begrijpen. Als er geen basis en middenkader meer is, hebben ook de generaals geen job meer. Uit vragen die daarover in Kamer en Senaat gesteld zijn, onder meer door de heer Martial Lahaye, VLD-kamerlid, blijkt dat heel wat generaals thuis aan het `patatten jassen' zijn. Dat is onvoorstelbaar. In de nieuwe structuur is er aan de top immers geen plaats meer voor alle benoemde generaals. Sommigen worden bovendien nog voorbijgestoken door officieren die een lagere rang bekleden.

Ik raad iedereen aan zijn oren eens te luisteren leggen tijdens de opendeurdagen van het leger. Men staat versteld door wat men er hoort.

Minister Flahaut doet goed werk, maar de regering volgt hem niet en hij kan ook maar roeien met de riemen die hij heeft.

Omdat ons leger nochtans nog heel wat zinvolle opdrachten kan uitvoeren, bijvoorbeeld in het kader van de NAVO, moet er iets gedaan worden om de huidige leegloop te stoppen.

We vragen ons af wat er de volgende jaren zal gebeuren. Het hervormingsplan loopt tot 2015. Zal de regering er nog in slagen de geplande doelstellingen te realiseren? Hoewel er geen extra middelen zijn, moeten de beloften worden nagekomen. Tegelijkertijd worden er ook prestige-investeringen gepland, zoals de aankoop van het grote transportschip, die het budget ruimschoots overschrijden.

Er moet een keuze worden gemaakt. Als men de militairen een loonsverhoging belooft, moet er op andere vlakken worden beknibbeld of moet de ministerraad plotseling zo gul wordt en extra middelen toekennen. De oppositie roept de regering op alles in het werk te stellen om haar beloften in het volgende jaar na te komen.

Wij hebben de minister er meermaals op gewezen dat investeringen waarvan het nut nog niet is bewezen, een hypotheek leggen op de toekomst. Dat geldt zowel voor het personeel als voor de uitrusting. De keuzes die vandaag door de regering worden gemaakt, zijn ondoordacht en onverantwoord. Het definitief afzien van de specialisatie in de mijnenbestrijding, waarvoor we wereldwijd bekend staan, is geen goede strategische keuze. De aankoop van ons transportschip zal nog geruime tijd een zware budgettaire last blijven en heeft bovendien zware operationele gevolgen. De budgettaire en politieke consequenties van de beslissing over de vervanging van de F16's worden doorgeschoven naar de volgende regeerperiode, ongeacht de optie om al dan niet te kiezen voor deelname aan een performante luchtmachtvloot binnen de NAVO.

Wij vragen ons af of het hervormingsplan 2000-2015 zal worden aangepast aan de aangegane verbintenissen en zo ja, in welke richting.

Wij zijn allerminst gelukkig met een aantal dossiers waarvoor de minister van Landsverdediging rechtstreeks of onrechtstreeks bevoegd is. Met de regelmaat van een klok oppert de minister de idee om de huidige 60/40-taalverhouding op te blazen. Dat gaat niet enkel in tegen het standpunt van alle Vlaamse partijen, over de partijgrenzen heen, maar ook tegen de voorstelling van het leger als laatste bindmiddel in ons land.

Als overmorgen, op de nationale feestdag, het leger weer door de straten van Brussel defileert, zal weer worden gesproken over het leger als bindmiddel voor het land. Het idee om buitenlanders aan te trekken om het personeelstekort op te vangen, blijft actueel. Het opgeven van de bestaande 60/40-taalverhouding is voor CD&V onbespreekbaar. Het aanwerven van buitenlanders wordt door ons afgekeurd omwille van praktische en principiële redenen. Er zal daardoor een probleem van interne communicatie en bevelvoering ontstaan. Er zal de facto een verfransing van het leger gebeuren. De Belgische nationaliteit zal worden uitgehold. Het staat bovendien haaks op een politiek- strategisch- militaire logica en praktijk. Wij zijn altijd tegen een huurlingenleger geweest.

Ook de druk op ons internationaal engagement binnen de NAVO en de EU neemt toe. Door deze malaise op het vlak van personeel en materiaal dreigt onze beschikbaarheid op internationaal vlak in het gedrang te komen. Is België wel in staat om een groter engagement op zich te nemen, als de minister onze kritiek op de legerhervorming tot de zijne maakt? Te weinig middelen voor personeel, investeringen en trainingen heeft gevolgen voor onze veilige inzetbaarheid en voor onze Europese en internationale geloofwaardigheid en verbintenissen en voor de motivatie en veiligheid van het personeel. Dit zijn niet onze woorden, maar die van de minister. Hij schreef dit op een moment dat wij ons als oppositie volledig solidair verklaarden met een internationale coalitie tegen het terrorisme en op een moment dat België een operationaliteitsverklaring forceerde tijdens de Top van Laken.

Dan is er nog een heikel dossier dat veel vragen oproept over de ernst van de wijze waarop de minister te werk gaat, namelijk dat over de aalmoezeniers.

Collega Vandenberghe heeft dit reeds aangehaald tijdens een mondelinge vraag. Alles wat ook maar een christelijk tintje heeft, moet blijkbaar buiten. Dit kan toch niet. De manier waarop deze zaak werd aangepakt, getuigt van niet het minste respect voor diegenen die zich dagelijks inzetten voor het persoonlijk en het algemeen welzijn van iedereen.

Het betreft niet enkel de militairen zelf, maar ook hun gezinnen. Alleen bij de aalmoezeniers kunnen mensen nog met hun verhaal terecht. Misschien heeft ook de Senaat wel nood aan een aalmoezenier waar wij af en toe onze problemen kunnen aan voorleggen. Wat moeten we hier allemaal niet meemaken. Gisteren filibusterde de meerderheid tot twaalf uur 's nachts. Wij vragen ons soms af waar men mee bezig is.

Ik wil pleiten voor de aalmoezeniers omwille van hun goed werk en hun inzet voor de militairen en hun gezinnen. Moet dat werkelijk met de grond worden gelijkgemaakt?

Ik besef dat heel veel mensen niet wakker liggen van de wijze waarop onze krijgsmacht functioneert. Als de nood hoog is, wil CD&V echter wel dat een goed uitgeruste, opgeleide en performante krijgsmacht klaarstaat. Ook de meeste burgers willen dat.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik begrijp niet waarom CD&V zo'n krijgshaftige taal spreekt. In de bijbel staat: wie met het zwaard omgaat, zal er door vergaan. Dat zouden al de aalmoezeniers toch moeten weten!

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Daar gaat het niet over. Ik zou wel eens willen weten wie het meest om het leger zal roepen als er problemen rijzen. In ons land gaat het altijd zo: eerst worden de zaken verwaarloosd en dan ontstaat er een probleem. Wij zijn voorstander van een goed uitgerust leger.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Wie heeft gezorgd voor de afschaffing van de legerdienst en de inkrimping van het leger?

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Dat heeft daar niets mee te maken. Wij hebben gekozen voor een goed uitgerust beroepsleger. Wij hebben er niet voor gekozen dat sommigen die een politicus kennen, hem konden vragen om op een bepaalde plaats terecht te komen. Wij vinden dat iedereen gelijk is voor de wet. Daarom hebben wij gekozen voor een goed uitgerust beroepsleger. Uw partij heeft daar destijds toch ook voor gekozen, mevrouw Leduc!

Men mag een legerhervorming uiteraard niet als voltooid beschouwen. Men moet de evolutie volgen en de zaak constant evalueren. Dat doen wij hier vandaag.

Onze fractie en de minister hebben eigenlijk dezelfde bekommernis, namelijk een goed uitgerust leger, maar daarvoor zijn de nodige middelen nodig. Wij vrezen evenwel dat het huidige defensiebeleid nefast is voor de toekomst van onze krijgsmacht. (Onderbrekingen)

Ik ben nog niet klaar. Ik heb evenwel geen boeken meegebracht om uit voor te lezen, zoals de heer Van Quickenborne gisteren.

Ik heb de situatie geschetst waarin het leger zich vandaag bevindt. We hebben daarover grondig nagedacht en we hebben onze werkgroep Defensie samengeroepen. We zijn vertrokken van een aantal uitgangspunten. Bij de analyse van de huidige internationale veiligheidscontext gaat CD&V uit van het principe dat geen enkele situatie in de wereld definitief of constant is, wat duidelijk wordt aangetoond door het onverwachte einde van de oude oorlog.

Daarom zijn we als partij, als beweging, als fractie, als senatoren ervan overtuigd dat we momenteel geconfronteerd worden met een drietal categorieën van risico's en dreigingen.

Van de eerste dreiging is de waarschijnlijkheid aanzienlijk afgenomen, maar we mogen of kunnen niet aannemen dat ze voor altijd verdwenen is. Het betreft een nucleaire of massale conventionele aanval. Naar aanleiding van een of ander conflict, bijvoorbeeld tussen Pakistan en India, wordt daar nog wel eens over gesproken. Niettemin moeten we er rekening mee houden dat deze dreiging niet altijd veraf is.

Een tweede categorie, waarvan de vorm enigszins veranderd is en het relatieve regionale belang toegenomen is, omvat terrorisme, guerrilla, bevrijdingsoorlogen, etnische conflicten en de proliferatie van een aantal wapensystemen.

De derde categorie is die van de nieuwe risico's en dreigingen, zoals de groeiende verwevenheid tussen de internationaal georganiseerde misdaad en terrorisme, fanatisme en extremisme. Verder zijn er nog de tot lokale spanningen leidende migratiestromen, de kwetsbaarheid van data- en communicatiestructuren als basis van onze informatiemaatschappij en de vergaande impact van de technologische innovatie op de wijze van oorlogsvoering.

Deze drie belangrijke categorieën van dreigingen vormen de uitgangspunten voor onze stelling.

Daarenboven is België sedert 1948 duidelijk afgestapt van een louter nationaal georganiseerde defensie. Ook vandaag onderschrijft onze CD&V-fractie nog steeds de beslissing waarbij de nationale veiligheid en defensie worden gegarandeerd in een Europees kader binnen het Noord-Atlantisch Bondgenootschap, dat West-Europa gedurende meer dan vijftig jaar gevrijwaard heeft van een gewapend conflict en de interne stabiliteit verzekerd heeft.

Nergens ter wereld is het beter dan hier. Dat hebben we deels te danken aan de stappen die vijftig jaar geleden werden gedaan. Die hebben ook bijgedragen tot de vrede, de veiligheid en de welvaart van onze bevolking. Daarom hebben we het vandaag met zijn allen goed.

Om die reden zijn wij voorstander van een verdere uitbouw van de Europese defensie-identiteit, binnen het kader van de Noord-Atlantische alliantie. We zijn dan ook bereid een rechtvaardig deel te dragen van de lasten die verbonden zijn aan deze collectieve bescherming. Alleen de zon gaat voor niets op, voor het overige moet worden betaald.

Hoe groot dit rechtvaardig deel moet zijn, kan worden afgemeten aan de defensie-inspanningen van vergelijkbare NAVO-partners, zoals Nederland, Noorwegen en Denemarken.

De voorzitter. - Nederland doet veel meer dan België.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - In België durft men een discussie als die over de joint strike fighter niet aangaan.

België moet evenveel inspanningen doen als vergelijkbare NAVO-partners.

Dezelfde lijn moet worden gevolgd voor de uitbouw van een Europees defensiebeleid. CD&V steunt de inspanningen voor de realisatie van een autonome Europese defensiecapaciteit, weliswaar als ondersteunend element van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie. Hierbij moet rekening worden gehouden met de verklaring van de Europese Top van Keulen van 3 en 4 juni 1999 en het verdrag van Nice van 9 december 2000 waarin de grote krachtlijnen van de Europese defensie werden getrokken. Er moet blijvende aandacht uitgaan naar de verdere ontwikkeling van een Europees gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. De ontwikkeling van dit beleid hangt af van de versterking van het gemeenschappelijk buitenlands beleid.

De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat we op dat vlak regelmatig beschaamd moeten zijn. Eigenlijk falen we. We zouden een stuk sterker kunnen en moeten staan. Het is niet makkelijk om van vijftien visies tot één standpunt te komen, zeker als afstand moet worden gedaan van bevoegdheden. Willen dit beleid verder uitbouwen, dan moet de samenwerking met de buurlanden worden versterkt. Ook moeten andere vormen van samenwerking en synergie met strijdkrachten van andere lidstaten worden onderzocht.

De belangrijkste opdracht van de Belgische strijdkrachten is de deelname aan de collectieve defensie waarbij verbintenissen op basis van het nieuwe strategisch concept van NAVO worden aangegaan en nageleefd. Daarnaast kunnen troepen en middelen worden ingezet bij vredesondersteunende en humanitaire opdrachten. Bij de voorbereiding en uitvoering van deze taken moet naast het operationele karakter ook de veiligheid van onze troepen de grootst mogelijke aandacht moet krijgen.

Mijn opmerking over de veiligheid van onze troepen is dus wel degelijk op onze uitgangspunten gebaseerd. Als we het leger herstructureren, moet de veiligheid van onze troepen gegarandeerd blijven.

Om deze taken van internationale solidariteit binnen een bondgenootschap te kunnen uitvoeren, moeten de essentiële elementen van onze krijgsmachtdelen behouden blijven. Buiten de louter militaire taken, moeten Belgische strijdkrachten ook voor taken van hulp aan de bevolking ingeschakeld kunnen worden. Het begrip natie wordt bewust verlaten. Volgens Van Dale bestaat een natie uit alle mensen die oorsprong, taal, zeden, ... gemeenschappelijk hebben. Deze notie beantwoordt niet meer aan de werkelijke samenstelling van de bevolking die op het Belgische grondgebied verblijft.

CD&V oordeelt dat na de opschorting van de dienstplicht creatieve inspanningen nodig zijn om de band tussen het leger en de bevolking nauwer aan te halen. Waarom geen promotiecampagne organiseren op het rockfestival van Werchter waar 60.000 jongeren onder twintig jaar bijeen zijn? Laten we wat creatiever te werk gaan. Mensen moeten op een nieuwe, enthousiaste manier geworven worden. Dat geldt overigens niet alleen voor het leger. CD&V dringt erop aan dat de taken van de burgers binnen de krijgsmacht gevaloriseerd worden.

Ten slotte is CD&V er grondig van overtuigd dat de public relations-inspanningen van de krijgsmacht structureel moeten aangepakt worden. De CD&V-fractie dringt aan op een personeelsbeleid met gecoördineerde begeleidingsmaatregelen waardoor bestaande scheeftrekkingen inzake leeftijd en functiestructuur kunnen worden rechtgezet. Bij de concrete uitwerking moet de 60/40-taalverhouding worden gerespecteerd.

Gegeven de aanzienlijke kosten van hoogtechnologisch legermaterieel en de beperkte budgettaire bewegingsruimte, zijn we van oordeel dat België verdere inspanningen moet leveren om, in overleg met andere NAVO-partners, tot een evenwichtige en werkbare taakintegratie te komen en tot gezamenlijke wederuitrustingsprogramma's, waarbij ons land vanaf het eerste stadium oog moet hebben voor kansen voor onze bedrijven en de werkgelegenheid.

Dat we hiervoor willen opkomen zal minister Daems zeker appreciëren.

Om de herstructurering van het leger optimaal te kunnen voortzetten, vraagt de CD&V de opheffing van de bevriezing van de begroting van Landsverdediging. De defensiebegroting moet niet stijgen omdat er plots een transportschip moet worden aangekocht. We vragen een structurele verhoging voor de verschillende posten.

De huidige risico's en dreigingen, het onverwachte einde van de Koude Oorlog en de onvoorspelde evoluties van de internationale veiligheid sindsdien tonen aan dat geen enkele veiligheidssituatie voorspelbaar is. Het Belgische, West-Europese en transatlantische veiligheidsbeleid moet dit steeds voor ogen houden.

In brede lagen van de bevolking overheerst evenwel de indruk dat de risico's en dreigingen niet langer duidelijk aantoonbaar zijn en het probleem van de binnenlandse veiligheid wordt als een van de hoogste prioriteiten beschouwd. De actualiteit van de afgelopen maanden en jaren schijnt nochtans weinig ruimte te laten voor een veiligheidsbeleid dat de teugels viert. We moeten alert blijven.

Vijftig jaar vrede en veiligheid hebben de indruk gewekt dat we alles kunnen loslaten, dat een leger niet langer nodig is. Precies op zo'n ogenblik hebben we een leger nodig. Recente conflicten van verschillende aard en omvang - sommige op enkele uren rijden of vliegen van bij ons - bevestigen dat de aloude voedingsbodem voor gewapende conflicten onverminderd aanwezig is.

Het intense gevoel van onrecht dat grote delen van de wereldbevolking hebben, zorgt ervoor dat gewapende conflicten altijd mogelijk zijn. Dit onrecht komt voort uit de zeer ongelijke verdeling van welvaart, inspraak en kennis, uit de machtshonger van de enen of de radicale ideologieën van de anderen. Ook frustraties door de pogingen van het Westen om de wereldveiligheid te blijven garanderen, spelen mee.

De onderliggende mechanismen blijken dus complex te zijn. Aan de toog kunnen we de wereldproblemen vaak gemakkelijk oplossen, maar van een echte aanpak zijn we nog ver verwijderd en in de realiteit blijken onze inspanningen veel te zwak of tegenstrijdig te zijn. Daarom moeten we voor ogen houden dat het risico blijft bestaan dat verongelijkte volkeren of hun leiders hun recht met geweld pogen af te dwingen.

Om de organisatie en de middelen voor het ministerie voor Veiligheid en Samenwerking voor de 21ste eeuw te kunnen schetsen, moet de opdracht ervan duidelijk zijn. Dit veronderstelt een grondige studie van de risico's en dreigingen die we op basis van onze huidige kennis tussen nu en 2015 kunnen verwachten.

Het is ook uitermate belangrijk dat de bevolking op een correcte en verantwoordelijke wijze wordt geïnformeerd.

Agressie of geweld vinden vaak hun oorsprong in reëel of gemeend onrecht dat vele vormen kan aannemen. De kloof arm-rijk wordt veeleer groter dan kleiner. Bevolkingen die in armoede leven worden dagelijks geconfronteerd met welstellende elites in hun land en met beelden van de Westerse rijkdom.

In de parlementaire onderzoekscommissie Grote Meren zien we dat natuurlijke rijkdommen leiden tot excessen, tot oorlogen en humanitaire rampen. De jongste jaren zijn in Midden-Afrika circa 3 miljoen mensen gestorven of vermoord omwille van die natuurlijke rijkdommen. Natuurlijke rijkdommen zijn ongelijk verdeeld over de planeet. Ertsen en olie blijven een bron van wrijving of conflicten tussen staten en/of niet-statelijke actoren. In vele regio's kan de toegang tot drinkwater het voornaamste strijdpunt van de komende decennia worden. Ongeveer 200 stromen en rivieren hebben ten minste twee oeverstaten. Dat betekent dat er conflicten kunnen ontstaan.

De milieudruk zal de strijd om leefbare grond doen toenemen. Milieudruk, langdurige droogte of regelmatige overstromingen maken goede, leefbare grond schaarser voor de steeds toenemende wereldbevolking. De afwezigheid van een rechtsstaat in vele arme landen belet degelijk bestuur, waardoor intern de ongelijkheid vergroot en extern de economische achterstand tegenover de rijke wereld toeneemt.

Men kan zich afvragen waarom ik al die punten aanhaal. Welnu, het gaat om de gevolgen van bepaalde artikelen van de programmawet voor de vrede en de veiligheid in de wereld.

Mevrouw Lizin weet alles over migratiestromen. Met de Commissie voor de Binnenlandse Zaken hebben we het er al vaker over gehad en we zijn in Kirgizstan, Moskou en Albanië geweest. De migratiestromen ontstaan massaal of geleidelijk. Ze kunnen de economie en de werkgelegenheid van de gastlanden onder druk zetten, vijandige reacties uitlokken bij de autochtone bevolking, een uitvalsbasis bieden voor militaire operaties en terroristische of criminele organisaties herbergen. Gevoelens van onmacht leiden bij sommigen tot extremisme of fanatisme met politieke, nationalistische, etnische of religieuze motieven. Sommige bevrijdingsbewegingen konden de Koude Oorlog enkel overleven door financiering uit criminele activiteiten. De georganiseerde misdaad gebruikt meer en meer zware wapens en terreur.

Het versmelten van politiek terrorisme en georganiseerde misdaad wordt als bijzonder dreigend ingeschat. Elke week is er overigens wel een senator die over de combinatie van deze twee factoren een vraag om uitleg of een mondelinge of schriftelijke vraag stelt.

Welke zijn de gevoelige regio's? In het raam van een collectief defensiesysteem is het uiteraard niet elk land apart dat een eigen analyse maakt van de risico's en de dreigingen. Deze analyse wordt permanent gemaakt in het raam van de alliantie. Vanuit een NAVO-invalshoek zijn onze directe buren onder andere de Russische Federatie, de Balkan, het Midden-Oosten, Afrika en iets verder de Zuidelijke GOS-republieken en de Aziatische en Stille Zuidzeeregio.

Met de Russische Federatie hebben we al heel wat ervaring. Gisteren nog was er een gezamenlijke persconferentie over een verslag dat wij samen met de Doema hebben gemaakt. De politiek en socio-economische toestand in dat land is niet echt duidelijk.

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

Er leven tal van vragen, onder andere over het behoud van de eenheid, over de verdeling van het militaire potentieel en van de opbrengst van de grondstoffen, over de stabiliteit van de regering en over het gedrag van bepaalde partijen en personen in een eventuele machtsstrijd.

In de Balkan is de spanning nog altijd niet verdwenen. Indien dat wel het geval was, zouden onze strijdkrachten daar al lang vertrokken zijn. Dat betekent voor ons land een hele investering maar volgens de CD&V-fractie is die zeker de moeite waard. De omwenteling die zich momenteel in Servië voordoet ten gevolge van protestacties van de bevolking, doet de hoop ontstaan dat democratische hervormingen in deze regio snel kunnen worden doorgevoerd.

Over Turkije moeten we zeggen dat zowel de interne situatie als de relaties met andere landen niet erg stabiel zijn. Turkije gebruikt het NAVO-lidmaatschap als koevoet om toe te treden tot de Europese Unie. Dat kan een ernstige crisis binnen de NAVO meebrengen, als Turkije zijn houding tegenover de Europese defensie-identiteit niet wijzigt. Voorlopig blijven tal van problemen in Turkije aanslepen. Geregeld wordt er ook hier in de Senaat een resolutie ingediend over de mensenrechten, de Koerden, de interne democratie, Griekenland, Cyprus, enzovoort.

In het Midden-Oosten maakt het vredesproces een moeilijke periode door. Mevrouw Lizin brengt dit geregeld ter sprake en gisteren nog stelde de heer Van Quickenborne een vraag over de Hezbollah.

Over Afrika heeft de Senaat negen maanden geleden al een onderzoekscommissie gestart. De historische relaties tussen België en centraal Afrika maken het onmogelijk dat we deze regio de rug zouden toekeren. En toch gebeurt dat nu, zogenaamd wegens de drama's van 1994 in Rwanda. Wij laten deze mensen zomaar in de staak. Wij mogen onze militairen niet meer naar deze regio sturen, hoewel België algemeen bekend staat als de expert voor Rwanda en Burundi. De huidige ontwikkelingen in Afrika beloven geen beterschap op korte termijn.

Dat zien we elke dag opnieuw. Wij hopen dat de akkoorden van Lusaka nu eindelijk worden uitgevoerd en dat er enige evolutie is na de inter-Congolese dialoog in Sun City.

De zuidelijke republieken van het GOS, die veel armoede kennen en een zwak staatsbeheer hebben, worden geconfronteerd met georganiseerde criminaliteit en concurrerende religies.

In Azië, in de regio van de Stille Zuidzee, zijn de economische crisis en de Indiase en Pakistaanse kernproeven onrustbarend. Dat brengt ons bij de nucleaire dreiging. Hoe zullen de machtsverhoudingen tussen China, Japan, de Verenigde Staten en de Russische federatie evolueren? En de machtsverhoudingen tussen China, India en Pakistan? De toestand in Indonesië houdt nog heel veel potentieel conflict in.

De schaal en de complexiteit van deze risico's en van een geloofwaardige ontrading overstijgen ver de mogelijkheden van een louter nationaal georganiseerde defensie. De enige echte structurele aanpak van risico's en dreigingen bestaat er uiteraard in hun voedingsbodem weg te nemen. Wij weten echter dat dit niet gemakkelijk is. De christen-democraten blijven ijveren voor meer rechtvaardigheid en een billijker verdeling van de rijkdom, kennis en macht. Bestaande spanningen en escalerende crisissen moeten snel en energiek worden ontladen via preventieve diplomatie en crisismanagement.

Twee jaar geleden heb ik gesmeekt om in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen een grondige studie uit te voeren over het thema van conflictpreventie. Nergens in Europa is dat de laatste jaren gebeurd. We hebben een enorme kans laten liggen. Crisismanagement en conflictpreventie moeten de nodige aandacht, de nodige middelen en misschien ook de nodige regionale structuren krijgen.

Toch zullen regionale conflicten en een mogelijke aanval op een bondgenoot nog zeer lang op de agenda van Defensie blijven staan. Daarom moeten we aan een zo breed mogelijk spectrum van risico's weerwerk kunnen bieden. Het meeste leed wordt uiteraard bespaard wanneer dat weerwerk zodanig wordt uitgebouwd dat de potentiële belager uiteindelijk afziet van een aanval. Zover moet ons gemeenschappelijk veiligheidsbeleid gaan. Vandaag is dat niet het geval, maar we moeten ernaar streven. Een geloofwaardige ontrading blijft zonder enige twijfel het veiligste verdedigingssysteem dat bovendien vanaf de eerste stadia van een conflict een solide ruggensteun kan bieden aan alle inspanningen op het vlak van preventieve diplomatie en crisismanagement. Collectieve defensie is gericht op het beantwoorden van externe dreigingen. Ze stoelt op de samenwerking van verschillende staten teneinde de zelfverdedingscapaciteit te versterken. De belangrijkste kenmerken zijn een gemeenschappelijke perceptie van de dreiging, van de eigen kwetsbaarheid en van de te treffen maatregelen. Onze veiligheid is in essentie een collectieve aangelegenheid, die het best wordt gewaarborgd door het behoud van de wederzijdse defensiegarantie in het kader van de NAVO en de WEU.

De verplichting tot bijstand als de veiligheid van één van de NAVO-lidstaten is bedreigd, blijft onverkort de hoeksteen van het bondgenootschap.

Sinds het einde van de koude oorlog is de veiligheidscontext ingewikkelder en onzekerder geworden. De veiligheid van de NAVO-lidstaten wordt eveneens bepaald door de stabiliteit van de ons omringende landen en regio's.

Beslissingen tot deelname aan humanitaire interventies moeten op een aantal criteria steunen. Zonder criteria zal er te pas en te onpas om humanitaire redenen worden geïntervenieerd. Er moeten juiste criteria worden in acht genomen.

Welke criteria kunnen dat zijn? Ten eerste, de vaststelling van een duidelijke wil van de betrokken partijen om de vrede een kans te geven zodat de opdracht afdoende slaagkansen krijgt. Ten tweede, de politieke beslissing om troepen en middelen in te zetten dient door de regering geval per geval te worden genomen. De doelstellingen dienen haalbaar en de operatie uitvoerbaar te zijn. De inzet moet zo transparant mogelijk zijn en geschraagd worden door een maatschappelijk draagvlak en door het Parlement.

De slaagkansen en de veiligheid van onze troepen zijn het best gewaarborgd, waar zij ook worden ingezet, als de onmiddellijke capaciteit aanwezig en zichtbaar is, om zelfs in geval van escalatie, het overwicht te behouden. Dit impliceert soepele engagementsregels, goede inlichtingen en analysecapaciteit en een grote beslissingsbevoegdheid bij de bevelhebber op het terrein.

Een specifieke training voor humanitaire of vredesondersteunende operaties moet verder vorm krijgen. Iedereen is het er over eens dat ons leger nieuwe taken moet krijgen en nieuwe uitdagingen moet opnemen. Eén van die nieuwe uitdagingen zijn precies die humanitaire operaties.

Een belangrijk onderdeel hiervan is de politionele taak van militairen in conflictgebieden zonder of met een slecht functionerende bestuurlijke organisatie. Het ontbreken van een politieapparaat plaatst de aanwezige militairen vaak in zeer precaire situaties zowel op het vlak van de veiligheid van de plaatselijke bevolking als voor hun eigen veiligheid. Daarom opteert de CD&V voor een specifieke standaardmodule in de opleiding van elke militair met als doel de algemene vorming op het vlak van de vredesondersteunende operaties.

Voor een detachement dat wordt uitgestuurd, duurt een dergelijke opleiding vier maanden. Indien men van bij het begin van de opleiding stelselmatig en op gestructureerde wijze vertrouwd wordt gemaakt met dat thema, zal de snelle inzetbaarheid aanzienlijk toenemen.

Uitgebreide politietaken mogen echter niet toevertrouwd worden aan militairen. Daarvoor zijn zij niet opgeleid. De eenheidspolitie moet deze opdracht opnemen in haar internationaal takenpakket.

Er is ook de ontwikkelingssamenwerking. De logistieke capaciteit van het leger en de knowhow van de manschappen kunnen in ontwikkelingslanden goede diensten bewijzen.

Ik breng hierbij hulde aan de minister van Landsverdediging voor zijn project in Benin. Hij heeft daar ongelooflijk goed werk verricht. Dat zal het imago van België zeker ten goede komen en het is een goede zaak voor de training van de manschappen. Een voorwaarde is echter een goede samenwerking tussen de drie betrokken departementen, namelijk Landsverdediging, Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Zaken, maar daar schort blijkbaar wat aan. Wij vinden het belangrijk dat Landsverdediging voor bepaalde taken niet in concurrentie treedt met de privé-sector.

Wij zijn van oordeel dat elk land het recht heeft zich te verdedigen. Wanneer er in een land een positieve evolutie is van het beleid inzake mensenrechten, goed overheidsbeheer en democratie, kan een militair-technische samenwerking overwogen worden. Dat moet bij voorkeur in een multilateraal verband gebeuren.

De hulp aan de bevolking kan zich op drie niveaus situeren. Er is ten eerste het bestrijden van de ramp, zeker in geval van ABC-rampen van nucleaire, biologische of chemische aard, ten tweede de medisch-sanitaire hulp en ten derde de logistieke steun vooral bij complexe logistieke opdrachten.

Publiek en pers voorlichten is geen echte taak van de krijgsmacht, behalve misschien voor wat betreft de eigen inbreng.

De krijgsmacht is niet aangewezen voor het handhaven van de openbare orde, tenzij in uitzonderlijke omstandigheden.

Verdere eventuele bijdragen, al dan niet in geval van rampen, zijn het verzekeren van een permanentie in crisiscentra, het helpen bij het opmeten van de schade, het verzorgen van bijkomend vervoer te water, op de weg of in de lucht, het verlenen van hulp bij evacuaties, het inzetten van schepen als vooruitgeschoven mug's voor de controle en de bewaking van de kustwateren en voor het betrappen van zeevervuilende schepen, het verstrekken van weerberichten (wat belangrijk kan zijn bij chemische rampen), het verzorgen van radiotransmissies, het leveren van bijdragen in werken van grote omvang zoals grondwerken, puinruimen, tijdelijke bruggen bouwen, gebouwen slopen en hef- en sleeptoestellen aanbrengen, het voorzien in brandstof, verlichting, pompen en elektriciteit.

Een laatste aspect is het beheren van noodhuisvesting. Denk maar aan de bijdrage die ons leger geleverd heeft bij de grote toestroom van asielzoekers in december 2000.

Gelet op de structuur, het personeelsbestand en de financiële middelen zou het leger eigenlijk niet moeten ingaan op vragen van Binnenlandse Zaken. Er zijn geen budgettaire middelen voor prestaties aan derden, ook niet wanneer andere departementen erom verzoeken en zelfs niet wanneer de krijgsmacht wordt opgevorderd. Die prestaties moeten dus betaald worden. Betaalt Binnenlandse Zaken facturen aan Buitenlandse Zaken?

Er is nood aan een besluitvorming die beter aangepast is aan crisissen en rampen.

Dit moet leiden tot een betere synergie tussen de middelen van het leger en die van het ministerie voor veiligheid en samenwerking, en de plaatselijke of regionale besturen door middel van opleiding en gezamenlijke oefeningen, inventarisatie van inzetbare middelen en de organisatie van infodagen over het beschikbare materieel.

België is een kleine, maar loyale NAVO-partner en moet dat ook blijven. Om de hervormingen een kans op slagen te geven en de positie van België op Europees en internationaal niveau niet in het gedrang te brengen, is de Belgische regering genoodzaakt keuzes te maken. De keuzes die de CD&V voorstelt, zijn erop gericht een kleiner, maar efficiënt leger uit te bouwen met goed betaalde manschappen en burgerpersoneel. Zoals in het hoofdstuk over de risico's en dreigingen werd aangetoond, is de toekomst onvoorspelbaar. De aard van de inzet van het leger op korte of langere termijn is daardoor ook onvoorspelbaar. We moeten bijgevolg durven openstaan voor kritische vragen over het behoud van de huidige toestand. Moet België vanuit het voorzorgsprincipe de huidige toestand met de keuze voor gevechtsvliegtuigen, fregatten en een gemechaniseerde inzet van de landcomponent op het actuele niveau in stand houden? Betekent solidariteit in een collectief defensiesysteem, met name binnen de NAVO, maar ook in het raam van een Europese defensie of van een VN-opdracht, dat België aan elke macht op elk niveau moet participeren?

Ondanks de onvoorspelbaarheid van de toekomst en afgaand op de Belgische en militaire geschiedenis, durven we aannemen dat de kans dat België in een internationaal conflict geïsoleerd raakt met rechtstreeks gevaar voor het grondgebied en het voortbestaan van de staat, bijzonder gering is. Daarom opteren de Vlaamse christen-democraten voor een internationale rol voor België, op maat voor ons land: bescheiden, maar kwalitatief hoogstaand. Dat moet de rode draad zijn doorheen de hele structuur van de krijgsmacht. Dat betekent onder meer dat België niet krampachtig moet vasthouden aan alle verworven kennis en expertise, maar dat we bewust een keuze moeten maken uit de militaire opdrachten die we ter harte willen nemen. De keuze van de CD&V is ingegeven door realisme. Het Belgisch leger moet niet alle taken opnemen om een goede bondgenoot te zijn. Wat we doen, moeten we goed doen. Daar komt het op aan. Dat geldt voor alle facetten van het politieke leven.

Het feit dat België over een kuststrook en de daarbij horende territoriale wateren beschikt, verantwoordt het bestaan van de marine.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Nu gunt de regering de marine zelfs geen boten meer. Wat kan een marine nog doen zonder boten?

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Dat vraag ik me soms af. We hebben nu eenmaal een marine, dus moeten we ze uitrusten. Of moeten we de Nederlanders misschien vragen onze verplichtingen over te nemen?

De heer Jacques Devolder (VLD). - Onze marine is internationaal zeer gewaardeerd.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Maar wat willen we doen? Onze vloot mijnenvegers, waarin we expertise hebben en waarvoor iedereen ons looft, willen we ontbinden.

De heer Jacques Devolder (VLD). - Ook de opleidingen gebeuren nog in ons land en worden internationaal als zeer goed erkend.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Waarom doen we daar dan niet mee voort? De regering wil dit afschaffen. Dat is onvoorstelbaar.

België beschikt over een haveninfrastructuur van wereldformaat. Naar buiten zijn we daar echter niet fier genoeg op. In China of Japan kent iedereen de haven van Rotterdam. Wij promoten onze havens niet genoeg.

Ik was ooit uitgenodigd in de haven van Antwerpen. Er werd toen gesproken over het nut van die haven en over de bekendheid en de public relations van de overheid. Waarom kan onze overheid geen promotie voeren voor onze havens van Antwerpen en van Zeebrugge? We hebben niet voldoende chauvinisme. Als onze eerste minister naar het buitenland gaat, zou hij daar met overtuiging en telkens weer onze havens moeten promoten.

De heer Jacques Devolder (VLD). - Wij hadden in het weekend de vlootdagen in Zeebrugge. Meer dan 70.000 landgenoten, Nederlandstaligen en Franstaligen, zijn er op bezoek geweest. Zeg niet dat we niet aan promotie doen.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Intern, maar niet extern. (Onderbrekingen)

Ons land beschikt over belangrijke havens en een haveninfrastructuur van wereldformaat. Onze economische en maritieme belangen zijn dan ook zeer nauw met elkaar verbonden. De Belgische marine staat bekend om haar expertise op het gebied van mijnbestrijding. Tijdens de VN-campagne tegen Irak in de Perzische Golf oogstte de marine internationale bijval voor van haar professionalisme. Door die expertise is het mijnenvegen één van de vaste NAVO-opdrachten van België geworden. Met deze specialisatie komt ons land ruimschoots tegemoet aan de verwachte solidariteit met de geallieerden, zowel in vredes- als in oorlogstijd. Ook de ver doorgedreven samenwerking met de Nederlandse marine in de Admiraal Benelux geldt hier als voorbeeld.

Het mijnenjagen en het mijnenvegen zijn twee aanvullende componenten van de mijnenbestrijding. Het wekt dan ook verwondering dat één van die twee componenten, namelijk het mijnenvegen, werd geschrapt door de paarsgroene regering.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Dat is een kwestie van specialisatie.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - De vier kustmijnenvegers waarvan de vervanging op stapel stond, werden uit het moderniseringsplan geschrapt. Als reden daarvoor werd aangehaald dat zou worden onderzocht of jaag- en veegcapaciteiten kunnen worden samengesmolten. De beslissing wekte des te meer verwondering, daar wel beslist werd de drie fregatten op termijn te vervangen door twee multifunctionele escorteschepen. Thans worden de fregatten echter te veel ingezet voor oneigenlijk gebruik, niet alleen in het kader van de verantwoordelijkheden van de Staat in de territoriale wateren en in de exclusief economische zone, maar ook voor opdrachten in internationaal verband. Voor die taken zijn kleinere en snellere patrouillevaartuigen beter geschikt.

Onze fractie wil dan ook dat de regering terugkomt op de ongefundeerde beslissing om de kustmijnenvegers niet te vervangen.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

De Nederlandse marine is het beste geplaatst om de fregattaken uit te voeren en verder uit te bouwen, maar onze specialisatie is zeer belangrijk.

De huidige capaciteit van de luchttransportvloot moet behouden blijven. De C-130-toestellen zullen op termijn vervangen worden door de nieuwe A400M. We vinden dan ook dat de 15de Wing in Melsbroek moet blijven.

De voorgestelde hervorming van de Landmacht kan grotendeels de goedkeuring van de CD&V-fractie wegdragen. Met de uitbouw van twee volledig operationele brigades naast de brigade paracommando, moet de kwaliteit van de inzetbare manschappen en van hun materieel primeren. Tijdens multinationale operaties, al dan niet in het kader van artikel 5 van het NAVO-handvest, is de bescherming van de militairen prioritair. Dergelijke operaties kunnen maar slagen indien zowel de training van de manschappen als de kwaliteit van de uitrusting en de middelen zeer hoog is.

Nu België zich inschrijft in de uitbouw van een Europese snelle interventiemacht, moeten ook de structuur, manschappen en middelen in die zin uitgebouwd worden: snel inzetbaar en beschikbaar gedurende een lange periode.

Wat de structuur betreft, moeten de staven worden aangepast aan de werkelijke grootte van het leger door het centraliseren van de middelen. Onze fractie onderschrijft de drie basisprincipes die de regering hanteert, namelijk joint is de regel, combined waar mogelijk en de civiel-militaire samenwerking is een must. Er moet dus een eenheidsstructuur tot stand gebracht worden met een minimumaantal niveau's, zodat de krijgsmacht met een vermindering van het personeel de kerntaken kan vrijwaren.

De huidige situatie op personeelsvlak mist evenwicht ten gevolge van de diepgaande herstructurering, meer specifiek door de opschorting van de dienstplicht en de genomen kwalitatieve maatregelen. Er zijn nog steeds te veel onderofficieren, dit ten koste van de vrijwilligers. Een veroudering van de effectieven is opgetreden, wat een ongezonde leeftijdspiramide tot gevolg heeft. De aanwezigheid van voldoende jonge vrijwilligers in de operationele eenheden is een absolute vereiste.

De nodige ruimte moet worden gecreëerd voor nieuwe aanwervingen. Op dit moment is de job van militair niet echt aantrekkelijk. Dit heeft te maken met de vele keuzemogelijkheden die de arbeidsmarkt momenteel biedt. Het leger kan de concurrentie met de ander grote spelers op de arbeidsmarkt niet meer aan. Om het leger opnieuw aantrekkelijk te maken zijn een aantrekkelijk loon, aangename werkomstandigheden en voldoende ontplooiingskansen nodig.

Ruime opleidingskansen en de afstemming gezin-werk zijn ook belangrijk. Als we meer vrouwen in het leger willen, moet aan dit laatste aspect zeker aandacht worden besteed.

We moeten voorkomen dat minister Flahaut moet blijven bedelen. Hij moet de nodige middelen krijgen om zijn militairen te betalen, om een klein maar goed uitgerust leger te onderhouden.

CD&V vindt pacifisme een correcte basishouding. Conflictpreventie moet de eerste bezorgdheid zijn bij de uitbouw van een buitenlands beleid dat gebaseerd is op de naleving van de mensenrechten. Dit betekent echter niet dat we de ernst van de conflicten en de mogelijke gevolgen ervan niet correct moeten inschatten. Als conflictpreventie faalt en de internationale gemeenschap geconfronteerd wordt met een crisissituatie die alleen nog met militaire middelen kan worden opgelost, moeten de gevolgen van deze keuze op een correcte manier worden ingeschat en aanvaard. De Vlaamse christen-democraten willen de bevolking daarvan beter bewust maken. De accentverschuiving binnen het Belgische leger van louter defensie naar meer internationale betrokkenheid gaat gepaard met de opschorting van de legerdienst en de omvorming van een vrijwilligersleger naar een beroepsleger. De nadruk komt meer en meer te liggen op de vredesondersteunende operaties in een multinationaal kader. Dit betekent dus niet dat er bij dergelijke operaties geen gevaar bestaat voor de veiligheid en het leven van de ingezette troepen. De Petersbergtaken die door de Europese snelle interventiemacht zullen opgenomen worden, hebben niet alleen betrekking op humanitaire operaties, maar omvatten ook de evacuatie van inwoners evenals peace keeping- en peace enforcementopdrachten. Daarom stelt CD&V voor het ministerie van Landsverdediging om te vormen tot het ministerie voor Veiligheid en Samenwerking. Veiligheid heeft betrekking op de interne en externe veiligheid, samenwerking op de nationale en de internationale samenwerking.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Geweldpreventie wordt nu door de vredesbewegingen meer naar voren geschoven dan conflictpreventie. Ik heb mevrouw Thijs daarover nog niet veel in de commissie Buitenlandse Betrekkingen horen zeggen.

Meer dan één jaar geleden hebben we daarover een voorstel ingediend. Mevrouw Thijs had daar vanuit de oppositie kunnen op inspelen.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Meer dan twee en een half jaar geleden heb ik een voorstel ingediend in de commissie Buitenlandse Betrekkingen. In onderling overleg met alle aanwezige senatoren heb ik voorgesteld om sprekerslijst op te stellen voor een studiedag daarover. Men vond dat toen overbodig en wachtte liever op een wetsontwerp, een verdrag of een resolutie.

De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft haar mogelijkheden niet ten volle benut. Ze heeft enkel een aantal verdragen en resoluties goedgekeurd, maar voor de rest heeft ze niets gedaan. We hebben aangedrongen op een degelijk debat. Het is jaren geleden dat er in Europa nog een debat werd gevoerd over conflictpreventie. We hebben een voorstel ingediend om een dergelijk debat te organiseren en kregen nul op het rekest. Had men in het gebied van de Grote Meren of in de Balkan meer geïnvesteerd in conflictpreventie, dan hadden we bepaalde catastrofen misschien kunnen voorkomen. Als de Senaat nog wat wil betekenen, dan moet hij conflictpreventie op de internationale agenda plaatsen. De Senaat moet grondig studiewerk verrichten. We hebben dit de afgelopen drie jaar op een aantal vlakken gedaan, maar we zijn op een aantal thema's niet diep genoeg ingegaan. Misschien kunnen we tijdens het laatste jaar nog iets rechtzetten.

De naamsverandering van ministerie van Defensie naar ministerie voor Veiligheid en Samenwerking is goed. De CD&V-fractie zal daaromtrent een wetsvoorstel indienen. Het gaat om meer dan een symbool: naast een duidelijke positieve benadering van het leger, beantwoordt de nieuwe naam aan de nieuwe en meer complexe taak die het leger sinds het einde van de Koude Oorlog heeft gekregen.

Tot zover het hoofdstuk defensie.

Ik kom nu tot de ontwikkelingssamenwerking.

Lang geleden, om precies te zijn op 10 oktober 1999, hebben mevrouw De Schamphelaere en ikzelf een resolutie ingediend over schuldkwijtschelding voor de armste landen. Er liep op dat ogenblik een internationale campagne, Jubilee 2000, die de schuldproblematiek van de armste landen onder de aandacht bracht. De campagne ijverde intensief voor volledige kwijtschelding van de schuldenlast van de armste landen in het jaar 2000 en werd gedragen door tal van bewegingen die in het midden van de jaren 1990 ontstonden en uitgroeiden tot een breed platform van christelijke en niet-confessionele groepen. De beweging is in tientallen landen actief en verzamelde wereldwijd 22 miljoen handtekeningen die ze in juni 1999 overhandigde op de top van de G7 plus Rusland, in Keulen. Onder druk van die campagne kondigden heel wat regeringsleiders nieuwe initiatieven aan. Die aankondiging wordt elk jaar hernieuwd. Enkele dagen geleden las ik nog dat de Belgische NGO's opnieuw de schuldkwijtschelding vragen. We zijn dus nog altijd geen stap verder dan drie jaar gelden.

Overheidsschuld is niet abnormaal. We kunnen er in ons land over meespreken. Elk land moet investeren in infrastructuur en gaat daarvoor leningen aan. De kapitaalaflossingen en interesten mogen de ontwikkeling van een land echter niet hypothekeren en dat gebeurt vandaag wel. Het overheidsbudget mag niet zo zwaar worden belast dat belangrijke uitgaven voor onderwijs, overheidsapparaat, gezondheidszorg enzovoort in het gedrang komen. De schuldenlast mag evenmin de toekomstige privé-ondernemingen en privé-investeringen hypothekeren doordat de geldschieters hun vertrouwen in het investeringsklimaat en de overheid verliezen.

Welke sociale gevolgen heeft een hoge schuld? De internationale drukkingsgroepen onderstrepen dat schuld niet enkel economische gevolgen heeft, zoals de terugloop van investeringen en de instabiliteit van de betalingsbalans, maar ook een menselijke kostprijs. Dat laatste wordt gemeten in termen van verloren kansen voor volksgezondheid, scholing, tewerkstelling en een toegenomen kwetsbaarheid voor ziekte, ongeletterdheid en armoede. Onder andere volgens Oxfam maakt een schuldkwijtschelding sociale investeringen mogelijk die het leven zouden redden van 21 miljoen Afrikaanse kinderen en 90 miljoen Afrikaanse meisjes toegang tot onderwijs zouden verstrekken. Er zijn nog andere voorbeelden. Zambia gaf tussen 1990 en 1993 37 miljoen US dollar uit aan lager onderwijs tegenover 1,3 miljard aan terugbetaling van de schuld. Oeganda spendeert per persoon 3 US dollar aan gezondheidszorg tegenover 17 US dollar aan de terugbetaling van de schuld. Tanzania geeft twee maal meer uit aan schuldaflossing dan aan watervoorziening, terwijl nochtans meer dan 14 miljoen mensen er geen toegang tot zuiver water hebben, wat hen blootstelt aan ziekten die de belangrijkste oorzaak zijn van handicaps en vroegtijdige dood.

De aangehaalde voorbeelden zijn veelvuldig, maar er zijn ook heel wat problemen die andere oorzaken hebben. Die zullen dus niet door schuldkwijtschelding worden opgelost. Ontwikkeling vergt meer dan alleen maar input van geld of het vermijden dat geld wegvloeit. Niettemin duiden de cijfers op een verband tussen schuld, armoede en ontwikkeling en sporen ze aan tot nadenken.

Waarom is schuldkwijtschelding gerechtvaardigd? Schuld moet worden terugbetaald. Dat is niet meer dan billijk tegenover de schuldeisers en andere schuldenaars die hun schuld afbetalen. Bij wanbetaling riskeert een schuldenaar trouwens geen nieuwe lening meer te krijgen. In heel wat arme landen legt de overheidsschuld een enorme druk op de bevolking die meestal niet rechtstreeks verantwoordelijk is. Internationaal is de roep om de schuld kwijt te schelden groot.

Als de overheidsschuld in arme landen een zware hypotheek legt op de sociaal-economische perspectieven van de bevolking, is schuldverlichting of schuldkwijtschelding gerechtvaardigd. Er moet dan wel aan bepaalde voorwaarden worden voldaan die tot economische en sociale vooruitgang leiden. Die factor moet in ontwikkelingsstrategieën op een geïntegreerde manier aan bod komen. Hij moet deel uitmaken van een gezond macro- of micro-economisch beleid en een plaats hebben naast de bevordering van menselijke ontwikkelingsfactoren. Schuldverlichting is dus een vorm van internationale samenwerking naast andere. Schuldkwijtschelding moet steeds gepaard gaan met structurele aanpassingsprogramma's die leiden tot een gezonde macro- en micro-economische situatie. Dat moet er onder meer toe leiden dat de privé-sector opnieuw gaat investeren in arme landen met hoge schuldenlast.

Aanpassingsprogramma's moeten niet alleen kwantitatieve macro-economische doelstellingen nastreven, maar ook de sociale dimensies van ontwikkeling bewerkstellingen. Bovendien moeten ze een lokaal draagvlak hebben. Zonder local ownership heeft een aanpassingsprogramma weinig slaagkansen.

Collega's van de CD&V-fractie zullen straks onze amendementen verdedigen. Ik ben ervan overtuigd dat een aantal leden van de meerderheid hartpijn zullen hebben omdat ze die niet kunnen goedkeuren.

(De vergadering wordt geschorst om 11.50 uur. Ze wordt hervat om 12.15 uur.)

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik bewonder minister Daems voor de gedrevenheid waarmee hij deze buitengewoon boeiende vergadering bijwoont.

Ik heb gisteren in de algemene bespreking al gepoogd de totaliteit van de programmawet te behandelen, wat zeer moeilijk is omdat er zoveel in vervat zit. Vandaag wil ik me beperken tot mijn fundamenteel amendement op artikel 137, omdat dit een aparte behandeling verdient.

Artikel 137 draagt als opschrift: `Gebruik van de Engelse taal'. Ik heb daar nogal wat problemen mee. Dit artikel laat de keuze aan de minister om te bepalen welke materies aan de militairen in het Engels worden onderwezen, over welke materies ondervragingen en examens in het Engels mogen worden afgenomen en bovendien om alle materies te bepalen. Als de minister dus vindt dat punt X, Y of Z uit het onderwijsprogramma meer geschikt is om in het Engels te worden onderwezen, dan hebben we geen enkele wettig argument meer om dat in te perken. We tekenen voor de minister met dit artikel een enorme blanco cheque, wat volgens mij niet te rechtvaardigen is. Persoonlijk beschouw ik anglofilie als een ziekte. Blijkbaar heeft ze zelfs Vlaamse ministers aangetast. Het woord `directeur' dat iedereen begrijpt, wordt door hen vervangen door executive officer wat niemand begrijpt. De personeelsdienst moet plaats maken voor human resources. Ze spreken niet langer van `invoeren', maar hebben het te pas en te onpas over `implementeren'. Culturele fierheid vinden ze oubollig als het over Vlaanderen gaat, maar ze vinden dat vanzelfsprekend wanneer het over Zuid-Amerika of over Afrikaanse staten gaat. Iedereen weet dat iemand die fier is op zijn eigen identiteit ook sociaal-economisch beter functioneert, maar dat geldt blijkbaar in Afrikaanse staten en niet bij ons.

Ik wijs erop dat Engelstalige publiciteit nooit gevoerd wordt voor dagelijkse producten als waspoeder, maar wel voor dure zaken zoals auto's, parfum en andere producten die de gebruiker een grotere eigenwaarde zouden geven. Ik heb een groot probleem met het elitarisme van de anglofilie.

De invoering van het Engels op de manier van artikel 137 is trouwens helemaal niet nodig om Engels te leren. Het gebruik van de eigen landstalen verhindert niet dat men Engels leert. Men moet een jurist toch niet in het Latijn te onderwijzen omdat hij vaak met Latijnse termen te maken krijgt? Zo is het ook niet nodig dat een luchtverkeersleider de lessen in het Engels volgt, ook al moet hij perfect alle Engelse termen van zijn vak begrijpen. Daarom is artikel 137 niet te rechtvaardigen; het is zelfs al te gek. Ik vermoed dat hier een verborgen agenda achter zit.

We weten dat de minister van Landsverdediging Europese vreemdelingen wil toelaten tot het Belgisch leger. Ik vrees dat hij Spanjaarden en Portugezen de gelegenheid wil bieden zich in het Engels uit te drukken, om niet gedwongen te worden om Nederlands of Frans te leren. Zelfs in het Vreemdelingenlegioen, voorbeeld bij uitstek van een vreemdelingenleger, ging men niet zover om een eenheidstaal te creëren. Wie in het Vreemdelingenlegioen diende, werd geacht Frans te spreken, hoewel op een bepaald ogenblik meer dan driekwart van het leger uit Duitsers bestond.

Dit artikel moet daarom dringend als onterecht worden bestempeld en geschrapt worden. Ik hoop dat deze uiteenzetting, die trouwens langer duurde dan de mij toegemeten spreektijd, voldoende duidelijk is, zodat ik mijn amendement op dit artikel straks niet meer hoef te toe te lichten.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - We lezen vandaag in de pers dat steeds meer tekenen erop wijzen dat de Verenigde Staten een militaire operatie tegen Saddam Hussein willen lanceren. Dat zou niet enkel stof zijn voor een debat in de Verenigde Staten. Het zou ook premier Guy Verhofstadt kunnen opzadelen met een crisis in zijn coalitie als president Bush een coalition of the willing vormt en van de bondgenoten, zoniet militaire dan toch politieke ondersteuning vraagt.

We herinneren ons nog welke problemen we een tiental jaren geleden hebben gehad toen we aan de Britten munitie moesten leveren in de Golfoorlog. De PS was toen van oordeel dat België geen munitie mocht leveren omdat het de vrede zou bedreigen. Die munitie moest later worden vernietigd, wat een bewijs was van goed beleid.

We weten nog allen welk figuur België heeft geslagen naar aanleiding van de gebeurtenissen van 11 september, toen de ministers van buitenlandse zaken van de NAVO-raad bijeenkwamen en België een weifelachtige houding aannam inzake de inhoudelijke positie in het optreden in Afghanistan.

Het parlement heeft nu nog de tijd om zijn verantwoordelijkheid op te nemen inzake Irak zodat we niet worden verrast, zoals in de zomer van '90 bij de inval van Irak in Koeweit.

Het is zeer belangrijk dat het parlement, en zeker de Senaat, die zich volgens de voorzitter moet specialiseren in de buitenlandse politiek, de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat er de volgende weken klaarheid is over de houding van de Belgische regering ten aanzien van een eventueel optreden tegenover Irak.

We hebben reeds te maken met een sluipende financiële crisis: de Beurs bepaalt de economie, in plaats van omgekeerd, en de sterke daling van de koers van de bankaandelen wijst op een gebrek aan vertrouwen in de bankinstellingen in de wereld. Indien er een bijkomende crisis zou ontstaan in de buitenlandse politiek, moeten we toch het standpunt van de Belgische regering kennen, en moeten op zijn minst de instrumenten worden aangereikt om het parlement te betrekken bij de besluitvorming terzake. Als de president van de Verenigde Staten zijn plan uitvoert en als we de toespraak van Saddam Hussein dienaangaande erop nalezen, verontrust het ons dat de meerderheid niet in staat zou zijn op gepaste wijze te reageren op de uitdagingen van de buitenlandse politiek.

Wat denkt de minister van Buitenlands Zaken over volgend bericht in De Standaard: "Washington zegt dat Saddam niet alleen een arsenaal van biologische en chemische wapens heeft, maar ook weer aan kernwapens werkt. Het wil niet wachten tot Saddam daarmee de regio en de rest van de wereld kan chanteren. De Europese bondgenoten delen die bekommernis, maar zijn geen voorstander van een militaire actie tegen Saddam. Dat geldt ook voor de Britse premier Tony Blair. Hij weet dat hij problemen krijgt met een deel van zijn Labourpartij als Britse troepen aan die operatie zouden deelnemen. In de Belgische regering dreigt de kakofonie totaal te worden, ook al zou Washington alleen om politieke ondersteuning vragen. Premier Verhofstadt en zijn liberalen zijn op correcte betrekkingen met de Verenigde Staten gesteld. De groenen en een goed deel van de socialisten zijn sterk anti-Amerikaans en anti-NAVO, wat België binnen de NAVO in een zeer geïsoleerde positie plaatst. `Wij staan in feite al met één been buiten het bondgenootschap,' zegt Eyskens."

Als er iets gebeurt, zal men zeggen dat de regering niet voorbereid is, geen maatregelen heeft genomen, lichtzinnig is geweest, en zich bezig houdt met de problemen die de burgers niet interesseren. Als er iets gebeurt dan zal de publieke opinie gemobiliseerd worden en er de politiek op aanspreken.

Ik heb bijgevolg een amendement ingediend dat ertoe strekt een nieuw artikel in te voegen in de programmawet waardoor de Senaatscommissies voor de Buitenlandse Aangelegenheden en de Defensie kan worden betrokken in de besluitvorming over de operaties tegen Irak. Dan zullen wij kunnen nagaan welke houding de meerderheid aanneemt ten aanzien van een problematiek die de internationale publieke opinie beroert. Het land heeft niet alleen recht op klaroenstoten, maar ook op een homogene houding inzake buitenlandse politiek. Hoe kan de regering op binnenlands politiek vlak geloofwaardig overkomen, als op buitenlands vlak over essentiële punten als de houding ten aanzien van staten, die soms als terroristisch worden bestempeld, verdeeldheid zou bestaan?

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - CD&V maakt zich zorgen over de visie van de regering op de Noord-Zuidverhouding. De leden van de regering leggen veelvuldige verklaringen af in de media. De eerste minister schrijft open brieven. Hij legt grote verklaringen af op VN-toppen. Ik ben zeker dat de regering met een talrijke delegatie van ministers naar Zuid-Afrika zal afreizen om er de top over duurzame ontwikkeling bij te wonen. We kunnen de lijst nog verlengen.

Wij maken ons wel zorgen over het concrete beleid van de regering. Opnieuw komen de alarmsignalen van de regering zelf. Ik verwijs naar de signalen die staatssecretaris Boutmans enkele dagen geleden, na zijn bezoek aan de Kivu-streek in Afrika, heeft gegeven. Hij maakte zich sterk dat er in zijn departement niet zou worden bespaard omdat hij zich ertoe geëngageerd had de 0,7%-norm te bereiken. Hij was echter bezorgd over de signalen van een andere dominante groep in de meerderheid. De minister van Begroting windt er geen doekjes om: er zal in alle departementen moeten worden bespaard.

Minister Flahaut heeft onze vragen daaromtrent niet beantwoord. Ook de leden van de meerderheid konden ons niet geruststellen, want alle amendementen van onze fractie werden verworpen zonder dat er een grondige discussie aan voorafgegaan was. We zijn bijgevolg genoodzaakt er in plenaire vergadering opnieuw de aandacht op te vestigen. Senator Istasse heeft vanmorgen gewezen op het belang van de programmawet en daarom betreuren wij het ten zeerste dat zijn fractie onze argumenten niet steunt.

Ik verwijs naar het standpunt van 11.11.11, volgens ons toch een uiterst betrouwbare organisatie. In hun signaal aan de politieke wereld vragen ze zich af of de ontwikkelingssamenwerking in België verloopt zoals de processie van Echternach. Ze zijn natuurlijk bang dat de regering haar woord niet zal houden.

In de regeringsverklaring staat namelijk dat de regering betekenisvolle stappen wil doen voor het bereiken van de 0,7%-norm. Dat vertaalde zich in een nominale groei van het budget. In 2001 werd er echter amper 0,37% aan ontwikkelingssamenwerking besteed. De zogenaamde groei met 75 miljoen voor 2002 heeft meer te maken met een verschuiving tussen begrotingsposten dan met een echte toename van de begroting.

Als het waar is wat we enkele dagen geleden in de pers lazen, namelijk dat de regering 70 miljoen wil schrappen en in 2003 niet de afgesproken stijging zal realiseren, is dat een regelrechte schande.

Er is een schrijnende contradictie tussen het beleid en de woorden van de regering. Hoe kan de regering haar schone woorden voor een nieuw partnerschap met Afrika waarmaken als ze de afspraken voor een hoger budget voor ontwikkelingssamenwerking niet nakomt?

Daarom hebben wij een amendement ingediend dat ertoe strekt de 0,7% in 2004 te bereiken en niet in 2010. Wij zijn van mening dat een solidariteitssleutel op de begroting wettelijk moet worden vastgelegd. We zullen straks zien hoe de meerderheid daarover denkt.

Ik betreur ook dat de programmawet niet ingaat op onze vraag voor de oprichting van een vredescentrum en de ontwikkeling van een vredesbeleid. Mevrouw Thijs heeft de vredesvisie van onze fractie uiteengezet. Het betreft een problematiek die dringend op een concrete en deskundige manier moet worden onderzocht. Wereldwijd wordt er gefilosofeerd over het uitwerken van een vredesbeleid en over de manier waarop dat moet worden gerealiseerd.

De toestand is inmiddels urgent geworden. Ik verwijs in dat verband naar de regio van de Grote Meren. Ik raad alle collega's aan een verslag van Human Rights Watch te lezen. De titel van de Franstalige versie luidt: `La République Démocratique du Congo, la guerre dans la guerre, violence sexuelle contre les femmes et les filles dans l'Est du Congo'. Dit verslag behandelt één aspect van het drama van de oorlog, maar het spreekt boekdelen en het illustreert de urgentie van een concreet vredesbeleid.

Ik citeer de getuigenis van de twaalfjarige Eleonore uit Goma. "Ze kwamen mijn kamer binnen. De ene was groot, de andere dik. Ze hadden geweren bij en fakkels. Toen ik weigerde, heeft een van hen mij twee keer met zijn hand geslagen en dan heeft hij de daad begaan. Er waren nog vier andere kinderen in de kamer, allemaal veel jonger. De man die het gedaan heeft, vertelde hen dat ze hun ogen moesten sluiten. Ik heb ook mijn ogen gesloten. Ze zijn gestopt toen het bloed begon te vloeien."

Dit is maar een van de tientallen getuigenissen die de voorbije weken en maanden door Human Rights Watch in Congo zijn opgetekend.

De regio van de Grote Meren is een slangenkuil, waar de burgerbevolking tussen de maalstenen van de legers terechtkomt. De burgers zijn de onmiddellijke slachtoffers van de oorlog. We moeten op een meer efficiënte manier aan vredesopbouw werken in dat deel van de wereld waar de jongste jaren 4 à 6 miljoen mensen zijn gestorven ten gevolge van de oorlog. De Westerse landen, die in vele gevallen betrokken zijn bij de conflicten in Afrika, getuigen van onbekwaamheid om daaraan een einde te maken.

Ik betreur dat de programmawet niet wordt aangegrepen om een vredesinstituut op te richten waar wij op een deskundige wijze kunnen voortbouwen op het uitmuntende werk dat door mensenrechtenorganisaties wordt geleverd.

Ik verwijs tot slot naar de voorstellen die in de Senaat werden ingediend inzake conflictpreventie en de manier om de burgers daarbij te betrekken. Ik diende een voorstel van resolutie in betreffende vrouwen in gewapende conflicten en de rol van de vrouw in de preventie en beheersing van conflicten. Er zijn tal van andere voorstellen ingediend. Tot nu toe werd er echter geen enkel van besproken. Inmiddels voltrekken zich dagelijks drama's.

Ik roep de Senaat dan ook op onze amendementen goed te keuren die middelen willen vrijmaken om deze structurele problemen op te lossen.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Ik zal het verhaal van mevrouw de Bethune over conflictbeheersing en over de rol van België binnen de internationale gemeenschap voortzetten.

Afrika heeft de laagste levensstandaard ter wereld. De helft van de bevolking leeft er in armoede. Meer dan andere continenten wordt Afrika geteisterd door oorlogen en conflicten. In de programmawet zien we weinig elementen die daar een oplossing aan geven. We dachten dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking gevoelig zou stijgen, maar de regering denkt eraan om precies daarop te besparen.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Tijdens de begrotingscontrole werd duidelijk gemaakt dat niet zou worden bespaard op ontwikkelingssamenwerking. Ons land is op internationaal vlak altijd de voortrekker geweest voor het optrekken van ontwikkelingshulp. In tegenstelling tot vorige regeringen doet de huidige regering grote inspanningen op dat vlak.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Beloften zijn gemakkelijk. We vragen een wettelijke verankering van die beloften. Waarom gaat u daarmee niet akkoord, mijnheer Van Quickenborne? De programmawet is daarvoor ideaal. Straks kunt u met ons meestemmen en aldus de wettelijke verankering ondersteunen van de verhoging van de fondsen voor ontwikkelingssamenwerking. Een regering waarbinnen de ministers zich tegenspreken veroorzaakt op dat punt onstabiliteit en onrust. Er is dus nood aan helderheid en dat kan via een amendering van de programmawet.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Mijn kostbare spreektijd gaat verloren. Ik had graag een waardevolle inbreng gedaan.

De voorzitter. - Ik zal u twee minuten meer geven.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - De MOL-lijst, de lijst van de minst ontwikkelde landen, van de UNCTAD telt vandaag 48 landen, waaronder 34 Afrikaanse. Met die Afrikaanse landen heeft België in het verleden veel contacten onderhouden. Het heeft er dus een specifieke rol. We ondersteunen de pogingen van staatssecretaris Boutmans voor een hoger budget. Dat wordt hem blijkbaar niet altijd gegund door zijn collega Michel.

Tussen 1958 en 1989 vonden in Afrika 189 staatsgrepen of pogingen tot staatsgreep plaats.

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand. - Kan u enkele concrete voorbeelden geven?

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Ik denk aan Rwanda, aan Oost-Afrika. Ik vernam overigens dat oud-collega's van u daar nog zeer actief zouden zijn. Vorige week hebben we het nog gehad over het rapport-Forrest, maar daar zal ik nu niet nader op ingaan.

In Afrika zijn zeven tot acht miljoen mensen tijdens de voorbije dertig jaar omgekomen en miljoenen mensen zijn ontheemd of op de vlucht.

De recentste geschiedenis leert ons dat daar vooralsnog geen einde aan komt. De lijst met doden wordt steeds langer, de brutaliteit steeds groter. Rwanda, Burundi, Congo en vele andere Afrikaanse landen blijven vandaag gevangen in een spiraal van geweld.

De internationale gemeenschap heeft hierop geen pasklaar antwoord en ook ons land doet hier bijzonder weinig aan. Zeldzame successen daargelaten moet haar falen worden toegegeven. Individuele staten, zowel als regionale en internationale organisaties, lijken machteloos te moeten toezien. Het meest flagrante en het meest in het oog springende is de onmacht van de Verenigde Naties en de rol die ons land daarin speelt, om de in haar gestelde verwachtingen in te lossen.

In 1945 ondertekenden de wereldleiders in San Francisco het Handvest van de Verenigde Naties. Daarin legden zij de universele hoop op een nieuwe wereldorde vast, gebaseerd op vrede. Nadien zorgde de Koude Oorlog voor een kunstmatig evenwicht tot in 1989, toen de afbraak van de Berlijnse Muur en de implosie van het communistische blok een nieuw tijdperk inluidden. De euforie en het optimisme waren aanvankelijk groot, gezien de veelbelovende vredesprocessen in Cambodja, in Zuid-Afrika en het Midden-Oosten. Ook de hulp van de VN-Blauwhelmen bij de uitvoering van de bereikte akkoorden deed het vertrouwen groeien in de toekomstige rol van de VN.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Uw kritiek op onze Staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking grenst aan het onvoorstelbare! U weet toch welke projecten hij in Centraal-Afrika en in Congo steunt. U weet ook dat zulks van onderuit gebeurt, dat de civiele maatschappij wordt gesteund en dat is precies de kracht van de Congolese bevolking. Dit is uiteindelijk de oplossing om een einde te maken aan de oorlog. U zegt dat er niets gebeurt maar er gebeurt net wel iets aan de basis.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Ik denk dat de heer Maertens mij niet goed begrepen heeft. Ik heb de inspanningen van staatssecretaris Boutmans geprezen en gezegd dat het niet kan dat minister Michel steeds aan de begroting van ontwikkelingssamenwerking wil sleutelen.

Door het wegvallen van één van de drie grootmachten werden ook de vroegere machtsevenwichten grondig verstoord. De ontnuchtering volgde toen de internationale gemeenschap niet in staat bleek te zijn om de vele intrastatelijke en nationalistische conflicten te helpen beheersen of op te lossen. De Verenigde Staten bleken niet bij machte te zijn om het ontstane vacuüm op te vullen of om op de toenemende vraag te antwoorden. De Belgische Staat moet dus extra inspanningen leveren om dit vacuüm in Centraal-Afrika op te vullen.

Tussen 1946 en 1989 heeft de Veiligheidsraad 646 resoluties aangenomen, van begin 1990 tot medio 1994 waren dat er al 288; in de periode tussen januari 1993 en juni 1994 waren er dat 134. Tot eind 1990 werden acht VN-operaties gehouden met 10.000 manschappen. Einde 1994 ging het om 70 operaties met meer dan 70.000 manschappen. Ook de aard en het aanzien van de conflicten zijn sedertdien grondig gewijzigd. De aanpak van het Belgische beleid is zeer opmerkelijk. De operaties moesten worden gecoördineerd door een zeer beperkte staf. In 1992 schreef de toenmalige secretaris-generaal Boutros-Ghali zijn Agenda for Peace, waarin hij belangrijke aanbevelingen formuleerde voor een performante internationale organisatie in een nieuwe wereldcontext. Ik hoop dat de Belgische Staat zijn beleid in die zin aanpast, in de nodige middelen voorziet en de nodige initiatieven neemt via de programmawet.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Ik beperk mij tot artikel 137 van de programmawet, dat tot mijn grote verbazing een zeer drastische wijziging inhoudt wat het taalgebruik in het leger betreft. In het verleden hebben we nochtans gevochten voor het gebruik van het Nederlands in het leger. De Vlaamse Beweging is daar grotendeels op gebouwd. In de frontbeweging 1914-1918 zijn soldaten gesneuveld omdat ze geen bevelen kregen in hun eigen taal.

Ik stel vast dat er een historische omwenteling plaatsvindt in ons leger, aangezien men op de KMS voortaan in het Engels gaat doceren. Elk vak dat inhoudelijk wegens het professioneel gebruik de kennis van het Engels noodzakelijk maakt, zal in het Engels mogen worden gedoceerd. Deze omschrijving is zo vaag dat voortaan elk vak in het Engels zal kunnen worden gegeven. Men gaat daarmee nog veel verder dan het ontwerpdecreet op de hervorming van het universitair en hoger onderwijs van mevrouw Vanderpoorten, dat mijns inziens al veel te ver gaat. Nochtans heeft wetenschappelijk onderzoek in Nederland uitgewezen dat de kennisoverdracht betere resultaten oplevert bij cursussen die in het Nederlands door Nederlandstaligen worden gedoceerd dan bij cursussen die in het Engels door Nederlandstaligen worden gedoceerd. Dat geldt ook als Engelstalige vaktermen moeten worden aangeleerd.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Wil de heer Caluwé daarmee bewijzen dat piloten of studenten aan de zeevaartschool veel beter worden opgeleid in het Nederlands? Heel wat ongevallen in de luchtvaart zijn te wijten aan een gebrekkige kennis van het Engels.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - De vaktermen moeten goed worden aangeleerd. Het is echter wetenschappelijk bewezen dat als een Nederlandstalige in het Engels doceert, hij minder goed de juiste nuances kan weergeven dan in zijn eigen taal.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - We hebben daarvoor geen wetenschappelijk onderzoek nodig. Dat is puur boerenverstand.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Waarom doet men het dan niet?

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Omdat in bepaalde omstandigheden binnen het leger een internationale communicatie noodzakelijk is. Dat moet worden geoefend. Het is louter een kwestie van veiligheid; het heeft niets te maken met 1302 of 1914-1918.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Er wordt geen enkele beperking opgelegd; het onderricht in de KMS kan helemaal in het Engels worden gegeven. In het Vlaamse decreet op de universiteiten is tenminste nog een maximumgrens opgenomen. Bovendien heeft een student altijd het recht de examens over inhoudelijke vakken in zijn moedertaal af te leggen.

Ik begrijp de minister van Landsverdediging niet. Hij klaagt dat hij te weinig rekruten vindt. Hij verhoogt de drempel: men moet namelijk goed Engels kennen om de opleiding succesvol te kunnen afwerken.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Uw fractie heeft toch het prachtige voorstel gedaan om de jeugd te rekruteren op muziekfestivals. Dat zou zeer interessant zijn want daar wordt reeds veel in het Engels gezongen.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Het gebruik van het Engels op muziekfestivals moet dan ook worden verboden. Vlaamse groepen moeten in het Vlaams zingen. (Gelach)

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Wat dat betreft steun ik uw partijgenote Hermans volledig.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - In het leger zal nooit meer dan 40% van de lessen in het Engels worden gegeven. In het voorstel-Hermans gaat het om maximum 40%.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - In artikel 137 staat niets over een maximumgrens. We hebben een amendement ingediend dat ertoe strekt een beperking tot 20% in te voeren. (Onderbreking)

Ik was vergeten dat de heer Van Quickenborne nu secretaris van Landsverdediging is geworden. Hij bevestigt dat de maximumgrens 40% is. Dat is nog altijd te veel. Hij kan nog altijd een subamendement op ons amendement indienen.

Artikel 137 is symptomatisch voor de manier waarop paarsgroen omgaat met het Nederlands en de taal in het algemeen. Ook de Franstaligen zijn in deze zaak een benadeelde partij. Elke week wordt de taalwet op en of andere manier gewijzigd of versoepeld.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - De heer Caluwé beweert dat de Franstaligen het slachtoffer zijn. Ik vind het mooi dat hij als Vlaams parlementslid zo bezorgd is om de Franstaligen.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Dit is niet enkel een probleem voor de Nederlandstaligen, maar ook voor de Franstaligen. Vorige week werd hier de regel van het taalgebruik in rechtszaken afgezwakt door de verhoging van het aantal eentalige toegevoegde rechters. Het is ook in het nadeel van de Franstaligen die zich constructief opstellen, dat de regering in het tweetalige gebied Brussel Hoofdstad de tweetaligheid niet langer bevordert. Het belang van de taal en de verdediging van de landstalen wordt door de huidige coalitie systematisch afgebouwd. We hebben dit ook meegemaakt met de ontwerpen in het kader van het Copernicusplan. Topambtenaren gaan veel meer verdienen, maar de taalvereisten werden versoepeld. Een tweetalige rechter verdient trouwens ook minder dan een eentalige toegevoegde rechter. De paarsgroene regering krakeelt onderling bijzonder veel. Er gaat geen week, soms zelfs geen dag voorbij of er is wel een of andere tegenstelling of dispuut tussen de leden van deze bonte coalitie. Dat heet dan de open debatcultuur. Er is echter één uitzondering: de verdediging van het Nederlands, daarover hoor ik ze nooit ruziën. Ook al degenen die zijn overgekomen uit Vlaams-nationale groeperingen hoor ik daarover nog nauwelijks een woord zeggen.

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand. - Kijk en luister gewoon naar de vooruitgang die onze Franstalige collega's in het Nederlands hebben gemaakt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het communicatiebeleid van de heer Duquesne bijvoorbeeld, dat is de nagel op de kop.

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand. - Dat is gewoon een multidisciplinaire aanpak.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Ja, ik stel vast dat de heer Duquesne voortaan elke middag een cursus Nederlands volgt bij Nederlandstalige journalisten. Dat is wel hoogstnodig.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Het niveau van de discussies over taal gaat er niet op vooruit. Het verschil tussen het tapkastniveau van vandaag en het niveau van in de tijd van de heer Schiltz is groot.

De voorzitter. - Mijnheer Caluwé, uw spreektijd is verstreken.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Mijnheer de voorzitter, ik werd zo vaak onderbroken dat u toch moeilijk kunt zeggen dat mijn spreektijd voorbij is.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik hoor hier de heer Schiltz vernoemen, de man die zijn partij tot ongekende hoogten heeft gebracht. Ik heb daar het volste respect voor natuurlijk, maar de grond van de zaak is nog altijd dat het artikel in de programmawet aan een minister te vergaande bevoegdheden geeft om een taal af te schaffen. Al de rest is franje. Artikel 137 geeft de minister de bevoegdheid elke les in het Engels te laten geven en beperkt zich niet tot de zaken die hier worden aangehaald. Artikel 137 gaat dus gewoon te ver, geeft een minister een blanco cheque en dat hoort niet, zelfs niet in een programmawet.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Als degenen die uit Vlaams-nationale groeperingen komen en nu deel uitmaken van de meerderheid, nog enige Vlaamse reflex zouden hebben, dan zouden ze ten minste op dit artikel enige kritiek hebben uitgebracht en zouden ze gepoogd hebben het te amenderen.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 14.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 13.15 uur.)