2-223 | 2-223 |
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - De Belgische ambassadeur in Israël, de heer Geens, werd door de Israëlische regering ontboden om uitleg te geven bij de voorgestelde wijziging aan de Belgische genocidewet.
In het Palestijns-Israëlisch conflict dat daarmee toch verband houdt, rijst onder meer het probleem van de definitie van daden van terrorisme, zoals beschreven in het Europese kaderbesluit terzake.
Eergisteren nog heeft de minister onze collega's Lizin en Van Quickenborne uitvoerig ingelicht over de lijst van de terroristische organisaties en over de Hezbollah. Het kaderbesluit is onder het Belgische voorzitterschap tot stand gekomen en is inmiddels al geformaliseerd. Dit besluit bevat zeer belangrijke informatie over wat terrorisme is.
Kan naast een organisatie ook een staat zich schuldig maken aan terrorisme in de zin van het besluit?
Vallen een aantal overtredingen van de Genève-IV-akkoorden en de mensenrechten door het Israëlisch leger in Palestina niet onder de definitie en de opsomming uit dit besluit? Zo ja, heeft de minister de Israëlische ambassadeur terzake reeds ontboden, wanneer, en met welk resultaat? Zo neen, waarom niet?
Mijn laatste vraag is vrij theoretisch. Zullen op basis van de voorgestelde wijzigingen aan de genocidewet - waarover een consensus bestaat bij de meerderheidspartijen - en de mogelijke wijziging van artikel 123 van het statuut van het Internationaal Strafhof, naast personen ook organisaties en staten kunnen worden gedagvaard voor het Internationaal Strafhof?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik zal trachten deze mondelinge vraag binnen het daartoe voorziene tijdsbestek zo volledig mogelijk te beantwoorden. Deze vraag bevat echter stof voor een vraag om uitleg.
De Belgische ambassadeur in Israël werd inderdaad door de Israëlische regering ontboden. Het onderwerp van de convocatie betrof enkel de werkzaamheden van het Belgisch Parlement met betrekking tot de herziening van de Belgische genocidewet en de Israëlische houding terzake.
Mijn departement heeft regelmatig contact met de Israëlische ambassadeur in Brussel, maar recentelijk werd noch over de toepassing van het Europese kaderbesluit inzake terrorisme, noch over de Belgische genocidewet van gedachten gewisseld.
Uitgaande van een eerste voorlopige studie moet ik op de eerste vraag negatief antwoorden. Het Europese kaderbesluit blijft immers beperkt tot de operationele elementen van terroristische misdrijven, die over het hele Europese grondgebied strafbaar zijn. Het Europese kaderbesluit inzake terrorismebestrijding voorziet echter wel in beperkingen wanneer het staten betreft of activiteiten van hun strijdkrachten in tijden van gewapend conflict. Ik verwijs hiervoor naar paragraaf 11 van de preambule, waarin expliciet staat dat dit kaderbesluit niet van toepassing is op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict, zoals dat gedefinieerd wordt in en onderworpen aan het internationaal humanitaire recht. Dit laatste is onder meer een referentie aan de humanitaire conventies van Genève.
De vragen in dat verband, zijn uiteraard niet alleen politiek, maar zijn ook juridisch zo ingewikkeld dat het niet mogelijk is er in enkele uren een volledig en gefundeerd antwoord op te formuleren.
Voor het Internationaal Strafhof kunnen momenteel alleen personen en geen organisaties of staten worden gedagvaard. Het kan nog jaren duren alvorens het statuut van het Internationaal Strafhof wordt gewijzigd. Er moeten daarvoor nieuwe onderhandelingen worden gevoerd tussen de verdragsluitende partijen. Het is op dit ogenblik dus onmogelijk te voorspellen of organisaties en staten in de toekomst kunnen worden gedagvaard.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - De minister heeft gelijk wanneer hij zegt dat het hier gaat om een bijzonder moeilijk aspect van het internationaal publiek recht. Ik wenste echter vooral duidelijk te maken dat de manier waarop Israël onze ambassadeur ondervraagt, neerkomt op een inmenging in onze parlementaire werkzaamheden en dat wij daar kunnen op reageren. We zouden ook kunnen uitzoeken wat zij op het terrein uitvoeren. We kunnen hen bij ons ontbieden om hen te vragen of ze zich bewust ervan zijn dat ze sommige bepalingen van de vierde Conventie van Genève of van het EVRM schenden.
Ik weet dat de minister op tijd en stond zijn verantwoordelijkheid op zich neemt en met hen gesprekken voert. Ik weet echter niet op welke wijze hun ambassadeur reageert op de vragen die hem daarover worden gesteld. Hoe interpreteren zij die overtredingen?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Wanneer ik die delicate thema's aansnijd in mijn gesprekken met de ambassadeur of met een lid van de regering, wordt er rond de pot gedraaid. Ik krijg geen antwoord op mijn vragen, zelfs geen diplomatisch antwoord. Dat komt trouwens nog voor.