2-220

2-220

Belgische Senaat

Handelingen

WOENSDAG 17 JULI 2002 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Wetsontwerp betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen (Stuk 2-1177) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

M. Olivier de Clippele (MR), rapporteur. - Je me réfère au rapport écrit qui détaille les trois directives européennes dont ce projet, qui est évoqué par le Sénat, assure la transposition.

Une proposition de loi déposée par M. Monfils et visant partiellement le même objectif a été discutée en commission mais a été retirée suite à l'adoption, par la Chambre, de ce projet plus complet aujourd'hui évoqué par le Sénat.

Tous les amendements déposés ont été rejetés. Le projet a été adopté en commission à l'unanimité des dix membres présents.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Onze fractie spreekt zijn goedkeuring uit over de omzetting van de Europese richtlijnen en de codificatie die in het voorliggende wetsontwerp met betrekking tot de beoefenaars van een vrij beroep worden tot stand gebracht. De codificatie kan weliswaar nog verder gaan en er moeten dan ook nog dringend inspanningen gebeuren.

De bespreking van dit wetsontwerp gaf ons in de commissie de mogelijkheid om de problematiek van de vrije beroepen in een iets breder kader te bespreken. Ik onderstreep enkele zaken.

Gezien het groeiende belang van de sector van de beoefenaars van een vrije beroep wenst CD&V voor deze groep een erkenning als volwaardige economische actor, met toegang tot alle overheidsstimuli, zoals alle vormen van economische expansiesteun en opleidingscheques. Verder moeten de beoefenaars via hun interprofessionele organisaties, zoals FVIB en UNPLIB, als sociale gesprekspartners worden erkend.

CD&V is van mening dat alle beoefenaars van een vrij of dienstverlenend intellectueel beroep moeten kunnen beschikken over een beschermde titel. De beschermde titel heeft als functie een kwaliteitsgarantie voor de cliënt of de patiënt te bieden. Enkel wie een bepaalde opleiding heeft genoten en voldoet aan bepaalde deontologische regels is gerechtigd de beschermde titel te voeren. Het is niet de bedoeling een verbod op de uitoefening van het beroep in te voeren indien de beoefenaar de titel van het uit te oefenen beroep niet bezit.

Voor de andere prioriteiten inzake de beoefenaars van een vrij beroep verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

In de marge van de bespreking van dit wetsontwerp werd ook een korte bespreking gewijd aan het wetsvoorstel van collega Monfils over de rol van de beroepsregulerende overheden van vrije beroepen in het licht van het mededingingsrecht.

Noch in de hoorzittingen noch in de rechtsleer is een eenduidige keuze naar voren geschoven voor de oplossing zoals gesuggereerd in het voorstel. Het is steeds onze stelling geweest dat het wetsvoorstel, dat zekerheid wou bieden aan de beroepsregulerende overheden om op grond van het algemeen belang af te wijken van het Belgische mededingingsrecht, overbodig was en niet tot het beoogde resultaat zou leiden. Er is immers geen enkele geldige rechtsregel op grond waarvan de Europese en Belgische mededingingsregels niet zouden gelden ten aanzien van beoefenaars van een vrij beroep.

Als economische spelers zijn de beoefenaars van een vrij beroep voor de Belgische en de Europese mededingingsregels te beschouwen als ondernemingen, en hun beroepsregulerende instanties - de orden of de disciplinaire instanties - als ondernemingsverenigingen. Zodra ondernemingsverenigingen besluiten nemen die tot doel of tot gevolg hebben dat de mededinging op merkbare wijze wordt beperkt, verhinderd of vervalst, zijn ze in strijd met het mededingingsrecht.

Een bijzonder statuut - dat afwijkt van datgene van de economische spelers - is maar mogelijk in zoverre de bijzondere kwaliteitsvereisten van het vrije beroep, samengevat de onafhankelijkheid en de persoonlijke verantwoordelijkheid, dit vereisen. In het licht hiervan zullen de deontologische regels, die de orden en de beroepsinstituten uitvaardigen en doen naleven, de toets van de mededinging maar kunnen doorstaan indien deze regels geen invloed hebben op de economische keuzevrijheid van de cliënt, de patiënt of de betrokken beroepsgroep.

Verschillende specialisten in mededingingsrecht, zoals professor Vandenbossche, zijn van mening dat dit wetsvoorstel onnodig is en bovendien strijdig is met de bepalingen van het recente arrest van het Hof van Justitie van 19 februari 2002. In dat arrest staan belangrijke zaken over de rol van de wetgever inzake mededingingsrecht en vrije beroepen. Zo kan de nationale wetgever slechts onder bepaalde voorwaarden aan het toepassingsgebied van de mededingingsregels grenzen stellen. De criteria van `algemeen belang' moeten goed worden omschreven en tevens moeten de essentiële beginselen van de regelgeving worden vastgelegd. Een afwijking voor het nationale mededingingsrecht verhindert bovendien niet dat de Europese mededingingsregelen onverkort van toepassing zijn en directe werking hebben.

Het loutere feit dat de overheid aan een beroepsregulerende overheid opdrachten toevertrouwt die als van algemeen belang kunnen worden beschouwd, volstaat niet om de besluiten van de organisatie per definitie aan het mededingingsrecht te onttrekken. Enkel de echte deontologische regels blijven buiten het bereik van het mededingingsrecht. Het deontologische actieterrein wordt daarmee tot de essentie teruggebracht, namelijk het waken over gedragsregels die geen verband houden met, noch raken aan de economische keuzevrijheid van de betrokken beroepsgroep. De regels moeten uitsluitend verband houden met de plichtenleer van het vrije beroep, zoals de onpartijdigheid, de bekwaamheid, de integriteit, de persoonlijke verantwoordelijkheid en de bescherming van het beroepsgeheim.

Indien het de bedoeling van het geamendeerde voorstel van collega Monfils is om regelgevende bevoegdheid aan vrije beroepsorganisaties te verlenen op een wijze die waarborgt dat de naderhand uitgevaardigde regels een overheidskarakter behouden en dienvolgens buiten het bereik van de mededingingsregels vallen, dan is ons besluit dat dit doel niet wordt bereikt. Er wordt geen zekerheid gecreëerd omdat de voorwaarden gesteld in het voornoemde arrest, namelijk duidelijke criteria voor `algemeen belang' en vastlegging van de essentiële beginselen van de uit te vaardigen regelgeving, niet worden vervuld. Zo wordt er in het gewijzigde voorstel een erg ruime delegatie aan de Koning verleend, zonder dat er in de wet een richting wordt aangegeven waaruit het `algemeen belang' specifiek moet bestaan.

Onze oplossing bestaat er daarentegen in het aan de zelfregulering van de orden en beroepsinstituten over te laten. We zien niet in waarom het overlaten van het begrip `algemeen belang' aan de Koning, per definitie tot een juister resultaat zou leiden dan de zelfregulerende zelfbeperking door de orden, door terug te keren naar een correcte invulling van het concept deontologie voor de eigen sector.

Het zal dus een zorgvuldige afweging vragen van alle beroepsregulerende overheden om na te gaan in welke mate de deontologische regels geen inbreuk zijn op de keuzevrijheid van de cliënt. De beroepsregulerende overheden zullen dus op zoek moeten gaan naar de juiste verhouding tussen mededingingsrecht, enerzijds, en de mogelijkheid tot zelfregulering door vrije beroepen, anderzijds. De orden zouden zich daarbij kunnen laten leiden door een interprofessionele basisdeontologie die eventueel op Europese leest kan worden geschoeid.

De CD&V-fractie zal voor het voorliggend wetsontwerp stemmen. We verwachten uitdrukkelijk van de overheid dat men de beoefenaars van een vrij beroep daadwerkelijk als economische actoren behandelt.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Bij de bespreking van het eerste ontwerp had de heer Vandenberghe het over een museumbezoek in Firenze. Hij zei meer onder de indruk te zijn van de grote kunstwerken dan van de kleine. Nochtans hoor ik Engelse kunstcritici vaak zeggen `small is beautiful' en de miniaturen waarin Vlaanderen zo sterk was, maken ook vaak veel indruk.

De bespreking van dit wetsontwerp verliep een beetje zoals het vorige. Men vindt het goed dat de Europese richtlijnen worden omgezet, alleen pleit men voor de `grote' oefening. De heer Vandenberghe pleitte vanmorgen al voor één grote, volledige codificatie met betrekking tot de getuigenis in strafzaken. Nu wordt hetzelfde gevraagd met betrekking tot de vrije beroepen. Natuurlijk heeft zo'n codificatie voordelen, maar iedereen weet dat menig koninklijk commissaris zich in het verleden daarop de tanden heeft stuk gebeten. Hier werd een andere keuze gemaakt, maar ik deel de mening van de heer Steverlynck dat er inspanningen moeten worden gedaan om voor de vrije beroepen een ruimere codificatie tot stand te brengen.

-De algemene bespreking is gesloten.