2-1229/1 | 2-1229/1 |
2 JULI 2002
Onderhavig voorstel van bijzondere wet strekt ertoe een van de onderdelen van de recente akkoorden over de kieswethervorming uit te voeren, waardoor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest grondwettelijke autonomie krijgt en de bevoegdheid krijgt om niet langer ordonnanties maar decreten aan te nemen die kracht van wet hebben. De minister-president van het Brusselse Gewest heeft deze grondwettelijke vooruitgang voor het Brusselse Gewest bevestigd. Naar hij zegt is de uitvoering hiervan echter pas mogelijk tijdens een volgende regeerperiode; die vertraging is onvermijdelijk omdat eerst de overeenstemmende artikelen van de Grondwet voor herziening vatbaar moeten worden verklaard.
Aangezien het toekennen van de decretale macht aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geen herziening van de Grondwet vereist en zelfs een einde maakt aan de ongrondwettige toestand waarbij een van de gewesten die vermeld worden in artikel 3 van de Grondwet, op ongelijke voet wordt behandeld ten opzichte van de andere gewesten, terwijl de Grondwet alle gewesten nochtans gelijkstelt is het belangrijk om dit gedeelte van het institutionele akkoord onmiddellijk uit te voeren.
Dit voorstel strekt er bijgevolg toe in de wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, iedere verwijzing naar « ordonnanties » te doen vervallen en te vervangen door verwijzingen naar « decreten ».
Het voorstel heeft dus tot doel om in afwachting van de herziening van artikel 138 van de Grondwet het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op dezelfde voet te stellen als de andere gewesten van het land, wat de waarde van de uitgevaardigde normen betreft. Het heeft tevens tot doel om, in naleving van het akkoord en de interpretatie die de minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest hieraan heeft gegeven, het specifieke toezicht op te heffen dat geldt met betrekking tot de normen uitgevaardigd door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en niet tot de normen uitgevaardigd door de twee andere gewesten van het land.
| Clotilde NYSSENS. Magdeleine WILLAME-BOONEN. Georges DALLEMAGNE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
In de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen worden de woorden « ordonnantie », « ordonnanties » en « ordonnantiegevend » telkens vervangen door respectievelijk de woorden « decreet », « decreten » en « decreetgevend ».
Art. 3
In artikel 4, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet wordt het woord « overeenkomstige » geschrapt.
Art. 4
In artikel 8 van dezelfde bijzondere wet vervallen het woord « overeenkomstige » en het zinsdeel « met dien verstande dat het woord /decreet/ telkens vervangen wordt door het woord /ordonnantie/ ».
Art. 5
Artikel 9 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 6
In artikel 28, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet wordt het 2º opgeheven.
Art. 7
In artikel 38 van dezelfde bijzondere wet, vervallen de woorden « met dien verstande dat in de artikelen 78, 79, § 1, en 83, § 1, 1º, en § 3, het woord /decreet/ wordt vervangen door het woord /ordonnantie/ ».
Art. 8
In artikel 42 van dezelfde bijzondere wet wordt het woord « overeenkomstige » geschrapt.
Art. 9
Artikel 45 van dezelfde bijzondere wet wordt opgeheven.
Art. 10
In artikel 46 van dezelfde bijzondere wet worden de woorden « artikel 45, eerste lid, van deze wet » vervangen door de woorden « artikel 6, eerste paragraaf, I, 1º, en X, van de bijzondere wet ».
Art. 11
In artikel 69 van dezelfde bijzondere wet vervallen de woorden « met dien verstande dat het woord /decreet/ telkens wordt vervangen door het woord /ordonnantie/ ».
Art. 12
In artikel 72 van dezelfde bijzondere wet wordt het woord « overeenkomstige » geschrapt.
4 juni 2002.
| Clotilde NYSSENS. Magdeleine WILLAME-BOONEN. Georges DALLEMAGNE. |