(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Volgens een in de loop van de maand mei uitgelekt rapport van de antiterrorismeonderzoeksgroep van de Verenigde Naties, geschreven in opdracht van de Internationale Organisatie voor atoomenergie, zouden meer dan honderd terroristische groeperingen inmiddels een primitieve kernbom kunnen maken. Hetzelfde veertig bladzijden tellende rapport zou, hierbij de heer Alex Schmidt, hoofd van de anti-terrorisme eenheid van de VN, citerend, ook gewag maken van 550 gevallen sinds 1993 waarbij nucleair materiaal gesmokkeld werd, voornamelijk vanuit voormalige sovjetrepublieken. Bij één op de tien gevallen zou het gaan om plutonium of uranium, goed om in wapens te verwerken.
Destijds werd de inhoud van dit rapport in de media afgedaan als een « fait divers ». In de huidige internationale context krijgt het evenwel een veel zorgwekkender dimensie, aangezien datzelfde rapport ook toen reeds uitdrukkelijk verwees naar Al Qaeda.
Graag verkreeg ik van de geachte minister omstandig antwoord op volgende vragen :
1. Heeft hij kennis van de inhoud van dit rapport en kan hij de bovenvermelde informatie bevestigen dan wel ontkennen ?
2. Hoe verklaart hij, indien het antwoord op de eerste vraag negatief zou zijn, dat de media blijkbaar wel beschikken over dit rapport dan wel uittreksels hieruit ?
3. Blijkbaar was er in de schoot van de VN reeds vóór 11 september 2001 een antiterrorisme-eenheid actief ? Welke was haar taak en hoe was en is zij thans gestructureerd ? Langs welke wegen betrekken zij hun informatie en aan wie wordt deze verstrekt ? Kan ook ons land over deze informatie beschikken ? Tot welke concrete acties heeft het bestaan van deze eenheid inmiddels geleid ?
Antwoord : 1. Het « rapport van de antiterrorismeonderzoeksgroep van de Verenigde Naties » waarnaar wordt verwezen, is in feite een persoonlijke bijdrage van de heer Alex Schmidt, directeur van de « Terrorism Prevention Branch » van het « Office for Drug Control and Crime Prevention », die hij voorstelde op de door het Internationaal Agentschap voor atoomenergie (IAEA) van 7 tot 11 mei 2001 georganiseerde Internationale Conferentie over de beveiliging van nucleair materiaal waarop de heer Schmidt in zijn persoonlijke hoedanigheid was uitgenodigd.
Mijn diensten hebben contact opgenomen met de heer Schmidt die daarbij beloofd heeft een kopie van de tekst van zijn bijdrage, die overigens nog niet is opgenomen in de akten van de conferentie, over te maken en die reeds volgende preciseringen heeft aangebracht :
Het gaat geenszins om een vertrouwelijk rapport maar om een uiteenzetting die op een internationale conferentie werd voorgesteld. Deze werd opgemaakt onder de verantwoordelijkheid van de heer Schmidt en werd voorafgegaan door de vermelding dat zij alleen het standpunt van de auteur weergeeft. Zoals altijd het geval is bij de TPB, is de uiteenzetting uitsluitend gebaseerd op publieke bronnen (persartikels, publicaties, ...).
Om velerlei redenen van praktische en administratieve aard werd de tekst van de uiteenzetting nog niet opgenomen in de akten van de conferentie. Dat zou normaliter binnen afzienbare tijd moeten gebeuren. De uiteenzetting is niet vertrouwelijk of officieel. Een aantal kopieën werd door de auteur rondgedeeld.
De heer Schmidt betreurt dat het rapport in de pers volledig verkeerd werd voorgesteld. Sommige gegevens werden uit hun verband gerukt en buiten alle proporties opgeblazen en andere geëxtrapoleerd. Het gaat hier met name om de 130 terroristische groeperingen van wie wordt beweerd dat ze in staat zijn om kernwapens aan te maken.
Het IAEA heeft de laatste maanden veel aandacht besteed aan de strijd tegen de illegale handel in radioactieve stoffen en aan het vraagstuk van de fysieke beveiliging van radioactieve stoffen. De laatste mededeling van het IAEA over deze kwestie dateert van november 2001. Volgens de gegevens die het sedert 1993 (aan de hand van de door de lidstaten gedane aangiften) heeft verzameld, zijn er :
175 gevallen waarin er sprake is van trafiek van nucleaire stoffen. In slechts 18 gevallen konden de stoffen gebruikt worden voor de aanmaak van kernwapens (hoogverrijkt uranium en plutonium). Het ging meestal om zeer kleine hoeveelheden die zelfs samengevoegd ontoereikend zijn om een kernwapen te vervaardigen;
201 gevallen van trafiek (met inbegrip van diefstal, verlies, illegale lozing, ...) van andere radioactieve bronnen (afkomstig van ziekenhuizen, onderzoekscentra, industrie, ...). Deze bronnen zijn, ook in geringe hoeveelheid, zeer radioactief en houden een groot risico in voor de gezondheid van diegenen die ze zonder bescherming hanteren of in de buurt ervan komen. Ze kunnen evenwel niet worden aangewend voor de aanmaak van kernwapens.
Het agentschap wijst er ook op dat het aantal gevallen van illegale handel sinds een aantal jaren aanzienlijk is gedaald en meent dat de hypothese volgens dewelke een terroristische groepering er een kernwapen mee zou kunnen aanmaken weinig waarschijnlijk is.
2. Volgens de heer Schmidt zouden de journalisten zich kunnen gebaseerd hebben op een samenvatting van de uiteeenzetting die overeenkomstig de procedure van inschrijving op de sprekerslijst vóór de conferentie aan het IAEA werd overhandigd dan wel op een exemplaar dat de tolken in hun bezit hadden.
3. De antiterrorisme-eenheid die vóór 11 september 2001 actief was binnen de VN, waarnaar het geachte lid verwijst, is de Dienst ter preventie van terrorisme (beter bekend onder haar Engelse afkorting : TPB, Terrorism Prevention Branch).
Het TPB werd opgericht door de resolutie 52/220 van de Algemene Vergadering in 1997 en is in werking getreden in april 1999. Haar directeur is de heer Alex Schmidt (Nederland) die een lange ervaring heeft op het gebied van terrorisme. Hij wordt momenteel bijgestaan door twee personen en enkele stagiairs.
Het TPB is verbonden aan het Bureau voor de drugscontrole en misdaadpreventie (ODCCP of Office for Drugs Control and Crime Prevention) en haar werkterrein is redelijk vaag gedefinieerd. Niettemin zit de heer Schmidt de doelstellingen als volgt :
het verzamelen van gegevens voor analyse en publicatie met het oog op het verstrekken van hulp aan lidstaten die technische assistentie vragen;
het bevorderen van de internationale samenwerking in de strijd tegen het terrorisme;
het identificeren van « waarschuwingsknipperlichten (early warnings » en van « optimale werkwijzen (best practices) »;
het aanmoedigen van lidstaten om toe te treden tot de 12 conventies tegen terrorisme van de Verenigde Naties en deze uit te voeren.
Het TPB heeft enkele studies opgesteld op vraag en dankzij de financiële steun van bepaalde lidstaten. Deze studies zijn vertrouwelijk en de uitvoerende directeur van het ODCCP is enkel bereid deze over te maken op schriftelijk verzoek van de lidstaten en onder het zegel van de meest strikte geheimhouding.
Deze studies zijn behoorlijk omstreden omdat zij, gezien het gebrek aan eigen middelen, van buitenuit dienen gefinancierd te worden, wat een gevaar van partijdigheid inhoudt.
Tot nu toe heeft het TPB zelden concrete resultaten voortgebracht maar dit is vaak te wijten aan het gebrek aan middelen en aan het feit dat het moeilijk is inlichtingen te bekomen.
Het Belgische EU-voorzitterschap heeft voorgesteld om de inspanningen van het TPB te concentreren op het helpen van lidstaten die daarom vragen, met het uitvoeren (ofwel door ratificatie, ofwel door toetreding) van de internationale conventies ter bestrijding van het terrorisme.
Verder dient te worden benadrukt dat buiten het TPB, ook andere diensten zich bezighouden met terrorisme zoals bijvoorbeeld het « OLA » (Office of the Legal Advisor) dat als secretariaat dient voor de onderhandelingen rond de conventies tegen het terrorisme.