(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Dankzij de hervorming van de belastingprocedure kunnen de belastingplichtigen in een aantal gevallen, meer bepaald in geval van verwijlinteresten of boetes, beroep aantekenen bij de rechtbank van eerste aanleg.
Moet men zich daarbij aan een bepaalde termijn houden (met name aan de termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van de beslissing van de directeur) ?
Het is van belang erop te wijzen dat er een verschil is tussen het aantekenen van beroep bij de rechtbank van eerste aanleg en het aantekenen van beroep tegen het bedrag van het belastbaar inkomen.
Antwoord : Het antwoord is bevestigend.
De bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg is thans op een zeer ruime wijze bepaald door artikel 569, eerste lid, 32ŗ, van het Gerechtelijk Wetboek dat voorschrijft dat de rechtbank van eerste aanleg kennis neemt « van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet ». Die termen beogen de fiscale wetgeving in zijn geheel genomen met inbegrip van zowel de sancties en de administratieve boeten als de bepalingen betreffende de toepassing van nalatigheidsinteresten.
De bepalingen betreffende de termijn waarbinnen een vordering in rechte moet worden ingeleid en die vervat zijn in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek zijn evenwel, gelet op de termen zelf van dat artikel, beperkt tot de hypothese waarin « een door of krachtens de wet georganiseerd administratief beroep » bestaat.
Aangezien op dit ogenblik geen georganiseerd beroep tegen beslissingen inzake ontheffing van nalatigheidsinteresten bestaat, moet worden besloten dat de tienjarige verjaringstermijn van het gemeen recht hier van toepassing is.
Wat daarentegen de administratieve boetes betreft organiseert artikel 366, WIB 92 voor de belastingschuldige de mogelijkheid om « tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar in te dienen ... »
Daaruit volgt dat de betwisting die op het bedrag van een boete zou slaan, op strafe van verval, moet worden ingeleid bij de rechtbank van eerste aanleg uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal (artikel 1385undecies, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek).