Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-44

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid

Vraag nr. 1656 van de heer Van Quickenborne d.d. 9 november 2001 (N.) :
Vakorganisaties. ­ Representativiteit. ­ Bepaling van objectieve criteria.

Professor emeritus Roger Blanpain verklaarde in het tijdschrift Knack van 3 oktober 2001 : « België hanteert willekeurige regels voor de erkenning van vakbonden ­ de facto alleen bonden die bij een van de drie grote koepels, ACV, ABVV, ACLVB zijn aangesloten. De Internationale Arbeidsorganisatie heeft België daar bij herhaling voor veroordeeld. »

Reeds herhaaldelijk werden klachten ingediend inzake de regeling van de representatieve organisaties, zowel voor nationale als internationale instanties. Zeer belangrijk in dit verband zijn ­ op nationaal vlak ­ de veroordelingen Winand en Risto te vinden in Raad van State, arrest nr. 10294, Winand tegen NMBS, 28 november 1963, VIe kamer, en Raad van State, arrest nr. 10295, Risto tegen NMBS, 28 november 1963, VIe kamer, en enkele internationale rapporten van de Internationale Arbeidsorganisatie [(International Labour Office (ILO), Official Bulletin, vol. LXX, verslag 251, zaak 1250, blz. 10-28, §§ 27 en 28; ILO, Official Bulletin, vol. LXX, verslag 253, blz. 5, punt 21)].

Het feit dat de wetgever op dit ogenblik nog steeds geen objectieve criteria heeft bepaald waaronder men als « representatief » kan worden beschouwd, maakt een ongelijke behandeling mogelijk. Zo wordt de Onafhankelijke Vakbond van het spoorwegpersoneel (OVS) door de NMBS niet erkend omdat zij niet is aangesloten bij een overkoepelend orgaan dat vertegenwoordigd is in de NAR. Ook hier stelt professor emeritus Roger Blanpain in hetzelfde interview omtrent het BECA : « Een pilotenvereniging die meer dan 90 % van de vliegers vertegenwoordigt, is onmiskenbaar representatief. Ze niet bij de sociale onderhandelingen betrekken is moeilijkheden zoeken. Dat kan niet anders dan mislopen. En het is dus fout gelopen. »

Op die manier ontstaat ten onrechte een vicieuze cirkel : een organisatie kan slechts zitting hebben in de NAR als ze representatief is en is slechts representatief als ze in de NAR zitting heeft. Om in de NAR zitting te hebben, moeten de werkgevers-werknemersorganisaties door de uitvoerende macht als meest representatieve worden beschouwd : de Koning, dit wil zeggen de minister van Tewerkstelling en Arbeid, kiest met andere woorden wie hij wenst.

Ook de Commissie voor vrijheid van vereniging van de Internationale Arbeidsorganisatie oordeelde al herhaaldelijk dat de Belgische Staat totaal fout is bij de beoordeling van deze problematiek (zie onder andere besluit van 27 mei 1987, blz. 251, verslag International Labour Office, Official Bulletin, vol. LXX, verslag 251).

Het comité stelde dat de Belgische wetgeving diende te worden aangepast om objectieve en voorafgaandelijk vastgestelde precieze criteria vast te leggen zodat nationale en interprofessionele organisaties hun rechten op het stuk van representativiteit zouden kunnen opeisen.

Deze lacune in de Belgische wetgeving staat in schril contrast met de wetgevingen van de ons omringende landen zoals onder meer Frankrijk (Code du travail, artikel nr. 133-2) en Luxemburg (loi du 12 juin 1965 concernant les conventions collectives de travail, artikel 2, lid 3) die wel objectieve criteria opsommen. Deze problematiek speelt onder meer in de openbare sector. Hier blijkt dat er geen verkiezingen meer worden georganiseerd sinds 1959, wat onaanvaardbaar is. De verkiezingen geven immers legimiteit aan de vakbonden en maken het sociaal overleg waardevol.

De interne democratie van de vakbonden is eveneens een pijnpunt. Zo klaagde in 1991 professor Roger Blanpain de aanstelling van de ABVV-top aan als een pausverkiezing : « Degenen die door het apparaat benoemd zijn (de kardinalen) gaan de leider (de paus) van datzelfde apparaat kiezen. De leden-werknemers hebben daarin geen inspraak. Nochtans kan het anders; in sommige landen, Groot-Brittannië bijvoorbeeld, houdt men wel serieuze verkiezingen in de vakbond. »

De sociale verkiezingen in de privé-sector vormen het enig democratisch moment binnen de vakbond. Zij zijn echter beperkt tot de verkiezingen voor twee organen, namelijk de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen. Bovendien hebben de vakorganisaties een monopolie bij het voordragen van kandidaten, waarbij enkel een uitzondering bepaald is voor de kaderleden. Ook dit monopolie is wettelijk gegarandeerd. Tevens verlopen de verkiezingen op een getrapte wijze, waarbij men niet rechtstreeks kiest.

Naast het recht van eenieder om een vakorganisatie op te richten en toe te treden (artikelen 1, 3 en 4 van de wet van 1921) ­ de zogenaamde positieve vakbondsvrijheid ­, bestaat er ook een negatieve vakbondsvrijheid, dit is het recht om niet aan te sluiten bij een vakorganisatie.

Er bestaan evenwel bedingen in collectieve arbeidsovereenkomsten waarbij de vakorganisaties van de werkgever(s) verkrijgen dat deze uitsluitend of bij voorkeur leden van de vakorganisaties zullen aanwerven of in dienst houden, ofwel dat ze aan de leden van de organisatie een voorkeursbehandeling zullen geven, de zogenaamde zekerheidsclausules. Dit zijn bedingen in collectieve arbeidsovereenkomsten waardoor alleen aan bepaalde personen bepaalde voorwaarden worden toegekend.

Deze zijn in strijd met de negatieve vakbondsvrijheid en bijgevolg onwettig. België is hiervoor uitdrukkelijk veroordeeld door de Internationale Arbeidsorganisatie.

Deze praktijk is enkel toegelaten wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan :

­ geen onweerstaanbare druk uitoefenen op niet-vakbondsleden om zich toch aan te sluiten;

­ de toegekende voordelen moeten in verhouding staan tot de verstrekte diensten en de lasten gedragen door de werknemers die ervan genieten of hun vakorganisaties;

­ geen onderscheid maken tussen vakbondsleden onderling;

­ elk voordeel dat door de wet werd toegekend aan werknemers die tot een bepaalde vakorganisatie behoren, mag een waarachtig symbolisch niveau niet te boven gaan.

In dit kader had ik dan ook graag de volgende vragen gesteld aan de geachte minister :

1. Overweegt ze in te gaan op de eis van de Internationale Arbeidsorganisatie om de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met de vereiste om objectieve en voorafgaandelijk vastgestelde precieze criteria vast te leggen zodat nationale en interprofessionele organisaties hun rechten op het stuk van representativiteit zouden kunnen opeisen ? Zo neen, kan ze uitvoerig toelichten om welke redenen zij dit niet wenst te doen en kan ze verduidelijken waarom zij de rechtspraak van de Internationale Arbeidsorganisatie niet erkent ? Zo ja, kan ze een tijdschema vooropstellen waarbinnen de aanpassingen zullen plaatsgrijpen en welke richting dit zal uitgaan ?

2. Is de geachte minister het eens met de stelling dat sociale verkiezingen in de openbare sector legitimiteit geven aan de vakbonden en het sociaal overleg waardevol maken ? Zo ja, is ze dan bereid sociale verkiezingen te organiseren in de openbare sector ? Zo neen, wat zijn dan haar bezwaren tegen sociale verkiezingen in de openbare sector ?

3. Zal de geachte minister erop toezien, indien zij voorstander is van sociale verkiezingen in de openbare sector, dat alle organisaties die hieraan wensen deel te nemen kandidaten kunnen voordragen ? Zo neen, waarom niet ?

4. Is de geachte minister bereid bij de sociale verkiezingen in de privé-sector het wettelijke monopolie van de vakorganisaties bij het voordragen van kandidaten te doorbreken en tevens rechtstreekse verkiezingen in te voeren ? Zo neen, wat zijn haar bezwaren tegen de verbetering van de interne democratie bij de vakbonden en waarom wenst zij het wettelijke monopolie van de vakorganisaties bij het voordragen van de kandidaten te behouden ?

5. Is de geachte minister zinnens, tengevolge de veroordeling door de Internationale Arbeidsorganisatie, wetgevend op te treden en te bekomen dat de hoger aangehaalde bedingen in collectieve arbeidsovereenkomsten voldoen aan de vooropgestelde voorwaarden van de Internationale Arbeidsorganisatie, namelijk : geen onweerstaanbare druk uitoefenen op niet-vakbondsleden om zich toch aan te sluiten, de toegekende voordelen moeten in verhouding staan tot de verstrekte diensten en de lasten gedragen door de werknemers die ervan genieten of hun vakorganisaties, geen onderscheid maken tussen vakbondsleden onderling en elk voordeel dat door de wet werd toegekend aan werknemers die tot een bepaalde vakorganisatie behoren, een waarachtig symbolisch niveau niet te boven laten gaan ? Zo neen, had ik graag vernomen waarom zij de rechtspraak van de Internationale Arbeidsorganisatie niet erkent en tevens wat haar argumenten zijn.

Antwoord : In antwoord op de vraag dient herinnerd te worden aan de inhoud van artikel 3 van de wet van 5 december 1968 op de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Dit vermeldt dat als representatieve organisaties voor de werkgevers en de werknemers, de interprofessionele werkgevers- en werknemersorganisaties moeten worden beschouwd die samengesteld zijn op nationaal vlak en vertegenwoordigd worden bij de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en bij de Nationale Arbeidsraad. De werknemersorganisaties moeten bovendien ten minste 50 000 leden tellen.

Deze bepaling is één van de meest fundamentele van wat men doorgaans het « Belgisch sociaal model » noemt dat rechten en verplichtingen toewijst aan zowel de meest representatieve werkgevers- als werknemersorganisaties. De cohesie van het hele systeem berust op dit principe. Dit betekent natuurlijk niet dat het beginsel van vrijheid van vereniging geschonden wordt. Met andere woorden, het vermogen om collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten wordt eenvoudig voorbehouden aan de meest representatieve organisaties. Dit is wat het parlementaire debat van 1968 aantoonde toen de toenmalige minister deed opmerken dat, wat de grond van de kwestie betrof, en onder meer de vraag om te weten in welke mate de bepalingen van artikel 3 afbreuk deden aan de syndicale vrijheid, dat voornoemde bepalingen de werknemers geenszins beletten om organisaties van hun keuze samen te stellen en er zich bij aan te sluiten; deze organisaties kunnen zich vrij organiseren en aansluiten bij federaties of internationale confederaties. Deze bepalingen kunnen dus niet worden beschouwd als zijnde in tegenspraak met de beginselen van de syndicale vrijheid (verslag van de Senaatscommissie, parlementair stuk nr. 78, bespreking van de artikelen P 38). Al mijn voorgangers zijn deze traditie blijven volgen.

De openbare diensten hebben ook het principe van het interprofessioneel karakter van de representatieve vakbonden vooropgesteld. Inderdaad, om zitting te hebben in de algemene comités (comités A, B en C) moeten de vakorganisaties op nationaal vlak werkzaam zijn, de belangen van al de categorieën van het personeel verdedigen en aangesloten zijn bij een vakorganisatie die in de NAR vertegenwoordigd is.

De parlementaire voorbereidingswerken van de wet van 19 december 1974 tonen ook aan dat het de wil van de regering was om « geldige en verantwoordelijke gesprekspartners voor zich te vinden waarmee zij efficiënt kan onderhandelen ».

Het Arbitragehof heeft trouwens in verscheidene arresten gesteld (arresten nrs. 71/92, 139/2000 en 116/2001) dat het niet discriminerend is dat een vakorganisatie in een onderhandelingscomité van de overheidssector zitting heeft op grond van haar vertegenwoordiging in de NAR. Eveneens heeft het Europees Comité van de sociale rechten in zijn verslag 2000 gesteld dat de representativiteitscriteria van toepassing in de overheidssector redelijk en objectief zijn.

In andere landen werd daarentegen een andere keuze gemaakt. Daar werden machten toegekend aan federaties van werkgevers en van werknemers waarvan de representativiteit heel zwak is. Dit heeft in die landen een zeer hevige syndicale concurrentie veroorzaakt met zelfs een soort van opbod tussen de vakbonden.

Dit opbod betekent een gevaar voor de sociale vrede. Bovendien laat zij minuscule beroepsverenigingen toe zich meester te maken van een echt gigantische macht die ten dienste wordt gesteld van heel kleine groepjes.

De Belgische wetgever heeft geopteerd voor de sociale samenhang en voor een vorm van interprofessionele solidariteit.

Meer dan ooit ben ik van oordeel dat de samenhang van onze sociale traditie gehandhaafd moet blijven en dat elk inopportuun initiatief dient te worden vermeden.