Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-44

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid

Vraag nr. 1655 van de heer Van Quickenborne d.d. 9 november 2001 (N.) :
Voortgangsrapport van de Senaat inzake het regeringsbeleid met betrekking tot de immigratie. ­ Gevolg dat zal worden gegeven aan de aanbevelingen uit dit rapport.

De Senaat heeft met een grote meerderheid (46 voor, 5 tegen, 10 onthoudingen) op 19 juli 2001 het voortgangsrapport inzake het regeringsbeleid met betrekking tot de immigratie goedgekeurd.

In dit belangrijke stuk zitten een aantal aanbevelingen vervat die een opener immigratiebeleid voorstaan en waarvan aan de regering wordt gevraagd ze uit te voeren.

Aanbeveling 2 bepaalt dat « bij de uitbreiding van de Europese Unie de overgangsperiode voor de openstelling van de arbeidsmarkten zoveel als mogelijk (moet) worden ingekort ».

Aanbeveling 4 luidt : « Inzake de hooggeschoolde arbeidsmigranten moet de bestaande wetgeving punctueel versoepeld worden. Voor lagere kwalificaties wordt een lijst van knelpuntberoepen aangelegd waarvoor de aanvraag tot arbeidskaart in principe automatisch wordt toegekend. De uitvoering dient eveneens versneld te worden. » In concreto betreft het een aantal bepalingen in het koninklijk besluit van 9 juni 1999. Hierin wordt een beperking vastgelegd van vier jaar voor de aanwerving van leidinggevend personeel en de koppeling van de tewerkstelling in een bijhuis of filiaal van een firma uit hun land. De beperking tot vier jaar ­ die destijds als een compensatie is ingevoerd voor de verlaging van de minimumbezoldiging ­ is voorbarig nu uit diverse enquêtes blijkt dat in sectoren waar een krapte bestaat aan inlandse of Europese hooggeschoolde werknemers de beginweddes hoger liggen dan de loonnorm vastgelegd in voornoemd koninklijk besluit.

Verder leest men in aanbeveling 4 : « De commissie meent dat bij het verlenen van een verblijfsvergunning ook onmiddellijk een arbeidsvergunning kan worden afgeleverd, voor de maximale duur van de verblijfsvergunning. » Men zou op die manier het pingpongspel kunnen oplossen tussen de administratie bevoegd voor de verblijfstitel, enerzijds, en de gewestelijke administratie, anderzijds. Het louter vertoon van de verblijfstitel zou het recht geven op tewerkstelling. Wel zou de arbeidsvergunning aan de werkgever behouden blijven ter bevestiging dat hij/zij een bepaalde werknemer mag tewerkstellen.

Tenslotte staat er in aanbeveling 6 te lezen : « Gelet op de grote inter- en subregionale verschillen pleit de commissie voor meer acties om de mobiliteit van de werkzoekende over verschillende grenzen (taal-, provincie-, arrondissements-) heen te verbeteren en bevorderen. Inzonderheid VDAB, FOREM en BGDA dragen een belangrijke verantwoordelijkheid. »

Volgende vragen dringen zich op :

Dringt de geachte minister bij haar collega's erop aan de overgangsperiode als vernoemd te verkorten ? Wat is dienaangaande de stand van zaken ?

Is de geachte minister bereid het koninklijk besluit als gevraagd punctueel te versoepelen op de punten die werden aangeduid ?

Komt er een lijst van knelpuntberoepen voor laaggeschoolden ?

Op welke manier wil de geachte minister de gevraagde automatische tewerkstellingsmogelijkheid koppelen aan de verblijfsvergunning ?

Welke acties heeft de geachte minister ondernomen om de subregionale verschillen waarvan sprake te verminderen ?

Antwoord : Bij schrijven van 19 juli 2001 heeft de voorzitter van de Senaat, de heer De Decker, de eerste minister geïnformeerd over deze aanbevelingen. De eerste minister heeft mij daarna verzocht deze aanbevelingen te onderzoeken.

Het lijkt mij belangrijk, vooraleer op de concrete vragen te antwoorden, een aantal van de principes die in deze aanbeveling vervat zit, te herhalen. Vooreerst is het zo dat het beste niveau om een coherent asiel- en migratiebeleid te voeren, het Europese niveau is. Waarbij dan wel dient vastgesteld te worden dat de Europese besluitvormingsprocedure een dergelijk Europees migratiebeleid niet vereenvoudigt. Vervolgens wil ik volledig de overweging van de Senaat onderschrijven wanneer deze stelt dat het een illusie is te denken dat een versoepeld migratiebeleid een afdoend middel zou zijn om de druk op de asielprocedure te verlichten. Tenslotte ondersteun ik volledig de overweging van de Senaat dat het om een complex probleem gaat, zeker wanneer het gaat om economische migratie. De Senaat stelt dan ook terecht dat de discussie terzake op een voorzichtige wijze dient gevoerd te worden, waarbij niet alleen alle neveneffecten, zoals een mogelijke brain-drain, maar ook alle mogelijke alternatieven moeten worden overwogen.

De eerste vraag van het geachte lid heeft betrekking op de overgangsperiode voor het openstellen van de arbeidsmarkt bij de uitbreiding van de Europese Unie. Dat deze uitbreiding gewenst is is overduidelijk, en de voorbereiding van deze uitbreiding is dan ook één van de prioriteiten van het Belgische voorzitterschap. De grote verschillen in economische omstandigheden, inzake sociale bescherming en arbeidsbescherming, nopen echter tot voorzichtigheid in de timing. Dit is niet nieuw. Zo was bij de toetreding van Spanje en Portugal, weliswaar West-Europese landen, de overgangsfase ook vrij lang. Ik vrees dat het in een periode van economische onzekerheid niet evident zal zijn een grote bereidheid te vinden om de overgangsfase te verkorten.

Wat de wetgeving inzake arbeidsvergunningen en arbeidskaarten betreft, heb ik mijn administratie verzocht om een herziening voor te bereiden, waarbij de principes vervat in de aanbeveling van de Senaat, verwerkt zitten. Zo zou er een sterkere band komen tussen verblijfs- en arbeidsvergunningen, waardoor voor situaties waarbij men een vaste verblijfstitel heeft, vrijstelling zou kunnen verleend worden van het verkrijgen van een arbeidsvergunning. In feite zijn er twee soorten situaties : voor zij die reeds legaal in het land verblijven en beschikken over een langdurige verblijfstitel, zou het recht op arbeid nagenoeg een automatisme moeten zijn : arbeid is hier het gevolg van verblijf. Voor zij die hier nog niet zijn maar naar hier komen om er te werken, zou de aflevering van een arbeidsvergunning nagenoeg automatisch voor dezelfde periode een recht op verblijf moeten betekenen : hier is het recht op verblijf het gevolg van het recht op arbeid. Wat de specifieke situatie van de hogergeschoolden betreft, waarnaar het geachte lid verwijst, zou de huidige beperking tot maximaal vier jaar afgeschaft worden.

Wat de mindergeschoolden betreft, wordt gevraagd naar een lijst van knelpuntenberoepen waarvoor de arbeidskaart in principe automatisch zou worden afgeleverd. Hierover durf ik mij op dit ogenblik nog niet ten gronde uitspreken. Vooreerst is het zo dat de wetgeving inzake arbeidsvergunningen een federale bevoegdheid is, terwijl dient vastgesteld te worden dat een opsomming van de knelpuntenberoepen regionale verschillen kan vertonen. Bovendien is het zo dat de notie knelpuntberoep een sterk variabel gegeven is. Ik herinner er trouwens aan dat ik, tijdens mijn uiteenzetting in de bevoegde commissie van de Senaat in januari 2001, erop gewezen heb dat men terzake voorzichtig moet zijn, en dat er prioritair dient geïnvesteerd te worden in de opleiding en vorming van de reeds in ons land aanwezige werkzoekenden. Daarbij kan zeker bijzondere aandacht besteed worden aan de allochtonen, die veelal kampen met een onvoldoende opleiding om op een stabiele manier geïntegreerd te geraken in de arbeidsmarkt. Ik stel tot mijn genoegen vast dat de Senaat dit idee integraal heeft overgenomen in zijn aanbeveling 5, daarbij uitdrukkelijk gewag makend van, en ik citeer, « de noodzaak aan bijkomende inspanningen voor het hier aanwezige werkloze potentiëel », zowel inzake « opleiding » als inzake « strijd tegen discriminatie ».

Wat de laatste vraag betreft, te weten het aanmoedigen van een grotere mobiliteit van de werkzoekende over de provincie- en gewestgrenzen heen, moet ik opmerken dat mijn collega's ministers van Werkgelegenheid van de gewesten terzake bevoegd zijn, onder andere als voogdijminister van de VDAB, de FOREM of de BGDA. Ik weet echter dat er tussen hen verschillende projecten werden uitgewerkt waarbij een dergelijke grensoverschrijdend werkzoeken wordt ondersteund. Ik kan u tot slot wel nog herinneren aan het feit dat op federaal niveau sinds juli 2000 een eenmalige premie wordt toegekend aan de langdurige werkloze die een job aanvaardt die een verre verplaatsing met zich brengt.