Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-51

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Justitie

Vraag nr. 1731 van de heer Van Quickenborne d.d. 7 december 2001 (rappel van 25 februari 2002) (N.) :
Treinbestuurders. ­ Drugstesten. ­ Toestand in de andere overheidsbedrijven. ­ Recht op privacy.

In de krant De Standaard konden we recentelijk lezen :

« Tweeënnegentig kandidaat-treinbestuurders hebben, alleen al dit jaar, een job bij de NMBS aan hun neus zien voorbijgaan omdat sporen van drugs werden gevonden in hun urine.

Tussen 1 januari en 31 oktober heeft de NMBS 1 275 kandidaten over de vloer gekregen die een functie van treinbestuurder ambieerden. Omdat na een urineonderzoek bleek dat ze drugs hadden gebruikt, vielen nog een tweeënnegentig sollicitanten uit de boot. Een woordvoerder verklaarde : « Drugsgebruik is een van de criteria die onze geneesheren hanteren bij hun beslissing om iemand al dan niet in dienst te nemen. Hebben wij het recht dat te doen ? We menen van wel omdat wij verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van onze reizigers en van derden. Het leven van honderden mensen hangt van een machinist af. Wij kunnen het ons niet permitteren risico's te nemen ».

In de Verenigde Staten is drugtesting al langer ingeburgerd. Ook meer en meer bedrijven in België vallen er op terug.

De vraag stelt zich uiteraard naar het respect voor het recht op privacy. Bovendien kan men niet stellen dat occasioneel drugsgebruik ­ inzonderheid van cannabis ­ leidt tot de onmogelijkheid tot sturen.

1. Hoe schatten de geachte minister het recht op privacy in deze in ?

2. Worden in andere overheidsbedrijven dergelijke drugstesten gedaan ? Zo ja, welke zijn de resultaten ?

3. Is een wettelijk kader wenselijk ? Zo ja, wat zal worden voorzien ? Zo nee, welke zijn de geldende principes ?

Antwoord : Het behoort niet tot mijn bevoegdheid feiten te beoordelen die het geachte lid bewezen acht.

Ik kan slechts wijzen op de wetsbepalingen en de rechtsleer die van toepassing is op dergelijke onderzoeken, en wel inzake de materies die tot mijn bevoegdheid behoren.

In de rechtsleer worden medische onderzoeken verricht bij aanwervingen gelijkgesteld met de verzameling van gegevens (F. Hendrik, Privacy en arbeidsrecht, Brugge, Die Keure, 1999, blz. 237, nr. 381).

Dit geldt ook voor urineonderzoeken die verricht worden bij de aanwerving van treinbestuurders.

Deze onderzoeken moeten bijgevolg plaatsvinden met inachtneming van de algemene beginselen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de verwerking van persoonsgegevens.

Krachtens artikel 4, § 1, 3º, van voornoemde wet moeten de verzamelde gegevens toereikend, terzake dienend en niet overmatig zijn ten opzichte van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen.

Volgens de rechtsleer zijn de gegevens die worden verzameld tijdens de wervingstesten terzake dienend ingeval erdoor kan worden bepaald of de kandidaat beantwoordt aan de bijzondere eisen van de beoogde functie, onder meer voor wat de veiligheid betreft (idem, blz. 238, nr. 382).

« Des questions relatives à d'éventuels antécédents alcooliques ou liées à l'emploi de drogues peuvent être légitimement posées à un pilote de ligne, à un chauffeur de taxi : ou de poids lourds » (F. Lagasse, « La vie privée et le droit des travailleurs », in « Chronique de droit social », 1997/9, Ced-Samson, blz. 421).

De vraag welke gegevens relevant zijn voor de functie is een feitelijke aangelegenheid (idem, nr. 383) waarover de rechter moet oordelen.

Bij deze urineonderzoeken moeten de bepalingen van de wet van 8 december 1992 in acht worden genomen : schriftelijke toestemming van de betrokkene, recht op toegang tot de gegevens, enz.

Met betrekking tot de overige vragen kan ik het geachte lid verwijzen naar het antwoord van mijn collega belast met Tewerkstelling en Arbeid.