2-1173/1 | 2-1173/1 |
28 MEI 2002
In onze samenleving wordt het huwelijk door de meerderheid nog steeds beschouwd als de ideale basis voor het duurzaam samenleven van twee personen. Hoewel er in het Burgerlijk Wetboek nergens wordt bepaald dat het huwelijk slechts gesloten kan worden tussen personen van verschillend geslacht, is men er in de rechtsleer en rechtspraak steeds vanuit gegaan dat het geslachtsverschil een positieve vereiste is om het huwelijk te kunnen sluiten.
De logica daartoe was het gegeven dat het huwelijk is gericht op voortplanting. Vermits personen van hetzelfde geslacht niet in staat zijn bij elkaar kinderen te verwekken, werd er door de rechtsleer en rechtspraak vanuit gegaan dat de huwelijkspartners van een verschillend geslacht moeten zijn. De rechtsleer en de rechtspraak vonden voor hun stelling steun in de artikelen 162 en 163 van het Burgerlijk Wetboek die de huwelijksbeletselen tussen broer en zuster, oom en nicht en tante en neef bevatten.
Vandaag moet worden vastgesteld dat deze verklaring achterhaald is. Kinderen worden immers zowel binnen als buiten het verwekt en geboren en veel gehuwden beschouwen het verwekken van kinderen niet langer meer als het belangrijkste doel van deze verbintenis.
In onze hedendaagse samenleving wordt het huwelijk beleefd en aangevoeld als een (vormgebonden) verbintenis tussen twee personen, met als voornaamste doel het creëren van een duurzame samenlevingsband. Het huwelijk biedt beide partners de mogelijkheid om hun band en de gevoelens die ze voor elkaar hebben tegenover de buitenwereld te bevestigen.
Gelet op de veranderde tijdsgeest het huwelijk dient thans voornamelijk om de innige band tussen twee personen te veruiterlijken en te bevestigen en verliest zijn procreatief karakter is er geen enkele reden meer om het huwelijk niet open te stellen voor personen van hetzelfde geslacht. Openstelling van het huwelijk zou betekenen dat paren van hetzelfde geslacht gebruik kunnen maken van het grondrecht om te huwen. Artikel 12 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geeft in beginsel ieder die de huwbare leeftijd heeft bereikt de bevoegdheid om te huwen en een gezin te stichten (zie ook artikel 23, tweede lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 16, eerste lid, van de Universele verklaring van de rechten van de mens). Ondanks dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens artikel 12 EVRM voorlopig nog niet zo ruim interpreteert dat daaronder het huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht valt, zouden de maatschappelijke ontwikkelingen in België (zoals in Nederland) aanleiding kunnen geven tot een ruimere interpretatie voor wat betreft ons land.
Op basis van een wel zeer klassieke invulling van het begrip huwelijk, besluit de Raad van State in zijn advies bij het wetsontwerp van de regering (1) dat de wetgever rekening dient te houden met de omstandigheid dat de rechtsfiguur van het huwelijk momenteel wordt gedefinieerd als de echtverbintenis tussen een man en een vrouw, en dat die definitie ook wordt gehuldigd door de hoger vermelde internationale overeenkomsten. De Raad van State stelt in zijn advies ook dat het geen discriminatie inhoudt, die niet objectief en redelijkerwijs kan worden verantwoord, om het huwelijk voor te behouden voor de heteroseksuele echtverbintenis. Het recht is echter geen dode materie. Het is niet onveranderlijk. Het recht staat niet los van de evoluties in de maatschappij en mag niet ongevoelig zijn voor de veranderingen binnen deze maatschappij. Het loutere feit dat het begrip huwelijk op dit ogenblik op een welbepaalde wijze wordt ingevuld en dat het recht om te huwen door internationale verdragen (voorlopig) enkel wordt gegarandeerd voor personen van verschillend geslacht, mag dan ook geen reden zijn om de mogelijkheid om te huwen niet uit te breiden tot personen van hetzelfde geslacht. Onze huidige maatschappij is dermate geëvolueerd dat er geen reden meer bestaat om iemand louter op basis van zijn geslacht en seksuele geaardheid uit te sluiten van de mogelijkheid om in het huwelijk te treden.
(...) Het uitgangspunt van dit wetsvoorstel, dat de tekst overneemt van het ontwerp dat de regering had ingediend en daarna heeft ingetrokken, is dan ook de gelijke behandeling van homoseksuele en heteroseksuele paren bij het huwelijk. (...) Zoals vermeld is het huwelijk vandaag de dag niet meer uitsluitend op de voortplanting gericht, maar het heeft niettemin een grote symbolische waarde en juridische impact op iemands hoedanigheid. Indien twee mensen zich willen engageren in een dergelijke verbintenis, mag geen op geslacht of seksuele geaardheid gebaseerd onderscheid hun intentie verhinderen. Dit betekent dat zoveel mogelijk de regels voor het aangaan, het verbreken en de gevolgen van het huidige huwelijk, van toepassing zullen zijn op een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht. Er zijn echter ook verschillen. Zo heeft het huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht geen afstammingsrechtelijke gevolgen.
Een huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht wordt aldus volledig gelijkgeschakeld met een huwelijk tussen twee personen van verschillend geslacht, met uitzondering van de gevolgen inzake afstamming. Kinderen die nu binnen een huwelijk geboren worden, staan door de enkele geboorte binnen dat huwelijk in familierechtelijke betrekking niet alleen tot de moeder (op grond van artikel 312 van het Burgerlijk Wetboek heeft het kind als moeder de persoon die als zodanig in de akte van geboorte is vermeld), maar ook tot de vader (op grond van artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek heeft het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk, de echtgenoot tot vader). Deze kinderen zullen ook meestal de biologische afstammelingen van deze vader en moeder zijn. Recht en werkelijkheid sluiten goed op elkaar aan. Het afstammingsrecht, en ten aanzien van kinderen geboren binnen een huwelijk in het bijzonder, is een weerspiegeling van bloedverwantschaps-relaties die er normaliter zijn of zouden kunnen zijn. Het huidige afstammingsrecht gaat enkel uit van biologisch mogelijke situaties, zodat een aanpassing ervan niet nodig is. Bovendien voorziet de wet in de mogelijkheid om de op basis van hoger vermelde regels vastgestelde afstamming te betwisten.
Het van rechtswege verbinden van afstammingsrechtelijke gevolgen aan een huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht zou tot een te grote abstractie van de werkelijkheid leiden. Stel dat twee vrouwen met elkaar huwen en binnen dat huwelijk wordt een kind geboren, dan stamt het kind met zekerheid niet af van de beide vrouwen. Om dan toch aan te nemen dat een kind door afstamming in familierechtelijk betrekking staat tot beide vrouwen, vergt een te grote abstractie van de werkelijkheid. Het gaat dan niet meer om weerlegbare « vermoedens », maar om ficties. De afstand tussen werkelijkheid en recht zou hierdoor te groot worden.
De lijn om aan een huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht geen afstammingsrechtelijke gevolgen toe te kennen, wordt in dit voorstel doorgetrokken inzake adoptie. De « openstelling van het huwelijk » brengt niet de mogelijkheid van adoptie door twee echtgenoten van hetzelfde geslacht met zich mee. De beperking van de mogelijkheid van adoptie tot personen van verschillend geslacht biedt de mogelijkheid eventuele problemen te voorkomen inzake de erkenning in het buitenland. Het is immers mogelijk dat de adoptie niet als rechtsgeldig wordt beschouwd ten opzichte van de regels van het internationaal privaatrecht die in het buitenland gelden en die een buitenlandse overheid zou moeten toepassen.
Dit voorstel raakt niet aan de inzake het huwelijk geldende principes van internationaal privaatrecht. Aldus is het huwelijk, ook voor personen van hetzelfde geslacht, slechts mogelijk wanneer door beide partijen is voldaan aan de door hun personeel statuut voorgeschreven grondvoorwaarden om een huwelijk te mogen aangaan.
De openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht brengt met zich dat België een in andere landen (met uitzondering van Nederland) als zodanig (nog) niet bestaande rechtsfiguur introduceert. Het is dan ook niet uit te sluiten dat dergelijke huwelijken in sommige landen niet zullen worden erkend.
Hierdoor zullen situaties ontstaan waardoor bepaalde huwelijken in België wel volledig rechtsgeldig zullen zijn, maar dat tegelijkertijd in het buitenland aan deze huwelijken geen rechtsgevolgen zullen worden toegekend. Het betreft hier de zogenaamde « hinkende rechtsverhoudingen », rechtsverhoudingen die in verschillende landen verschillende rechtsgevolgen kunnen hebben die niet adequaat op elkaar zijn afgestemd. Als gevolg hiervan zullen betrokkenen met diverse praktische en juridische bezwaren worden geconfronteerd. Het probleem van de « hinkende rechtsverhoudingen » mag niet worden onderschat. Dit geldt te meer omdat slechts globale voorspellingen kunnen worden gedaan ten aanzien van de manier waarop de buitenlandse rechtspraktijk met huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht zal omgaan. Zoals reeds vermeld is het in de eerste plaats onzeker of dergelijke huwelijken als dusdanig zullen worden erkend (Nederlands onderzoek heeft reeds aangetoond dat het aantal landen dat deze huwelijken zal erkennen minimaal is). Onzeker is ook of het niet erkennen impliceert dat aan dat huwelijk geen enkel gevolg zal worden toegekend, dan wel slechts bepaalde gevolgen. Het is dus van het grootste belang dat de aandacht van de betrokkenen op de mogelijke nadelige gevolgen in het buitenland van deze huwelijken wordt gevestigd. Betrokkenen hebben er belang bij om zich bij vestiging in het buitenland, of bij het verwerven of bestaan van patrimoniale of andere belangen aldaar, terdege te laten adviseren over hun rechtspositie.
Artikel 2
Door de vervanging in de Franse tekst van artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek van de woorden « pour mari et femme » door de woorden « pour époux », wordt dit artikel geslachtsneutraal gemaakt. Bovendien worden de Nederlandse (« tot echtgenoten ») en de Franse tekst hierdoor beter op elkaar afgestemd.
Artikel 3
Dit artikel maakt het burgerlijk huwelijk voortaan ook mogelijk voor personen van hetzelfde geslacht. Het uitgangspunt van de geslachtsneutraliteit van het huwelijk wordt hiermee tot uitdrukking gebracht.
Dit heeft als gevolg dat wanneer twee personen van hetzelfde geslacht met elkaar in het huwelijk treden, hun verbintenis volledig gelijkgeschakeld met die tussen twee personen van verschillend geslacht, met uitzondering van de gevolgen van het huwelijk inzake afstamming. Als gehuwden genieten zij voortaan van dezelfde rechten en zijn zij aan dezelfde plichten onderhevig als gehuwden van verschillend geslacht.
Er wordt voor geopteerd om het opgeheven artikel 143 opnieuw in het Burgerlijk Wetboek op te nemen in Hoofdstuk I van Boek I, Titel V (« hoedanigheden en voorwaarden vereist om een huwelijk te mogen aangaan »), hoewel het oorspronkelijk artikel 143 was opgenomen in Hoofdstuk III, Afdeling IV van Boek I, Titel IV (« gevolgen van de afwezigheid ten aanzien van de kinderen). Deze oplossing verdient de voorkeur boven het invoeren van een artikel 143bis.
Artikel 4
Artikel 162 van het Burgerlijk Wetboek verbiedt het huwelijk tussen broer en zuster. Het huwelijksbeletsel wordt uitgebreid : ook twee broers en twee zusters mogen niet met elkaar in het huwelijk treden.
Artikel 5
Artikel 163 van het Burgerlijk Wetboek verbiedt het huwelijk tussen oom en nicht en tante en neef. Het huwelijksbeletsel wordt uitgebreid : ook tussen oom en neef en tussen tante en nicht is het huwelijk verboden.
Artikel 6
In de geest van dit wetsontwerp moeten ook de voorwaarden opdat een in het buitenland voltrokken huwelijk in België als geldig zou worden beschouwd, geslachtsneutraal worden gemaakt.
Artikel 170ter van het Burgerlijk Wetboek blijft evenwel onverminderd van toepassing op de in artikel 170 van hetzelfde Wetboek bedoelde huwelijken. Wat het wezen betreft zijn deze huwelijken in België slechts geldig indien de contracterende partijen hebben voldaan aan de vereisten die door hun personeel statuut op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven om een huwelijk te mogen aangaan.
Artikel 7
Artikel 171 van het Burgerlijk Wetboek regelt de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand, bij de terugkeer op het grondgebied van het Rijk, van de akte van voltrekking van een huwelijk dat in een vreemd land is aangegaan. In de geest van dit wetsontwerp dient ook dit artikel geslachtsneutraal te worden gemaakt.
Artikel 8
Artikel 206 van het Burgerlijk Wetboek betreft de onderhoudsverplichting tussen schoonouders en schoonkinderen. Het huidige 1º van dit artikel stelt dat de onderhoudsverplichting een einde neemt wanneer de schoonmoeder een tweede huwelijk aangaat. Gelet op het feit dat een dergelijk verval niet bestaat in de hypothese dat de schoonvader opnieuw in het huwelijk treedt, en dat de bepaling van artikel 206 moet worden beschouwd als een uitzonderingsmaatregel die niet tot andere personen kan worden uitgebreid, dient men zich de bedenking te maken of deze regelgeving niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 14 EVRM.
Door de wijziging van deze bepaling wordt beoogd om een einde te maken aan het in dit artikel bestaande onderscheid op grond van het geslacht.
Artikelen 9 tot en met 11
In de in de in de artikel 313, 319bis en 322 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde gevallen wordt de echtgenoot op de hoogte gebracht van de vaststelling van afstamming van overspelige kinderen van de andere echtgenoot. Deze bepalingen zijn opgesteld vanuit de traditionele invulling van het begrip huwelijk. Door openstelling van het huwelijk zal het aantal hypothetische situaties waarin de vaststelling van de afstamming van een overspelig kind aan de andere echtgenoot dient te worden meegedeeld, zij het in zeer beperkte mate, toenemen (bijvoorbeeld twee mannen zijn gehuwd en één van hen verwekt tijdens het huwelijk een kind bij een vrouw. De andere echtgenoot dient op de hoogte te worden gebracht). Er zal dus in ieder van de hoger vermelde gevallen moeten worden voorzien in het op de hoogte brengen van zowel de echtgenoot als de echtgenote.
Artikelen 12 tot en met 15
Adoptie is een instelling waarbij tussen twee individuen, ten gevolge van een vormelijk contract of een gerechtelijke beslissing, een juridische band geschapen wordt die rechtsgevolgen teweegbrengt welke gelijk zijn aan of sterk gelijken op die van de afstamming.
Omdat aan een huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht geen afstammingsrechtelijke gevolgen worden toegekend, worden ook inzake adoptie aan dergelijke huwelijken geen gevolgen toegekend.
Deze artikelen zijn logischerwijze gebaseerd op de huidige stand van de wetgeving. Men mag echter niet de door de Regering aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter beraadslaging voorgelegde ontwerpen tot hervorming van de adoptie uit het oog verliezen (stuk Kamer, 2000-2001, nrs. 1366/1 en 1367/1). Het spreekt voor zich dat ook bij de behandeling van voorliggend ontwerp rekening dient te worden gehouden met de stand van zaken van het adoptieontwerp.
Gelet op het feit dat de openstelling van het huwelijk voor twee personen van hetzelfde geslacht een andere invulling van het begrip echtgenoten met zich meebrengt (niet meer enkele de klassieke man-vrouw-situatie), is een aanpassing van de huidige artikelen 345, tweede lid, 346, eerste en derde lid, 361, § 2, en 368, § 3, van het Burgerlijk Wetboek vereist. Een aanpassing van artikel 358, §§ 2 en 3, en artikel 370, § 3, van het Burgerlijk Wetboek is dan weer niet nodig, omdat de formulering van deze bepalingen enkel uitgaat van de klassieke man-vrouw-situatie.
Artikel 16
Artikel 1398 van het Burgerlijk Wetboek stelt dat het wettelijk stelsel berust op drie vermogens. De huidige tekst gaat echter uit van een huwelijk tussen twee personen van verschillend geslacht (« het eigen vermogen van de man, het eigen vermogen van de vrouw en het gemeenschappelijk vermogen »).
Aan het in dit artikel vervatte uitgangspunt wordt niet geraakt. Het wettelijk stelsel blijft berusten op het bestaan van drie vermogens : het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten.
De bedoeling van de voorgestelde tekst is enkel het geslachtsneutraal maken van artikel 1398 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 17
Artikel 1676 van het Burgerlijk Wetboek stelt dat de eis tot vernietiging van de koop (van een onroerend goed) uit hoofde van benadeling, niet meer ontvankelijk is na verloop van twee jaren te rekenen vanaf de dag van de koop.
Volgens de huidige tekst van het artikel loopt deze termijn ook tegen gehuwde vrouwen, die daarmee worden gelijkgesteld met afwezigen, onbekwaamverklaarden en minderjarigen die in de plaats komen van een meerderjarige verkoper.
Deze bepaling dateert van vóór de wetswijzigingen van 30 april 1958 en 14 juli 1976. Door deze wijzigingen verkreeg de gehuwde vrouw een volkomen handelingsbekwaamheid en handelingsbevoegdheid. Artikel 1676 van het Burgerlijk Wetboek werd hierbij blijkbaar over het hoofd gezien.
Dit artikel beoogt het wegwerken van deze vergetelheid van de wetgever, waardoor het tegelijkertijd ook geslachtsneutraal wordt gemaakt.
Artikelen 18 en 19
Het betreft het wegwerken van een vergetelheid van de wetgever (naar aanleiding van de wet van 14 juli 1976), waardoor artikelen 1940 en 1941 van het Burgerlijk Wetboek tegelijkertijd ook geslachtsneutraal worden gemaakt.
Artikel 20
Het betreft het wegwerken van een vergetelheid van de wetgever (naar aanleiding van de wet van 14 juli 1976), waardoor deze artikelen tegelijkertijd ook geslachtsneutraal worden gemaakt.
Hetgeen is bepaald over de « gehuwde vrouw » geldt wel nog voor handelshuurovereenkomsten die gesloten zijn vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976.
Artikel 21
De formulering van artikel 48 van de Hypotheekwet dateert nog uit de tijd dat enkel mannen rekenplichtige konden zijn.
De bedoeling van de voorgestelde tekst is het aanpassen aan de huidige situatie en het geslachtsneutraal maken van dit artikel.
Artikel 22
Teneinde de ambtenaren van de burgerlijke stand te kunnen inlichten over de draagwijdte van deze nieuwe wetgeving, en om de gemeenten, en eventueel andere overheidsdiensten, toe te laten om indien nodig hun geautomatiseerde systemen aan te passen, wordt in dit artikel voorzien in een inwerkingtreding vier maanden na de publicatie.
| Jeannine LEDUC. Philippe MAHOUX. Philippe MONFILS. Myriam VANLERBERGHE. Marie NAGY. Frans LOZIE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In de Franse tekst van artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek worden de woorden « pour mari et femme » vervangen door de woorden « pour époux ».
Art. 3
Artikel 143 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 31 maart 1987, wordt hersteld in de volgende lezing, en wordt verplaatst naar hoofdstuk I van boek I, titel V, van hetzelfde Wetboek :
« Art. 143. Een huwelijk kan worden aangegaan door twee personen van verschillend of van hetzelfde geslacht. »
Art. 4
In artikel 162, eerste lid, van het hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1987 en van 27 maart 2001, worden de woorden « de broeder en zuster » vervangen door de woorden « broers, tussen zusters of tussen broer en zuster ».
Art. 5
Artikel 163 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Art. 163. Het huwelijk is ook verboden tussen oom en nicht of neef, of tussen tante en nicht of neef. »
Art. 6
Artikel 170 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 juli 1931, gewijzigd bij de wet van 1 maart 2000, wordt vervangen als volgt :
« Art. 170. Wat de vorm betreft worden beschouwd als geldig in België :
1º De huwelijken tussen Belgen, alsook tussen Belgen en vreemdelingen, welke in een vreemd land zijn voltrokken met inachtneming van de in dat land gebruikelijke vormen;
2º De huwelijken tussen Belgen, alsook tussen Belgen en vreemdelingen, welke zijn voltrokken door de diplomatieke ambtenaren of door de ambtenaren van het consulair korps aan wie de functie van ambtenaar van de burgerlijke stand is opgedragen. »
Art. 7
In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 juli 1931, worden de woorden « of van de eerste vestiging der echtgenote, indien zij alleen op het grondgebied van het Rijk terugkeert » vervangen door de woorden « of van de eerste vestiging van een van de echtgenoten, indien deze alleen op het grondgebied van het Rijk terugkeert ».
Art. 8
In artikel 206, 1º, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « de schoonmoeder » vervangen door de woorden « de schoonvader of de schoonmoeder ».
Art. 9
In artikel 313, § 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het eerste lid, worden de woorden « de echtgenoot » vervangen door de woorden « de echtgenoot of de echtgenote »;
2º in het derde lid worden de woorden « aan de echtgenoot » vervangen door « aan de echtgenoot of de echtgenote ».
Art. 10
Artikel 319bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
« Wanneer de vader gehuwd is en een kind erkent dat is verwekt bij een vrouw waarvan hij niet de echtgenoot is, moet de akte van erkenning bovendien bij verzoekschrift ter homologatie voorgelegd worden aan de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van het kind. De echtgenoot of de echtgenote van de verzoeker dient in het geding betrokken te worden. ».
Art. 11
Artikel 322, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
« Indien de verweerder gehuwd is en het kind tijdens het huwelijk verwekt is bij een vrouw waarvan hij niet de echtgenoot is, moet het vonnis waarbij de afstamming wordt vastgesteld, aan de echtgenoot of de echtgenote worden betekend. Totdat die betekening heeft plaatsgehad, kan het vonnis niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, noch aan de kinderen geboren uit het huwelijk met de verweerder of geadopteerd door beide echtgenoten. »
Art. 12
In artikel 345, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 1987, worden de woorden « en de echtgenoten zijn van verschillend geslacht, » ingevoegd tussen de woorden « echtgenoot van de adoptant, » en de woorden « dan is het voldoende ».
Art. 13
In artikel 346, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 27 april 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
« van verschillend geslacht »;
2º in het derde lid worden de woorden « kan de betrokkene in voorkomend geval opnieuw geadopteerd worden door degene met wie de andere echtgenoot hertrouwd is » vervangen door de woorden « kan, wanneer de andere echtgenoot hertrouwd is met iemand van verschillend geslacht, de betrokkene in voorkomend geval opnieuw geadopteerd worden door de nieuwe echtgenoot ».
Art. 14
In artikel 361, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 april 1987, worden de woorden « van verschillend geslacht » ingevoegd tussen de woorden « van de echtgenoot » en de woorden « van de adoptant ».
Art. 15
Artikel 368, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 1987, wordt aangevuld als volgt :
« van verschillend geslacht ».
Art. 16
Artikel 1398 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
« Art. 1398. Het wettelijk stelsel berust op het bestaan van drie vermogens : het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten, zoals die worden omschreven in de hiernavolgende artikelen. »
Art. 17
In artikel 1676, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vervallen de woorden « gehuwde vrouwen, ».
Art. 18
Artikel 1940 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 april 1958, wordt vervangen als volgt :
« Art. 1940. Indien de bewaargever van staat veranderd is, bijvoorbeeld indien tegen een meerderjarige bewaargever onbekwaamverklaring is uitgesproken en in alle soortgelijke gevallen, kan de in bewaring gegeven zaak slechts teruggegeven worden aan hem die het beheer heeft over de rechten en de goederen van de bewaargever. »
Art. 19
In artikel 1941 van hetzelfde Wetboek vervallen de woorden « , door de man » en de woorden « , die man ».
Art. 20
In artikel 16, III, van de wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten vervallen de woorden « de gehuwde vrouw, ».
Art. 21
In artikel 48 van de wet van 16 december 1851 houdende herziening van het hypothecair stelsel worden de woorden « van zijn vrouw, tenzij deze die goederen door erfenis of schenking, of onder bezwarende titel met haar eigen penningen » vervangen door de woorden « van zijn echtgenoot of echtgenote, tenzij deze die goederen door erfenis of schenking, of onder bezwarende titel met zijn of haar eigen penningen ».
Art. 22
Deze wet treedt in werking de eerste dag van de vierde maand na die waarin zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
22 mei 2002.
| Jeannine LEDUC. Philippe MAHOUX. Philippe MONFILS. Myriam VANLERBERGHE. Marie NAGY. Frans LOZIE. |
(1) Zie stuk Kamer, nr. 50-1692/1, blz. 18-23.