2-1060/3

2-1060/3

Belgische Senaat

ZITTING 2001-2002

30 APRIL 2002


Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 10 november 1967 houdende oprichting van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW KESTELIJN-SIERENS


Dit wetsontwerp werd op 21 februari 2002 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers en overgezonden aan de Senaat.

De Senaat heeft het ontwerp op 11 maart 2002 geëvoceerd. De onderzoekstermijn verstrijkt op 27 mei 2002.

De commissie heeft het wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 17 en 30 april 2002.

1. Inleidende uiteenzetting door de minister toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw

De minister schetst de wordingsgeschiedenis van dit wetsontwerp, dat op 8 juni 2001 in de Kamer werd ingediend teneinde bij het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) retributies in te voeren voor het verstrekken van bepaalde diensten aan de marktdeelnemers. Het regeringsamendement ingediend op 16 juli 2001 (stuk Kamer, nr. 50-1289/002) strekte ertoe een aantal artikelen van het genoemde wetsontwerp te wijzigen zodat er met ingang van 1 januari 2002 niet alleen gevolg kan worden gegeven aan de nieuwe bevoegdheidsverdelende regeling inzake landbouw maar ook aan het gewijzigde artikel 6, paragraaf 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvan lid 1, 4º, voorziet dat de gewesten over een gegarandeerde en significante vertegenwoordiging moeten beschikken binnen het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau. Het BIRB blijft echter een federale instelling.

Het wetsontwerp beoogt een dubbele doelstelling : het BIRB kan voortaan niet alleen meer een beroep doen op financiële middelen van de federale regering maar nu ook retributies vragen voor geleverde diensten en prestaties; het wetsontwerp strekt er verder toe om in de bevoegdheden van het BIRB ook de geregionaliseerde landbouwbevoegdheid op te nemen.

De gegarandeerde en significante vertegenwoordiging van de gewesten wordt als volgt geregeld : de raad van bestuur van het BIRB telt 10 leden, waarvan de Vlaamse en Waalse Gewesten elk twee vertegenwoordigers aanwijzen, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest één en de federale overheid vijf.

In het bestendig comité van het BIRB beschikken de federale overheid en de gewesten over elk één vertegenwoordiger. Daarnaast zullen de Koning en de gewestregeringen ieder voor wat hen betreft een regeringscommissaris kunnen aanduiden.

Het personeel van het BIRB kan zowel uit de gewestelijke overheden als uit de federale overheid afkomstig zijn.

De autonomie van de raad van bestuur wordt versterkt doordat zij de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal en de personeelsleden van het BIRB benoemt. Verder bepaalt de raad van bestuur ook het bedrag van de vergoedingen of vergeldingen die het BIRB mag eisen om geheel of ten dele de kosten die voortvloeien uit de voor rekening van derden verrichte verstrekkingen te dekken.

De werkingsregels van het BIRB zullen in overleg met de gewesten worden vastgelegd.

De regering heeft de samenstelling van het BIRB aangepast aan het advies van de Raad van State van 12 december 2001 (stuk Kamer, nr. 50-1289/003) in die zin dat de federale vertegenwoordigers daarin nu een beslissende stem kunnen uitbrengen met gewaarborgde regionale vertegenwoordiging. De grote beslissingsmacht van de gewesten in de raad van bestuur was immers niet verenigbaar met het federaal karakter van het BIRB.

2. Algemene bespreking

Het verheugt de heer Roelants du Vivier dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigd is in het BIRB. Hij vraagt toelichting bij de opdrachten van het BIRB. Spreker wenst ook te vernemen of de bestuurders van het BIRB een bezoldigd mandaat uitoefenen.

De minister antwoordt dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wegens de omvang van zijn voedingsmiddelenindustrie vertegenwoordigd is in het BIRB. De hoofdopdracht van het BIRB bestaat in het uitvoeren van betalingen inzake restitutie en interventie. Het BIRB ziet toe op de naleving van de Europese reglementen terzake. Als de Europese Gemeenschap de controle ontoereikend vindt, kan zij zware straffen opleggen. Het BIRB zorgt er ook voor dat de betalingen inzake interventies en restituties uitgevoerd worden overeenkomstig de Europese bepalingen. Bovendien staat het BIRB ook in voor de opslag van landbouwproducten (zuivelproducten, boter) en sluit het opslagcontracten af met derden.

Mevrouw Kestelijn-Sierens wenst de grootte te kennen van het bedrag van de retributies ter vergoeding van de diensten van het BIRB. Zij vraagt waarom de duur van het mandaat van de beheerder van het BIRB overeenkomt met die van de regeerperiode.

De minister antwoordt dat de beheerders vertegenwoordigers zijn van de gewestregeringen, die gestalte moeten geven aan de beleidsaanbevelingen van de regeringen waardoor de duur van hun mandaat gelijk is aan de duur van het mandaat van de regering.

Voor wat de grootte betreft van de financiële middelen van het BIRB :

­ Staatstoelagen jaar 1998 : 367 400 000 frank (9 107 608 euro);

­ Eigen ontvangsten : 25 327 881 frank (627 861 euro);

­ Regeringstoelagen jaar 2000 : 402 100 000 frank (9 967 798 euro);

­ Recuperatie administratieve kosten : 592 000 frank (14 675 euro);

­ Eigen financiële opbrengsten : 2 000 000 frank (49 578 euro).

Tot nu toe zijn er slechts voorstellen voor de retributies, maar de bedoeling is wel om slechts een klein bedrag te vragen voor invoer- en uitvoercertificaten, financiering van de documenten in verband met opslaan van materiaal. De minister geeft enkele voorbeelden :

­ documenten : 0,026 %;

­ steunmaatregelen : 0,033 %.

Dit voorstel werd gedaan om de informatisering van het BIRB te financieren zodat de cliënten via elektronische weg met het BIRB in contact kunnen treden. De termijnen van uitbetaling zijn reeds aanzienlijk ingekort. Het gaat hier om aanvullende bedragen.

De heer Caluwé pleit voor een volledige regionalisering van de landbouwbevoegdheid, waardoor de gewesten hun meerderheid in de raad van bestuur van het BIRB behouden. Het lid wenst dat de oorspronkelijke tekst van het ontwerp (stuk Kamer, nr. 50-1289/001) zou behouden blijven. De consequentie hiervan is wel dat dit wetsontwerp een ontwerp van bijzondere wet wordt en dat het eerste artikel van het wetsontwerp verwijst naar artikel 77 van de Grondwet in plaats van naar artikel 78.

De minister antwoordt dat het BIRB een federale instelling blijft omdat de gewesten grote verantwoordelijkheid voor deze materie tegenover de Europese Gemeenschap wensten te delen met de federale overheid.

3. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen

Alleen de artikelen waarop een amendement is ingediend worden besproken.

Artikel 5

De heer Caluwé dient het amendement nr. 1 in teneinde de samenstelling van de raad van bestuur te wijzigen met het oog op de overwegende vertegenwoordiging van de gewesten.

De minister vraagt dit amendement te verwerpen en verwijst naar haar eerder gegeven antwoord (zie supra).

Het amendement wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 6

De heer Caluwé dient het amendement nr. 2 in, dat het logische gevolg is van het amendement nr. 1.

Het amendement wordt eveneens verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 8

De heer Moens meent dat de tekst van het derde lid van artikel 8 niet duidelijk is voor wat betreft de samenstelling van het bestendig comité. Wat betekent « één lid in de vertegenwoordiging van elke gewestregering » ?

De minister antwoordt dat de Vlaamse en Waalse regering elk twee leden aanwijzen voor de raad van bestuur, de Brusselse regering één lid en de federale regering vijf leden. Uit deze vertegenwoordiging wordt telkens één lid van elke gewestregering aangewezen om te zetelen in het bestendig comité. Er wordt ook één lid uit de vertegenwoordiging van de federale regering aangewezen, zodat er in feite vier leden aangewezen worden voor dit bestendig comité waarvan er twee tot de Nederlandstalige en twee tot de Franstalige taalrol behoren.

De heer Caluwé dient het amendement nr. 3 in om in de Nederlandse tekst van dit artikel het woord « in » te vervangen door het woord « van ».

Het amendement nr. 3 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

De commissie beslist om artikel 8, derde lid, als volgt te verbeteren :

« Twee van de laatstgenoemde leden behoren tot de Nederlandse taalrol en de andere twee leden tot de Franse taalrol. Zij worden als volgt aangewezen : één lid van de vertegenwoordiging van elke gewestregering en één lid van de vertegenwoordiging van de federale regering. »

Het wetsontwerp wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem.

Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.

De rapporteur,
Mimi KESTELIJN-SIERENS.
De voorzitter,
Paul DE GRAUWE.