Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-50

ZITTING 2001-2002

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Financiën

Vraag nr. 1844 van de heer Istasse d.d. 25 januari 2002 (Fr.) :
VZW's. ­ Lonen van beheerders. ­ Bedrijfsvoorheffing.

Het koninklijk besluit van 20 december 1996, officieel bekrachtigd door de wet van 19 juni 1997, heeft ter vervanging van de oude lonen van beheerders van een vennootschap met aandelen en van actieve vennoten van een vennootschap van personen een nieuwe categorie van beroepsinkomsten in het leven geroepen, die sinds het aanslagjaar 1998 gehanteerd wordt : de lonen van beheerders van een onderneming, die in artikel 32, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen als volgt worden gedefinieerd.

De lonen van de beheerders van een onderneming zijn alle betalingen die toegekend of toegewezen worden :

1. aan een natuurlijke persoon omwille van de uitoefening van een mandaat van beheerder, bestuurder of vereffenaar of van overeenkomstige functies;

2. aan een natuurlijke persoon die binnen de vennootschap zonder arbeidscontract een leidende activiteit of functie uitoefent die betrekking heeft op het dagelijks beheer of die van commerciële, technische of financiële orde is.

Artikel 32, tweede lid, voegt daar het volgende aan toe :

De lonen van de beheerders van een onderneming omvatten met name :

1. de winstaandelen, het presentiegeld, de honoraria en alle andere vaste of variabele bedragen die door vennootschappen worden toegekend en die geen dividenden of terugbetaling van kosten eigen aan de vennootschap zijn;

2. de voordelen, vergoedingen en lonen van andere aard, overeenkomstig met de voordelen, vergoedingen en lonen waarnaar in artikel 31, tweede lid, 2º en 5º, wordt verwezen;

3. in afwijking van artikel 7, de huur en de huurvoordelen van een onroerend goed dat door de personen waarnaar in het eerste lid wordt verwezen, verhuurd wordt aan de vennootschap waar ze een mandaat of overeenkomstige functies uitoefenen, voor zover ze meer bedragen dan vijf derden van het kadastraal inkomen geherwaardeerd op basis van de coëfficiënt waarnaar artikel 13 verwijst. Van die lonen worden de kosten die betrekking hebben op het onroerend goed dat verhuurd wordt, niet afgetrokken.

Tijdens de parlementaire werkzaamheden die voorafgegaan zijn aan de wet van 19 juni 1997, die de officiële bekrachtiging vormde van het koninklijk besluit van 20 december 1996, heeft u erop gewezen dat de natuurlijke personen die een mandaat van beheerder, bestuurder of vereffenaar of de overeenkomstige functies waarnaar in artikel 32, eerste lid, 1º, wordt verwezen, uitoefenen, niet alleen beheerders, bestuurders of vereffenaars van vennootschappen zijn maar ook van « organen van andere rechtspersonen van publiek recht of privaatrecht ». Dat standpunt werd volgens uw verklaring gerechtvaardigd door het gebruik van de term « beheerders van ondernemingen », die een ruimere betekenis heeft dan de term « beheerders van vennootschapen ».

Die interpretatie heeft consequenties voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing en de benaming van de te gebruiken steekkaarten en overzichten.

Er zijn momenteel in verenigingskringen en bij de administratie van de Directe Belastingen heel wat twijfels omtrent de toepassingssfeer van artikel 32 en de wettelijke notie « beheerders van ondernemingen ». De vraag is of die notie ook de bezoldigde beheerders en de vereffenaars van een VZW inhoudt.

De wil van de wetgever om de notie « beheerders van ondernemingen » in te perken tot « beheerders van vennootschappen » (en beheerders van andere entiteiten die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting) lijkt voort te vloeien uit het veelvuldig gebruik van het woord « vennootschap » in de tekst van artikel 32. Bovendien is het zo dat de term « onderneming », waarvoor in het Wetboek van de inkomstenbelastingen geen definitie wordt gegeven, zoniet enkel naar industriële, commerciële en agrarische activiteiten, dan toch enkel naar economische activiteiten lijkt te verwijzen. Nu is het zo dat VZW's, in tegenstelling tot vennootschappen, zich niet noodzakelijk toeleggen op een economisch activiteit.

Al sinds 1997 wachten de verenigingssectoren op een stellingname van de administratie op dat vlak. De onzekerheid blijft dus bestaan.

Als we ervan uitgaan dat bezoldigde beheerders als beheerders van een onderneming moeten worden beschouwd, stelt er zich een tweede interpretatief probleem : heeft het opnemen van de huurprijzen van artikel 32, tweede lid, 3º, ook betrekking op de beheerders van een VZW ? Als men zich op de wettekst baseert, is het antwoord negatief, aangezien daar uitdrukkelijk het woord « vennootschap » wordt gebruikt.

Kan u me laten weten op welke manier die interpretatieve problemen volgens u moeten worden opgelost ?