2-877/7 | 2-877/7 |
17 APRIL 2002
Evocatieprocedure
Art. 28
In het 2º, in het voorgestelde tweede lid, de woorden « de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt » vervangen door de woorden « de gefailleerde in wiens hoofde er geen sprake is van kennelijke kwade trouw ».
Verantwoording
De wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord heeft de criteria « ongelukkige » en « te goeder trouw » vervangen door « afwezigheid van kennelijke kwade trouw ». Om in dit verband niet te veel verschillende termen te gebruiken en de coherentie te bevorderen, is het wenselijk om bij de voorwaarden op te nemen « de afwezigheid van kennelijke kwade trouw » en voortaan niet meer te spreken van « de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt ».
Art. 30
Het tweede, derde en vierde lid van het voorgestelde artikel 82 doen vervallen.
Verantwoording
Wat het doen vervallen van het tweede lid betreft, moet de nadruk worden gelegd op de praktische moeilijkheden die de toepassing van een dergelijke bepaling met zich zou meebrengen.
Via deze bepaling zou de rechter vooral kunnen verhinderen dat alle schulden van de gefailleerde tenietgaan, wat ook de voordelen die voortkomen uit de verklaring van verschoonbaarheid zou wegnemen. Zou het doel van de wetgever, namelijk de gefailleerde de kans bieden om opnieuw een handelsactiviteit uit te oefenen, door deze mogelijkheid niet verloren gaan ?
De gedeeltelijke verschoonbaarheid in het bijzonder zou tot zeer ingewikkelde problemen kunnen leiden, zowel in rechte als in feite. Voor G.-A. Dal is het de vraag hoe men ervoor kan zorgen dat er wordt toegezien op de gelijkheid tussen de schuldeisers, wat deel uitmaakt van de essentie van de samenloop van schuldeisers en van alle procedures van collectieve vereffening (1). Bovendien stelt deze bepaling dat er een kennelijke onevenredigheid moet bestaan tussen het voordeel van de gefailleerde en de schade van de schuldeisers. Dat zal aanleiding geven tot grote moeilijkheden inzake interpretatie en toepassing.
Wat het doen vervallen van het derde en vierde lid betreft, zijn er geen andere mogelijkheden. Een dergelijke bepaling zou immers nietig verklaard kunnen worden door het Arbitragehof, aangezien zij alleen op de fysieke personen die borg staan voor de gefailleerde van toepassing is en niet op de gefailleerde rechtspersonen die niet verschoonbaar zijn. Een dergelijke hervorming vraagt trouwens om een zeer grondige behandeling van de borgstelling. De gevolgen van een dergelijke wijziging moeten beter geanalyseerd worden, aangezien, zoals de eerder genoemde auteur het stelt, het eventuele aannemen van de leden in kwestie zou leiden tot omvangrijke geschillen en tot de broosheid van de verbintenissen van de borg (2).
| François ROELANTS du VIVIER. |
(Subamendement op amendement nr. 66 van mevrouw Taelman)
Art. 20bis (nieuw)
Dit artikel aanvullen met een C, luidende :
« C. in het derde lid, dat het tweede lid wordt, vervallen de woorden « en de bij dit artikel voorgeschreven verklaring inhouden. »
Verantwoording
Het voorgestelde artikel 20bis schaft de verklaring af bedoeld in het tweede lid van artikel 63 van de faillissementswet. Het derde lid van dit artikel dient dus ook gewijzigd te worden om de verwijzing naar de genoemde verklaring te schrappen.
Art. 22
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Het lijkt voorbarig in het kader van dit wetsontwerp een grondige hervorming in te voeren van de regels inzake de verificatie van de schuldvorderingen, op basis waarvan het passief wordt vastgesteld.
Art. 23
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Het lijkt voorbarig in het kader van dit wetsontwerp een grondige hervorming in te voeren van de regels inzake de verificatie van de schuldvorderingen, op basis waarvan het passief wordt vastgesteld.
Art. 24
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Het lijkt voorbarig in het kader van dit wetsontwerp een grondige hervorming in te voeren van de regels inzake de verificatie van de schuldvorderingen, op basis waarvan het passief wordt vastgesteld.
| Jean-François ISTASSE. |
(1) Georges-Albert Dal, « L'excusabilité » (1998-2001), JT, 2002, blz. 60.
(2) Georges-Albert Dal, op. cit., blz. 61.