2-194 | 2-194 |
De heer Frans Lozie (AGALEV), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Iedereen kent de problemen bij de rechtbanken en het parket van Brussel. Repetita bis non placet. Na het vertoon van de regering vorige week, heb ik er onmiddellijk op gewezen dat er niet alleen in Charleroi problemen zijn, maar spijtig genoeg ook in Antwerpen, Brussel, Luik en Gent.
Het probleem van de gerechtelijke achterstand en van de werking van de rechtbanken heeft in Brussel specifieke kenmerken. We moeten de gerechtelijke achterstand en het strafbeleid vanuit een bredere hoek benaderen.
Het Brusselse paleis van justitie bevindt zich nu eenmaal in de omgeving van het parlement, en de démarches van die rechtbank om bepaalde problemen onder de aandacht te brengen, hebben meer weerklank dan die van rechtbanken van andere steden. Wat daar wordt aangeklaagd is ook vaak terecht, maar ik betreur dat de problemen in Brussel niet structureel worden aangepakt. Men zal daar trouwens een prijs voor betalen want sommige overwinningen zijn Pyrrusoverwinningen.
Ik heb terzake zelf een voorstel uitgewerkt. Het is blijkbaar de bedoeling om een modelstaat tot stand te brengen. Waarom maakt men dan van de Rechtbank van Brussel geen modelrechtbank? Men zou dan een modelwandeling kunnen uitstippelen in een modelstaat met een modelparlement, een modelkoning, zoals de eerste minister het in zijn nieuwjaarsrede verwoordde, en een modelpaleis van justitie.
Een dergelijke aanpak, die getuigt van Vlaamse redelijkheid en gezond verstand, is natuurlijk niet de weg die wordt gevolgd en de conclusie dat het probleem bij de rechtbank van Brussel een taalprobleem is, accentueert de bijziendheid. Er zijn te weinig magistraten die de tweede taal kennen of die slagen voor het examen in de tweede taal. Misschien is dat examen te moeilijk. We hebben daar in de vorige regeerperiode al over gediscussieerd, maar daarover gaat het niet. Wat nu voorligt is iets totaal anders. De conclusie van het belangenconflict, voldoet ons geenszins.
Het gaat hier om de verdubbeling van het aantal toegevoegde rechters en toegevoegde substituut-procureurs des Konings voor het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel. Dit zal tot gevolg hebben dat in hoofdzaak eentalig Franstalige magistraten worden benoemd en dat de taalvereisten van de wet van 15 juni 1935 niet in acht worden genomen.
Er is weliswaar niet meer zoveel respect voor de taalwet als vroeger. Ik verwijs naar de problemen waarmee Copernicus en andere zogenaamde revoluties te kampen hebben. Dit is een bijzonder betreurenswaardige toestand omdat deze houding getuigt van een gebrek aan kennis van het recht. Het is immers evident dat magistraten de Nederlandse rechtspraak en rechtsleer moeten kunnen lezen. In ons land zijn er dubbel zoveel publicaties in het Nederlands als in het Frans. In de bronvermelding van Franstalige publicaties worden geen Nederlandstalige werken vermeld.
Het mens- en maatschappijbeeld van de rechter is van groot belang bij het formuleren van zijn uitspraak. Een eentalige rechter is niet geschikt om in Brussel te werken omdat zijn mens- en maatschappijbeeld veel te beperkt is en omdat hij niet in staat is de multiculturele rijkdom van onze samenleving juist te beoordelen. Dagelijks worden we geconfronteerd met de noodzaak ons aan de multiculturele samenleving aan te passen, maar het is nu eenmaal een feit dat de meerderheid van de bevolking in ons land Nederlands spreekt en dat de meeste juridische werken in het Nederlands geschreven zijn. Om met kennis van zaken in Brussel te kunnen rechtspreken, is het noodzakelijk dat de rechter de Nederlandse taal machtig is. Mijn principieel bezwaar tegen dit advies is dat het gebaseerd is op een onjuiste visie op de taak van het recht en de taak van de rechtsprekende rechter.
Voorts stemt het advies niet overeen met de gang van zaken in Brussel. De dossiers van correctionele zaken bevatten zowel Nederlandstalige als Franstalige processen-verbaal. Bovendien zijn er processen-verbaal die in een andere taal zijn opgesteld en die naar het Nederlands of het Frans moeten worden vertaald. Men werkt voortdurend in een taalgemengde omgeving. Dit geldt ook voor burgerlijke zaken want de vertaling van de Nederlandstalige stukken is niet verplicht. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een auto-ongeval dat in Brussel plaatsvindt en er wordt behandeld en waarbij de verzekeringspolis van de ene partij Nederlandstalig en van de andere partij Franstalig is. Er is een voortdurende vermenging van accenten, mogelijkheden, feiten en mensen.
Daarnaast moeten we afrekenen met de gevolgen van de politiehervorming en het vijfhoeksoverleg. De burgemeesters van het Nederlandstalig gebied Halle-Vilvoorde beklagen zich er nu al over dat sommige substituut-procureurs des Konings de draagwijdte van de problemen niet begrijpen wegens een gebrek aan kennis van de Nederlandse taal.
Ik herinner aan het treinongeval tussen Waver en Leuven, waar de betrokken diensten mekaar niet begrepen. Nu is er het voorstel om een indrukwekkende reeks eentalige magistraten te benoemen, zowel bij de zetel als bij het parket, terwijl de kennis van het Nederlands noodzakelijk is om de politieopdrachten in Halle-Vilvoorde en Brussel uit te voeren.
Het summum is dat eentalige magistraten in Brussel een hogere vergoeding krijgen dan de tweetalige. Ik weet dat de wetten van de logica geen enkele rol meer spelen. Veronderstel dat in het land Absurdistan de wet oplegt dat de rechters tweetalig moeten zijn en dat die tweetaligheid moet worden aangemoedigd omwille van de culturele rijkdom, maar dat...
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Over Absurdistan gesproken, de wet op de toegevoegde rechters en hun betere verloning is door de huidige CD&V-voorzitter, toen minister van Justitie, ingediend en is door CD&V goedgekeurd!
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Maar hier worden de toegevoegde magistraten in een heel ander perspectief gebruikt. De wet op de toegevoegde rechters is niet gebruikt om de taalwetgeving te ontwijken. We hebben dat ontwerp trouwens niet goedgekeurd. Minister De Clerck heeft destijds inderdaad een ontwerp ingediend, maar we hebben dat in de Senaatscommissie niet goedgekeurd. De toenmalige meerderheid kon het niet steunen.
In ieder geval legt de wet de tweetaligheid op. De eerste minister spreekt voortdurend over de open samenleving, het ideaal van Popper. Nu wordt het omgekeerde signaal gegeven door eentalige magistraten te benoemen, die bovendien 105.000 frank per jaar meer worden betaald dan de tweetalige. Dat is onbegrijpelijk.
Voor de Vlamingen die bij de Brusselse rechtbank werken of er gewerkt hebben en die een grote bijdrage hebben geleverd aan de juridische kwaliteit, is dat een onvoorstelbare kaakslag. Er werken nu meer dan 2.000 Vlaamse advocaten te Brussel, terwijl dat er dertig jaar geleden slechts 100 waren. Dat wijst op de dynamische kracht van de Vlamingen op het Justitiepaleis te Brussel. Hoe durft de minister zich Vlaming te noemen als hij met zo een tekst naar het parlement komt? De wet zal in de grootste onverschilligheid worden goedgekeurd. De kritiek wordt cynisch weggelachen, maar ooit zal verantwoording moeten worden afgelegd en zullen er mensen zijn die zeggen dat ze recht hebben op hun Vlaamse identiteit op de rechtbank te Brussel. In de jaren zestig was er niet eens een Nederlandstalig wetboek te krijgen. Er zijn enorme inspanningen gedaan om de Nederlandstalige rechtswetenschap uit te bouwen, terwijl het financieel interessanter was geweest alles in het Frans of het Engels te publiceren. De betrokken mensen hebben een sociale bijdrage geleverd voor de Vlaamse gemeenschap. Ik ben dan ook zeer diep gegriefd dat een Vlaamse minister van Justitie hier durft voor te stellen om eentalig Franse magistraten te Brussel te benoemen en te zeggen dat dit de oplossing is voor de werking van de Brusselse rechtbank.
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Dat maakt bijzonder weinig indruk op mij. De wet met betrekking tot de toegevoegde rechters is tijdens de vorige regeerperiode goedgekeurd. Ik raad de heer Vandenberghe aan de uiteenzetting van de toenmalige minister van Justitie te lezen. Ik heb ze al tot vervelens toe gelezen, herlezen en aangehaald. De beslissing met betrekking tot de toegevoegde rechters werd genomen om de problematische situatie in Brussel op te lossen. Ik heb gekozen voor een pragmatische oplossing. De Nederlandstalige, Franstalige en tweetalige magistraten van de zetel en van het parket van Brussel steunen deze beslissing.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ieder zijn rol. De magistraten vragen mij ook niet of ik het eens ben met een vonnis of een arrest. Ik geloof nog in de scheiding der machten. Ik begrijp de argumentatie van de minister niet. Ik ben immers niet de schildknaap van gewezen minister van Justitie De Clerck. Er is een verschil tussen ons. Ik speel mijn rol als parlementslid en de heer De Clerck heeft destijds een initiatief genomen waarmee ik het niet eens ben. We hebben het ontwerp dan ook niet goedgekeurd tijdens de vorige regeerperiode.
Een pragmatische ingreep lost het probleem van Brussel overigens niet op want het is een structureel probleem. Zeggen dat het probleem van Brussel een taalprobleem is, is een niet aanvaardbare vorm van reductionisme. Het is niet ernstig zich op die wijze uit te spreken over de werking van de rechtbank. Er rijzen immers allerlei problemen. Er is een andere criminaliteit in de 19 Brusselse gemeenten dan in Halle-Vilvoorde, er zijn andere prioriteiten in Brussel-Hoofdstad dan in Halle-Vilvoorde, in Brussel heerst er een andere mentaliteit bij de politie, is er een andere begeleiding en een andere rechtscultuur dan in het Pajottenland. We hebben een opbouwend voorstel ingediend met het oog op de structurele splitsing van de rechtbank. Daarmee bedoelen we niet de splitsing tussen Brussel en Halle-Vilvoorde, maar een splitsing naar het voorbeeld van de balie: een Nederlandstalige en een Franstalige rechtbank in Brussel met een eigen parket en een Nederlandstalig parket in Halle-Vilvoorde. Die beide parketten kunnen zaken aanhangig maken bij de Nederlandstalige of de Franstalige rechtbank, naargelang van de taal van de zaak, volgens de criteria vastgelegd in de taalwet. Wat is daaraan verkeerd? Die oplossing zal de homogeniteit van de besluitvorming verhogen. Ze zal ook enige concurrentie mogelijk maken tussen de rechtbanken waarbij de snelle afhandeling van burgerlijke en handelszaken een rol kan spelen. Iedereen weet immers dat Franstalige advocaten langer pleiten dan Nederlandstalige advocaten en dat heeft gevolgen voor de afhandeling van de zaken.
De oplossing in verband met de eentalige toegevoegde rechters is dus zeer ontgoochelend. Er is immers ook een tekort aan Nederlandstalige parketmagistraten.
Dat wordt toch niet opgelost door de toegevoegde rechters. Er is een gemengd taalgebied met een gemengde taalbevolking en met gemengde dossiers. De taalvereiste in Brussel is niet op kunstmatige wijze opgedrongen, ze heeft te maken met de sociologische samenstelling en opbouw van Brussel-Halle-Vilvoorde. Wie verzet zich tegen de splitsing van dit arrondissement? Er wordt erkend dat er taalproblemen zijn, maar als de gemengde taalregeling van Brussel-Halle-Vilvoorde aan de orde komt, gaat men daar niet verder op in. Het is een onevenwichtig voorstel dat niet beantwoordt aan de belangen van de rechtszoekende in Brussel en zeker niet van de Nederlandstalige rechtszoekende. Na de afhandeling van het Sabena-dossier zal ook dit dossier door de Vlamingen in Vlaams-Brabant de meerderheid worden aangerekend.
M. Philippe Monfils (MR). - Contrairement aux avocats francophones qui parlent plus longtemps que leurs collègues flamands, je pense néanmoins que je parlerai moins longtemps que mon collègue, M. Vandenberghe.
M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - L'exception confirme la règle !
M. Philippe Monfils (MR). - Effectivement. La commission des Affaires institutionnelles de notre assemblée, qui a débattu du conflit d'intérêts soulevé par le Parlement flamand à propos du projet de loi visant à augmenter le nombre de magistrats de complément pour le ressort de la Cour d'appel de Bruxelles, a conclu en estimant que la Communauté flamande n'était pas gravement lésée dans ses intérêts. Je ne vous étonnerai pas en vous disant que le groupe MR fera sienne cette conclusion.
Faut-il rappeler que c'est la deuxième fois que le Parlement flamand soulève semblable conflit d'intérêts puisqu'en octobre 2000, il avait déjà soulevé la même controverse à l'encontre d'un même projet de loi modifiant l'article 86bis du Code judiciaire relatif aux magistrats de complément. Les arguments soulevés à l'époque ne semblaient pas convaincants et me semblent l'être moins encore aujourd'hui.
Premièrement, personne ne songe à contester ni la réalité, ni l'importance de l'arriéré judiciaire qui affecte particulièrement le ressort de la Cour d'appel de Bruxelles. Il est aussi communément admis que cet arriéré judiciaire à Bruxelles résulte essentiellement du fait que le cadre des magistrats du siège et du parquet est incomplet. Comme le dit M. Vandenberghe, il n'y a certes pas qu'à Bruxelles que le problème de l'arriéré judiciaire se pose. J'en parlerai d'ailleurs à la fin de mon exposé. Incontestablement, il y a toutefois des problèmes extrêmement importants dans cette Région.
Deuxièmement, dans son avis sur l'avant-projet, le Conseil d'État a clairement précisé que le recours à une augmentation du nombre de juges de complément était en l'espèce parfaitement justifiée dès lors que les mesures envisagées étaient de nature temporaire en attendant que soient prises les mesures structurelles mettant définitivement fin à cette situation particulière.
Les arguments étaient déjà bien connus en 2000, lorsque le premier conflit d'intérêts fut soulevé par le Parlement flamand à l'encontre du premier projet d'augmentation du nombre de magistrats de complément à Bruxelles.
De surcroît, un de ces arguments se trouve aujourd'hui renforcé par deux éléments nouveaux. D'un côté, le gouvernement a clairement précisé qu'il entendait respecter le caractère essentiellement temporaire des mesures envisagées en suggérant qu'un amendement soit expressément apporté au projet pour préciser que les mesures envisagées n'auraient qu'une durée maximale de quatre ans.
Par ailleurs, contrairement au premier conflit d'intérêts de 2000, les mesures structurelles qui devraient permettre de régler de manière définitive le cadre des magistrats dans la juridiction de Bruxelles ne relèvent plus du virtuel. Elles sont concrétisées par le dépôt d'un projet de loi remplaçant l'article 43quinquies et afférent à l'article 66 de la loi de 1935 relative à l'emploi des langues en matière administrative. Le Parlement flamand aurait donc dû avoir tous ses apaisements.
Puisque je viens de faire allusion à cette législation linguistique de 1935, qu'on me permette de dire à quel point il m'est difficile d'accepter qu'on invoque ou qu'on se retranche derrière des considérations d'ordre purement linguistique pour s'opposer à un projet dont l'enjeu est tout autre. On fait à ce projet un procès d'intention qui serait de vouloir utiliser la législation relative aux juges de complément pour contourner les exigences de la loi de 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire et imposer à Bruxelles une modification des quotas linguistiques prévus par cette législation.
Prétendre que les francophones, incapables de prouver leur connaissance satisfaisante de la langue néerlandaise, font nommer leurs candidats essentiellement par le biais de magistrats de complément, c'est faire fi d'une réalité que le Conseil de la Justice a clairement établie.
À la Chambre, le ministre de la Justice a, à juste titre, rappelé que la proportion de candidats magistrats francophones qui avaient réussi l'examen linguistique à Bruxelles était assez largement supérieure à la proportion de candidats néerlandophones ayant réussi l'examen linguistique en sens inverse.
Ce procès d'intention fait aussi fi de l'exercice et de la protection d'un droit essentiel dans notre démocratie, à savoir le droit pour tout justiciable de voir sa cause plaidée dans un délai raisonnable. En la matière, on est loin du compte, plus particulièrement à Bruxelles où l'arriéré judiciaire impose des délais de procédure tels que l'on peut, sans exagérer, parler de déni de justice.
En soulevant le conflit d'intérêts, c'est au maintien de ce déni de justice que tend incontestablement la motion du Parlement flamand. En tant que démocrate soucieux d'assurer à tout justiciable de ce pays l'exercice d'un droit aussi essentiel que celui d'ester en justice dans des conditions raisonnablement satisfaisantes, je ne puis comprendre cette attitude de retardement à l'égard du projet concerné.
Bien évidemment, chacun a de ce problème la vision qu'il veut avoir. Pour ma part, je me sens parfaitement à l'aise pour ce qui concerne notre position, dans la mesure où l'augmentation suggérée du nombre de magistrats de complément dans le ressort de la Cour d'appel de Bruxelles garantit bien évidemment le droit des justiciables francophones mais également néerlandophones à une administration rapide de la justice.
En effet, une augmentation des cadres vise également les magistrats néerlandophones. Continuer à maintenir une position d'opposition conflictuelle à l'égard de ce projet mettrait dangereusement en évidence la volonté de certains de bloquer le fonctionnement de la justice bruxelloise pour un motif purement politique. En tant que francophone, celui-ci ne me surprend nullement.
M. Vandenberghe ne l'a pas vraiment abordé mais on l'entend dans d'autres bouches : il s'agit de la scission de l'arrondissement de Bruxelles-Hal-Vilvorde. Les déclarations que certains parlementaires néerlandophones ont faites à la Chambre sont très claires : on commence par rappeler que cet arrondissement comprend un nombre important de communes néerlandophones, que les habitants de ces communes pourraient, à politique inchangée, être confrontés à des tribunaux de plus en plus francophones et que c'est inacceptable. D'où la conséquence logique pour ces parlementaires : il faut scinder l'arrondissement judiciaire.
Je serai donc extrêmement clair : ni mon groupe ni aucun autre parlementaire francophone n'est disposé à envisager semblable hypothèse. Ceux qui, dans les milieux néerlandophones, continueraient à y penser, doivent être franchement prévenus : cet objectif relève de l'illusion et appartient au domaine des idées irréalistes. Je tenais à le rappeler clairement.
Après avoir invité le ministre de la Justice à poursuivre la concrétisation de son projet, je souhaiterais lui rappeler, comme M. Vandenberghe, que, si l'arriéré judiciaire affecte plus particulièrement le parquet et les tribunaux de Bruxelles, il est aussi un mal endémique qui gangrène l'activité judiciaire dans l'ensemble des juridictions du pays, même si c'est avec une intensité variable. Il faut absolument accélérer le cours de la justice, sans porter atteinte aux droits des justiciables. Nous ne pouvons plus admettre que l'État soit à nouveau condamné par décision de Justice, comme il l'a été tout récemment, pour faute caractérisée résultant de son incapacité à absorber l'arriéré judiciaire. Toute une série de propositions ont d'ailleurs été déposées par plusieurs collègues.
M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - Le juge de Bruxelles peut-il juger de l'arriéré des tribunaux de Bruxelles ? N'y a-t-il pas là un problème d'impartialité ?
M. Philippe Monfils (MR). - Ce juge peut tout à fait le faire.
M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - Je n'en suis pas certain...
M. Philippe Monfils (MR). - Une disposition de la Convention européenne des Droits de l'Homme précise que tout individu doit être jugé dans un délai raisonnable et acceptable. Cette Convention est un texte self-executing. Par conséquent, il peut être invoqué par les tribunaux. Il me paraît donc juridiquement logique qu'un tribunal soulève ce problème en posant la question du délai raisonnable.
De nombreuses propositions ont été déposées par tous les groupes, à la Chambre comme au Sénat. La nôtre entend lutter, au cas par cas, contre certains éléments qui participent à l'arriéré judiciaire.
Nous avons, par exemple, proposé la notification en ce qui concerne le jugement par défaut pour éviter des oppositions abusives, la motivation de l'acte d'appel qui équivaudrait à de véritables conclusions dans notre esprit, l'introduction, dans le nouveau code judiciaire, de la notion de conclusions de synthèse permettant l'avalanche des conclusions additionnelles, la réduction du délai supplémentaire pour conclure, l'obligation, pour les experts, de déposer une fois par an un rapport sur l'état d'avancement des travaux.
Toutes ces mesures, et d'autres, proposées par d'autres collègues et d'autres formations politiques, n'entraîneront pas séparément une réduction significative des délais mais globalement, l'addition de toutes les mesures de simplification de la procédure ainsi que la lutte contre l'utilisation abusive de celle-ci, permettrait incontestablement de réduire aussi l'arriéré judiciaire.
Enfin, monsieur le ministre, je profite de l'occasion qui m'est offerte pour vous rendre à nouveau attentif à la situation du Conseil d'État, bien qu'il s'agisse d'une matière qui relève de la compétence du ministre de l'intérieur.
On parle d'arriéré judiciaire en oubliant complètement la situation dramatique dans laquelle se trouve le secteur des juridictions administratives, 80% des requêtes adressées au Conseil d'État concernant le contentieux des étrangers. Il en résulte un arriéré de 10.000 dossiers par an, qui aboutit au blocage complet d'un côté comme de l'autre, qui fait que le contentieux ordinaire, c'est-à-dire les recours des citoyens contre des décisions administratives, par exemple, n'est plus traité que moyennant des retards considérables. Une réflexion approfondie doit donc être menée sur une éventuelle modification des procédures permettant au Conseil d'État de retrouver sa place de juridiction supérieure, tout en faisant en sorte que l'ensemble des affaires, qu'il s'agisse du contentieux ordinaire ou de celui des étrangers, soit traité dans des délais acceptables.
Des propositions ont été faites à l'époque. Elles seront à nouveau présentées prochainement. Je ne suis pas certain que nous pourrons avancer sous ce gouvernement. Il nous faut en tout cas nous pencher sur ces problèmes qui suscitent autant de critiques de la part des citoyens que ne le fait actuellement le fonctionnement des juridictions civiles et pénales.
Contrairement à ce que les échos fortement médiatisés de certains procès font croire à l'opinion publique, notre justice est bonne, quoique perfectible.
Les procédures doivent être examinées et revues si elles entraînent des dysfonctionnements. Le Conseil supérieur de la Justice que nous avons créé est évidemment là pour examiner l'ensemble de la problématique et proposer éventuellement aussi les modifications nécessaires. Le citoyen aura confiance en la justice si le procès est instruit dans des délais raisonnables et dans le respect de tous ses droits.
Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Le ton de mon intervention ressemblera plus à celui utilisé par monsieur Monfils, du MR, qu'à celui de monsieur Vandenberghe au nom du CD&V
Je ne suis ni francophile ni fransquillonne. Je suis francophone, même si j'ai habité très longtemps à Anvers.
Cela étant, en matière de justice à Bruxelles, il faut proclamer l'état de crise ou lancer un plan catastrophe. Le temps me paraît très long, trop long, et il l'est certainement encore davantage pour certains justiciables. Il nous arrive de pérorer ici au sujet de la justice pendant que les justiciables attendent devant nos juridictions !
J'éprouve un profond malaise : alors que nous avons entamé la troisième année de la législature, je n'ai pas l'impression que nous ayons pris, au sein de la commission de la Justice, beaucoup de mesures de nature à résorber l'arriéré judiciaire en général et à Bruxelles, en particulier.
On parle depuis toujours de l'arriéré judiciaire mais nous avons maintenant l'occasion de faire un pas vers sa solution.
Je ne reviendrai pas sur le concept de « juge de complément », l'article 86bis du code judiciaire est bien connu. Ce concept a été inventé lors de la précédente législature. Il s'agit en fait d'une mesure temporaire, un sparadrap, destiné à assurer la continuité du service public. Il est en effet parfois plus important d'assurer cette continuité que de respecter l'emploi des langues dans certaines matières. Et je pèse mes mots.
En particulier, j'estime que l'on ne peut invoquer l'argument linguistique pour freiner la recherche d'une solution à l'arriéré judiciaire. Le justiciable attend, qu'importe qu'il soit néerlandophone ou francophone, d'autant qu'à Bruxelles, tous ne sont pas néerlandophones ou francophones puisque nous vivons dans une société multiculturelle. Il m'importe surtout que les jugements soient rendus et que les procédures se poursuivent.
Le projet sur lequel notre avis est demandé vise à augmenter le nombre de magistrats de complément dans le ressort de la Cour d'appel de Bruxelles. Le nombre de juges de complément pourrait doubler, passant de 25 à 50 si l'on en croit la page de garde du document de la Chambre contenant le résumé du projet de loi (Doc. 50 1496/001), même si dans le dispositif du projet, il est simplement prévu une dérogation à l'article 86 du code judiciaire quant au nombre de juges de complément sans parler du nombre. Est-ce bien vers un doublement que nous nous dirigeons ?
Le projet prévoit, par contre de manière précise, le passage de 17 à 34 du nombre de magistrats de complément au parquet.
C'est évidemment une mesure ponctuelle qui doit remédier rapidement à la situation critique en matière d'arriéré judiciaire que connaissent le parquet et les tribunaux de Bruxelles.
L'arriéré, monsieur Vandenberghe, touche non seulement les dossiers francophones mais aussi les dossiers de langue néerlandaise. Il y a aussi des difficultés du côté néerlandophone. Je suis sûre que ce projet pourrait résoudre des problèmes tant d'un côté que de l'autre. Au parquet en tout cas, les problèmes de recrutement se posent de manière cruciale tant pour les francophones que pour les néerlandophones. Nous avons tous intérêt à ce que ce projet de loi soit voté le plus tôt possible.
La procédure est longue. Monsieur le ministre, vous aviez déjà déposé un projet le 27 juillet 2000 que vous avez ensuite retiré. Je n'ai toujours pas bien compris pourquoi d'ailleurs. Vous déposez à nouveau ce projet le 9 novembre 2001 et le parlement flamand soulève un conflit d'intérêts.
L'avis du Conseil d'État est clair, il admet cette mesure en ce qu'elle est temporaire et non structurelle. Par contre, monsieur Vandenberghe, vous avez raison : ce dont nous avons besoin, c'est de mesures structurelles. Il est vrai que nous n'en avons pas encore votées beaucoup. La première que nous allons probablement pouvoir voter est contenue dans le projet sur l'emploi des langues déposé à la Chambre le 19 octobre 2001et qui vise à modifier les modalités de l'examen linguistique. Les candidats néerlandophones peinent aussi pour réussir l'examen linguistique qui est difficile pour tous. La modification de cet examen servira donc aussi bien une communauté que l'autre.
Je m'interroge, monsieur le ministre. Lors de l'examen du projet de loi relatif aux juges de complément à la Chambre, le gouvernement a déposé un amendement visant à limiter la mesure temporaire à quatre ans.
Si je suis d'accord sur le principe d'une mesure temporaire limitée dans le temps, je crois qu'il est dangereux de fixer un terme trop précis.
L'élaboration de mesures structurelles prend du temps. Je ne voudrais pas être pessimiste mais je crois qu'il serait utile de prévoir un amendement allant plutôt dans le sens de celui qui a été déposé par un de mes collègues de la Chambre, M. Josy Arens. Selon ce dernier, il vaudrait mieux ne pas limiter la période de cette mesure temporaire à quatre ans, mais de faire durer la mesure tant que le problème de l'arriéré à Bruxelles subsiste.
Je vous rappelle aussi que, dans votre déclaration gouvernementale, vous vous êtes inquiété à juste titre du problème de l'arriéré et que vous nous aviez annoncé un calendrier beaucoup plus serré sur cette matière. Dans votre déclaration de juillet 1999, vous annonciez expressément qu'avant la fin de l'année, des mesures particulières seraient prises pour les tribunaux et le parquet de Bruxelles. Depuis lors, trois ans se sont écoulés ; cela me paraît extrêmement long.
Je sais que vous avez eu le courage de déposer deux projets de loi qui ne font pas l'unanimité du côté des parties néerlandophones.
M. Marc Verwilghen, ministre de la Justice. - Il ne faut pas oublier que nous avons pris des mesures avec des juges de police. Cela a été autorisé. Pour ce qui est de la Cour d'appel, il y a les conseillers de complément et la prolongation des chambres temporaires. C'est là le niveau de première instance qui doit encore être traité ; dès lors, on a pris des mesures sur les trois niveaux.
(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)
Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Monsieur le ministre, vous êtes favorable à ce projet de loi, et j'apprécie votre geste. En fait, cette mesure était connue puisque la figure du juge de complément existait. Pourquoi a-t-il fallu autant de temps pour prendre cette petite mesure avec laquelle vous êtes d'accord ? Ce texte est court et facile. L'idée politique était acquise, si j'ai bien compris, dans votre chef. Un problème de calendrier m'échappe peut-être ...
Je crois fermement en votre volonté d'éviter tout problème concernant cette mesure particulière, même si d'autres partis flamands rejettent l'idée même de la mesure. Je ne comprends pas le timing. Vous auriez pu déposer ce projet dans des délais plus brefs pour que cette procédure de conflit d'intérêt soulevée par le parlement flamand puisse éventuellement démarrer beaucoup plus tôt.
Vous nous dites que la mesure structurelle qui va suivre est la modification de la loi de 1935 en ce qui concerne l'examen linguistique. J'espère que le scénario ne se répétera pas et que nous ne serons pas à nouveau confrontés à un conflit d'intérêt soulevé à propos de ce deuxième projet.
Je me réjouis du fait que la procédure avance et qu'à partir du 11 avril, vous pourrez foncer pour résoudre l'arriéré judiciaire à Bruxelles, comme vous l'avez dit vous-même dans la presse. Foncez s'il vous plaît ! Mais je crains que la mesure structurelle ne soit pas votée dans la foulée... Or, il faut à tout le moins ces deux mesures pour faire un premier pas.
Je ne veux pas, comme certains le disent, laisser pourrir la situation et en venir aux négociations institutionnelles dont M. Vandenberghe a parlé tout à l'heure. Je crois que ce n'est pas nécessaire. En début de législature, vous avez demandé aux magistrats francophones et néerlandophones bruxellois de composer une commission et de travailler tous ensemble. Ils l'ont fait de manière tout à fait raisonnable afin d'imaginer des solutions pour leur juridiction. Nous avons le rapport de cette commission. Je crois qu'il est grand temps de leur donner des réponses. Ils ont montré leur bonne volonté. Il ne faut pas croire qu'il y a une mésentente fondamentale entre flamands et francophones à Bruxelles.
Je ne veux pas croire à la thèse qu'il faut laisser pourrir la situation pour en venir à des réformes institutionnelles que notre parti et tous les partis francophones, si j'ai bien compris, ne veulent pas. Cela n'en vaut pas la peine.
Les magistrats ne sont pas spécialement demandeurs d'une extension du cadre ; ils demandent que les cadres soient remplis. Combien de fois nous ont-ils dit que si les cadres étaient remplis, ils pourraient résorber l'arriéré judiciaire. Allons dans ce sens ; il ne faut pas 36 mesures.
Des mesures de procédure doivent évidemment être prises. Le projet de loi sur la réforme du Code judiciaire que vous nous annonciez prendra aussi du temps et je doute que, d'ici la fin de législature, nous puissions encore aboutir à de grandes réformes, dont une réforme de procédure.
Vous avez tout à fait raison de dire, monsieur Monfils, qu'il y a mille et une idées déposées sous forme de propositions de loi par tous les partis, concernant les conclusions de synthèse, l'expertise, le contenu de l'acte d'appel ou se rapportant parfois à des broutilles.
Pourquoi ne prend-on pas toute la matière sur l'arriéré judiciaire à bras-le-corps, ainsi que je l'ai déjà suggéré à maintes reprises au président de la commission de la Justice du Sénat ? Pourquoi ne déclare-t-on pas dans notre commission que l'état de crise est déclaré - M. Dubié a réalisé un tableau reprenant toutes les propositions relatives à l'arriéré judiciaire - et ne se donne-t-on pas comme objectif de voter quelques mesures structurelles ?
Je suis gênée de participer aux travaux de la commission de la Justice et de ne pas avoir pris ou participé à une initiative parlementaire qui apporte un élément de réponse à l'arriéré judiciaire.
Mes propos ne s'adressent pas au gouvernement. Que fait-on en commission de la Justice du Sénat ? Si l'arriéré judiciaire est une priorité comme chacun se plaît à le déclarer dans les forums extérieurs et dans cette enceinte, la commission de la Justice du Sénat n'a, si je ne m'abuse, voté aucune proposition de loi sur cette matière. Ne pourrait-on arriver à se mettre d'accord sur ce point ?
M. Philippe Monfils (MR). - D'abord, comme vous le dites très bien, le ministre est en dehors de ce débat. Il nous contemple avec effarement et je le comprends.
Vous avez tout à fait raison. Malheureusement, ce n'est pas en séance publique - en l'absence d'ailleurs du président de la commission de la Justice - qu'il faut le dire.
Je constate que depuis deux mois et demi, la commission de la Justice est bloquée sur la même proposition. Si nous n'arrivons pas à modifier nous-mêmes notre modus operandi, on aura beau le dire à chaque réunion de séance plénière, cela n'avancera pas.
Je suis moi-même découragé. Je crois que plus de 100 propositions sont déposées.
M. Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ce n'est pas possible !
M. Philippe Monfils (MR). - Si, monsieur Vandenberghe. J'ai même proposé un jour que l'on prenne toutes les propositions tenant peu ou prou à l'arriéré judiciaire pour voir si l'on ne pouvait pas avancer.
Voilà deux mois et demi que l'on s'intéresse passionnément à la même proposition de six articles, à laquelle 50 amendements ont été déposés, je le concède. Encore une fois, cette enceinte n'est pas le lieu approprié pour en parler. Je ne sais cependant dans quelle langue il faut le dire en commission de la Justice.
Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Je me demande où il faut le dire alors. Nous sommes au Sénat.
De toute façon, le groupe PSC du Sénat suivra l'avis rendu.
M. Philippe Monfils (MR). - Comme disait l'autre : « Si vous me suivez, je serai derrière vous » !
Donc, si vous faites une démarche auprès du président, je suis d'accord de vous suivre mais, encore une fois, il faut laver notre linge sale en famille, c'est-à-dire au sein de la commission de la Justice.
Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Le groupe PSC du Sénat suivra donc l'avis rendu par la commission des Affaires institutionnelles. On a beaucoup parlé Justice, mais je pense qu'il fallait parler du fond et pas seulement de la procédure dont le justiciable ne s'intéresse que jusqu'à un certain point. Ce qu'il veut, c'est un résultat quant au fond.
M. Philippe Mahoux (PS). - Nous avons à débattre de l'avis que le Sénat doit émettre, dans son rôle spécifique, en ce qui concerne le conflit d'intérêts soulevé par le parlement flamand à l'égard du projet de loi débattu à la Chambre.
Certains collègues saisissent cette occasion pour évoquer le fond du problème. À cet égard, il ne nous est pas apparu qu'une communauté pouvait être lésée par rapport à l'autre, tant en ce qui concerne le droit pour chaque citoyen, quelle que soit sa langue, d'être jugé dans des délais raisonnables, que pour les magistrats.
Indépendamment de l'analyse quant au fond du projet de loi déposé par le gouvernement, nous considérons que le conflit d'intérêts n'a pas de raison d'être et nous nous rangerons à l'avis de la commission ad hoc du Sénat.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - De wijze waarop Kamer en Senaat het belangenconflict hebben behandeld, doet vragen rijzen. In de commissie heeft men zelfs het instrument van het belangenconflict ter discussie gesteld. Men is wel niet zover gegaan als de vorige keer, toen in de commissie werd gestemd over de ontvankelijkheid van het belangenconflict. Nochtans is het belangenconflict een serieus wapen: het parlement moet immers met een drievierde meerderheid instemmen met het belangenconflict. Het kan dus niet lichtzinnig worden gebruikt door een toevallige meerderheid. In dit geval ging het zelfs om een op één na eenparige stemming in het Vlaams Parlement.
Het systeem van de toegevoegde rechters ondergraaft de taalwetgeving. De heer Vandenberghe heeft gelijk als hij zegt dat het niet correct is de gerechtelijke achterstand te reduceren tot een taalprobleem. Het systeem van de toegevoegde rechters geldt immers voor het hele land, maar het heeft alleen in Brussel bijkomende consequenties. De taalvereisten zijn dus slechts een deel van het probleem.
Men zou zich beter eens afvragen hoe het komt dat de taalvereisten vandaag een groter probleem zijn dan vijfentwintig jaar geleden. Tijdens de vorige regeerperiode werd inderdaad kritiek geleverd op het systeem van de toegevoegde rechters dat werd ingevoerd door de vorige minister van Justitie De Clerck. De VLD vond onder meer dat het systeem toeliet de taalwetgeving in Brussel te omzeilen. Maar in de plaats van een structurele oplossing te bedenken, handhaaft de minister het systeem van de toegevoegde rechters en breidt hij het zelfs uit: 25% van deze rechters zal buiten taalkader benoemd kunnen worden tegenover 12,5% nu.
De argumenten van het Vlaams Parlement zijn als irrelevant van de tafel geveegd. De kennis van de andere taal, die aan de Brusselse rechtbanken wordt opgelegd, houdt onder meer verband met het officieel tweetalige karakter van Brussel. Ze is vooral van belang in taalgemengde procedures. Rechters moeten getuigen in de andere landstaal kunnen horen en stukken in de andere taal kunnen begrijpen. Het zou dus wel eens kunnen dat dit systeem de gerechtelijke achterstand nog wat vergroot en de procedures rekt. Nu al vragen sommige Franstalige rechters de vertaling van een huwelijks- of geboorteakte. Wie is dan verantwoordelijk voor de achterstand?
Met dit systeem krijgen we ook twee soorten rechters: diegenen die aan de taalwetgeving voldoen en diegenen die er niet aan moeten voldoen. Daarbij komt nog dat de eentaligen beter betaald zullen worden dan de tweetaligen.
Men houdt er evenmin rekening mee dat de opeenvolgende Franstalige ministers van Justitie gedurende vijfentwintig jaar in Brussel geen rekening hebben gehouden met de taalwetgeving. Het grote aantal benoemde Franstalige magistraten die de andere landstaal niet kenden, heeft het eenderde-tweederde systeem mee geblokkeerd.
Wie deze argumenten in de commissie naar voren schuift, krijgt te horen dat geen enkel belang in het geding is. Er zijn twee soorten taalwetgeving. Enerzijds is er de taalwetgeving in bestuurszaken, die in Brussel nooit is toegepast. Het aantal onwettige benoemingen, vooral in lokale besturen, is niet meer bij te houden. Die taalwetgeving is dus fictie. Anderzijds is er de taalwetgeving in gerechtszaken, die nu op de helling wordt gezet. Ook die wordt een fictie: een onwettig systeem zal officieel worden gemaakt.
De toestand is nu reeds schrijnend. Politiediensten uit mijn regio, Halle-Vilvoorde, worden aan de telefoon reeds geconfronteerd met Franstalige substituten die geen jota Nederlands verstaan. Dus van twee zaken één: ofwel is er een taalkader en dan wordt dat gerespecteerd; ofwel wordt het taalkader niet gerespecteerd en worden andere oplossingen gezocht, zoals de splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Er moet worden gekozen. Het gaat niet op louter en alleen om politieke redenen aan een taalkader vast te houden.
Ik heb gehoord dat er een voorstel inzake de taalwetgeving op komst is. Tijdens de vorige legislatuur was ook al zo een voorstel ingediend, maar nadat het Vlaams Parlement een belangenconflict had ingeroepen, had de minister het ingetrokken. In dat voorstel werd opnieuw het onderscheid ingevoerd tussen een grondige en een functionele kennis van de andere taal. Nochtans was dit onderscheid in 1970 uit de taalwetgeving gehaald in het belang van de rechtsonderhorigen.
Een aantal beschikkingen uit het advies dat aan het overlegcomité wordt overgezonden, verwonderen mij ten zeerste. Er wordt verwezen naar de besluiten van de commissie die zich over de gerechtelijke achterstand moest buigen, om het systeem van de toegevoegde rechters te verdedigen, terwijl die commissie precies tot de vaststelling was gekomen dat dit systeem niet de oplossing was.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Men had waarschijnlijk de Franse tekst gelezen.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Bovendien staat in de laatste considerans: "Overwegende dat het niet in de bedoeling van de regering ligt om de toegevoegde rechters te gebruiken om de vereisten van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken te omzeilen...". In de memorie van toelichting staat nochtans uitdrukkelijk dat het wel de bedoeling is de taalwetgeving te omzeilen. Natuurlijk is de minister niet verantwoordelijk voor het advies dat de Senaat morgen uitbrengt. Bovendien stelde de vertegenwoordiger van de minister in de commissie dat "het duidelijk is dat een beroep wordt gedaan op de figuur van de toegevoegde rechter om de taalwet van 15 juni 1935 niet te hoeven toepassen". De tekst van de considerans is dus een flagrante onwaarheid.
Het besluit dat er geen enkel belang in het geding is, slaat natuurlijk nergens op. We hadden dit voorzien: er is immers weinig respect voor het Parlement. De minister van Justitie heeft op een colloquium van de PS over veiligheid al op voorhand aangekondigd dat het ontwerp ongeacht de uitkomst van het belangenconflict zal worden goedgekeurd. Er is destijds dus een afspraak gemaakt: snelrecht in ruil voor Franstalige magistraten.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik ben absoluut geen justitiespecialist en zal dan ook niet lang het woord nemen, maar ik voel me verontwaardigd door de manier waarop deze maatregel door het Parlement wordt gejaagd. Ik sluit me aan bij de Nederlandstalige sprekers die het woord al hebben genomen en het merendeel van mijn argumenten overigens al hebben uiteengezet. Niettemin wil ik op mijn manier bepaalde aspecten belichten.
Mevrouw Nyssens noemt de toestand in Brussel catastrofaal en vraagt dat daarvoor een oplossing wordt gevonden. Mij bereiken evenwel ook uit andere arrondissementen signalen dat de gerechtelijke achterstand er ernstig is. Daarom vind ik het onaanvaardbaar dat men via een zijweg de gerechtelijke achterstand in een bepaald gebied wil bestrijden, maar geen oplossing biedt voor de achterstand in het algemeen.
Er werden al voorstellen in dit verband geformuleerd en de regering speelt met het idee de verkeerszaken administratief af te wikkelen, maar dit soort oplossingen laat lang op zich wachten. Daarenboven zou een betere verloning erin slagen de vacante plaatsen te doen opvullen. Ik vind het eigenaardig dat de voorgestelde maatregel tot gevolg heeft dat de vacante tweetalige plaatsen minder snel zullen worden opgevuld. Een rechter die zich kandidaat stelt voor de nieuwe categorie zal immers meer verdienen dan een rechter die zich de moeite getroost te slagen in een tweetalig examen. Het resultaat van de ingreep zal dan ook zijn dat de bestaande vacante plaatsen bijna per definitie voor lange tijd zullen blijven openstaan. Anderen hebben het al gezegd: tweetaligheid heeft zijn voordelen in de rechtspraak, vooral in het Brussels Gewest.
Wat wordt voorgesteld vormt een oneigenlijk gebruik van de toegevoegde rechters, die waren bedoeld te zorgen voor meer mobiliteit en verspreide inzetbaarheid van rechters in ons land. Het is dan ook begrijpelijk dat het Vlaams Parlement het belangenconflict heeft ingeroepen. Uit de memorie van toelichting blijkt deze maatregel immers eenrichtingsverkeer te zijn om de Franstalige zaken te kunnen behandelen. Op die manier gaat men voorbij aan het recht van de Nederlandstaligen om ook hun zaken sneller te laten pleiten. Onder meer professor emeritus De Pauw van de VUB benadrukt dat deze bestrijding van de gerechtelijke achterstand enkel gericht is op het wegwerken van de Franstalige dossiers, wat vanzelfsprekend onaanvaardbaar is voor de Vlaamse gemeenschap. Bovendien wijs ik erop dat het eigenaardig is dat de regering zich haast om een Brussels probleem op te lossen, terwijl de Nederlandstalige zaken bij het Hof van Cassatie eveneens een ernstige achterstand hebben opgelopen.
Tot slot wil ik nog een concrete vraag stellen over de tijdelijkheid. De commissie die zich heeft beziggehouden met de gerechtelijk achterstand is van oordeel dat het inzetten van tijdelijke rechters geen goede oplossing is. Als een niet-fundamenteel probleem dan toch een fundamentele oplossing moet krijgen, dan stelt de commissie voor te werken met een tijdelijk buitengewoon kader dat na een welbepaalde termijn verdwijnt. Op dit voorstel heeft de regering nergens een reactie gegeven. Wel zegt de regering dat de toegevoegde rechters enkel in een bepaalde periode zullen worden benoemd. Ik vraag me daarbij af of ik de verklaring van de minister correct lees. Ik begrijp dat er na de overgangsperiode van vier jaar, waarin de structurele maatregelen hun uitwerking zullen hebben, er geen benoemingen meer zullen geschieden, waardoor het aantal toegevoegde magistraten op termijn automatisch wordt afgebouwd. Ik concludeer daaruit dat deze rechters inderdaad voor het leven worden benoemd en bovendien in functie blijven op de plaats waar ze benoemd zijn. Als mijn lezing correct is - en de minister knikt - dan betekent dit dat ten minste één generatie lang de taalwet wordt omzeild en dat is onaanvaardbaar. Als de achterstand in Brussel zo catastrofaal veel groter is dan op andere plaatsen, dan kunnen we misschien een tijdelijke overgangsoplossing aanvaarden, maar wat nu wordt voorgesteld, is geen tijdelijke oplossing. Het is een regeling die misschien na verloop van 10, 20, 30 jaar langzaam zal verdwijnen. Een dergelijke oplossing is een minister van Justitie en een regering die de rechten van zowel Nederlandstaligen als Franstaligen zou moeten verdedigen, onwaardig.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Op de agenda staat de bespreking van het advies dat de Senaat uitbrengt over het belangenconflict. Bepaalde sprekers hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om behalve dit advies ook de algemene problematiek van de gerechtelijke achterstand aan te kaarten, alsof de huidige en de vorige regering geen maatregelen hebben genomen om deze achterstand aan te pakken. Er wordt integendeel zelfs een beeld opgehangen als zou de gerechtelijke achterstand astronomisch toenemen, wijd verbreid zijn en zich niet beperken tot het gerechtelijk arrondissement Brussel. De cijfers geven een ander beeld. De reeks maatregelen ter bestrijding van de gerechtelijke achterstand werpt vruchten af. Het overzicht van de verlenging van de tijdelijke kamers dat in de commissies van Kamer en Senaat werd gegeven, toont aan dat in alle hoven van beroep - op dat van Brussel na - de achterstand is weggewerkt.
Het heeft niet veel zin de maatregel waarover de Senaat advies uitbrengt, nu te bespreken, aangezien hij nog een volledige behandeling krijgt in de commissie voor de Justitie. Wel wil ik erop wijzen dat dit een tijdelijke maatregel is die werkt met de constructie van de toegevoegde rechters. Ik begrijp dat men zich afvraagt hoe lang de tijdelijkheid zal duren, aangezien deze mensen voor het leven worden benoemd en een hele generatie magistraten dus wordt belast met het probleem van de niet volledige tweetaligheid conform de wet van 1935.
Er is natuurlijk geen rekening gehouden met het natuurlijke verloop bij de gerechtelijke magistratuur waarover precieze cijfers bestaan. We weten exact wanneer magistraten het einde van hun loopbaan bereiken en we kunnen, althans bij benadering, inschatten hoeveel magistraten er door promoties in de verschillende formaties bijkomen en wegvallen. Uiteraard kunnen we niet voorspellen hoeveel magistraten er accidenteel wegvallen door overlijden of door langdurige ziekte. Maar zelfs daarover bestaan er statistische gegevens waardoor we kunnen zeggen dat na het verstrijken van de termijn van vier jaar de magistraten in kwestie op hun post kunnen blijven. Uiteraard zijn ze als toegevoegde magistraten verbonden aan een ressort en kunnen ze ook op andere plaatsen binnen dat ressort worden ingezet waar dit meer in overeenstemming is met het taalgebruik.
Blijft dan nog de algemene aanpak van de gerechtelijke achterstand door de verschillende procedureformaliteiten, die nog kunnen worden gewijzigd. Zoals bekend heeft mijn kabinet een voorstel uitgewerkt, dat ondertussen door een aantal aanvullingen vanuit de magistratuur zelf meer op punt is gezet. Er kwamen bijvoorbeeld voorstellen binnen van het Koninklijk Verbond van de Vrede- en Politierechters inzake de inspanningen die van de rechter-verzoener worden verwacht en inzake de maatregelen betreffende de termijnen die voor gerechtsdeskundigen moeten gelden. Zodra al die voorstellen helemaal afgewerkt zijn, zal de regering de knoop doorhakken en zal ze een structurele wijziging in het gerechtelijk wetboek voorstellen als instrument in de strijd tegen de gerechtelijke achterstand.
Het advies waarover de Senaat zich morgen uitspreekt, zal meebrengen dat na het verstrijken van de termijnen, de werkzaamheden kunnen worden voortgezet in de commissie voor de Justitie Kamer en Senaat. Op dat ogenblik zal ook de grond van de zaak kunnen worden bediscussieerd.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Wat de minister daarnet zei over de tijdelijkheid bevestigt mijn vrees. De tijdelijke rechters zullen na een periode van vier jaar op hun post blijven. Onvermijdelijk veroorzaken die eentalige rechters op dat moment in het korps een scheeftrekking van de taalpariteit.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik moet u tegenspreken, mijnheer Vankrunkelsven. Toegevoegde rechters worden niet aan een bepaalde rechtbank van eerste aanleg toegekend. Zij worden afgevaardigd naar Brussel, maar als toegevoegd rechter blijven ze toegewezen aan een ressort. Praktisch gezien betekent dit voor het ressort Brussel, dat naast Brussel ook Leuven en Nijvel omvat, dat het perfect mogelijk is dat de Franstalige magistraten naar Nijvel gaan, waar er ook een tekort is aan Franstalige magistraten en dat de Nederlandstaligen in Leuven terechtkomen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het antwoord van de minister is louter formeel wel juist, maar geheel naast de kwestie als je er de cijfers naast legt. In Nijvel zijn er, als ik me niet vergis, vijftien rechters, terwijl er tientallen eentalige toegevoegde rechters worden benoemd. Het is heel goed mogelijk dat er meer toegevoegde rechters naar Nijvel worden gestuurd dan er daar rechters zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor Leuven. We kunnen daar wel een of twee rechters naar toe sturen, maar het aantal toegevoegde rechters is bepaald met het oog op de behoeften van de rechtbank van Brussel en niet van het ressort van het Hof van Beroep van Brussel.
-De bespreking is gesloten.