2-1032/2

2-1032/2

Belgische Senaat

ZITTING 2001-2002

27 MAART 2002


Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en tot wijziging van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER de CLIPPELE


Dit wetsontwerp is in de Kamer van volksvertegenwoordigers aangenomen op 31 januari 2002 (stuk Kamer, nr. 50-1569/1 tot 3).

Het is op 1 februari 2002 overgezonden aan de Senaat, die het op 25 februari 2002 geëvoceerd heeft en het dezelfde dag heeft verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden. De onderzoekstermijn verstrijkt op 13 mei 2002.

De commissie heeft het wetsontwerp onderzocht tijdens haar vergaderingen van 13 en 27 maart 2002.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN FINANCIËN

Dit ontwerp beoogt een versterking van de anti-witwasbepalingen op twee manieren. In eerste instantie moeten er efficiëntere tegenmaatregelen genomen kunnen worden ten aanzien van de landen en gebieden die door de Financiële Aktiegroep (FAG) als niet-meewerkend aangemerkt worden. Het ontwerp herneemt gewoon een aantal beleidslijnen die op internationaal en Europees niveau zijn uitgestippeld, in het bijzonder tijdens de gezamenlijke vergaderingen van de ministers van Financiën, Justitie en Binnenlandse Zaken.

Vervolgens wil het ontwerp de antiwitwasbepalingen uitbreiden wat betreft de geldoverdrachten.

Voortaan zullen deze bepalingen meer gericht zijn op de wisselkantoren, die aan bijkomende vereisten zullen moeten voldoen om geldoverdrachten te mogen verrichten.

Het ontwerp is slechts één stap in de maatregelen die systematisch getroffen worden in de strijd tegen witwaspraktijken.

De minister voegt eraan toe dat er tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie een akkoord gesloten werd met het Europees Parlement om het toepassingsgebied van de richtlijn betreffende de witwaspraktijken nog uit te breiden. Toen draaide het debat voornamelijk rond de advocatenproblematiek. In het kader van latere ontwerpen zal men op dit probleem in het Belgisch recht moeten terugkomen. In dit stadium echter is het alleen de bedoeling om algemeen bekende ontwikkelingen op het vlak van de witwasbestrijding in Belgisch recht om te zetten.

II. ALGEMENE BESPREKING

De heer de Clippele meent dat iedereen achter de doelstellingen van dit ontwerp staat. Niettemin doet het dispositief, zoals ook de vorige wetgevingen, bepaalde vragen rijzen over eenieders rol in de kennisgeving van verdachte verrichtingen aan de Cel voor financiële informatieverwerking.

Wanneer een bankier een verdachte verrichting vaststelt en hij die informatie doorspeelt, blijft hij volledig anoniem. Echter, wanneer een advocaat, een notaris, een effectenmakelaar of, in het algemeen, een persoon die over het algemeen vrij geïsoleerd werkt, die informatie moet meedelen, loopt hun fysieke integriteit plots groot gevaar. Indien de verrichting werkelijk verdacht is, is de kans groot dat men te maken heeft met kringen die niet aarzelen om geweld te gebruiken. Is de minister zich van dit gevaar bewust ?

De minister is de mening toegedaan dat indien men echt te maken heeft met operatoren die extreem geweld niet schuwen, de beroeps in eerste instantie moeten weigeren met zulke lieden te werken. Dat lijkt nog eenvoudiger dan achteraf een verdachte verrichting aan te geven. Er is soms reden tot ongerustheid. De minister denkt evenwel niet dat de anonimiteit of de publiciteit rond een aangifte zeer belangrijk is, maar wel de kennis van het bestaan van zware misdrijven.

De minister voegt eraan toe dat er bij de federale politie een specifieke cel werd opgericht om de financiële misdaad en delinquentie op te sporen. De minister roept de beroeps op om verdachte verrichtingen niet alleen aan te geven bij de CFI, maar ook bij politie en gerecht. Ze kunnen dan specifieke beschermingsmaatregelen vragen. Indien nodig, is de minister bereid te bemiddelen bij zijn collega's van Binnenlandse Zaken en van Justitie. Er kan evenwel geen sprake van zijn dat de regels van de strijd tegen witwaspraktijken worden afgezwakt of gewijzigd omdat men in bepaalde gevallen met gevaarlijke misdaadorganisaties te maken krijgt.

De minister wijst erop dat in talrijke gebieden van de administratie, de controleurs eveneens regelmatig met soms gewelddadige reacties af te rekenen krijgen. Er bestaan hiervoor beschermende maatregelen, bijvoorbeeld een bepaalde vorm van vertrouwelijkheid die echter steeds beperkt blijft. Een waterdichte vorm van vertrouwelijkheid valt echter niet te waarborgen.

De heer de Clippele meent dat de eerste stap waar de minister voor pleit, het probleem geenszins oplost. Zijn medewerking ontzeggen aan de betwiste verrichting volstaat niet volgens de wet. Die voorziet immers in de verplichting ze aan te geven. Wie zulke feiten te zien krijgt, verzuimt echter in de regel zulks te doen. Het is al moeilijker iets aan te geven en zodoende het leven van familieleden in gevaar te brengen. Indien het gaat om een operator die alleen werkt, kunnen zijn cliënten de klacht gemakkelijk traceren. Indien het om een administratie of om een rechter gaat, dan maakt die druk deel uit van hun beroep. De cliënten van een effectenmakelaar, een advocaat of een notaris daarentegen verwachten van hem vertrouwelijkheid en kunnen behoorlijk ontstemd raken indien een bezoek aanleiding geeft tot een aangifte.

Als hij waarden tegen elkaar afweegt, meent de minister dat de inbreuk op de openbare orde door witwasverrichtingen belangrijker is dan de ergernis van een individu dat aangegeven wordt omdat het gepoogd heeft een witwasverrichting uit te voeren. Er zal moeten worden bekeken hoe bescherming kan worden georganiseerd bij de aangifte van bijzonder gevaarlijke personen. Het zou evenwel paradoxaal zijn de meest verdachte verrichtingen uit het toepassingsgebied van de wet te schrappen.

De heer de Clippele denkt dat de anonimiteit beter kan worden gewaarborgd.

De minister antwoordt dat de aangifte op zich geen aanleiding geeft tot enige publiciteit. Het dossier heeft zijn beloop. Maar het is duidelijk dat indien het vervolgens tot een procedure komt, ook een gerechtelijke, de herkomst van de aangifte op een of andere manier aan het licht zal komen.

De heer de Clippele verklaart het geval te kennen van een notaris waar het gerecht beslist heeft niet te vervolgen omdat het leven van diens kinderen in gevaar was.

De minister meent dat op een gegeven ogenblik in de rechtspleging de elementen beschikbaar moeten zijn. Hij herhaalt dat beroeps veeleer moeten proberen mee te werken met politie en gerecht, om te vermijden dat de zwaarste gevallen ongestraft blijven. Volgens de minister is de vertrouwelijkheid bij de Cel zelf gewaarborgd. Eens het dossier zijn juridisch beloop heeft, is het duidelijk dat men bewijsgronden moet kunnen aanvoeren om het geding te kunnen voeren. Mogelijkerwijs is de vertrouwelijkheid dan minder gewaarborgd. Belangrijk zijn voorts ook de rechten van de verdediging. Er moet een evenwicht worden gevonden.

De minister wijst erop dat dit debat niet is toegespitst op de tekst van het voorliggende wetsontwerp. Het gaat om een algemener probleem, dat opnieuw op de agenda moet komen wanneer de nieuwe Europese bepalingen, met name over advocaten, in onze wetgeving worden omgezet.

Op vraag van de heer Maertens antwoordt de minister dat uit de tot 7 september 2001 bijgewerkte lijst van de landen en de gebieden die door de FAG als niet-meewerkend worden beschouwd, zoals opgenomen in het Kamerverslag, nr. 50-1569/2, blz. 5, op vandaag alleen de Filippijnen zijn geschrapt.

Vanuit de werkzaamheden van de onderzoekscommissie « Grote Meren » is dit ontwerp volgens dit lid zeer belangrijk. De lijst bevat immers de landen Israël, Libanon en Rusland. De voornoemde commissie is begaan met de problematiek van de zogenaamde « bloeddiamanten » die voor het witwassen worden gebruikt. Kan deze commissie mogelijkheden krijgen om haar parlementaire controle uit te voeren ?

De minister verklaart dat altijd nieuwe landen aan de lijst kunnen worden toegevoegd. Die landen beschikken dan wel over een bepaalde termijn om zich te aligneren op de wensen van de Financiële Actie-groep, zoals de Filippijnen dat recentelijk hebben gedaan. Tot slot is de minister bereid de voornoemde onderzoekscommissie alle gewenste informatie te verstrekken.

Bij de heer D'Hooghe roept het ontwerp een aantal vragen op. Zo is er op 7 en 8 februari 2002 een Conferentie van de parlementen van de Europese Unie tegen het witwassen geweest in Parijs, die een slotverklaring heeft goedgekeurd waarin een aantal voorstellen werden geformuleerd. Wat is de houding van de regering ten aanzien hiervan ?

Hetzelfde lid meent overigens dat het aangewezen is het voorliggend ontwerp voor advies aan de Commissie georganiseerde criminaliteit over te zenden.

De minister verklaart zich bereid een schriftelijk antwoord te bezorgen met betrekking tot zijn houding tegenover de voornoemde aanbevelingen. Hij wijst er voorts op dat moet voortgewerkt worden aan de omzetting van de verschillende richtlijnen. Het voorliggend ontwerp vormt slechts één stap met twee doelstellingen. De aanbevelingen kunnen van nut zijn in de bespreking van de verdere noodzakelijke stappen. Bijkomende wetsontwerpen voorzien in nieuwe stappen opgelegd door Europese richtlijnen.

III. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Er worden geen amendementen ingediend en de artikelen geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen.

IV. STEMMINGEN

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Olivier de CLIPPELE. Paul DE GRAUWE.

De door de commissie aangenomen tekst
is dezelfde als de tekst overgezonden door
de Kamer van volksvertegenwoordigers
(zie stuk Kamer nr. 50-1569/3 ­ 2001-2002 ­ 01-31)