2-548/6

2-548/6

Belgische Senaat

ZITTING 2001-2002

25 MAART 2002


Wetsvoorstel betreffende de uitbreiding van het gemeentelijk stemrecht en het recht om verkozen te worden tot de niet-Europese onderdanen die in België verblijven

Wetsvoorstel tot instelling van een volksraadpleging over het stemrecht voor vreemdelingen

Wetsvoorstel tot toekenning van het actief en passief kiesrecht bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen aan de buitenlandse onderdanen

Wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet en de nieuwe gemeentewet, met betrekking tot het stemrecht en de verkiesbaarheid van niet-Belgen bij gemeente- en provincieraadsverkiezingen

Wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet en de nieuwe gemeentewet, met betrekking tot het stemrecht en de verkiesbaarheid bij gemeenteraadsverkiezingen van onderdanen van lidstaten van de Europese Unie en van de andere staatsburgers van buitenlandse nationaliteit die langer dan vijf jaar in België verblijven


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE DAMES DE SCHAMPHELAERE EN KAÇAR EN DE HEER MOUREAUX


INHOUD


  1. Inleiding
  2. Inleidende uiteenzetting van de indieners van de wetsvoorstellen
  3. Algemene bespreking
  4. Artikelsgewijze bespreking
  5. Stemmingen

I. INLEIDING

Naar de commissie werden de volgende wetsvoorstellen verwezen die alle betrekking hadden op het toekennen van stemrecht aan vreemdelingen die in België wonen, en de nationaliteit hebben van landen die niet behoren tot de Europese Unie :

­ Wetsvoorstel betreffende de uitbreiding van het gemeentelijk stemrecht en het recht om verkozen te worden tot de niet-Europese onderdanen die in België verblijven (nrs. 2-548/1-4)

­ Wetsvoorstel tot instelling van een volksraadpleging over het stemrecht voor vreemdelingen (nr. 2-582/1)

­ Wetsvoorstel tot toekenning van het actief en passief kiesrecht bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen aan de buitenlandse onderdanen (nr. 2-587/1)

­ Wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet en de nieuwe gemeentewet, met betrekking tot het stemrecht en de verkiesbaarheid van niet-Belgen bij gemeente- en provincieraadsverkiezingen (nr. 2-880/1).

­ Wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet en de nieuwe gemeentewet, met betrekking tot het stemrecht en de verkiesbaarheid bij gemeenteraadsverkiezingen van onderdanen van lidstaten van de Europese Unie en van de andere staatsburgers van buitenlandse nationaliteit die langer dan vijf jaar in België verblijven (nr. 2-954/1)

De commissie heeft besloten die voorstellen samen te voegen en het oudste voorstel, nr. 2-548/1, als basis te nemen voor de bespreking.

De commissie heeft op haar vergadering van 6 november 2001 besloten de eindbespreking te laten voorafgaan door een reeks hoorzittingen (zie bijlage stuk Senaat, nr. 2-548/7).

1. Hoorzitting gehouden op 20 november 2001 met :

­ de heer Meindert Fennema, docent aan de Universiteit van Amsterdam;

­ de heer Kris Deschouwer, professor aan de VUB;

­ de heer Dirk Jacobs, docent aan de KUB;

­ de heer Marco Martiniello, docent aan de ULg;

2. Hoorzitting gehouden op 27 november 2001 met :

­ de heer Robert Senelle, professor emeritus;

­ de heer Chris Rutten, burgemeester van Breda;

­ mevrouw Marie-Claire Foblets, professor aan de KULeuven;

3. Hoorzitting gehouden op 11 december 2001 met :

­ mevrouw Grete Brochmann, professor aan de Universiteit van Oslo;

­ de heer Henri Bäck, professor aan de Universiteit van Göteborg;

­ de heer Fethi Gümüs, lid van de Turkse gemeenschap van Antwerpen en projectontwikkelaar bij het Subregionaal Tewerkstellingscomité van Antwerpen;

­ mevrouw Myriam Mottard en de heer Yousfi Ali, afgevaardigden van het platform « Tous résidents, tous citoyens »;

­ de heer Marcel Bourlard, voormalig directeur van de vertegenwoordiging van de IAO bij de Europese Gemeenschap en de landen van de Benelux;

­ de heer Mohamed Chakkar, voorzitter van de Unie van Marokkaanse verenigingen van Antwerpen.

De commissie heeft deze voorstellen besproken tijdens haar vergaderingen van 16 en 28 november 2000, 6, 20 en 27 november 2001, 11 en 18 december 2001, 5, 19 en 26 februari 2002, 12, 21 en 25 maart 2002.

De commissie heeft op 12 maart 2002 gestemd. Tijdens die vergadering heeft de voorzitster van de commissie, mevrouw Lizin, aan de commissie meegedeeld dat mevrouw Kaçar en de heer Lozie haar een petitie hebben overgemaakt voor het stemrecht voor vreemdelingen.

Het advies van de Raad van State werd gevraagd op voorstel nr. 2-548/1. Dit advies kwam op 14 september 2001 aan in de Senaat (nr. 2-542/2).

HOOFDSTUK II

INLEIDENDE UITEENZETTINGEN VAN DE INDIENERS VAN DE VOORSTELLEN

1. Wetsvoorstel betreffende de uitbreiding van het gemeentelijk stemrecht en het recht om verkozen te worden tot de niet-Europese onderdanen die in België verblijven (nr. 2-548/1)

Dit voorstel wordt toegelicht door de heer Lozie.

Artikel 8 van de Grondwet, dat werd herzien op 11 december 1998 (Belgisch Staatsblad van 15 december 1998) strekte tot de invoering van het beginsel dat, in verband met de uitoefening van de politieke rechten, kan worden afgeweken van de nationaliteitsvereiste. Het derde lid van dit artikel stelt de wetgever in staat het stemrecht te regelen van burgers van de Europese Unie die niet de Belgische nationaliteit hebben, overeenkomstig de internationale en supranationale verplichtingen van België.

De wet van 27 januari 1999 heeft ervoor gezorgd dat de onderdanen van de Europese Unie vandaag actief en passief kiesrecht bezitten bij de gemeenteraadsverkiezingen. Op die manier heeft België na jarenlang getalm en getouwtrek zijn nationale wetgeving afgestemd op artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (ex-artikel 8B van het Verdrag van Maastricht ­ 7 februari 1992). Dat artikel bepaalt ontegensprekelijk dat iedere Europese burger, in de lidstaat waar hij verblijft, actief en passief kiesrecht bezit bij de gemeenteraadsverkiezingen, « onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat ».

In het vierde lid van artikel 8 van de Grondwet wordt voorts gepreciseerd dat het stemrecht door de wet kan worden uitgebreid tot de in België verblijvende niet-Europese Unie onderdanen, onder de voorwaarden en op de wijze door die wet bepaald. Op grond van de overgangsbepaling kon een dergelijke wet niet worden aangenomen vóór 1 januari 2001.

België heeft de burgers van de Europese Unie dus op gemeentelijk vlak actief en passief stemrecht gegeven, maar heeft de toekenning van dat fundamentele recht aan niet-Europese-Unie-onderdanen uitgesteld, ook al verblijven die soms al verschillende jaren in België. Concreet betekent een en ander dat tien procent van de volwassen bevolking niet betrokken wordt bij onze democratische instellingen. Die tien procent zijn zeer ongelijk over het grondgebied verspreid. In een stad als Brussel blijft één volwassene op vier verstoken van enige controlemogelijkheid op de eigen bestuurslieden. In sommige gemeenten is sprake van een echt democratisch deficit. Hoewel ook die burgers belastingen betalen en een beroep doen op de openbare dienstverlening, het onderwijs, de culturele accommodatie enzovoort, hebben zij niet het recht zich uit te spreken over het begrotingsbeleid of de algemene beleidslijnen.

Het vraagstuk van het stemrecht voor de niet-Belgen wordt vaak in verband gebracht met de procedures voor naturalisatie en verwerving van de nationaliteit, die bij de wetten van 1 maart 2000 (Belgisch Staatsblad van 5 en 6 april 2000) zijn herzien en vereenvoudigd. Volgens die opvatting zal op termijn al wie een tijd in België verblijft, de Belgische nationaliteit verwerven. Om die mensen aan te zetten tot actief burgerschap volstaat het echter niet de procedures voor verwerving van de nationaliteit en naturalisatie te vereenvoudigen, omdat dat voor sommigen zou betekenen dat zij afstand moeten doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. Voor velen kan daarvan geen sprake zijn, behalve wanneer zij er om beroepsredenen niet onderuit kunnen, of wanneer zij om een of andere reden genoodzaakt zijn deel te nemen aan het vrij verkeer van personen binnen de Europese ruimte.

Tal van vreemdelingen, met name die van de eerste of de tweede generatie, onderhouden nog steeds nauwe affectieve, culturele, religieuze of gevoelsmatige banden met het land van oorsprong, ook al wonen zij al lang en voorgoed in België. De dubbele nationaliteit zou dit probleem deels kunnen oplossen maar is slechts mogelijk via akkoorden tussen individuele Staten onderling. Noch voor Europa, noch op internationaal vlak is dit op het ogenblik een prioriteit.

Politieke rechten toekennen is niet onverenigbaar met een procedure tot verwerving van de nationaliteit. Een en ander werkt een volwaardig en allesomvattend burgerschap precies in de hand. In dat verband kan de toekenning van stemrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen worden beschouwd als een bijkomende stap naar meer erkenning en integratie van die bevolkingsgroepen.

Overeenkomstig de Grondwet strekt dit wetsvoorstel ertoe op gemeentelijk vlak actief en passief stemrecht toe te kennen aan de niet-Europese onderdanen die sinds ten minste vijf jaar op ons grondgebied verblijven.

De jongste gemeenteraadsverkiezingen, waaraan de Europese burgers mochten deelnemen, tonen aan dat die electorale participatie mogelijk is. Er zij evenwel op gewezen dat de verplichte voorafgaande inschrijving op de kiezerslijsten duidelijk belemmerend heeft gewerkt en heeft geleid tot een feitelijke ongelijkheid tussen de Europese en de Belgische kiezers, alsook tussen de Europese onderdanen onderling. De informatieverstrekking aan hun adres verschilde sterk van gemeente tot gemeente, afhankelijk van de belangstelling van de plaatselijke overheid voor dat vraagstuk.

Een aantal Europese kiezers heeft een klacht ingediend, omdat zij niet onder dezelfde voorwaarden konden stemmen als de nationale onderdanen, wat indruist tegen de geest van het Verdrag van Maastricht. In het licht van die negatieve ervaringen is het noodzakelijk dat iedereen, inzake actief en passief kiesrecht, aan dezelfde voorwaarden moet worden onderworpen. Daarom wordt voorgesteld artikel 1bis van de gemeentekieswet op te heffen. Mensen met de Belgische nationaliteit, Europese onderdanen, alsook sinds ten minste vijf jaar wettig in België verblijvende niet-Europeanen, zullen dus automatisch op de kiezerslijsten worden ingeschreven overeenkomstig de in artikel 1 vastgelegde criteria.

Dit wetsvoorstel is een eerste stap naar een ruimere democratische participatie op gemeentelijk vlak. Eveneens met de bedoeling de democratie en de participatie van de burgers te verruimen, lijkt het noodzakelijk het actief en passief kiesrecht voor vreemdelingen die sinds vijf jaar in België verblijven, uit te breiden tot de provincieraadsverkiezingen, de gewestraadsverkiezingen en de Europese parlementsverkiezingen. Ook de nationaliteitsvereiste om zitting te mogen hebben in de OCMW-raad, moet worden afgeschaft. Blijft dan nog het vraagstuk van de uitoefening van het burgemeester- en het schepenambt. Een dergelijke uitbreiding van het stem- en het verkiesbaarheidsrecht levert voor elke assemblee specifieke problemen op. Daarom wordt voorgesteld een en ander per kiesniveau te regelen via specifieke wetsvoorstellen.

Tal van Europese landen hebben al lang een ruimere inhoud gegeven aan het algemeen stemrecht (dat dus ook betrekking heeft op de niet-onderdanen). België speelt op dat vlak hoegenaamd geen voortrekkersrol.

De ontwikkeling van Europa verdringt dan weer het vraagstuk van de nationale identiteit naar de achtergrond. Morgen zullen alle Europeanen dezelfde munt gebruiken : de euro. Onafwendbaar evolueren we naar een Europees burgerschap. Wij kunnen het ons daarbij niet veroorloven een grote groep medeburgers in de kou te laten staan, gewoon omdat zij toevallig zijn geboren in een land dat niet tot de Europese Unie behoort.

Dit wetsvoorstel ­ bescheiden qua streefdoel maar ambitieus door de draagwijdte van de wetgevende hervorming die erin is vervat ­ beoogt een volwaardig en allesomvattend burgerschap dichterbij te brengen. Het is immers de bedoeling inhoud te geven aan het meest fundamentele democratische recht : dat om te stemmen en zich verkiesbaar te stellen.

2. Wetsvoorstel tot toekenning van het actief en passief kiesrecht bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen aan de buitenlandse onderdanen (nr. 2-587/1)

Dit voorstel wordt toegelicht door de heer Mahoux.

Dit wetsvoorstel strekt ertoe bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen het actief en passief kiesrecht te verlenen aan alle in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven burgers uit derde landen. Het wenst de gelijke behandeling inzake gemeentelijk kiesrecht te herstellen tussen enerzijds de niet-Belgische inwoners die uit een EU-lidstaat afkomstig zijn en anderzijds de inwoners die uit andere Staten afkomstig zijn. Er bestaat voor die politieke discriminatie geen enkele fundamentele rechtvaardiging. Ze werd alleen ingesteld om in België binnen de gestelde termijnen uitvoering te kunnen geven aan de bepalingen van het Verdrag van Maastricht die betrekking hebben op het actief kiesrecht van de Europese burgers. Krachtens het daartoe gewijzigde artikel 8 van onze Grondwet kan het stemrecht « door de wet worden uitgebreid tot de in België verblijvende niet-Europese Unie onderdanen ». Overeenkomstig een overgangsbepaling kon die wet echter niet worden aangenomen vóór 1 januari 2001.

Het is thans mogelijk en meer dan wenselijk om de bespreking aan te vatten van een wetsvoorstel waarmee wordt beoogd een onhoudbare discriminatie weg te werken.

De toekenning, bij gemeenteraadsverkiezingen, van het actief kiesrecht aan de Europese onderdanen heeft aangetoond dat het absolute verband tussen nationaliteit en actief stemrecht op lokaal niveau geen zin heeft. De wil om deel te nemen aan de lokale leefgemeenschap en de betrokkenheid bij het sociaal en economisch leven moeten de grondslag vormen van een politieke participatie. Al wie deelneemt aan het leven van de gemeente en dat in de toekomst zal kunnen blijven doen als hij/zij op het Belgisch grondgebied mag blijven wonen, maakt deel uit van de lokale leefgemeenschap. De politieke participatie is de logische politieke concretisering van een sociaal-economische betrokkenheid. Het is een doeltreffende factor van integratie die bijdraagt tot de opheffing van de barrières die nog tussen de Belgen en de vreemdelingen kunnen bestaan. Als men de politieke kloof tussen niet-Belgische EU-burgers en de anderen handhaaft, versterkt men bij die laatsten een gevoel van uitsluiting dat haaks staat op de doelstelling van een evenwichtige integratie van de verschillende gemeenschappen die samen de bevolking van een lokale entiteit vormen.

Het stemrecht van de EU-burgers, waarvan die helaas nog te weinig gebruik maken, doet inzien dat, evenmin als dat in andere landen het geval was, het politieke bestel geenszins wordt verstoord door de stem van de vreemdelingen. Het zijn daarentegen de politieke miskenning van een gemeenschap en de ontzegging van hun democratische expressie die de mensen van die groepen ertoe aanzetten om zich op hun eigen gemeenschap terug te plooien. De buitenlandse inwoners die politiek geen stem krijgen, kunnen geneigd zijn om pressiegroepen op te richten die uitsluitend berusten op een voorgeschreven, etnische, culturele of godsdienstige identiteit, in plaats van aan te sluiten bij democratische bewegingen die politieke eisen stellen. Het democratische draagvlak van het lokale politieke bestel wordt door de politieke participatie van de vreemdelingen gewoon breder. Die participatie draagt er ook toe bij dat de Belgische burger een scherper beeld van de « ander » krijgt.

Een vreemdeling die in de gemeente verblijft, is dan niet langer een tweederangsburger zonder politieke stem, maar wordt een « gelijke », die net als de andere Belgen deelneemt aan het bestuur van de gemeente waarin ze samen wonen.

Wij moeten onverwijld het beginsel bekrachtigen van de lokale politieke participatie van elke persoon die blijk geeft van de wil om het lot van de lokale gemeenschap te delen en die er sociaal en economisch aan deelneemt.

Die wil moet uiteraard duidelijk tot uiting komen om de toekenning van het actief kiesrecht te rechtvaardigen. Doorgaans wordt het criterium van een bepaalde duur van vestiging op het Belgisch grondgebied gehanteerd. Teneinde aan dat criterium een juridische invulling te geven, wordt voorgesteld de inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente als voorwaarde te stellen. In dat bevolkingsregister zijn immers de Belgen opgenomen die in de gemeente verblijven, maar ook de daar verblijvende vreemdelingen die gemachtigd zijn tot vestiging in het Rijk (zulks overeenkomstig artikel 17 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen). De bevoegde minister kan een machtiging tot vestiging verlenen aan elke vreemdeling die voor onbeperkte tijd wordt toegestaan in het Rijk te verblijven. Die machtiging moet in ieder geval aan verschillende categorieën van vreemdelingen worden verleend, behalve indien redenen van openbare orde of van veiligheid van het land daaraan in de weg staan. Het betreft in het bijzonder alle vreemdelingen die het bewijs leveren dat ze gedurende vijf jaar regelmatig en ononderbroken in het Rijk hebben verbleven, met uitzondering van de studietijd.

Het actief en passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen zou dus worden toegekend aan elke vreemdeling die gedurende ten minste vijf jaar op het Belgisch grondgebied heeft verbleven.

De wet van 27 januari 1999 (Belgisch Staatsblad van 30 januari 1999, eerste uitgave, blz. 2786), die dat kiesrecht slechts aan de EU-burgers toekent, bepaalt ook dat voor het bekleden van uitvoerende gemeentelijke ambten uitsluitend Belgische burgers in aanmerking komen, maar alleen wat de ambtsperiode 2001-2006 betreft. Na 2006 zou dat mandaat ook openstaan voor de niet-Belgische EU-burgers.

Er is geen enkele reden waarom ook op dat vlak niet alle vreemde burgers gelijkgerechtigd zouden zijn, ongeacht of het al dan niet om onderdanen van een EU-lidstaat gaat. Alle kiezers zouden dus uitvoerende gemeentelijke ambten moeten kunnen bekleden.

Overigens lijkt de logica zoek te zijn geweest toen bij de toekenning van het kiesrecht aan de EU-burgers een onderscheid werd gemaakt tussen de provincieraadsverkiezingen en de gemeenteraadsverkiezingen. Conform het bepaalde in artikel 41 van de Grondwet zijn de gemeenten en de provincies lokale entiteiten, die uitsluitend gemeentelijke of provinciale belangen regelen, welke verschillen van de nationale belangen. Nog steeds volgens de Grondwet worden die belangen « door de gemeenteraden of de provincieraden geregeld volgens de beginselen bij de Grondwet vastgesteld ». Dat artikel hanteert het begrip lokaal bestuur als een bestuur dat zorgt voor de behandeling van de specifieke aangelegenheden van een maatschappelijke groep die verschilt van de nationale gemeenschap.

Het is onduidelijk waarom met betrekking tot de lokale politieke participatie een onderscheid wordt gemaakt tussen gemeenten en provincies, een onderscheid dat de Grondwet niet maakt. Vandaar dit voorstel tot toekenning, aan alle in België verblijvende vreemdelingen, van het actief en passief kiesrecht (met inbegrip van dat recht « in de tweede graad », met name de toegang tot de gemeentelijke en provinciale uitvoerende ambten), zowel bij de gemeenteraadsverkiezingen als bij de provincieraadsverkiezingen.

Ten slotte lijkt het belangrijk dat de tenuitvoerlegging van dat recht zoveel mogelijk wordt vergemakkelijkt. Er moet een oplossing komen voor de moeilijkheden die sommige niet-Belgische EU-burgers bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2000 hebben ondervonden om zich te laten inschrijven op de kiezerslijsten. Het beginsel dat een niet-Belgische burger conform de Europese richtlijn, een dergelijke stap vrijwillig moet zetten, mag niet op de helling worden gezet als het om onderdanen van de Unie gaat (dat geldt dus voor alle vreemdelingen, want het creëren van nieuwe discriminaties tussen « categorieën van vreemdelingen » met betrekking tot de uitoefening van dit recht lijkt niet echt aangewezen); zulks neemt niet weg dat die burger daarbij zo weinig mogelijk moeilijkheden in de weg mogen worden gelegd (zie Richtlijn 94/80/EG van de Raad van 19 december 1994, PBEG nr. L 368 van 31 december 1994, blz. 38 en meer bepaald artikel 7).

Daartoe zou de gemeente bij wet kunnen worden verplicht om aan al haar in de bevolkingsregisters ingeschreven niet-Belgische inwoners ambtshalve het bewijs van inschrijving op de kiezerslijsten op te sturen; die inwoners hoeven dat bewijs alleen nog terug te zenden om te kunnen deelnemen aan de gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen.

Dit wetsvoorstel heeft dus tot doel om het actief en passief kiesrecht bij de lokale verkiezingen uit te breiden tot alle vreemdelingen die zijn ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente, alsook de uitoefening van dat recht voor allen te vergemakkelijken.

3. Wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet en de nieuwe gemeentewet, met betrekking tot het stemrecht en de verkiesbaarheid van niet-Belgen bij gemeente- en provincieraadsverkiezingen (nr. 2-880/1)

Dit voorstel wordt toegelicht door de heer Tobback en mevrouw Pehlivan.

De discussie over de uitoefening van politieke rechten door niet-Belgen kent een lange en vaak moeizame voorgeschiedenis. De herziening van de Grondwet op 11 december 1998 (Belgisch Staatsblad van 15 december 1998) is daar op haar beurt getuige van. In artikel 8 van de Grondwet is opgenomen dat kan worden afgeweken van de nationaliteitsvereiste om de politieke rechten uit te oefenen.

Het derde lid van dit artikel geeft de wetgever de mogelijkheid het stemrecht te regelen van burgers van de Europese Unie die niet de Belgische nationaliteit bezitten, overeenkomstig de internationale en supranationale verplichtingen van België. Deze mogelijkheid heeft concreet gestalte gekregen in de wet van 27 januari 1999. Deze wet geeft de onderdanen van de Europese Unie actief en passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen. Aldus heeft België zijn nationale wetgeving afgestemd op artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (ex-artikel 8B van het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992), dat bepaalt dat iedere EU-burger, in de lidstaat waar hij verblijft, actief en passief kiesrecht bezit bij de gemeenteraadsverkiezingen, « onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat ».

Het vierde lid van artikel 8 van de Grondwet bepaalt dat het stemrecht bij wet kan worden uitgebreid tot de in België verblijvende niet-Europese Unie onderdanen, onder de voorwaarden en op de wijze door die wet bepaald. Een dergelijke wet kon evenwel niet worden aangenomen vóór 1 januari 2001 (overgangsbepaling).

Ook nu deze termijn verstreken is, blijven de meningen verdeeld over het al dan niet toekennen van stemrecht aan niet-EU-burgers. Sommigen wijzen dit stemrecht af, anderen koppelen het aan de discussie over de nationaliteitsverwerving en nog anderen zijn ervoor gewonnen om dit stemrecht toe te kennen. Zo hebben zowel de PS [wetsvoorstel tot toekenning van het actief en passief kiesrecht bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen aan de buitenlandse onderdanen (stuk Kamer, nr. 916/1, stuk Senaat, nr. 587/1)] als Agalev-Ecolo [wetsvoorstel betreffende de uitbreiding van het gemeentelijk stemrecht en het recht om verkozen te worden tot de niet-Europese onderdanen die in België verblijven (stuk Senaat, nr. 548/2); wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet van 4 augustus 1932 en van de gemeentewet, teneinde het gemeentelijk stemrecht en het recht om bij gemeenteraadsverkiezingen verkozen te worden uit te breiden tot de niet-Belgische onderdanen (stuk Kamer, nr. 917/1)] een regeling daartoe voorgesteld.

Ook de SP.A heeft zich klaar en duidelijk uitgesproken voor de toekenning van stemrecht aan migranten bij lokale verkiezingen. Het onderscheid tussen EU-burgers en niet-EU burgers is niet verantwoord. Concreet betekent dit dat 10 % van de volwassen bevolking niet betrokken wordt bij onze democratische instellingen en verstoken blijft van enige controlemogelijkheid op de bestuurslieden. Hoewel ook zij belastingen betalen en een beroep doen op de openbare dienstverlening, het onderwijs, de culturele accomodatie enz., hebben zij niet het recht zich uit te spreken over het begrotingsbeleid of de algemene beleidslijnen.

De betrokkenheid bij het sociaal en economisch leven moet de grondslag vormen voor politieke participatie. Al wie deelneemt aan het leven van de gemeente en dat in de toekomst zal kunnen blijven doen als hij/zij op het Belgisch grondgebied mag blijven wonen, maakt deel uit van de lokale leefgemeenschap. De politieke participatie is de logische politieke concretisering van een sociaal-economische betrokkenheid. Het is een doeltreffende factor van integratie die bijdraagt tot de opheffing van de barrières die nog tussen de Belgen en de vreemdelingen kunnen bestaan. Als men de politieke kloof tussen niet-Belgische EU-burgers en de anderen handhaaft, versterkt men bij die laatsten een gevoel van uitsluiting dat haaks staat op de doelstelling van een evenwichtige integratie van de verschillende gemeenschappen die samen de bevolking van een lokale entiteit vormen.

De buitenlandse inwoners die politiek geen stem krijgen, kunnen geneigd zijn om pressiegroepen op te richten die uitsluitend berusten op een voorgeschreven ethnische, culturele of godsdienstige identiteit, in plaats van aan te sluiten bij democratische bewegingen die politieke eisen stellen. Het democratische draagvlak van het lokale politieke bestel wordt door de politieke participatie van de vreemdelingen gewoon breder. Die participatie draagt er ook toe bij dat de Belgische burger een scherper beeld van de « ander » krijgt.

Zoals reeds aangestipt wordt het vraagstuk van het stemrecht voor niet-Belgen vaak in verband gebracht met de procedures voor naturalisatie en verwerving van de nationaliteit. De wet van 1 maart 2000 (Belgisch Staatsblad van 5 en 6 april 2000) heeft deze procedures grondig herzien en vereenvoudigd. Vandaar de opvatting dat op termijn al wie een tijd in België verblijft, de Belgische nationaliteit zal verwerven en bijgevolg zal kunnen deelnemen aan de verkiezingen.

De verwerving van de Belgische nationaliteit betekent evenwel dat afstand moet worden gedaan van de oorspronkelijke nationaliteit. Voor een aantal vreemdelingen, inzonderheid de zogeheten eerste of tweede generatie, is dat vaak een stap te ver; zij onderhouden nog steeds nauwe affectieve, culturele, religieuze of gevoelsmatige banden met het land van oorsprong, ook al wonen zij al lang en voorgoed in België.

De dubbele nationaliteit zou dit probleem deels kunnen oplossen maar dat is slechts mogelijk via akkoorden tussen individuele Staten. Noch voor Europa, noch op internationaal vlak is dit trouwens een prioriteit.

Politieke rechten toekennen is niet tegenstrijdig, maar complementair met een procedure tot verwerving van de nationaliteit. Het toekennen van stemrecht is dus een stap naar integratie en nationaliteitsverwerving.

De gemeenteraadsverkiezingen van 2000, waaraan voor het eerst de Europese burgers mochten deelnemen, tonen aan dat die electorale participatie mogelijk is. Er moet evenwel vastgesteld worden dat de verplichte voorafgaande inschrijving op de kiezerslijsten duidelijk belemmerend heeft gewerkt en heeft geleid tot een feitelijke ongelijkheid tussen de Europese en de Belgische kiezers, alsook tussen de Europese onderdanen onderling.

Een aantal Europese kiezers heeft trouwens klacht ingediend, omdat zij niet onder dezelfde voorwaarden konden stemmen als de nationale onderdanen, wat indruist tegen de geest van het Verdrag van Maastricht.

In het licht van die negatieve ervaringen moet iedereen, inzake actief en passief kiesrecht, aan dezelfde voorwaarden worden onderworpen. Daarom wordt voorgesteld artikel 1bis van de gemeentekieswet op te heffen. Mensen met de Belgische nationaliteit, Europese onderdanen, alsook sinds ten minstre drie jaar wettig in België verblijvende niet-Europeanen, zullen dus automatisch op de kiezerslijsten worden ingeschreven, overeenkomstig de in artikel 1 vastgelegde criteria.

De keuze voor de termijn van drie jaar is ingegeven door de resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2001 over de toestand van de grondrechten in de Europese Unie. Punt 122 van deze resolutie, met betrekking tot het Europees burgerschap, beveelt de lidstaten aan het actief en passief stemrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen uit te breiden tot alle burgers die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Unie, maar die gedurende ten minste drie jaar hun verblijfplaats op het grondgebied van de betrokken lidstaat hebben.

De voorgestelde regeling betekent ook dat al deze groepen, zonder onderscheid, gehouden zijn aan de opkomstplicht. De SP.A blijft aan die plicht vasthouden. Het streven naar een ware representatieve democratie en naar een rechtvaardige maatschappij, waarin iedereen gelijkwaardig aan bod komt, dwingt haar daartoe. Alle wetenschappelijke studies tonen aan dat laaggeschoolden, (hoog)bejaarden en zwakkeren in de samenleving als eersten wegblijven als de opkomstplicht wordt afgeschaft. De maatschappelijke uitsluiting wordt op die manier nog vergroot door een de facto politieke uitsluiting. Eén van de gevolgen is dat de problemen van deze mensen steeds moeilijker de politieke agenda halen. Het is immers electoraal niet langer lonend om aandacht te hebben voor de problemen van uitsluiting en armoede, integendeel.

Tot slot lijkt het niet logisch een onderscheid te maken tussen de provincieraadsverkiezingen en de gemeenteraadsverkiezingen. Artikel 41 van de Grondwet stelt immers dat de gemeenten en de provincies lokale entiteiten zijn, die uitsluitend gemeentelijke of provinciale belangen regelen, welke verschillen van de nationale belangen. Nog steeds volgens de Grondwet worden die belangen « door de gemeenteraden of de provincieraden geregeld volgens de beginselen bij de Grondwet vastgesteld ». Dat artikel hanteert het begrip lokaal bestuur als een bestuur dat zorgt voor de behandeling van de specifieke aangelegenheden van een maatschappelijke groep die verschilt van de nationale gemeenschap.

Het is onduidelijk waarom met betrekking tot de lokale politieke participatie een onderscheid wordt gemaakt tussen gemeenten en provincies, een onderscheid dat de Grondwet niet maakt.

4. Wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet en de nieuwe gemeentewet, met betrekking tot het stemrecht en de verkiesbaarheid bij gemeenteraadsverkiezingen van onderdanen van lidstaten van de Europese Unie en van de andere staatsburgers van buitenlandse nationaliteit die langer dan vijf jaar in België verblijven (nr. 2-954/1)

Dit voorstel wordt toegelicht door de heer Dallemagne.

Het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992 bepaalt in artikel 8B dat iedere EU-burger die in een lidstaat verblijft waarvan hij geen onderdaan is, actief en passief kiesrecht bezit bij de gemeenteraadsverkiezingen, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

Het Verdrag van Maastricht en de richtlijn van 19 december 1994 hebben voor het eerst nationaliteit en burgerschap losgekoppeld.

De wet van 11 december 1998 voerde een afwijking in op het tweede lid van artikel 8 van de Grondwet door stemrecht toe te kennen aan onderdanen van een andere lidstaat van de Europese Unie. De gemeentekieswet regelt dit stemrecht in overeenstemming met de internationale en supranationale verplichtingen van België.

Artikel 8 van de Grondwet doet echter meer dan artikel 8B van het Verdrag van Maastricht en de richtlijn van 19 december 1994 louter uitvoeren : het voorziet tevens in de mogelijkheid om het stemrecht uit te breiden tot in België verblijvende niet-EU-onderdanen onder de voorwaarden en op de wijze te bepalen door een wet die niet kon worden aangenomen vóór 1 januari 2001.

Deze mogelijkheid, vervat in het vierde lid van artikel 8 van de Grondwet, moet worden benut.

In het licht van onze gelijkheidsbeginselen is het immers moeilijk te aanvaarden dat een Europees onderdaan die pas in België gevestigd is, kan gaan stemmen en zelfs verkozen kan worden, terwijl dit ontzegd wordt aan een niet-Europees onderdaan die er sinds vele jaren verblijft en in een gemeente allerlei contacten onderhoudt en goed geïntegreerd is.

Verschillende andere argumenten kunnen aangehaald worden om aan niet-Europese vreemdelingen het gemeentelijk stemrecht toe te kennen :

­ Een vreemdeling moet het gemeentelijk stemrecht kunnen uitoefenen zonder verplicht te zijn te kiezen voor de Belgische nationaliteit. De wil om zijn verbondenheid te tonen met de gemeente waar hij leeft, mag niet afhangen van het verwerven van de Belgische nationaliteit. Voor een vreemdeling behoort er ook een verschil te bestaan tussen burgerschap en nationaliteit. De vreemdeling integreert zich op plaatselijk vlak, waar hij, ook als hij om persoonlijke redenen zijn nationaliteit wenst te behouden, zich geroepen kan voelen tot deelname, burgerschap en integratie.

­ De voorbeelden in Nederland, Zweden en Ierland tonen aan dat de invoering van het stemrecht voor vreemdelingen goed verlopen is, dat het politiek landschap geen grondige wijzigingen heeft ondergaan, aangezien de vreemdelingen niet massaal voor één bepaalde lijst stemmen, maar voor verschillende lijsten.

­ Het toekennen van het gemeentelijk stemrecht moet bijdragen aan een betere integratie van de vreemdelingen die beslist hebben in ons land te blijven. Ook andere middelen zijn hiertoe nodig, als daar zijn een volwaardig beleid voor de huisvesting en de jeugdzorg, het onderwijs en de strijd tegen sociale uitsluiting. Actief en passief kiesrecht voor niet-Europese buitenlanders zal echter ongetwijfeld meer aandacht voor hun belangen en hun streven opwekken.

­ Vreemdelingen genieten reeds stemrecht bij sociale verkiezingen in ondernemingen, wat gelijkheid onder de werknemers schept en de discussies verrijkt.

Dit voorstel wil het stemrecht wel alleen toekennen aan wie langer dan vijf jaar op het Belgisch grondgebied verblijft, zodat hij in die periode een voldoende sterke band heeft ontwikkeld met het land waar hij dit recht wil uitoefenen.

Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen is gebleken dat de administratieve rompslomp om te kunnen gaan stemmen vele Europeanen ontmoedigd heeft. De inschrijvingsformulieren moeten bijgevolg afgeschaft worden en alle buitenlanders moeten automatisch ingeschreven worden.

Dit voorstel voorziet echter ook in de mogelijkheid ­ zowel voor de onderdanen van een andere EU-lidstaat als voor de overige buitenlanders die langer dan vijf jaar in België verblijven ­ te verklaren dat zij geen gebruik willen maken van hun stemrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen, binnen drie maanden vanaf de eerste april van het jaar waarin de gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden.

Zij die hun stemrecht niet willen uitoefenen, moeten de kans krijgen zich te laten uitschrijven uit de kiezerslijst.

Artikel 7.1. van de richtlijn van 19 december 1994 verbiedt immers dat Europese onderdanen verplicht worden te stemmen wanneer zij daartoe de wens niet hebben geuit. Het automatisch inschrijven van niet-Belgische EU-onderdanen schept een onweerlegbaar vermoeden van de wil om ingeschreven te staan op de kiezerslijst. De betrokkene moet dit vermoeden kunnen omkeren indien hij dit wenst.

Dankzij deze uitschrijvingsmogelijkheid vermijdt men voorts dat sommige vreemdelingen het stemrecht in hun land van herkomst verliezen omdat de wet aldaar verbiedt in twee Staten ter stembus te gaan.

Indien men ten slotte burgerschap en nationaliteit wil scheiden en de integratie en participatie van vreemdelingen bevorderen, moet ook het passief kiesrecht naar niet-Europeanen zowel als naar Europeanen gaan, aangezien actief en passief kiesrecht onlosmakelijk verbonden zijn.

5. Wetsvoorstel tot instelling van een volksraadpleging over het stemrecht voor vreemdelingen (nr. 2-582/1)

Dit voorstel wordt toegelicht door de heer Verreycken.

Dit voorstel strekt niet zozeer tot aanpassing van de kieswet, maar wil uitsluitsel bieden aan de vraag of de voorgestelde wetswijzigingen überhaupt aanvaardbaar zijn voor de bevolking. Daartoe wordt een volksraadpleging voorgesteld, met de volgende toelichting : het al dan niet toekennen van stemrecht aan niet-Europese vreemdelingen zorgt niet alleen voor grote breuklijnen in de coalitie en tussen partijen, maar kent ook voor- en tegenstanders in de samenleving.

Een volksraadpleging is een instrument van directe democratie dat niet lichtzinning mag worden gebruikt. Wanneer men echter vaststelt dat een bepaald thema een grote maatschappelijke relevantie heeft, vergt deze problematiek een breder dan een louter parlementair debat. Daarvoor is de volksraadpleging een geschikt middel.

Stemrecht is een van de meest essentiële rechten van de burgers. In het verleden werd de verwerving van de nationaliteit ­ en het daarmee samenhangende stemrecht ­ als het sluitstuk van een geslaagd integratieproces beschouwd. Die logica dreigt nu omgekeerd te worden. Zo stelt Mohamed Talhaoui in De Morgen van 24 april 2000 dat integratie « mensonterend » en « onderdrukkend » is. Het is zeer de vraag of de meerderheid van de burgers het eens is met deze omgekeerde logica.

Vandaag willen de Waalse partijen, gesteund door de linkse Vlaamse partijen, alsnog het stemrecht voor vreemdelingen realiseren. Sommige partijen geven in dit debat zelfs geen enkele blijk van welke ethische bevlogenheid dan ook, maar zeggen dit stemrecht te willen gebruiken om één welbepaalde partij electoraal uit te schakelen.

Het lijkt niet meer dan democratisch om in dit debat de wil van het volk te kennen en te respecteren. De enige manier om dit in de praktijk te brengen, bestaat in het organiseren van een volksraadpleging. Wie de mond vol heeft over « directe democratie » kan nu eindelijk eens bewijzen dat hij het serieus meent met de mening die leeft bij de bevolking. In zo'n belangrijk debat, met zo verregaande maatschappelijke gevolgen, mogen parlementsverkiezingen niet het enige moment zijn waarop de bevolking haar mening te kennen kan geven.

HOOFDSTUK III

ALGEMENE BESPREKING

1. Vergadering van 6 november 2001

De heer Moureaux heeft er akte van genomen dat alle indieners de grote principes verdedigen, zowel om het stemrecht te verdedigen als om het te bestrijden. Indien het stemrecht het haalt, zal het om een historisch moment gaan in eerste instantie voor al wie ervoor gestreden heeft en voor de verdedigers van een multiculturele samenleving, meer bepaald wanneer ze wonen in gemeenten met een belangrijke buitenlandse bevolkingsgroep, die thans buiten het democratisch proces wordt gehouden.

De heer Wille stelt dat het duidelijk is dat het belangrijkste discussiepunt de vraag is of het sowieso nodig is om stemrecht te verlenen.

Daarnaast komen nog andere kwesties aan bod, zoals de verhouding stemrecht/stemplicht. De stemplicht is altijd een middel geweest om bepaalde sociale klassen te beschermen. Van de andere kant is vanuit de liberale filosofie de vrijheid van stemmen ook van belang. Er moet dus afgewogen worden.

Mevrouw de Schamphelaere stelt dat dit debat reeds 20 jaar bezig is. CD&V is niet onvoorwaardelijks positief tegenover de toekenning van het stemrecht.

Het hele probleem bestaat erin dat de regering gestart is met een fout uitgangspunt, door aan de naturalisatie de voorkeur te geven als instrument. Ze dacht dat het debat over het stemrecht aldus zou worden omzeild. Doch dit liep fout : het debat over integratie en taalkennis werd niet gevoerd. Zodoende wordt de open samenleving aangetast.

Ze vindt dat de regering zich eerst moet bezinnen over de huidige naturalisatieprocedure alvorens verder te discussiëren over het stemrecht.

Mevrouw Kaçar vindt dat het debat over de naturalisatiewet niet moet worden gekoppeld aan het al dan niet toekennen van stemrecht.

Al wat ze weet is dat dit stemrecht in Nederland een goed resultaat had.

De heer Van Quickenborne wijst er op dat stemrecht al in verschillende Europese landen bestaat.

In Nederland heeft het stemrecht de integratie verbeterd. De taalkennis is daar evenwel een hefboom die wordt aangewend voor integratie, zelfs voor niet-kandidaten voor naturalisatie.

Het huidig debat wenst ook het thema van de stemplicht aan te brengen.

De heer Moureaux stelt dat naturalisatie en stemrecht twee totaal verschillende zaken zijn.

Het enige verband tussen beide is het overdreven 19e-eeuwse romantisme, met als uitwas het nationalisme.

Mevrouw Nagy vindt dat de voordelen van de naturalisatiewet reeds zijn bewezen door het aantal personen dat zich op die manier wil integreren.

De heer Destexhe denkt dat er verbanden kunnen worden gelegd tussen het debat over naturalisatie en dat over stemrecht.

Wat de stelling van mevrouw De Schamphelaere betreft, gaat hij akkoord dat de wet op de naturalisatie moet worden geëvalueerd. Hij aanvaardt evenwel geen koppeling, en is hoogstens voor een gelijktijdig debat.

Naturalisatie is voor hem ook een methode van integratie, maar de versoepeling is aangewend op een ogenblik dat het grondwettelijk niet mogelijk was om over iets anders te spreken.

2. Vergadering van 5 februari 2002

De voorzitster deelt mee dat de commissie zich nog moet uitspreken over de vereiste « duur van het verblijf » en de kwestie of niet-Europese onderdanen bij de gemeenteraadsverkiezingen stemrecht of stemplicht hebben.

Mevrouw Nagy merkt op dat het advies van de Raad van State (stuk Senaat, nr. 2-548/2) en de interpretatie van de richtlijn nr. 94/80/EG van de Europese Raad van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, echter problemen veroorzaken wat betreft de gelijke behandeling van vreemdelingen die niet afkomstig zijn uit een lidstaat van de EU en onderdanen van EU-lidstaten.

Er dient een oplossing voor die bezwaren te komen, of een formule om de automatische inschrijving van niet-EU-onderdanen in de bevolkingsregisters te vergemakkelijken, wat dan ook de inschrijving op de kieslijsten zou vergemakkelijken.

Het tweede punt waarop de voorstellen uiteenlopen heeft te maken met de vereiste duur van het verblijf. Het voorliggende voorstel stelt een verplichte verblijfsduur voor van vijf jaar, terwijl de andere voorstellen uitgaan van een verblijfsduur van drie jaar.

De heer Moureaux merkt op dat de heer Dallemagne in zijn wetsvoorstel (nr. 2-954/1) een interessante suggestie deed. Er moet worden gezocht naar een gulden middenweg aangezien noch een absolute verplichting om te stemmen, noch een totale niet-wenselijke vrijheid kunnen worden verdedigd. Hierover behoort dus een debat te komen.

Mevrouw De Schamphelaere vindt een politieke polarisatie over dit thema ten zeerste betreurenswaardig. Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van een beleid om het integratieproces zo goed mogelijk te laten verlopen, of met andere woorden, de integratiebereidheid en de integratieopenheid zo goed mogelijk te bevorderen. Een politieke polarisatie in verband met het gemeentelijke stemrecht getuigt van politieke onverantwoordelijkheid. Het gemeentelijke stemrecht behoort inderdaad tot de verantwoordelijkheid van het beleid, en dus tot die van de regeringsmeerderheid. Het zou voor Vlaanderen een ramp zijn indien de politieke partijen de verkiezingen rond dit thema moesten ingaan. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de regeringsmeerderheid.

Een aantal fracties zijn bereid om voorafgaandelijk op de evaluatie van de snel-Belg-wet in te gaan en te zien wat daaraan kan worden veranderd. De snel-Belg-wet is er gekomen met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van 2000. Daar zaten een aantal veiligheidsrisico's in; één van de aspecten is dat de integratiebereidheid niet meer wordt gevraagd. Deze wet is dus niet integratiebevorderend en ook niet migratieneutraal.

Het thans besproken wetsvoorstel bevat een aantal ideologisch gekleurde elementen, die niet met de werkelijke toestand overeenstemmen. Nu eens wordt gezegd dat 10 % van de volwassen bevolking uitgesloten blijft van het gemeentelijke stemrecht, dan weer is er sprake van 250 000 mensen.

Een tweede argument dat wordt opgeworpen is dat de dubbele nationaliteit op dit moment geen prioriteit is op Europees of internationaal vlak, en dus de integratie verhindert van deze mensen. Er zou met andere woorden moeten worden overgestapt op een ander systeem omdat heel veel mensen hun nationaliteit zouden verliezen indien ze voor de Belgische nationaliteit opteerden. In de hoorzittingen werd gezegd dat het probleem van de dubbele nationaliteit op dit moment slechts slaat op 7 500 mensen in België.

CD&V vindt wel dat een oplossing moet worden aangeboden voor mensen die hun eerste nationaliteit zouden verliezen, moesten ze voor de Belgische nationaliteit opteren.

Maar dan moet het probleem van de stemplicht eerst worden opgelost. Volgens de Europese richtlijnen en het advies van de Raad van State (Stuk Senaat, nr. 2-548/2) kan er geen onderscheid worden gemaakt tussen de niet-Belgen, dit wil zeggen tussen de Europese onderdanen die gebruikmaken van hun gemeentelijke stemrecht, en de anderen.

De heer Monfils meent dat er ook gedebatteerd moet worden over de integratiewil van de betrokkenen en die moet blijken uit een soort van verklaring volgens welke de belangrijkste waarden en opties van de Belgische samenleving worden gerespecteerd.

Mevrouw Leduc merkt op dat bij de Grondwetsherziening van 1998 afgesproken was dat het migrantenstemrecht van niet-EU-burgers pas na 1 januari 2001 zou worden besproken. Eigenlijk heeft de toenmalige regering een beslissing in die zaak voor zich uitgeschoven. In het begin van deze legislatuur werd de keuze tussen de snel-Belg-wet en het stemrecht voor niet-EU-migranten beslecht door voor de snel-Belg-wet te kiezen.

Het is ook discriminerend dat Belgen aan een stemplicht onderworpen blijven, terwijl aan deze mensen een stemrecht wordt toegekend. Er moet definitief worden getrancheerd tussen stemrecht voor iedereen en stemplicht voor iedereen. En om een stemrecht zonder stemplicht voor iederen mogelijk te maken, moet de Grondwet worden herzien.

Dankzij de snel-Belg-wet kunnen migranten nu bijzonder gemakkelijk, soms zelfs zonder hun oorspronkelijke nationaliteit te moeten verliezen, de Belgische nationaliteit verwerven, met alle rechten vandien, waaronder het kiesrecht voor alle verkiezingen. Er zijn echter problemen met de snel-Belg-wet en de VLD wil deze evalueren. Ze wil ook absoluut dat die mensen die zich niet willen laten naturaliseren niettemin hun mening kunnen uitbrengen, en dat in de gemeente waar zij wonen, onder andere via de adviesraden.

De VLD denkt dat het volk haar senatoren op basis van een programma en hun geloofwaardigheid heeft verkozen; die hebben beloofd altijd naar de kiezers te luisteren. Het is zo dat de bevolking in Vlaanderen op dit ogenblik niet wil dat het stemrecht aan de niet-EU-allochtonen wordt verleend. De verkozenen van het volk moeten het volk echt vertegenwoordigen. De VLD is niet van plan iets door te drukken wat de gewone burger niet wil.

De heer Thissen verklaart dat geen van de grote krachtlijnen van dit voorstel voor zijn partij problemen doet rijzen. Die is al sedert vele jaren voorstander van de integratie van vreemdelingen via het gemeentelijk stemrecht. Hij zal het voorliggende wetsvoorstel dan ook volmondig steunen. Het lijkt overigens zeer sterk op het voorstel dat indertijd door de PSC is ingediend.

Wordt dit wetsvoorstel goedgekeurd, dan wordt op het gebied van de mensenrechten een enorme vooruitgang geboekt in België. Ook al is Vlaanderen niet rijp om stemrecht te verlenen aan vreemdelingen bij gemeenteraadsverkiezingen, uit een recente peiling over het gemeentebeleid zou blijken dat Wallonië toleranter is. Een meerderheid van de Walen is immers gewonnen voor het stemrecht van vreemdelingen die geen EU-burger zijn, bij gemeenteraadsverkiezingen. Zij zijn dus niet bang voor de integratie van migranten. De PSC aarzelt dus des te minder om het voorliggende wetsvoorstel te steunen.

Het is juist dat de stemplicht problemen doet rijzen. Die moeten worden besproken. Het amendement dat de heer Thissen wil indienen, strekt ertoe een regeling te treffen waarin de vreemdeling geacht wordt besloten te hebben aan de stemming deel te nemen. Het gaat om een weerlegbaar vermoeden. De vreemdeling die niet wenst te stemmen, zou dan uit eigen beweging stappen moeten ondernemen om niet te gaan stemmen.

De heer Tobback meent dat de opkomstplicht moet gelden voor iedereen die op de kiezerslijst voorkomt.

Vermits de Grondwet niet toelaat de stemplicht ter sprake te brengen, is dus de enige grondwettelijke oplossing dat men ook opkomstplicht oplegt aan degene die op de kiezerslijst wordt ingeschreven. Dat wordt al voor de Unie-burgers gedaan : de ingeschreven Unie-burger is opkomstplichtig.

Elke fractie moet duidelijk zeggen of zij vindt dat het stemrecht voor migranten een wenselijke en eerlijke zaak is, een kwestie van mensenrechten, of niet. Het is merkwaardig dat sommigen aan de ene kant willen dat Belgen die twintig jaar in het buitenland verblijven per brief meestemmen, en tegelijkertijd weigeren dat iemand die in België geboren is en er twintig jaar verblijft, het stemrecht krijgt.

De heer Tobback kan zich schikken in de vereiste vijf jaar verblijf en denkt dat het stemrecht van migranten voor de gemeente evenals voor de provincie moet gelden. Vermits men dankzij de snel-Belg-wet gemakkelijk Belg kan worden, moet de Belgische nationaliteit blijven worden vereist om de grondwettelijke en wetgevende vergaderingen mee samen te stellen.

De heer Van Quickenborne verheugt zich erover dat een meerderheid in het Europees Parlement heeft ingestemd met het feit dat lidstaten gelijke behandeling kunnen geven tussen langdurige ingezetenen en onderdanen van de Europese Unie. Dat zou niet alleen betrekking hebben op het lokale stemrecht maar ook op het nationale en het Europese stemrecht. Een meerderheid in het Europees Parlement denkt dus dat het actieve en passieve stemrecht moet worden uitgebreid naar de niet-Europeanen.

Het gemeentelijke stemrecht van migranten moet kunnen. Een aantal vereisten zoals integratie of taalkennis kunnen elementen van discussie zijn.

De heer Verreycken vindt het hoogst eigenaardig dat op een ogenblik van ethische bevlieging onder het motto « stemrecht voor iedereen », sommige verkozenen blijkbaar minderwaardig zijn. Dat is een hoogst eigenaardige interpretatie van de vertegenwoordigende democratie : het stemrecht voor het eigen volk alleen zou maar ingevuld worden als voor de juiste partij zou zijn gestemd.

Met een volksraadpleging zou al lang zijn uitgeklaard wat de Vlamingen denken over het stemrecht voor migranten.

De heer Verreycken vindt dit punt dermate belangrijk dat het moet worden behandeld voorafgaandelijk aan het stemrecht. Men moet eerst weten of er inderdaad een maatschappelijke meerderheid voor is, alvorens men een dergelijke zaak invoert. Dat is enkel mogelijk via de volksraadpleging. Het referendum is een instrument van directe democratie, dat niet lichtzinnig mag worden gebruikt. Het stemrecht voor migranten heeft een zo grote maatschappelijke relevantie dat een raadpleging van de kiezers zich opdringt. Het stemrecht is één van de meest essentiële rechten van de burger.

In het nabije verleden werden de versoepeling van de nationaliteitsverwerving en de stemplicht en het stemrecht die daarmee samengaan, het sluitstuk genoemd van een geslaagd integratieproces.

Mevrouw Thijs zegt dat haar partij steeds gesteld heeft dat de evaluatie van de snel-Belg-wet één van de belangrijkste voorwaarden is. België is een land waar men bijzonder snel de Belgische nationaliteit kan verwerven. Elke partij heeft in de voorbije periode ingezien dat deze snel-Belg-wet in feite een slechte wet is en dat ze dringend moet aangepast worden.

De CD&V-fractie heeft een amendement op het voorliggende wetsvoorstel ingediend, want de nationaliteit blijft niettegenstaande internationalisering en globalisering een belangrijk gegeven. De nationaliteit is nog altijd de rechtsband die een persoon verbindt met één bepaalde staat. Daarenboven is zij belangrijk voor de deelneming aan het politieke leven. De Belgische nationaliteitswetgeving is vaak veranderd. De laatste wijziging van 1 maart 2000 heeft de voorwaarden van twee belangrijke procedures drastisch versoepeld, namelijk de nationaliteitsverklaring en de naturalisatie.

De CD&V-fractie vindt dat parallel met een verfijning van de naturalisatieprocedure, vooraf ook een aantal belangrijke elementen moeten worden ingevoerd, waaronder de integratie van alle vreemdelingen die in België duurzaam verblijven. Deze mensen dienen uitgenodigd te worden, om zich in onze maatschappij te integreren. De betrokkene moet een inspanning doen. Van haar kant heeft de overheid ook de verplichting om een voldoende ondersteuningsaanbod te bieden om die integratie te bevorderen.

De nationaliteitsverkrijging moet in principe migratieneutraal zijn. De verkrijging van de nationaliteit is dus in principe alleen mogelijk als de aanvrager beschikt over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur.

Wat de naturalisatieprocedure betreft, dient het principe te gelden dat de veiligheid van de samenleving best op een preventieve manier wordt gediend door een behoorlijk bestuur, dat wil zeggen door een kwaliteitsvolle, efficiënte en degelijke advisering van de dossiers door de diensten van de Veiligheid van de Staat, het openbaar ministerie en de Dienst Vreemdelingenzaken. Alle bewijsstukken moeten inderdaad op een correcte en juiste manier geëvalueerd worden.

Het is ook belangrijk dat er een coherent beleid is. Het integratiebeleid moet zowel door de gemeenschappen als door de Federale Staat worden gedragen. Er is een degelijk verband tussen integratie en nationaliteitsverwerving.

De nationaliteitsverwerving moet gedepolitiseerd worden en op een objectieve wijze worden georganiseerd. De naturalisatie als gunstprocedure moet worden beperkt. De naturalisatie die wordt verleend door de Kamer van volksvertegenwoordigers, moet het residuair stelsel worden krachtens haar grondwettelijk prerogatief. Dat is de inhoud van het door CD&V ingediend amendement.

Mevrouw Nagy komt terug op de bewering van sommige van haar Vlaamse collega's, dat de meerderheid van de Vlamingen niet bereid is om vreemdelingen stemrecht te geven. Ze vindt dit uiterst gevaarlijk en delicaat. Dit standpunt doet de vraag rijzen naar de representativiteit van de parlementsleden en van de politieke wereld. Moet men vergeten de vooruitgang van een maatschappij te stimuleren of rechten en waarden te verdedigen die misschien niet zichtbaar zijn in het dagelijks leven van sommigen ? Het is onvoorstelbaar dat de politieke wereld er op een belangrijk tijdstip niet kan vanuit gaan dat de veralgemening van het stemrecht op gemeentelijk niveau een principe is dat moet worden verdedigd. Sinds 1982 heeft Ecolo dat principe steeds verdedigd op momenten waarop het niet steeds populair was. Ecolo heeft blijk gegeven van standvastigheid en het heeft zijn standpunt steeds toegelicht. Wanneer we vaststellen dat dit probleem in Zweden in 1975 is geregeld en in Nederland in 1985, dan moeten we ons afvragen wat de redenen zijn die sommigen ertoe aanzetten conservatieve standpunten in te nemen en uiteindelijk gelijk te geven aan de gevaarlijkste krachten in de maatschappij. Men moet integendeel de uitleg die men geeft, baseren op de waarden van het recht of van het algemeen stemrecht. Het volstaat niet voor een partij te zeggen dat ze de opiniepeilingen volgt.

Er was nooit democratische vooruitgang geboekt indien moedige, politiek actieve mannen en vrouwen met een visie niet hadden besloten dat de stap moest worden gezet. We staan nu voor die uitdaging. Het wetsvoorstel dat ter discussie ligt, gaat over personen die niet de rechten hebben van de onderdanen van de Europese Unie. Welnu, onze maatschappij is sinds het Verdrag van Maastricht grondig veranderd en de stemming die onlangs in het Europees Parlement plaatsvond, toont aan dat Europa de goede richting uitgaat. Op 26 oktober 2001 is in de krant Le Soir een « carte blanche » verschenen voor de rechten van de vreemdelingen, waarin Franstalige en Nederlandstalige prominenten uit alle kringen zich hebben uitgesproken voor het vreemdelingenstemrecht. Momenteel blijft 3 % van de volwassen bevolking van het Koninkrijk en 13 % in Brussel verstoken van stemrecht op plaatselijk niveau. Niemand begrijpt dat het mogelijk is niet te accepteren dat mensen die op een bepaalde plaats leven, zich kunnen inzetten voor zaken die hun weerslag hebben op het leven van alledag. Men mag geen valse tegenstellingen in het leven roepen. Het Parlement moet aandacht hebben voor elke mogelijke democratische vooruitgang. De meerderheidsverklaring heeft de zaak die ter discussie ligt, niet geregeld. Er is nu een meerderheid waardoor België de tijd die sinds 1985 verloren werd, kan inhalen, zonder dat dit aan wie dan ook nadeel berokkent. Het gaat integendeel om een element van vertrouwen en integratie van de volledige bevolking.

De heer Lozie heeft geen probleem met een voorafgaand thematisch debat over de problematieken « gemeente/provincie », « stemrecht/stemplicht » en « duur van het verblijf ».

De discussie « stemplicht/stemrecht » moet snel worden beslecht omdat zij overdreven belangrijk wordt gemaakt. Aan de ene kant schrijft de Grondwet de opkomstplicht voor en die kan niet worden gewijzigd. Aan de andere kant verbiedt de Europese regelgeving een verplichting van de Europese burgers tot deelname. De Belgische wetgeving heeft het probleem dan maar opgelost ten aanzien van de Europese burgers in de zin van de richtlijn.

Zij kunnen zich op de kiezerslijst inschrijven, maar zodra ze op de kiezerslijst ingeschreven zijn, zijn ze opkomstplichtig. Dezelfde wet zou op de niet-Europeanen kunnen worden toegepast. Er kan worden gediscussieerd over de vraag of ze niet automatisch op de kiezerslijst moeten komen met het recht zich ervan te laten schrappen. Er zou ook aan niet-Europeanen kunnen worden gevraagd of ze zich willen inschrijven en vanaf dat ogenblik zouden ze onderhevig zijn aan alle andere regels, waaronder de opkomstplicht.

De absolute koppeling tussen de nationaliteit en het stemrecht is volgens hem een vals probleem. We leven niet meer in een samenleving waarin alleen mensen van een bepaalde nationaliteit leven. We leven in een samenleving waar mensen verschillende nationaliteiten en culturen hebben.

Er moet gedurfd en vooruitkijkend worden beslist voor de komende 25 jaren. Europa heeft die idee uitgedrukt door het stemrecht van Europese burgers voor de lokale verkiezingen op te leggen en door op te roepen om dat ook te doen voor de niet-Europese burgers.

Mevrouw Pehlivan hoort uit verschillende plaatsen in Vlaanderen dat een grote meerderheid in alle buitenlandse gemeenschappen voor het stemrecht is. Niet alleen bij degenen die de Belgische nationaliteit niet hebben, maar ook bij degenen die de Belgische nationaliteit hebben.

Het cijfermateriaal waar mevrouw Leduc om vraagt, is gemakkelijk beschikbaar : het gaat om 220 000 meerderjarigen en 21 500, 15- tot 18-jarigen in 2001. De vraag of die mensen de Belgische nationaliteit ooit aangevraagd hebben is niet relevant; dat is een kwestie van persoonlijke keuze. Bovendien zijn dergelijke cijfers relatief en kunnen ze van het ene jaar tot het andere sterk variëren.

Het gaat in dit debat trouwens niet om cijfers maar wel om principes : zijn we ervoor of zijn we ertegen ?

De commissie voor de Justitie van de Kamer is net gestart met de evaluatie van de naturalisatiewet. Agalev zal niet dulden dat sommigen deze evaluatie gebruiken om de bespreking van het voorliggende wetsvoorstel te vertragen.

Als België niet uit eigen initiatief het stemrecht aan migranten toekent zal het daar vroeg of laat door Europa toe verplicht worden krachtens een dynamiek om inwoners afkomstig van derde landen beter te betrekken bij zowel lokale besturen als parlementaire niveaus.

Mevrouw Leduc wil de fundamentele rechten en waarden werkelijk respecteren.

Iedereen mag kiezen tussen Belg worden of niet. Mevrouw Leduc respecteert de keuze om geen Belg te worden, maar daaraan zijn gevolgen verbonden.

De Belgische nationaliteit betekent iets voor mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben geleden. De VLD houdt aan die nationaliteit en de daaraan verbonden rechten en plichten. Dat betekent geenszins dat zij met niet-democratische partijen zou meeheulen.

De allochtonen moeten zich volkomen integreren en de Belgische nationaliteit aannemen om alle rechten te genieten. Voordat ze die hebben, kunnen allochtonen hun mening laten kennen via adviesraden, die goed functioneren in elke gemeente en in elke stad.

De heer Moureaux is ervan overtuigd dat het stemrecht voor migranten bij de lokale verkiezingen zich de komende jaren hoe dan ook zal opdringen. Het is een onderdeel van de mondialisering. De wereld is altijd stapsgewijs veranderd. De Belg heeft amper zes of zeven generaties geleden zijn dorp verlaten. Er moet een visie zijn op de werkelijke ontwikkeling van de mensheid.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de Joden het meeste geleden. Net voor de oorlog waren zij ook in België ongewenst omdat het buitenlanders waren. Nadien werden zij het slachtoffer van de nazi's, wier erfgenamen iedereen kent. Om eer te betonen aan de slachtoffers van die tijd moet men een open geest hebben.

De publieke opinie is belangrijk, maar men moet goed beseffen dat François Mitterrand tijdens zijn verkiezingscampagne in 1981 wel erkende dat de meerderheid van de Fransen voorstander was van de doodstraf maar dat hij tegelijk voorstelde de doodstraf af te schaffen. Hij won de verkiezingen. Zeven jaar later heeft hij dit opnieuw gevraagd toen hij het stemrecht voor vreemdelingen verdedigde.

Natuurlijk zullen er tegenkantingen zijn als de bevolking wordt geraadpleegd in woelige tijden. De bevolking kan echter ook op een positieve manier een stap vooruit accepteren als de politici hun verantwoordelijkheid op zich nemen.

Mevrouw Nagy was verbaasd bij het aanhoren van de uiteenzetting van mevrouw Leduc over de nationaliteit. Het Verdrag van Maastricht en Europa hebben het concept nationaliteit fors doen wankelen : de onderdanen van de Europese Unie kunnen stemmen zonder eerst de Belgische nationaliteit te verwerven. Bovendien is het vreemd te horen hoe mevrouw Leduc nu aan België gehecht lijkt, terwijl daar maar weinig van te merken is als het gaat om nationale solidariteit of transferten tussen gemeenschappn.

Dan beperkt men zich al snel tot de eigen kleine gemeenschap. Een onvermijdelijke ontwikkeling blijven ontkennen getuigt niet van toekomstgerichtheid.

Mevrouw Bouarfa wijst erop dat de strijders voor vrijheid en gelijkheid tussen de mensen, de verdedigers van de waardigheid van de persoon in de 19e eeuw gestreden hebben en soms gestorven zijn voor het algemeen stemrecht.

Is het nodig erop te wijzen dat het algemeen stemrecht niet aan alle burgers van dit land werd toegekend ?

Het stemrecht gold alleen voor een bepaalde categorie van de bevolking. Het was het cijnskiesrecht.

Iedereen herinnert zich de grote manifestaties van Vlamingen en Walen in Brussel, waar burgers het algemeen stemrecht kwamen « ophalen ».

Pas in 1919 werd dit stemrecht aan de mannen verleend. De vrouwen hadden dat recht nog niet. Zij waren burgers van tweede categorie. Zij waren wel verkiesbaar maar mochten niet stemmen voor hun kandidaat. Daarover moest nog lang worden geargumenteerd. Hoeveel verloren tijd en energie om dat elementaire recht pas in 1948 te verkrijgen. De vrouwen kregen in Nieuw-Zeeland stemrecht in 1893. In Finland in 1906, in Noorwegen in 1907, in Denemarken in 1915, in Nederland in 1917, in Duitsland in 1918, in het Verenigd Koninkrijk in 1918 voor de vrouwen van meer dan dertig jaar en in 1928, voor iedereen. In Zweden, in Oostenrijk en in Luxemburg in 1919, in Turkije in 1930, in Spanje en in Portugal in 1931.

Vandaag is onze commissie bezig met het stemrecht voor niet-Europese vreemdelingen in België. Wij hebben mensen gehoord uit België en het buitenland, met interventies van hoge kwaliteit.

Wij staan hier nog steeds voor hetzelfde proces zoals in de 19e eeuw, argumenteren, toelichten en verantwoorden voor alle burgers, zoals dat ook het geval was voor het toekennen van het stemrecht aan de vrouwen.

Een aantal personen schuiven het probleem van de wederkerigheid naar voor. Op de zowat 180 landen ter wereld telt men niet meer dan een handvol volwaardige democratieën.

Men maakt ook de vergelijking met de naturalisatie. Het is ongetwijfeld zo dat ons land bij het toekennen van de nationaliteit onbetwistbaar vooruitgang heeft geboekt. Zij blijft evenwel beweren dat het om twee verschillende dingen gaat. Dat is des te meer waar omdat er voor de burgers van de Europese Unie geen nationaliteitsvoorwaarde meer geldt om het stemrecht uit te oefenen. Wie zich verzet tegen het stemrecht voor vreemdelingen omdat zogezegd de naturalisatie dat reeds toekent, neemt een bedrieglijke en hypocriete houding aan.

De strijd tegen armoede, uitsluiting en marginalisering verloopt altijd en zal altijd verlopen via gelijke rechten en gelijke plichten voor allen.

Door het toekennen van het stemrecht aan de EU-burgers in 1998 met een eerste toepassing bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2000, is er een vorm van discriminatie en onderscheid ontstaan bij de uitoefening van de burgerrechten. Zo is er eerst de Belgische burger, dan de Europese burger en vervolgens de anderen, dit wil zeggen de niet-burgers die terechtkomen in een politiek no man's land, die in de mijnen van de Borinage en van Limburg hebben gewerkt, die zich hebben doodgezwoegd in de siderurgie en de metallurgie, die hun eigen productie verbruiken, die aan de nationale solidariteit hebben meegewerkt zonder dezelfde rechten te kunnen uitoefenen. Door dat grondrecht te weigeren drijft men een wig tussen de leden van de maatschappij en biedt men extreem-rechts de kans er afstotelijke slogans mee te maken.

De heer Tobback zegt dat sommige politieke vluchtelingen hun nationaliteit niet wensen te verzaken, om evidente politieke redenen. Dat is één der categorieën die zouden moeten kunnen stemmen. De in België verblijvende Amerikaanse onderdanen zouden eveneens hun nationaliteit moeten verzaken indien ze de Belgische nationaliteit willen krijgen. Het gaat om mensen die in de maatschappij functioneren. Zulk een groep mensen blijven beschouwen als niet-gekwalificeerd om mee te stemmen lijkt hem heel eigenaardig.

3. Vergadering van 19 februari 2002

Mevrouw Leduc bevestigt zes vragen aan de minister van Binnenlandse Zaken te hebben gesteld om een duidelijk zicht te krijgen over de betrokken populatie, met name (zie bijlage).

1. Hoeveel niet-Europese onderdanen die meer dan vijf jaar permanent in België verblijven hebben nooit de Belgische nationaliteit aangevraagd ?

2. Aan hoeveel niet-Europese onderdanen die meer dan vijf jaar permanent in België verblijven werd deze nationaliteit geweigerd ?

3. Hoeveel niet-Europese onderdanen die meer dan vijf jaar permanent in België verblijven bezitten een dubbele nationaliteit ?

4. Hoeveel niet-Europese onderdanen die meer dan vijf jaar permanent in België verblijven maakten gebruik van de snel-Belg-wet ?

5. Aan hoeveel niet-Europese onderdanen die meer dan vijf jaar permanent in België verblijven werd de aanvraag om de Belgische nationaliteit te verwerven via de snel-Belg-wet geweigerd ?

Bovendien is het mogelijk dat een aantal mensen de Belgische nationaliteit heeft aangevraagd, maar wegens een hangend gerechtelijk onderzoek geen gebruik kan maken van de snel-Belg-wet. Spreekster stelt zich daarom vragen over het feit dat deze mensen via het voorliggende wetsvoorstel automatisch stemrecht zouden verwerven.

6. Hoeveel niet-Europese onderdanen die meer dan vijf jaar permanent in België verblijven, hebben de nationaliteit van een land wiens wetgeving geen dubbele nationaliteit toestaat ?

Mevrouw Leduc zou eveneens graag een uitsplitsing van de antwoorden per nationaliteit, leeftijd of geboortejaar en gewest zien.

Op de vragen van mevrouw Leduc verschaft de minister van Binnenlandse Zaken een aantal antwoorden en duidt hij andere zaken aan als niet te beantwoorden (zie bijlage).

Hierop repliceert mevrouw Leduc dat ze uit het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken begrepen heeft dat hij een aantal vragen aan de minister van Justitie doorspeelt. Ze wenst een volledig antwoord op deze vragen te krijgen alvorens het voorliggende wetsvoorstel ten gronde verder te bespreken.

De heer Verreycken sluit zich volledig aan bij de visie van mevrouw Leduc. Hij verwijst naar het antwoord op vraag 5, waar de minister van Binnenlandse Zaken zegt : « De bekomen inlichtingen zijn fragmentarisch en benaderend. » Naar de heer Verreycken aanneemt, is dat natuurlijk niet het antwoord dat verwacht werd. Fragmentarische en benaderende cijfers zijn niet dienstig; ze moeten juist zijn. Ook bij het antwoord op vraag 6 zegt de minister van Binnenlandse Zaken dat hij aan zijn collega's van Justitie en Buitenlandse Zaken gevraagd heeft om een lijst ter beschikking te stellen. De commissie moet deze bespreking dan ook uitstellen tot zij exacte antwoorden van de minister van Binnenlandse Zaken heeft gekregen, en tot zij de antwoorden van de ministers van Justitie en van Buitenlandse Zaken heeft gekregen, teneinde haar gegevens te documenteren.

De heer Dallemagne meent dat die gegevens niet doorslaggevend zijn voor het debat. De nuttige gegevens, waaronder ook cijfergegevens, zijn bekend. De commissie heeft geen behoefte aan nog meer informatie.

De heer Lozie meent dat het in hoofde van mevrouw Leduc gerechtvaardigd is de nodige tijd te vragen om deze antwoorden te bestuderen en daarop tijdens de verdere bespreking te kunnen doorgaan. Een aantal ingediende amendementen betreffen immers het debat rond de problematiek die gesteld is door de schriftelijke vragen van mevrouw Leduc.

Mevrouw Kaçar benadrukt het algemene cijfer van het aantal betrokken mensen in de nota : het gaat om tussen 123 000 en 125 000 mensen. Anderzijds zijn een aantal vragen zeer moeilijk te beantwoorden, of niet relevant voor deze discussie. Vraag nr. 5 bijvoorbeeld : « Aan hoeveel niet-Europese onderdanen die meer dan vijf jaar permanent in België verblijven werd de aanvraag om de Belgische nationaliteit te verwerven via de snel-Belg-wet geweigerd? »

Dat is eigenlijk een vraag die thuishoort in de evaluatie van de Belgische nationaliteitswet. Die evaluatie van deze wet is in de Kamer bezig. De commissie moet zich concentreren op het stemrecht en haar werkzaamheden voortzetten.

Mevrouw De Schamphelaere vindt dat het gedeeltelijke antwoord volstaat om zich rekenschap te geven van het belang van de cijfers.

In de toelichting van het voorliggende wetsvoorstel staat dat het gaat over 10 % van de Belgische bevolking. In de pers werd onlangs van een kwart miljoen mensen gesproken. Uit het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken blijkt dat het om 123 000 mensen gaat. Cijfers zijn eveneens belangrijk in verband met de belangrijkste vraag namelijk : « Hoeveel niet-Europese onderdanen die meer dan vijf jaar permanent in België verblijven, hebben de nationaliteit van een land wiens wetgeving geen dubbele nationaliteit toestaat? » Dat is eigenlijk een zeer eenvoudige vraag, waarop de minister van Justitie nog moet antwoorden. Tijdens de hoorzittingen heeft de commissie al een antwoord op deze vraag van een professor gekregen; die zei dat het over 7 500 mensen gaat. Dit weze onderstreept om het relatief belang van dit debat aan te geven. De fractie van mevrouw De Schamphelaere is dus eveneens vragende partij om zo correct mogelijke cijfers te krijgen die bovendien door de betrokken minister moeten toegelicht worden. Wat echter niet betekent dat het debat niet kan verdergaan.

Mevrouw Kaçar zegt dat de 10 % waarvan sprake in de toelichting van het wetsvoorstel in België wonende niet-Belgen zijn. Maar onder deze, zouden alleen niet-Europese meerderjarigen met meer dan vijf jaar permanent verblijf in België kunnen meestemmen. En dan komt men tot een lager cijfer, namelijk rond 4 % van de totale stemgerechtigde bevolking. Maar de cijfers hebben in dit debat geen belang; het gaat om principes.

Mevrouw Leduc herhaalt dat ze een antwoord op al haar vragen wenst te krijgen en de ruimte hebben om ze grondig te bestuderen. Daarna zal ze graag het debat verderzetten. Ze vraagt evenwel dat bij de minister wordt aangedrongen opdat hij nu reeds enige verduidelijking over deze antwoorden aan de commissie geeft. De gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen zijn pas in 2006; dat is nog heel lang, terwijl onze maatschappij zeer snel evolueert. De commissie heeft dus ruim de tijd om met alle aspecten rekening te houden, waaronder de elementen die ze nog van de ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie moet krijgen. Er werd altijd gezegd dat tussen de politici en de bevolking een grote drempel bestaat. De fractie van mevrouw Leduc wil dan ook rekening houden met het gegeven wat de bevolking in Vlaanderen over deze zaak denkt. Ze heeft destijds de snel-Belg-wet gestemd omdat dat zogenaamd het alternatief was voor het stemrecht van niet-Europese migranten. Daarover moet een evaluatie komen; de Kamer van volksvertegenwoordigers is ermee bezig. Waarom zou de commissie niet aan de Kamer van volksvertegenwoordigers haar werk laten verrichten en dan deze discussie hervatten ?

Wat in deze taak telt, volgens de heer Moureaux, is het principe en de cijfers tonen ten minste aan dat dit principe een groot aantal mensen aangaat. De commissie zou meteen kunnen beslissen of het nodig is het debat over de nationaliteit aan dat over het stemrecht te koppelen. Hijzelf is van mening dat dit niet nodig is.

Mevrouw Nagy stelt vast dat men uit de vragen die aan de minister van Binnenlandse Zaken zijn gesteld, een soort van verwarring of een gebrek aan begrip in het debat kan afleiden. Denkt men werkelijk dat men in 2002 het probleem van het algemeen stemrecht op plaatselijk niveau in België kan oplossen door de schijn te wekken dat het erop aankomt te weten wanneer de mensen al dan niet de Belgische nationaliteit krijgen ? Gelooft men dat op een bepaald ogenblik 100 % van de mensen die in België leven de Belgische nationaliteit zullen hebben ? Denkt men in een open, democratische maatschappij met een hoog participatieniveau, dat is opgenomen in de Europese teksten, waarbij de begrippen nationaliteit en burgerschap van elkaar werden losgemaakt, werkelijk dat men met statistieken een principe van participatie en burgerschap op plaatselijk niveau kan omzeilen ? Het gaat immers niet om grote zaken van defensie of van een andere internationale opstelling, maar wel om wegen, politie of scholen. Bestaan die problemen dan niet voor alle inwoners ?

Mevrouw Nagy denkt dat de discussie over het stemrecht niet verbonden moet worden aan de discussie over de nationaliteit. Het gaat om twee verschillende onderwerpen, tenzij men van mening is op die manier de kwestie van het stemrecht terzijde te kunnen schuiven. Men kan de wet over de naturalisatie evalueren.

De hoorzittingen lieten toe te vernemen wat het stemrecht voor vreemdelingen in andere samenlevingen heeft betekend. In tegenstelling tot wat sommigen denken, heeft het tot gevolg gehad dat de inwoners zich betrokken voelen bij de ontwikkelingen in de samenleving. Hoe kunnen sommigen ­ zonder veel bewijzen te hebben ­ geloven dat het debat over de naturalisatie ook maar iets zal veranderen aan de uitbreiding van het algemeen kiesrecht zoals het gevraagd wordt.

De commissie moet haar werkzaamhden dus voortzetten, de voorstellen van CD&V terzijde schuiven en de echte fundamentele vragen aansnijden. Moet het stemrecht worden toegekend voor de gemeente- en provincieraadsverkiezingen ? Hoe kan men ervoor zorgen dat de verblijfsvoorwaarden in acht worden genomen ?

De heer Tobback vindt een onderdeel van het betoog van mevrouw Nagy, volkomen onaanvaardbaar, en meent dat dit tot dezelfde logica behoort als de beweringen : « Het Vlaamse volk wil » of « Het Vlaamse volk wil niet », die de VLD al uitsprak. Het kan niet de bedoeling zijn dit debat te laten verworden tot een communautair debat, anders is het bij voorbaat verloren.

Voor de voorstanders en de tegenstanders van het voorliggende wetsvoorstel is het evenwel een vergissing dit debat te laten aanslepen.

De heer Wille meent dat zij die het zijn fractie kwalijk hebben genomen om cijfers te vragen, ongelijk krijgen. Als belangrijk gegeven komt hier uit naar voor dat 38 % van de niet EU-burgers geen Belg willen worden. De intentie een stemrecht aan deze mensen te geven, terwijl de Belgische bevolking aan de stemplicht is onderworpen, is de basis van de wrijving. De 122 000 betrokken mensen zijn degenen die aan de voorwaarden voldoen om de Belgische nationaliteit aan te vragen, zijnde degenen die het niet hebben aangevraagd en degenen die eventueel zijn geweigerd. Op de laatste pagina van de cijfersbundel staat evenwel aangeduid dat dit laatste aantal zich tot 2 000 beperkt.

Mevrouw Nagy heeft een grote verantwoordelijkheid op zich genomen door te spreken over « la région », namelijk « la région » van de Vlamingen en daaraan de conclusie te verbinden dat de schuld van een eventuele mislukking van dit debat vanaf nu bij de fractie van spreker ligt. Met deze verklaring heeft mevrouw Nagy deze discussie in het communautaire domein gebracht.

De heer Verreycken onthoudt uit de tussenkomst van mevrouw Kaçar dat ze geen cijfers, geen informatie en geen gesprek met de minister wil. Alleen het principe zou moeten gelden. Als klap op de vuurpijl is er een manifeste agressie van een Ecolo-senator gekomen, die duidelijk dit standpunt door de strot van de Vlamingen wil duwen.

Dit debat kan enkel gevoerd worden indien er een maatschappelijk draagvlak voor bestaat. De bevolking moet dus eerst worden geraadpleegd. Daarom zou de commissie het wetsvoorstel van senator Van Hauthem strekkende tot een volksraadpleging eerst moeten bespreken.

Mevrouw Kaçar is het niet eens met deze interpretatie van haar houding.

De heer Vandenberghe vindt dat het besproken voorstel in ieder geval een andere aanpak verdient. Toen de Senaat zich vroeger afvroeg over welke onderwerpen een referendum kon gehouden worden, was het duidelijk dat er alleszins geen over het stemrecht van de vreemdelingen kon worden gehouden, omdat dit juist een dergelijke emotionele reactie zou kunnen oproepen, dat de stemming niet meer zou gaan over het onderwerp waarover men moet stemmen, maar over een beeldvorming over vreemdelingen. Een dergelijk debat zou veel negatieve afgeleide gevolgen hebben. Het blijkt uit de vorige discussie van de commissie dat allerlei politici die vroeger tegen het referendum waren, nu met argumenten aankomen om toch een referendum over dit specifiek thema te houden.

Terwijl sommige senatoren voor een open samenleving beweren te zijn, sluiten ze uit wat CD&V in het debat aanbrengt. Men kan niet terzelfder tijd voor een open samenleving zijn en een methode van uitsluiting gebruiken.

Men kan aanvoeren dat de wijze waarop de Belgische nationaliteit thans wordt verleend reeds een algemeen stemrecht geeft. Dit element moet sowieso in aanmerking worden genomen wanneer men zegt dat het stemrecht nog moet worden verleend aan degenen die geen Belg kunnen of willen worden.

De heer Monfils herinnert eraan dat hij eerder al gewezen heeft op het standpunt van zijn fractie, die principieel voorstander is van het stemrecht voor migranten die geen EU-burgers zijn.

Hij kan evenwel zijn Écolo-collega niet bijvallen wanneer die zegt dat al wie een fervent voorstander is van het voorliggend wetsvoorstel progressief is en dat alle anderen afschuwelijke conservatieven zijn.

Het is echter normaal dat sommige senatoren willen weten waarom bepaalde vreemdelingen de Belgische nationaliteit niet willen en waarom zij zouden aanvaarden deel te nemen aan de gemeenteraads- of provincieraadsverkiezingen, kiezer te zijn of verkiesbaar te zijn of nog burgemeester of schepen te worden zonder Belg te willen worden. Die vraag stellen betekent niet dat men conservatief is.

Het is absoluut verwerpelijk dat in de commissie een soort van intellectuele terreur de overhand haalt waarbij elke interpretatie of elke vraag die geen rechtstreeks verband houdt met het voorliggende wetsvoorstel, wordt afgewezen.

Daarenboven heeft spreker uit de uiteenzettingen van de door de commissie gehoorde deskundigen geleerd dat de ervaring met het stemrecht van vreemdelingen in andere landen niet per definitie overal rooskleurig is. Het is dus raadzaam na te gaan welke problemen zich in die landen hebben voorgedaan.

Hij meent bovendien dat het debat over de band tussen de nationaliteit en het stemrecht van migranten die geen EU-burgers zijn, een louter academisch debat is. Het is duidelijk dat men nuttige vragen kan stellen over een aantal cijfergegevens en andere gegevens zonder terzelfder tijd en in één beweging het voorliggende wetsvoorstel en een eventuele wijziging van de nationaliteitswetgeving te moeten onderzoeken. Dat is voor de commissie een vals probleem. De nationaliteitswetgeving zal in de commissie uiteraard en onvermijdelijk ter sprake komen zonder dat noodzakelijkerwijze een band moet worden gelegd met het voorliggende wetsvoorstel.

Mevrouw Pehlivan denkt niet dat het cijfermateriaal het standpunt van de commissie gaat bepalen of de mening van sommige fracties kan doen veranderen. Elke partij heeft zijn standpunt duidelijk gemaakt.

De heer Dallemagne herinnert eraan dat zijn fractie niet voor de naturalisatiewet heeft gestemd, omdat ze verrast was door de vrij vage criteria, meer bepaald wat het verblijf betreft. Hij is dus bereid die wet te bespreken. Maar er is geen reden om die bespreking te koppelen aan die van het wetsvoorstel. De zaak moet vooruitgaan.

Anderzijds zou het heel gevaarlijk zijn er een communautair debat van te maken.

De heer Dallemagne denkt dat de cijfers interessante elementen zijn op strategisch of politiek gebied, maar dat ze de principiële vragen niet veranderen.

De voorzitster denkt concreet dat met de cijfers de verwachte stijging van het aantal kiezers bij de gemeenteraadsverkiezingen, per gemeente, kan worden berekend. Het gaat om praktische zaken die het principiële debat, dat tot de wet moet leiden, objectief kunnen verhelderen. Zodra de wet aangenomen is, moet men het bijkomende aantal kiezers kennen.

De minister wenst zich te beperken tot enkele headlines voor de interpretatie van de cijfergegevens (zie bijlage).

De eerste tabel geeft aan hoeveel mensen niet tot Belg zijn genaturaliseerd over een periode van vijf jaar, van 1995 tot 2000. 2000 is het jaar waarin de snel-Belg-wet in werking is getreden. Daaruit kunnen geen conclusies omtrent het effect van de snel-Belg-wet worden getrokken. Het Rijksregister geeft de huidige situatie maar geen procedures aan. Daar staat of iemand Belg of niet-Belg is. Voor mensen met een dubbele nationaliteit primeert de Belgische nationaliteit en alleen deze laatste wordt opgenomen. Voor sommige nationaliteiten kan wel worden uitgemaakt dat iemand ook een andere nationaliteit behoudt. Maar het aantal mensen met een dubbele nationaliteit blijft met het Rijksregister moeilijk te extrapoleren.

In vijf jaar tijd hebben 203 990 mensen een naturalisatie door wilsuiting gekregen. In dezelfde periode hebben 123 542 mensen die ofwel aangevraagd ofwel niet gekregen.

De heer Moureaux vraagt of kolom 2 van tabel 1 slaat op de talrijke personen die nog geen antwoord hebben gekregen op hun naturalisatieaanvraag maar van wie de meesten genaturaliseerd zullen worden.

De minister antwoordt hierop bevestigend.

Volgens de heer Moureaux moet men er voor een analyse van deze cijfers dus rekening mee houden dat een niet onaanzienlijk aantal mensen nog Belg zal worden. In Sint-Jans-Molenbeek gaat het bijvoorbeeld om duizend personen.

Op de vraag van de heer Moureaux antwoordt de minister dat kolom 2 van tabel 1 zowel slaat op personen die nog wachten op een beslissing over hun naturalisatie, als op personen die geen aanvraag hebben ingediend en op personen van wie de aanvraag werd geweigerd.

De minister voegt eraan toe dat het Rijksregister geen rekening houdt met aanvragen tot naturalisatie.

De heer Moureaux vindt dat logisch. Kolom 1 van tabel 1 is duidelijk, maar kolom 2 is een « melting pot ».

Mevrouw Leduc zegt dat men het aantal momenteel voorliggende aanvragen tot naturalisatie ook kent. Er zijn al een aantal gunstig beantwoord en een aantal afgewezen. Daarmee zou men dus ook kunnen vaststellen wat het aantal niet behandelde aanvragen op dit ogenblik is. Dat kan men niet extrapoleren.

De minister antwoordt dat hij de cijfers voor de periode tussen 1 maart 2000 en 21 januari 2002 heeft opgenomen : 85 440 aanvragen zijn in deze periode ingediend.

Op de vraag van de heer Dallemagne antwoordt de minister dat de 123 542 personen bedoeld in kolom 2 van tabel 1 vreemdelingen zijn die geen onderdaan zijn van de Europese Unie, nog in leven zijn, minstens 18 jaar oud zijn en minstens vijf jaar permanent in België verblijven.

Op vraag van mevrouw Kaçar zegt de minister dat hij de cijfers van de periode tussen 1995 en 2000 heeft vermeld om de vragen van mevrouw Leduc afdoend te beantwoorden.

Mevrouw Bouarfa zegt dat het bijna niet mogelijk is de Marokkaanse nationaliteit te verkiezen.

De minister wijst erop dat het Rijksregister de eventuele andere nationaliteiten van de Belgen niet vermeldt.

Hij herinnert eraan dat code 19 in 2000 gewijzigd werd. Vóór die datum moest men jonger zijn dan 30 jaar om zich op die maatregel te beroepen. In 2000 is die leeftijdsgrens verdwenen, zodat sindsdien code 19 geldt voor de procedures die werden ingezet door personen die ouder zijn dan 30 jaar.

De codes 85 en 86 dekken vanaf 2000 de snel-Belg-wet.

In antwoord op vraag 3 moet duidelijk worden gezegd dat de Belgische nationaliteitswetgeving als basisprincipe heeft de dubbele nationaliteit te vermijden.

Over het effect van de snel-Belg-wet wil de minister volgende cijfers meegeven. Sinds medio 1999 heeft de Dienst Vreemdelingenzaken iets meer dan 41 000 aanvragen tot naturalisatie automatisch geregistreerd. Het Rijksregister zit aan 30 986. Uit die cijfers kan het effect van de snel-Belg-wet worden gededuceerd.

Om het aantal geweigerde aanvragen te kennen heeft de minister voornamelijk een beroep moeten doen op cijfers van het ministerie van Justitie. Voor 2000 zou het gaan om 6,37 % van de aanvragen of 976 dossiers. Voor 2001 gaat het al om 9,65 % van de aanvragen of 1 174 dossiers. Het gemiddelde daarvan is 7,83 % weigeringen.

De laatste vraag moest naar de ministeries van Justitie en van Buitenlandse Zaken worden verwezen. Die betreft de levende personen met meer dan vijf jaar permanent verblijf in België, die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, en die de nationaliteit hebben van een land waarvan de wetgeving geen dubbele nationaliteit toestaat.

De voorzitster begrijpt niet goed waarom in het antwoord op vraag nr. 5 (tabel 5, laatste blz.) over de negatieve beslissingen in verhouding tot de aanvragen tot naturalisatie, gezegd wordt dat de informatie van de Dienst Vreemdelingenzaken fragmentarisch en approximatief is.

De minister antwoordt dat de cijfers aan de parketten werden gevraagd. Niet alle parketten waren zo bereidwillig de cijfers over de nationaliteitsverklaring mee te delen. Het parket wordt immers bij een procedure van nationaliteitsverklaring systematisch geraadpleegd.

De heer Verreycken wijst er nogmaals op dat de antwoorden van de minister van Binnenlandse Zaken op de vragen van mevrouw Leduc niet duidelijk zijn. « Totaal 2 » van tabel 1 moest, aldus de mondelinge toelichting van de minister, worden begrepen als het totaal van drie categorieën die aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoen (niet aangevraagd + geweigerd + dossiers in behandeling). Uit het schriftelijk antwoord van de minister (blz. 1 van het antwoord) staat echter : « Ik wil vooreerst het geachte lid ervan inlichten dat in het Rijksregister enkel een bestaande toestand genoteerd wordt (bijvoorbeeld wie heeft de Belgische nationaliteit verkregen) en geen procedures (bijvoorbeeld wie heeft een aanvraag ingediend zonder dat de procedure reeds afgerond werd). » Er bestaat dus een tegenstrijdigheid tussen de tekst van de nota en de mondelinge toelichting. Daarom vraagt hij ook dat de minister hierover duidelijkheid verschaft.

In de tweede plaats wenst hij te vernemen wanneer de bijkomende gegevens zullen worden verstrekt door de minister van Justitie.

Hij meent dat de artikelsgewijze bespreking slechts kan worden aangevat als een antwoord komt op deze vragen.

De minister meent dat er sprake is van een misverstand. Derhalve herhaalt hij uitdrukkelijk dat het totaal 2 in tabel 1 inderdaad de drie aangehaalde categorieën bevat. Dat is ook de betekenis van de toelichting in het schriftelijk antwoord. De personen die de naturalisatie hebben aangevraagd blijven geregistreerd als vreemdeling zolang zij niet de Belgische nationaliteit hebben verkregen.

Mevrouw Leduc hoort sommige senatoren zeggen dat men zich op gemeentelijk niveau niet interesseert voor ingezetenen die geen Belg zijn, omdat ze geen invloed hebben. Hun buurten zouden zijn verwaarloosd omdat ze geen stemrecht hebben. Een goede mandataris houdt zich echter bezig met de totaliteit van zijn gemeente.

De heer Vankrunkelsven stelt eveneens voor dat de commissie snel overgaat tot de daadwerkelijke bespreking van de verschillende artikelen en amendementen.

Zijn partij is voorstander van de invoering van het stemrecht voor vreemdelingen. Ze wil toch een aantal ernstige accenten in deze wet leggen, waaronder :

­ het ambt van burgemeester en schepen voor vreemdelingen openstellen;

­ een duidelijke taalkennis eisen.

Door het voorliggende wetsvoorstel ontstaat daarenboven een gewichtige kwestie wat stemrecht en stemplicht betreft. Er moet van deze gelegenheid gebruik worden gemaakt om het stemrecht zonder plicht voor alle ingezetenen van dit land in te voeren. Het lijkt inderdaad vrij absurd om een nieuwe categorie te maken van mensen met stemrecht en zonder stemplicht. Daarom moet dit punt aan de discussie worden toegevoegd.

HOOFDSTUK IV

ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Ingevolge een unanieme beslissing van de commissie worden de volgende wijzigingen aangebracht in de voorstelling van de amendementen. Amendementen nr. 2 en 10, die er oorspronkelijk toe strekten om artikel 2 van het wetsvoorstel te doen vervallen, worden beschouwd als amendementen op artikel 3. Amendementen nr. 3 en 11, die er oorspronkelijk toe strekten om artikel 3 te vervangen, worden beschouwd als amendementen tot vervanging van artikel 2. De subamendementen op amendement nr. 3 volgen gewoon deze wijziging. Met instemming van de indieners worden de amendementen 83 en 84 eveneens behandeld als subamendementen op amendement nr. 3. In dit verslag wordt bij de artikelsgewijze bespreking uitgegaan van deze wijziging.

Opschrift

Amendement nr. 1

De heer Lozie dient een amendement in (amendement nr. 1), dat er toe strekt in het opschrift de woorden « en binnengemeentelijke » in te voegen om, gelet op het advies van de Raad van State, ook uitdrukkelijk te verwijzen naar de verkiezingen van de districtsraden.

Amendement nr. 9

De heren Mahoux c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 9), dat ertoe strekt in het opschrift de woorden « en provinciaal » in te voegen. Dit amendement moet gelezen worden in het licht van de amendementen nrs. 15 en 16 die het actieve en passieve kiesrecht van niet-Europese vreemdelingen willen uitbreiden tot de provincieraadsverkiezingen.

De heer Moureaux herinnert eraan dat de Grondwet deze juridische entiteiten op dezelfde wijze behandelt, in tegenstelling tot de nationale entiteit. Het zou dus wenselijk zijn eenzelfde regeling in te voeren voor de gemeente- en de provincieraadsverkiezingen.

De heer Lozie stelt voor om de bespreking van deze amendementen uit te stellen tot duidelijker is of de amendementen ten gronde al dan niet aangenomen zullen worden.

De heer Tobback zegt dat het voor zijn fractie belangrijk zou zijn het stemrecht tot de provinciale verkiezingen uit te breiden. Hij is het dus eens met de uitbreiding van het opschrift. Alleen degene die op het bovenlokale vlak aan de politiek wil deelnemen, moet de Belgische nationaliteit hebben. Daar kan men zich van de nationaliteitswetgeving bedienen.

Mevrouw Leduc verklaart dat, aangezien de VLD tegen het stemrecht op gemeentelijk niveau is, ze uiteraard ook tegen de uitbreiding van het stemrecht naar het provinciale niveau is. Het argument dat men mensen plaatselijk moet laten participeren, geldt bovendien niet voor het provinciale niveau.

De heer Monfils verklaart dat zijn fractie niets bijzonders op te merken heeft in verband met het opschrift van het voorliggende wetsontwerp. Het spreekt vanzelf dat indien het amendement dat het stemrecht voor niet-Europese vreemdelingen uitbreidt tot de provincieraadsverkiezingen aangenomen wordt, ook het woord « provinciale » in het opschrift moet staan.

Zijn fractie is geen voorstander van de toekenning van stemrecht aan niet-Europese vreemdelingen voor de provincieraadsverkiezingen. Het moet beperkt blijven tot de gemeenteraadsverkiezingen, met andere woorden tot de verkiezingen van plaatselijke overheidslichamen op het laagste niveau als bedoeld in het Verdrag van de Europese Unie. Het begrip « lokale basisoverheid » wordt trouwens uitgewerkt in een notificatie van de regering, waarin staat dat hiermee de gemeenten bedoeld worden.

De fundamentele provinciehervorming die het Waalse Gewest overweegt, zowel op het vlak van de samenstelling van de deputatie als van de bevoegdheden van de provincies en hun inpassing in het politieke bestel, moeten ons ook tot voorzichtigheid manen en ervan weerhouden provinciaal stemrecht toe te kennen aan niet-Europese vreemdelingen.

Niet-Europese vreemdelingen moeten betrokken worden bij alledaagse vraagstukken waarvoor de gemeenten bevoegd zijn. De bevoegdheden van de provincies zijn van een heel andere orde. In het Waals Gewest overweegt men immers de provincies de bevoegdheid te ontnemen om alles a priori te regelen in naam van het provinciaal belang, en dus een lijst van provinciale bevoegdheden op te stellen, waarvan thans echter niets bekend is.

Ten slotte is er ook een fundamenteel probleem : geldt de regel van het territoriaal aanknopingspunt ook voor de provincies ?

Mevrouw Nagy verduidelijkt dat artikel 1 van het wetsvoorstel, betreffende het bestuursniveau waarop het stemrecht voor niet-Europese vreemdelingen van toepassing is, opgesteld werd met de achterliggende gedachte dat het toekennen van stemrecht op het gemeentelijk bestuursniveau niet al te veel tegenkanting zou oproepen.

Tot nu toe oefenen de provincies ook bevoegdheden uit op plaatselijk niveau. In beginsel kan men dus stellen dat het lokale niveau bestaat uit het gemeentelijk en het provinciaal niveau. Een argument voor de toekenning van stemrecht aan niet-Europese vreemdelingen bij provincieraadsverkiezingen is dat deze verkiezingen op dezelfde dag plaatsvinden als de gemeenteraadsverkiezingen. Voor een kiezer is het altijd ingewikkeld om niet te kunnen stemmen voor alle verkiezingen die op eenzelfde dag plaatshebben. Het probleem is echter niet onoverkomelijk, aangezien er in Brussel geen provincieraadsverkiezingen zijn. Zij is bovendien gekant tegen de koppeling van het nationaliteitsdebat aan de bespreking van het huidige wetsvoorstel.

De heer Monfils antwoordt dat de Europese en regionale verkiezingen ook op eenzelfde dag plaatsvinden, terwijl niet iedereen die voor de Europese verkiezingen mag stemmen ook voor de regionale verkiezingen mag stemmen. Het argument van mevrouw Nagy is dus niet steekhoudend.

De heer Dallemagne verklaart dat er binnen zijn partij geen meerderheid is voor vreemdelingenstemrecht op provinciaal niveau, al is de PSC bereid stapsgewijs in die richting te gaan. Er zouden bijkomende besprekingen gehouden moeten worden over het vreemdelingenstemrecht op deze niveaus.

Hij wijst op een tegenstrijdigheid in het opschrift ten opzichte van de inhoud van het wetsontwerp. Volgens dit opschrift zou het stemrecht alleen gelden voor vreemdelingen die geen staatsburger zijn van een lidstaat van de Europese Unie. Sommige bepalingen wijzigen echter ook het stemrecht van Europese staatsburgers. Het opschrift zou ook met deze wijzigingen rekening moeten houden.

De heer Vandenberghe merkt op dat het opschrift van de wet natuurlijk geen wet is : rubrica non est lex. In die zin is deze discussie enigermate overbodig. De commissie kan perfect het opschrift invullen op het ogenblik dat ze gestemd heeft, met andere woorden op het moment dat ze de inhoud van het wetsontwerp kent.

Artikel 1

Op dit artikel werden geen amendementen ingediend en het gaf geen aanleiding tot enige bespreking.

Artikel 1bis, 1ter, 1quater, 1quinquies, 1sexies, 1septies (nieuw)

Amendement nr. 78

De dames De Schamphelaere en Thijs dienen een amendement in (amendement nr. 78), dat er strekt zes nieuwe artikelen in te voegen in het wetsvoorstel. Het amendement beoogt een wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.

Mevrouw Thijs stelt dat haar fractie vanaf de eerste bespreking van het voorliggende wetsvoorstel duidelijk geweest is. Eerst wil ze een hervorming van de nationaliteitswet hebben en dan pas zal ze overgaan tot de bespreking van het stemrecht voor migranten. Voor de CD&V-fractie is die binding van cruciaal belang. Ze moet zeker zijn over de aanpassing van de snel-Belg-wet vooraleer zij overgaat tot de bespreking van het stemrecht voor migranten.

Alhoewel iedereen de mond vol heeft over globalisering en internationalisering blijft in onze maatschappij de nationaliteit van bijzonder groot belang en is ze juridisch het belangrijkste aanknopingspunt. De rechtsband die een persoon met een Staat verbindt is cruciaal; daaraan zijn rechten en plichten gekoppeld. De persoon voelt zich daardoor verbonden met de maatschappij waarin hij leeft.

De vreemdeling die aan het politieke leven wil deelnemen, moet de nationaliteit aannemen. De CD&V heeft in het verleden geen andere houding aangenomen; zij heeft steeds vooropgesteld dat integratie en deelname aan het maatschappelijke leven het belangrijkste uitgangspunt is.

Sinds 1984 werd, mede dankzij de CD&V, de nationaliteitswet stelselmatig versoepeld, precies omdat de nationaliteit toegang tot het politieke leven gaf. Die wijzigingen zijn tot maart 2000 doorgegaan met de inwerkingtreding van de snel-Belg-wet die door de politieke meerderheid werd binnengehaald als de wet die alle problemen met betrekking tot de vreemdelingen zou oplossen.

De laatste jaren zijn de grote tekorten van deze laatste wijziging overduidelijk geworden en de meeste partijen zijn ervan overtuigd dat deze lacunes zo groot zijn dat er snel fundamentele wijzigingen moeten worden gebracht aan die wet. Daarom heeft de CD&V-fractie amendement nr. 78 ingediend zodat dit probleem besproken wordt, alvorens er over het stemrecht voor migranten wordt gesproken.

De vijf uitgangspunten van de CD&V voor dit amendement zijn de volgende :

De vreemdelingen die duurzaam in België blijven, dienen uitgenodigd te worden om zich in onze maatschappij te integreren. De doorsnee Belg vindt de integratie van de vreemdelingen het belangrijkst. De integratie houdt in dat men één van de landstalen kent.

Van haar kant heeft de overheid de verplichting om een voldoend ondersteuningsaanbod van integratiediensten voor migranten te geven. Alhoewel er nu al meer middelen beschikbaar zodat migranten aan lessen of integratiecursussen kunnen deelnemen, is huidige aanbod nog ontoereikend.

Kortom, wie zich wil integreren, krijgt de toegang tot de nationaliteit.

De nationaliteitsverkrijging moet in principe migratieneutraal zijn. Dat wil zeggen dat de verkrijging van de nationaliteit in principe alleen mogelijk is als de aanvrager over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur beschikt.

Deze verkrijging dient bovendien op een zorgvuldige manier te worden voorbereid door de Veiligheid van de Staat die de dossiers kwaliteitsvol, efficiënt en degelijk moet adviseren. Vandaag worden heel veel dossiers overhaast behandeld zonder dat er een advies van die dienst wordt verstrekt. Daarvoor krijgen nogal wat criminele elementen de Belgische nationaliteit.

Het integratiebeleid moet coherent zijn, wat betekent dat het zowel door de gemeenschappen als door de gewesten gesteund moet worden.

Het is ook belangrijk om de nationaliteitsverwerving te depolitiseren, wat betekent dat ze op een objectieve manier organiseren. Vandaag is de nationaliteit een gunst, terwijl ze een recht zou moeten zijn. Dit recht zou moeten worden verkregen nadat de integratie bewezen is.

Deze uitgangspunten hebben geleid tot het amendement nr. 78.

De heer Lozie is tegen dit amendement. Hij herinnert eraan dat de commissie had afgesproken om op een ander moment de vernieuwde wet op de naturalisatie te evalueren. Deze evaluatie is trouwens in de Kamer reeds gestart. Nationaliteitsverwerving en stemrecht, zijn twee verschillende materies, die niet in één en dezelfde wet mogen worden geregeld.

De heer Moureaux heeft op zich niets tegen een evaluatie van de nationaliteitswet, ook al is het daarvoor eigenlijk nog wat vroeg. Hij vreest dat heel wat senatoren op die manier een aantal verworvenheden van de bevolkingsgroepen die momenteel genaturaliseerd worden, zullen terugschroeven. Zijn fractie meent in ieder geval dat dit probleem met de grootste zorg moet worden behandeld buiten het kader van het voorliggende wetsvoorstel.

De heer Tobback wijst erop dat pas sinds de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 8 van de Grondwet op 1 januari 2001 zinvol is om te spreken over een wetsvoorstel over het toekennen van stemrecht aan niet-Belgen. Tot dan hebben verschillende regeringen een substituutoplossing gebruikt, via de omweg van de nationaliteitswet, om de vreemdelingen die op ons grondgebied verblijven politieke rechten toe te kennen. Er bestaan dus in zekere zin communicerende vaten tussen de zogenaamde « snel-Belg-wet » en het stemrecht voor niet-Belgen. Hij is dan ook bereid om die twee samen te onderzoeken op voorwaarde dat dit de behandeling van het voorstel over het stemrecht voor vreemdelingen niet nodeloos vertraagt.

Dit geldt echter in beide richtingen : als het stemrecht voor niet-Belgen niet wordt goedgekeurd is zijn fractie ook niet bereid om nog aan de snel-Belg-wet te sleutelen. Enkel wanneer het stemrecht wet wordt is zijn partij bereid om over de snel-Belg-wet te praten.

De heer Vandenberghe verwijst naar de uiteenzetting van professor Foblets over de relatie tussen de nationaliteitswetgeving en het plaatselijke stemrecht. Zij stelde dat de Belgische wetgeving terzake een unieke paradox is, omdat men de nationaliteit na drie jaar wettig verblijf in België verleent, waardoor een « citoyenneté de résidence » wordt ingevoerd terwijl men voor het gemeentelijke stemrecht voorwaarden zou stellen die zelfs niet moeten worden nageleefd om Belg te worden. Dat bestaat in geen enkele wetgeving in Europa. Daarenboven wordt voorgesteld dat dit gemeentelijke stemrecht ook stemplicht zou impliceren, wat evenzeer uniek is in Europa.

Er is dus een duidelijk verband tussen de evaluatie van de snel-Belg-wet en het gemeentelijke stemrecht.

Het voorstel van de heer Tobback is in dat opzicht onaanvaardbaar. Eerst zou CD&V voor het stemrecht moeten stemmen en dan pas zou de commissie onderzoeken of de snel-Belg-wet gewijzigd moet worden.

CD&V ziet deze problematiek als een geheel, dat ook als dusdanig behandeld moet worden. Hij ziet evenmin in waarom de Senaat zou moeten wachten tot de Kamer de snel-Belg-wet heeft geëvalueerd.

De heer Tobback geeft toe dat er wel degelijk een verband is tussen de snel-Belg-wet en het stemrecht voor vreemdelingen. Zijn partij zal zich echter pas over een eventuele wijziging van de nationaliteitswet uitspreken nadat de Kamer de evaluatie van de snel-Belg-wet heeft voltooid. Het lijkt hem weinig zinvol om een lange bespreking te wijden aan de amendementen van de CD&V-fractie terwijl, op hetzelfde ogenblik, de Kamer een wetsvoorstel van CD&V over dezelfde materie onderzoekt.

De heer Tobback stelt voor dat beide parlementaire initiatieven elkaar kruisen waarbij de beide assemblees de ontwerpen onderzoeken die door de andere kamer reeds aangenomen zijn zodat voor het zomerreces beide ontwerpen in zowel Kamer als Senaat gestemd kunnen worden.

De heer Lozie wil evenmin dat in dit wetsvoorstel bepalingen worden opgenomen die de nationaliteitswet wijzigen omdat de bespreking daarover op dit ogenblik in de Kamer bezig is. Het betreft twee verschillende wetgevingen alhoewel er onmiskenbaar een verband tussen de twee is. De paradox bestaat erin dat men altijd aan de nationaliteitswetgeving heeft gesleuteld. Wanneer dan uiteindelijk een consensus voor een uitbreiding van het stemrecht wordt bereikt, is het niet meer dan logisch dat de discussie over de nationaliteitswetgeving weer gevoerd kan worden. Maar het ene is een gevolg van het andere en niet omgekeerd.

Mevrouw Leduc verklaart dat haar fractie destijds ook herhaaldelijk gesteld heeft dat de snel-Belg-wet geëvalueerd moet worden. Alle fouten die in deze wet zitten, moeten worden bijgestuurd.

Haar fractie heeft ook altijd het standpunt gehuldigd dat degenen die volwaardig aan het hele politieke gebeuren willen deelnemen dit kunnen door de nationaliteit te verwerven. Verschillende gehoorde personen vragen het stemrecht van vreemdelingen op alle niveaus. Uit de bevraging die de VLD bij alle geledingen van haar kiespubliek heeft gedaan, is gebleken dat gemotiveerde mensen die echt willen stemmen, aan alle verkiezingen, dus ook federaal en regionaal, wensen deel te nemen. De eventueel nog bij te sturen snel-Belg-wet is het geëigende instrument om tegemoet te komen aan deze vraag. « Zelfde rechten, zelfde plichten » is altijd het standpunt van de VLD geweest.

Mevrouw Bouarfa vindt het jammer dat mevrouw Thijs het enkel heeft over de vreemdeling die zich moet integreren. Integratie van buitenlanders is immers evenzeer een zaak van de politici en de Staat.

De heer Moureaux stelt vast dat CD&V alleen maar buitenlanders zou aanvaarden die voor die partij stemmen en Nederlands spreken.

Mevrouw Bouarfa betreurt dat mevrouw Thijs een debat over de nationaliteit opdringt en daarbij verwijst naar wat haar medeburgers zeggen. Dat is niet de juiste manier om politiek te bedrijven. Uit enquêtes is gebleken dat 60 % van de Walen en de Franstaligen voorstander zijn van gemeentelijk stemrecht voor onderdanen uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie. Ook een groot deel van de Vlamingen is zeker voorstander van dit stemrecht.

De amendementen van CD&V zijn ook om een technische reden niet werkbaar : er bestaat geen verblijfsvergunning van onbepaalde duur voor vreemdelingen aangezien hun verblijf beperkt is tot een (hernieuwbare) termijn van vijf jaar.

Mevrouw Nagy heeft de indruk dat het hier over het verkeerde wetsvoorstel gaat. Het amendement van mevrouw Thijs en mevrouw De Schamphelaere betreft een onderwerp dat niet valt onder het wetsvoorstel dat hier ter tafel ligt. Het nut van een evaluatie van de naturalisatiewet kan worden besproken, maar die evaluatie moet in ieder geval niet in dit stadium plaatsvinden. Als hij goed zou worden uitgevoerd zou de naturalisatiewet trouwens een vrij goede wet zijn.

De heer Verreycken dacht dat de commissie had afgesproken geen inmenging van buitenaf meer te dulden. In het voorafgaande debat wordt er echter naar evaluatie van de snel-Belg-wet in de Kamer verwezen om in deze commissie een amendement te kunnen wegstemmen. Wat de Kamer doet is haar zaak, de commissie moet zich daar niet in mengen.

Voor het overige sluit hij zich aan bij de uiteenzetting van mevrouw Thijs en de toelichting bij haar amendement. Voor een gedeelte pikt haar uiteenzetting volledig in op de opmerkingen die hij zelf reeds vele jaren geleden heeft gemaakt, toen de naturalisaties nog in de Senaat aan de orde waren. Zijn fractie heeft toen enkele malen heel het dossier van de naturalisaties overlopen en daarin verschillende problemen vastgesteld, waaronder een zogezegde student van 64 jaar en allerlei andere onwaarschijnlijke situaties. De kritiek op de snel-Belg-wet gaat in identiek dezelfde richting als de opmerkingen die toen reeds over de naturalisatiedossiers in de Senaat gemaakt werden. In wezen is er dus niets veranderd.

De heer Lozie wijst er vooreerst op dat er niet zoiets bestaat als een snel-Belg-wet. Dat is een interpretatie die door de oppositie is gelanceerd bij de wijziging van de nationaliteitswet. Men kan nu inderdaad sneller dan voorheen een aanvraag tot naturalisatie indienen maar in de praktijk is de procedure nauwelijks sneller en duurt ze meestal nog 18 maanden.

Omdat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de politieke participatie op het lokale vlak, en anderzijds de deelname op alle politieke niveaus, moet men dat onderscheid tussen naturalisatie en stemrecht blijven aanhouden.

Door de toegenomen mobiliteit zullen in deze eeuw zeker veel mensen, tijdelijk, op verschillende plaatsen in de wereld leven. Als dit tijdelijke verblijf tien of vijftien jaar duurt, zal het normaal zijn dat men ook aan het lokale leven deelneemt en aan de lokale politieke besluitvorming participeert. Daarvoor hoeft men niet iedere keer van nationaliteit te veranderen. Door deze toekomstige evolutie verliest de nationaliteit aan belang. Wat de deelname aan het bovenlokale politieke leven betreft, blijft de Belgische nationaliteit vereist. Een debat over de Belgische nationaliteit kan dus, maar dan wel los van deze discussie die enkel betrekking heeft op de deelname aan het lokale politieke niveau. In deze eeuw zou het van een totaal achterhaalde opvatting getuigen om voor het beslissingsrecht op lokaal niveau via de nationaliteit te blijven werken.

Mevrouw De Schamphelaere vindt het nogal merkwaardig dat er opnieuw wordt gezinspeeld dat de argumentatie van haar fractie incoherent is terwijl deze alleen naar voren brengt dat er een onlosmakelijk verband is tussen de nationaliteitsverwerving en de politieke participatie.

Door dit debat op deze manier te beperken, zal waarschijnlijk een stap achteruit in plaats van vooruit worden gezet inzake de integratie van de vreemdelingen. Het is vanwege de regering politiek onverantwoord om dit thema op deze platte manier te laten polariseren.

CD&V wil de weg van de geleidelijkheid bewandelen. Ze wenst dat de bevolking integratiegericht is en dat migranten integratiebereid blijven. Zulke initiatieven moeten stap voor stap worden bevorderd, terwijl ze precies door de polarisatie rond dit thema sterk worden benadeeld.

De regering is in het regeerakkoord van de idee uitgegaan dat door de nationaliteitsverwerving te versoepelen een politiek medebeslissingsrecht aan vreemdelingen kan worden verleend, terwijl andere landen nationaliteit en politieke rechten ontkoppelen. Gezien de regering deze koppeling heeft gemaakt, moest de snel-Belg-wet er vóór de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2000 komen.

België beschikt nu over een van de meest soepele nationaliteitswetgevingen in Europa. In tegenstelling tot andere landen wordt er in België zelfs geen bewijs van taalkennis of integratiebereidheid gevraagd. Vreemdelingen hoeven maar drie jaar in België te verblijven om de nationaliteit aan te vragen.

Omdat het gemeentelijke stemrecht nu ter sprake komt, vraagt de CD&V om tegelijk de nationaliteitsverwerving grondig te bespreken. De snel-Belg-wet wordt nog volop geëvalueerd maar een aantal punten van deze wet lijken nu al evident misgelopen te zijn. De adviezen van het parket en de Staatsveiligheid, die formeel door de wet voorgeschreven zijn, hebben geen realiteitswaarde omdat ze op een maand tijd niet op een behoorlijke manier gegeven kunnen worden.

Volgens mevrouw Nagy duurt de procedure om de Belgische nationaliteit te verkrijgen sedert de inwerkingtreding van de nieuwe wet zelfs langer.

Mevrouw De Schamphelaere licht het amendement verder toe.

Sommige commissieleden voeren rond het thema van de nationaliteitsverwerving een puur ideologisch debat. Zij wenst zich echter aan de feiten te houden. Het is heel duidelijk gebleken dat de georganiseerde criminaliteit misbruik maakt van de snel-Belg-wet. De wet moet derhalve worden gewijzigd om de parketten en de Veiligheid van de Staat in staat te stellen hun werk op een behoorlijke manier te laten uitvoeren. Dit zou een evidentie moeten zijn voor iedereen die nog enige waarde aan de nationaliteit wil toekennen en een behoorlijk bestuur in dit land wil, ook op het vlak van veiligheid en bestrijding van georganiseerde criminaliteit.

CD&V stelt daarom in zijn amendement op zijn minst een verlenging van de adviestermijn van de Staatsveiligheid voor.

De vanuit het buitenland aangebrachte alternatieve akten zouden minstens door de betrokken Belgische diplomatieke posten moeten worden nagezien.

De snel-Belg-wet heeft de integratiewil van de vreemdeling ten onrechte niet langer als voorwaarde behouden. Een positieve stap naar de Belgische samenleving zetten is dus nu niet meer nodig. Sommigen beweren weliswaar dat de nationaliteit qua concept geëvolueerd is. Dit belet evenwel niet dat de verwerving van de nationaliteit aan een positieve stap naar de Belgische samenleving onderworpen moet blijven.

De integratiebereidheid van vreemdelingen die in België geboren zijn en er leven, wordt geacht voldoende te zijn aangetoond, terwijl de integratiebereidheid van andere vreemdelingen met een attest van de gemeenschappen zou worden bewezen. De gemeenschappen kunnen inderdaad instaan voor een voldoend aanbod van taalondersteuning en integratieprojecten.

Omtrent het behoorlijk bestuur wil de CD&V af van de moeilijkheden die de snel-Belg-wet met zich heeft meegebracht. De politieke beoordeling door de Kamer van volksvertegenwoordigers van aanvragen tot nationaliteitsverwerving moet verdwijnen. Degenen die voldoende lang in België verblijven en hun integratiewil hebben aangetoond, hebben recht op de Belgische nationaliteit. In plaats van een wetgevende Kamer moet daarom een commissie over de aanvragen tot nationaliteitsverwerving oordelen.

De nodige duur van wettelijk verblijf in België om de nationaliteit te kunnen aanvragen moet ook tot vijf jaar worden verlengd.

De heer Monfils herhaalt dat hij niet wenst dat de commissie in het raam van dit wetsvoorstel over alle problemen in verband met het Wetboek van de nationaliteit debatteert. Hij zal zich daarom tegen dit amendement verzetten.

Wat de wijzigingen aan de nationaliteitswet ook mogen zijn, buitenlanders die geen onderdaan van de Europese Unie zijn en die geen Belg wensen te worden, zullen in België blijven wonen.

In elk geval rijst dan de vraag of we ze al dan niet stemrecht op plaatselijk niveau moeten geven.

Het is dus niet de goede aanpak eerst de nationaliteitswet te willen wijzigen en vervolgens over dit wetsvoorstel te debatteren. Bovendien stelt men geen politiek probleem in termen van cijfers.

Het is niet nodig het Wetboek van de nationaliteit nog te versoepelen. De nationaliteit blijft immers belangrijk aangezien ze de weg opent naar het Europees burgerschap en naar de rechten die hieruit voortvloeien. Het gaat om zeer delicate zaken. Het mag niet zover komen dat enkele amendementen op het voorliggende wetsvoorstel die belangrijke zaken zeer slecht regelen.

Artikel 2

Amendement nr. 17

Het amendement nr. 17 van de heer Verreycken c.s. strekt er toe dit artikel te doen vervallen. Zoals reeds tijdens de algemene bespreking is uiteengezet stelt de heer Verreycken dat het stemrecht moet gekoppeld blijven aan de nationaliteit. Hij verwijst eveneens naar het wetsvoorstel tot instelling van een volksraadpleging over het stemrecht voor vreemdelingen van de heer J. Van Hauthem (stuk Senaat, nr. 2-582/1). De premier heeft trouwens aan verschillende media verklaard dat hij een volksraadpleging niet uitsluit. Deze volksraadpleging wordt dan ook voorgesteld in amendement nr. 77.

Amendement nr. 3

Op dit artikel wordt door de heer Lozie een amendement ingediend (amendement nr. 3) dat ertoe strekt dit artikel te vervangen. De heer Lozie wijst erop dat dit amendement tegemoet komt aan het advies van de Raad van State (stuk Senaat, nr. 2-548/2). Sinds de indiening van het oorspronkelijke wetsvoorstel zijn een aantal bevoegdheden van de federale wetgever aan de gewesten overgedragen. Vanaf 1 januari 2002 is de federale wetgever enkel nog bevoegd om het stemrecht van niet-Belgen te regelen. Derhalve kan hij niet langer wijzigingen aanbrengen in artikel 1 van de gemeentekieswet, zelfs als de voorgestelde wijziging niets wijzigt aan het stemrecht van de Belgen.

Daarom stelt hij voor om het voorgestelde artikel 2 te vervangen door een nieuwe bepaling die artikel 1bis van de gemeentekieswet wijzigt ­ dit artikel regelt thans de uitoefening van het stemrecht door de onderdanen van de Europese Unie. Door het amendement wordt voortaan in artikel 1bis van de gemeentekieswet zowel het stemrecht geregeld van de niet-Belgische burgers van de Europese Unie als van de inwoners van ons land die geen onderdaan zijn van een land van de Europese Unie.

Door dit amendement wordt het ook gemakkelijker om een wettelijke regeling te treffen over het al dan niet verplichtend karakter van de deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen door niet-Belgen. In het amendement wordt daartoe de voor de onderdanen van de andere lidstaten van de Europese Unie voorziene regeling, de wilsverklaring, ook toegepast op de inwoners die geen onderdaan zijn van een land van de Europese Unie.

Amendement nr. 11

Amendement nr. 11 van de heer Mahoux c.s. beoogt eveneens het wetsvoorstel aan te passen aan de bevoegdheidsoverdracht naar de gewesten ingevolge het Lambermont-akkoord. Het doet dit door in paragraaf van dit artikel een aantal wijzigingen aan te brengen die grotendeels overeenstemmen met de door de heer Lozie voorgestelde wijzigingen in amendement nr. 3. De commissie zal tussen een van deze twee amendementen een keuze moeten maken.

Amendement nr. 6

Het amendement nr. 6 van mevrouw Pehlivan en de heer Tobback beoogt de vereiste verblijfsduur van vijf jaar te verminderen tot drie jaar. Mevrouw Pehlivan verwijst hiervoor naar de vereiste verblijfsduur die in haar eigen wetsvoorstel is bepaald (stuk Senaat, nr. 2-880/1). Zij wijst er op dat men na drie jaar verblijf reeds de Belgische nationaliteit kan aanvragen. Om die reden meent zij dat het zeker verantwoord is om na drie jaar op lokaal vlak zijn stemrecht te kunnen uitoefenen. Tenslotte verwijst zij ook naar punt 122 van de resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2001 over de toestand van de grondrechten in de Europese Unie waarin wordt aanbevolen het actief en passief stemrecht uit te breiden tot alle burgers die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Unie die tenminste drie jaar op het grondgebied van de lidstaat verblijven.

De heer Monfils blijft gewonnen voor een verblijfsduur van vijf jaar. Weliswaar kan naturalisatie na drie jaar worden aangevraagd, maar er moet nog altijd een procedure worden in acht genomen. Voor het uitoefenen van het stemrecht is er geen procedure, maar vrijwillige inschrijving. Daarom acht hij het wijs en verantwoord een termijn van vijf jaar te behouden en amendement nr. 6 niet goed te keuren.

Mevrouw Pehlivan verklaart dat zij bereid is het amendement in te trekken als dit de consensus binnen de commissie ten goede komt.

Amendement nr. 80

Amendement nr. 80 van de heer Monfils en mevrouw Cornet d'Elzius gaat eveneens over de voorwaarden van § 1 van het 1º van dit artikel. Dit amendement strekt ertoe de vereiste in te stellen van een legaal en ononderbroken verblijf, en bepaalde categorieën van niet-Europese ingezetenen uit te sluiten.

De heer Monfils verklaart over amendement nr. 80 dat het sommige categorieën van personen van het stemrecht wenst uit te sluiten. Hij wil de commissie de gelegenheid geven zich duidelijk uit te spreken over de categorieën van vreemdelingen aan wie men stemrecht wil toekennen.

Amendement nr. 96

De heer Monfils en mevrouw Cornet d'Elzius dienen een subamendement op amendement nr. 80 (amendement nr. 96) in om personen met een onzekere status op te nemen in de lijst van de uitgesloten personen.

Amendement nr. 98

De heer Monfils en mevrouw Cornet d'Elzius dienen een subamendement op amendement nr. 3 (amendement nr. 98) van de heer Lozie in, om hierin dezelfde categorieën van uitgesloten personen op te nemen als in amendement nr. 80.

Mevrouw Nagy meent dat de verblijfsduur geen essentieel element in dit debat is. Met een termijn van vijf jaar kan men het stemrecht uitbreiden tot buitenlanders die ervoor hebben gekozen de naturalisatie niet aan te vragen. Het stemrecht vergt een zekere vorm van vestiging en een beslissing om deel te nemen aan het politieke leven, los van de aanvraag tot naturalisatie. De uitoefening van het stemrecht kan een eerst stap zijn naar de naturalisatie, maar het is ook mogelijk dat men aan het politieke leven wil deelnemen zonder dat men de Belgische nationaliteit wil verwerven. Om die reden mag men de verblijfsduur vereist voor een aanvraag tot naturalisatie en de verblijfsduur met het oog op het uitoefenen van het stemrecht niet aan elkaar koppelen.

In verband met de personencategorieën die van het stemrecht uitgesloten zijn en die worden vermeld in amendementen nrs. 80 en 98 van de heer Monfils en mevrouw Cornet d'Elzius, wijst mevrouw Nagy erop dat ze niet voor beperkingen gewonnen is. Ze denkt overigens dat die uitzonderingen niet nodig zijn, omdat de algemene voorwaarde van inschrijving in de bevolkingsregisters ze als uitsluit. Men dient zich te houden aan het principe dat de inschrijving in het bevolkingsregister na verloop van tijd automatisch recht geeft op deelname aan de verkiezingen.

De heer Moureaux verklaart dat zijn fractie geen belang hecht aan één bepaalde formule. Hij verkiest dus een tekst die bepaalt dat men in het bevolkingsregister ingeschreven moet zijn, in plaats van een bepaling die uitsluitingen bevat. De inschrijving getuigt overigens van een echte wil tot vestiging en tot betrokkenheid bij het plaatselijke leven. Hij wijst erop dat het vestigingsrecht niet zo gemakkelijk verkregen wordt. België hecht er zeer veel waarde aan, want zodra het is toegekend, is dit recht verworven. De vergunning die men geeft, impliceert ook de wil om lang op ons grondgebied te blijven. Het verlenen van stemrecht kan ook worden beschouwd als een harmonisering met de rechten van de Europese onderdanen. Één van de redenen om dit ontwerp te steunen is ongetwijfeld de gelijke behandeling van de Europese onderdanen en van de personen die zich al lang op ons grondgebied bevinden en die zich gediscrimineerd voelen. Onder die voorwaarden is hij bereid het amendement van de heer Monfils en mevrouw Cornet d'Elzius te onderzoeken.

De heer Monfils verklaart dat zijn amendementen nrs. 80 en 98 ertoe strekken stemrecht te verlenen aan wie zich nagenoeg definitief op ons grondgebied wil vestigen, met uitsluiting van wie hier slechts tijdelijk verblijft (studenten, personen met een tijdelijke bescherming, asielzoekers, ...). Om dezelfde reden stelt hij voor een legaal en ononderbroken verblijf te eisen. Hij meent dat de woorden van de heer Moureaux hierop een afdoend antwoord geven.

De heer Lozie meent dat de vereiste van het ononderbroken verblijf niet altijd even duidelijk is. Zijns inziens moet het begrepen worden als een recht op ononderbroken verblijf. Dat recht wordt niet aangetast door een eventueel langer verblijf in een ander land. Wie rechtmatig verblijft heeft dus het recht om te reizen. Om terzake alle misverstanden te vermijden heeft hij trouwens de voorwaarde opgenomen van de inschrijving in het bevolkingsregister.

De heer Moureaux benadrukt dat de verblijfsvereiste niet impliceert dat het verblijf definitief moet zijn. Een langdurig verblijf op ons grondgebied is voldoende.

Mevrouw Nagy meent dat de voorwaarden bepaald in de amendementen nrs. 80 en 98 niet duidelijk zijn. Zodra men interesse betoont voor het politieke en sociale leven geeft men te kennen dat men zich wil inzetten in een samenleving. Dat is een engagement van langere duur. De voorwaarden van inschrijving in het bevolkingsregister en verblijf van vijf jaar passen in dit langetermijndenken. Zij is bereid de amendementen te aanvaarden voor zover die een betere definitie geven van de begrippen vestiging en verblijf.

De heer Monfils verduidelijkt dat zijn amendement nr. 80 enkel personen met een tijdelijk statuut wil uitsluiten van deelname aan gemeenteraadsverkiezingen. Zijn fractie wil deze categorieën uitsluiten die per definitie slechts een tijdelijke verblijfsvergunning hebben.

Mevrouw Nagy benadrukt dat de tekst van het voorstel hierover geen twijfel laat bestaan : enkel personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, zullen stemrecht krijgen.

De heer Tobback wijst erop dat de datum van verblijf in nog andere gevallen als criterium gebruikt. De inschrijving in het bevolkingsregister is dus een onbetwistbaar gegeven. Als asielzoeker wordt men trouwens niet in het bevolkingsregister ingeschreven maar in het wachtregister. De inschrijving in het wachtregister kan niet meetellen voor de berekening van de termijn van vijf jaar ook al omdat in het kader van het spreidingsplan vele asielzoekers worden ingeschreven in het wachtregister van een gemeente waar ze nooit daadwerkelijk hebben verbleven. Indien vreemdelingen echter drie of vijf jaar in een gemeenschap leven en er participeren door er te werken, een gezin te stichten en deel te nemen aan het verenigingsleven, dan moet die ook kunnen stemmen op lokaal vlak.

De heer Moureaux wijst erop dat de verschillende manieren om zich op ons grondgebied te vestigen, voor de gemeenten erg ingewikkeld zijn. Dat leidt soms tot onrechtvaardige situaties. Hij meent dan ook dat er niet moet worden gewerkt met bepalingen waarin de categorieën worden opgesomd, maar met een positieve definitie. Er moet overeenstemming worden bereikt over de voorwaarden waaronder stemrecht kan worden uitgeoefend : beschikken over een verblijfsvergunning en vijf jaar in ons land verblijven. Dat is een eenvoudige bepaling die heel wat ingewikkelde problemen voorkomt.

Wat de duur van het verblijf betreft, meent mevrouw Kaçar dat de bepaling ervan arbitrair is. De vereiste duur van verblijf in de Europese landen die aan buitenlanders stemrecht hebben verleend, varieert van zes maanden tot vijf jaar. België kan dus volkomen vrij deze duur bepalen. De cijfers die door de minister van Binnenlandse Zaken zijn meegedeeld omtrent het aantal vreemdelingen die aan de verkiezingen kunnen deelnemen (123 000), zijn aan de lage kant. Enerzijds is de raming gebaseerd op het aantal vreemdelingen die nu reeds vijf jaar in ons land verblijven, waarbij hij over het hoofd ziet dat de volgende gemeenteraadsverkiezingen pas in 2006 plaats zullen hebben. Anderzijds onderschat men het aantal burgers die regelmatig van verblijfsplaats wisselen. De cijfers waarover het Nationaal Instituut voor statistiek beschikt (240 000) vertonen dan ook frappante verschillen met het Rijksregister.

Amendement nr. 81

Amendement nr. 81 van de heer Monfils en mevrouw Cornet d'Elzius is een subamendement op amendement nr. 3 van de heer Lozie. Het strekt ertoe te verduidelijken dat een verblijf op ons grondgebied legaal en ononderbroken moet zijn. Daarnaast vereist dit amendement ook een persoonlijk en vrijwillig engagement van de persoon die wil stemmen; dat moet blijken uit een door die persoon ondertekende verklaring dat hij de Grondwet, de wetten van het Belgische volk en de mensenrechten zal eerbiedigen.

De heer Monfils wijst erop dat deze laatste bepaling een vereiste is die eveneens in de nationaliteitswet staat. Hij benadrukt dat er geen speciale procedure is om te stemmen. Het is logisch dat iemand, zodra hij stemrecht heeft, verklaart dat hij de grondbeginselen van onze Staat zal naleven. Ook al is dit voor sommigen een louter symbolisch gebaar, toch vindt de fractie van spreker dat deze verklaring essentieel is, aangezien zij het bewijs vormt van de wil om zich in onze samenleving te integreren.

De heer Moureaux vindt dit amendement totaal zinloos en tegelijk politiek beladen. Het is een vernederend en beledigend voorstel dat volstrekt niets aan de werkelijkheid verandert. Het voorstel is bovendien erg belangrijk en biedt de betrokkenen een grote vrijheid.

De heer Tobback onderschrijft de opmerkingen van de heer Moureaux. In de mate dat een dergelijke verklaring, aldus de heer Monfils, slechts een symbolische betekenis heeft, is het mogelijk om ze te aanvaarden als een compromis om te komen tot een globale stemming van het voorstel van wet. Vragen om dit te aanvaarden terwijl achteraf van buitenaf wordt gedicteerd dat het voorstel moet worden verworpen is echter een zwaarwichtig feit. Het amendement is anderzijds echter niet zinledig en hij is bereid om het eventueel te ondersteunen. Het gaat niet om een gratuite verklaring. Wie weigert ze te ondertekenen verzaakt aan zijn lokaal stemrecht en deze weigering zal kunnen worden ingeroepen op het moment van de naturalisatieaanvraag. De weigering om deze verklaring te ondertekenen kan immers worden geïnterpreteerd als een weigering om zich te integreren in onze samenleving.

De heer Moureaux wijst erop dat dit amendement opnieuw een discriminatie invoert tussen Europese en niet-Europese onderdanen, terwijl zijn fractie net gelijkheid nastreeft. Het amendement gaat uit van de stilzwijgende en onaanvaardbare veronderstelling dat iemand die niet in Europa geboren is minder geneigd is de mensenrechten of het gelijkheidsbeginsel te eerbiedigen.

De heer Dallemagne merkt op dat het amendement blijkt geeft van een vreemde rechtsopvatting. Het zou immers betekenen dat mensen die niet voldoen aan de voorwaarden om stemrecht te krijgen, de Grondwet, de wetten van het Belgische volk en de mensenrechten niet moeten eerbiedigen. Hij kan een dergelijk amendement dus niet steunen.

Volgens hem gaat de heer Monfils met opzet uit van een verkeerde interpretatie van wat hij gezegd heeft. Hij is niet van plan zich te onthouden of het voorstel te verwerpen nadat over de artikelen en de amendementen gestemd is. Hij wijst erop dat iemand die Belg wil worden een dergelijke verklaring moet ondertekenen. Zijn fractie wenst eenzelfde voorwaarde in te voeren voor de uitoefening van het stemrecht. Is het verdacht om degenen die Belg wensen te worden een dergelijke verklaring te doen ondertekenen ?

Mevrouw Kaçar zal het amendement nr. 81 van de heer Monfils niet steunen omdat zij niet wenst dat de procedure voor Europese en niet-Europese vreemdelingen te sterk van elkaar afwijken. Een dergelijke verklaring is geen essentieel element om het stemrecht toe te kennen. Bovendien vreest zij voor een regel zonder inhoud die enkel een administratieve belasting impliceert.

Mevrouw Nagy meent dat iemand die zijn stemrecht wil uitoefenen, de wetten van ons land en de basisbeginselen van onze samenleving moet naleven. Zij meent dat een bepaling van die strekking zinvoller is. Wat de heer Monfils voorstelt in amendement nr. 81 is onaanvaardbaar aangezien iemand die in een land leeft vanzelfsprekend de wetten van dat land naleeft. Uit het amendement blijkt het wantrouwen ten opzichte van de buitenlandse onderdanen.

De heer Van Quickenborne heeft het evenmin begrepen op het afleggen van eden of plechtige verklaringen, behalve voor de rechtbank. Bepalen dat een iemand moet verklaren het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te zullen respecteren lijkt hem ook nogal eigenaardig als men weet dat een aantal niet-Europese onderdanen de nationaliteit hebben van een land dat het EVRM heeft ondertekend. Hij ziet dan ook niet in waarom deze mensen deze verklaring nog eens zouden moeten onderschrijven. Ten gronde ziet hij niet in wat de meerwaarde kan zijn van een dergelijke verklaring. Iedereen moet deze regels naleven. Tenslotte meent de heer Van Quickenborne dat de amendementen van een bepaalde politieke groep niet zomaar moeten aanvaard worden om het wetsvoorstel goedgekeurd te krijgen. Op die manier dreigt deze groep de volledige inhoud van het wetsvoorstel te gaan bepalen.

Amendementen nrs. 83 en 84

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen op het amendement nr. 3 van de heer Lozie twee subamendementen in.

Amendement nr. 83 benadrukt eveneens het ononderbroken karakter van het vijfjarig verblijf.

Amendement nr. 84 beoogt, middels de invoeging van een nieuw lid, diplomaten en hun gezinsleden expliciet van het toepassingsgebied van het voorstel uit te sluiten. Wanneer diplomaten niet in het bevolkingsregister worden ingeschreven wordt dit amendement uiteraard ingetrokken.

De heer Tobback meent dat diplomaten nooit in het bevolkingsregister worden ingeschreven. In elk geval is hij er geen voorstander van dat het diplomatiek zou kunnen deelnemen aan de verkiezingen op het gemeentelijk vlak omdat men niet tegelijk kan genieten van de onschendbaarheid, die verbonden is met de extraterritorialiteit, en het feit dat men hier verblijft en daaruit andere rechten putten. Hij is het dus principieel eens met beide amendementen.

De heer Moens wijst erop dat de artikelen 6 tot en met 9bis van het Kieswetboek een aantal bepalingen bevat die personen van het kiesrecht uitsluit. Het betreft onder meer personen die tot criminele straffen zijn veroordeeld. Deze artikelen werden ingevolge § 2, tweede lid, van de gemeentekieswet reeds van toepassing verklaard op de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie. In de richtlijn 94/80/EG van de Raad van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van burgers van de Europese Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, wordt uitdrukkelijk bepaald dat de uitsluiting van het kiesrecht in het eigen land ook betekent dat men het kiesrecht verliest in een andere lidstaat verblijft.

De heer Moens vraagt wat de gevolgen zijn van de uitbreiding van het stemrecht tot de niet-Europese inwoners van ons land. Als een Amerikaan of een Afrikaan van het kiesrecht worden uitgesloten zullen zij dan ook in België van het kiesrecht worden uitgesloten ? Hoe zal de Belgische verantwoordelijke overheid van deze eventuele uitsluiting op de hoogte worden gebracht ? Of geldt het verlies van het kiesrecht voor de niet-Europese inwoners enkel voor de in België opgelopen veroordelingen, na hun aankomst in ons land terwijl ze eventueel in hun eigen land reeds van het kiesrecht zijn uitgesloten ?

Op de vraag van de heer Moens antwoordt de heer Lozie dat de vreemdelingen aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen voor de uitoefening van het kiesrecht als de Belgen. Een veroordeling die leidt tot het verlies van het kiesrecht in het land van oorsprong, moet evenwel niet noodzakelijk leiden het verlies van het kiesrecht in België. Concreet denkt hij hierbij aan het geval van politieke vluchtelingen. Derhalve houdt men zich het best aan de bepalingen die in het Kieswetboek opgenomen zijn voor de veroordelingen in België.

Mevrouw Nagy meent dat het voorstel hierover duidelijk genoeg is. Het Kieswetboek moet worden toegepast voor de buitenlanders die in ons land verblijven, zoals het van toepassing is voor de andere kiezers. Voor de vraag hoe men zich in België kan vestigen, zijn er verscheidene oplossingen. Een vluchteling uit Chili zal zijn politieke rechten in zijn land van oorsprong verloren hebben. Moeten we hem dan de politieke rechten in België weigeren ?

De heer Tobback wijst er op dat het niet gaat om politieke rechten in een dictatuur. De vraag is of iemand die in een ander land veroordeeld is voor een misdrijf van gemeen recht waarvoor hij in België het stemrecht zou verliezen, op grond van die veroordeling in België wordt uitgesloten van deelname aan de verkiezingen. Hij meent dat dat duidelijk het geval moet zijn. Het gaat niet aan dat een vreemdeling die in zijn eigen land voor diefstal veroordeeld is, in België het kiesrecht zou kunnen uitoefenen terwijl een Belg in een gelijkaardige situatie van het kiesrecht zou worden uitgesloten. Als de Europese Unie binnenkort wordt uitgebreid zullen de onderdanen van die landen in België op lokaal vlak aan de verkiezingen kunnen deelnemen. Wellicht is het niet gemakkelijk om te achterhalen of die personen in eigen land veroordeeld zijn maar als blijkt dat dit het geval is dan moeten zij op dezelfde manier behandeld worden als de Belgen. Natuurlijk kan er een probleem rijzen voor iemand die uit een dictatoriaal regime komt, daar veroordeeld is en wellicht zelfs om die reden asiel heeft aangevraagd. Als er terzake een probleem is voor een inschrijving op de kieslijst dan kan desgevallend verhaal worden uitgeoefend voor de rechtbank. Het is dan aan de rechtbank om te uit te maken of deze veroordeling een reden is om het kiesrecht al dan niet te ontnemen.

Tot besluit meent de heer Tobback dat het wetsvoorstel moet gebaseerd zijn op de totale gelijkberechting van Belgen en vreemdelingen inzake de uitoefening van het kiesrecht.

Mevrouw Kaçar wijst erop dat het Kieswetboek, in de artikelen die het verval van het kiesrecht betreffen, geen melding maakt van de nationaliteit. Wie tot criminele straffen is veroordeeld, is van het kiesrecht uitgesloten.

Wat de veroordelingen in het buitenland betreft bepaalt het internationaal privaatrecht dat het personele statuut bepalend is voor de rechten van een persoon. Iemand die in het buitenland zijn burgerrechten verliest kan die dan ook in België niet uitoefenen. Dit is trouwens expliciet voorzien in de richtlijn 94/80/EG die het kiesrecht regelt voor EU-onderdanen.

Amendement nr. 97

De heer Vankrunkelsven stelt voor om het debat over de vereiste verblijfsduur te beslechten door in de wet duidelijk te bepalen dat de vreemdeling gedurende vijf jaar moet zijn ingeschreven in een bevolkingsregister van een gemeente. Samen met de heer Van Quickenborne dient hij derhalve op amendement nr. 3 een subamendement in (amendement nr. 97).

Amendementen nrs. 26 tot 60

De amendementen nrs. 26 tot 60 van de heer Verreycken c.s. beogen de voorwaarden voor de uitoefening van het stemrecht, zoals opgesomd in § 1 van het 1º van dit artikel, te wijzigen.

Zo stelt hij in amendement nr. 26 onder meer voor om de taalvereiste op te nemen als voorwaarde voor het verlenen van stemrecht. Als inwoner van Borgerhout wordt hij op dit punt door vele burgers aangesproken. Zelf ontvangt hij in zijn brievenbus regelmatig tweetalige publiciteit : in het Frans en het Arabisch. De vroegere generaties hebben zich niet verzet tegen de totale verfransing van zijn gemeenschap om nu de arabisering volledig te ondergaan. Deze arabisering wordt echter stilaan een feit. Zonder de taalvereiste in de wettelijke norm op te nemen zal men nog veel meer mensen bevestigen in hun onwil om zich te integreren in zijn gemeenschap waarvan ze nochtans het politieke leven willen bepalen. En dit terwijl de wet hen verplicht het Nederlands te gebruiken in het politieke leven. Om die reden meent hij dat de taalvereiste in de verschillende normen moet worden opgenomen. Deze taalkennis moet worden bewezen op een door de Koning te omschrijven wijze. Tevens voorziet amendement nr. 26 dat deze personen zes jaar moeten verblijven in de gemeente waar zij willen stemmen.

Amendement nr. 27 van de heer Verreycken c.s. is een subamendement op amendement nr. 26 waarin de vereiste verblijf van zes jaar in de gemeente wordt vervangen door een zesjarig verblijf in het land.

Amendement nr. 60 van de heer Verreycken c.s. is een subsidiair amendement op amendement nr. 26 waarin de wederkerigheid van het stemrecht als voorwaarde wordt toegevoegd. Het stemrecht geldt dus enkel voor de onderdanen van Staten die hetzelfde recht toekennen aan de Belgen die er verblijven.

Amendement nr. 28 van de heer Verreycken c.s. voorziet de bijkomende voorwaarde dat dit stemrecht alleen kan worden toegekend in gemeenten waar minder dan 10 % van de bevolking een andere dan de Belgische nationaliteit heeft. In dat verband herinnert hij aan de uiteenzetting van mevrouw Brochmann uit Noorwegen, die er op wees dat in Oslo 2,2 % Pakistani leven. Deze 2,2 % van de inwoners maken 11 % uit van de stadsraad van Oslo door zich politiek sterk te organiseren en gebruik te maken van alle wettelijke middelen. Het is dus zeer goed mogelijk om zich politiek zo te organiseren dat men met een minderheid de volledige gemeenteraad kan domineren. Het kan toch niet de bedoeling zijn om onze steden en gemeenten zonder slag of stoot over te leveren aan een vreemde mogendheid ?

In de amendementen nrs. 29 tot 59 van de heer Verreycken c.s. worden telkens verschillende varianten van dezelfde voorwaarden voorgesteld : aantonen van kennis van de streektaal; verzaken aan het lokaal kiesrecht in het land van herkomst; uitsluiting uit bepaalde uitvoerende ambten; minimale verblijfsduur; beperking tot gemeenten waar minder dan 10 % van de bevolking een andere nationaliteit heeft dan de Belgische.

Amendementen nrs. 63 tot 76

Amendement nr. 63 van de heer Verreycken c.s. beoogt de invoering van een Wetboek Staatsburgerschap bestaande uit 25 artikelen die het artikel 2 van het voorstel vervangen. Dit Wetboek Staatsburgerschap stelt een volledige regeling voor van de toekenning, de verkrijging, het verlies en de herkrijging van het staatsburgerschap. Dit amendement bevat onder meer een specifieke regeling voor de verkrijging van het staatsburgerschap door naturalisatie (artikelen 11 tot 14). Een van de voorwaarden voor de naturalisatie is het slagen in een burgerschapsproef. Het verlies van het staatsburgerschap kan ondermeer van rechtswege gebeuren na een strafrechtelijke veroordeling waarvan de voorwaarden zijn omschreven in artikel 18 van het amendement nr. 63.

De amendementen nr. 64 tot en met 76 van de heer Verreycken c.s. brengen de noodzakelijke wijzigingen aan in andere wetten als amendement nr. 63 wordt aangenomen.

Artikel 2bis (nieuw)

Amendement nr. 79

Mevrouw Pehlivan dient een amendement in (amendement nr. 79) tot invoeging van een artikel 2bis (nieuw) omdat uit de bespreking is gebleken dat het opleggen van een stemplicht aan niet-Belgen slechts mogelijk is nadat de betrokkenen hebben laten blijken dat zij het stemrecht willen uitoefenen. Het amendement komt hieraan tegemoet door te bepalen dat deze personen zich, binnen drie maanden na de kennisgeving van hun inschrijving op de kieslijsten, van deze lijsten kunnen laten schrappen.

De heer Lozie wijst er op dat amendement nr. 3 de regeling overneemt die is getroffen voor de deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen door de onderdanen van de andere lidstaten van de Europese Unie. Het voordeel is dat men daardoor komt tot een uniform systeem voor de deelname aan de verkiezingen door alle niet-Belgen. Ingevolge amendement nr. 79 zullen twee verschillende vormen van kiesrecht ontstaan voor de niet-Belgen.

Mevrouw Pehlivan antwoordt dat haar fractie principieel voor het behoud van de stemplicht is zonder dat dit eigenlijk kan opgelegd worden aan de niet-Belgen. Amendement nr. 3 verleent veeleer een stemrecht, waarbij de vreemdeling de keuze heeft om zich al dan niet in te schrijven, terwijl het amendement nr. 79 een automatische inschrijving op de kieslijst voorziet waarbij de vreemdeling expliciet afstand moet doen van zijn stemrecht.

De heer Monfils is het hierover met de heer Lozie eens. Mevrouw Pehlivan interpreteert het advies van de Raad van State, dat nochtans zeer duidelijk is, foutief : « Dit laatste impliceert, in landen waar stemplicht bestaat, dat de betrokken persoon zelf moet kunnen verzoeken om ingeschreven te worden op de kiezerslijst en daar derhalve niet ambtshalve op mag worden ingeschreven ..., moet een kiezer die op zijn verzoek op de kiezerslijst is geplaatst, op zijn verzoek ook weer van de lijst kunnen worden afgevoerd » (stuk Senaat, nr. 2-548/2, blz. 5).

We moeten het advies van de Raad van State volgen en voor de oplossing van amendement nr. 3 kiezen.

Artikel 3

Amendementen nrs. 2, 10, 18 en 61

Op dit artikel worden door de heer Verreycken c.s. (amendementen nrs. 18 en 61), de heer Lozie (amendement nr. 2) en de heer Mahoux (amendement nr. 10) vier amendementen ingediend die er alle toe strekken dit artikel te doen vervallen.

Deze amendementen worden alle verantwoord door verwijzing naar het advies van de Raad van State (cf. supra).

Amendement nr. 64

Amendement nr. 64 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van het Gerechtelijk Wetboek teneinde het aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Amendement nr. 8

Amendement nr. 8 van de heer Dallemagne beoogt eveneens een wijziging in te voeren in het systeem voor het opstellen van de kieslijsten. Terwijl het amendement nr. 3 van de heer Lozie de deelname van inwoners die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, afstemt op het systeem dat geldt voor de Europese inwoners (wilsuiting), het amendement nr. 79 van mevrouw Pehlivan een dubbel systeem voorziet (wilsuiting voor Europeanen en weerlegbaar vermoeden voor niet-Europese inwoners) stelt de heer Dallemagne een eenvormig systeem voor, voor beide groepen, dat gebaseerd is op een weerlegbaar vermoeden. Daardoor worden de vreemdelingen die aan de in artikel 1bis van de gemeentekieswet opgesomde voorwaarden voldoen automatisch opgenomen op de kieslijsten maar kunnen ze te kennen geven dat zij het kiesrecht niet wensen uit te oefenen.

De heer Tobback merkt op dat het de bedoeling is van zijn partij om te komen tot een maximale gelijkberechtiging tussen Belgen en niet-Belgen. De Europese richtlijn wordt zo geïnterpreteerd dat de stemplicht niet kan worden opgelegd aan Europese-Unieburgers. In België bestaat echter de opkomstplicht ­ historisch gezien als een bescherming tegen politiek extremisme. De door de heer Dallemagne voorgestelde oplossing vindt hij bijzonder elegant omdat ze eenzelfde regeling voorziet voor de burgers van de Europese Unie en de andere niet-Belgische inwoners.

Artikel 3bis (nieuw)

Amendement nr. 90

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen een amendement in (amendement nr. 90) dat beoogt in artikel 2 van de gemeentekieswet te vervangen door een bepaling die de stemplicht opheft. De heer Van Quickenborne wijst erop dat de in de artikelen nrs. 62 en 68 van de Grondwet voorziene stemplicht enkel geldt voor de Kamer en de Senaat. Voor wat de gemeenteraadsverkiezingen betreft, verwijst men vaak ten onrechte naar deze grondwettelijke bepalingen om de afschaffing van de lokale stemplicht niet op te heffen. De stemplicht voor de gemeenteraadsverkiezingen is enkel een wettelijke verplichting opgelegd door artikel nr. 62 van de gemeentekieswet. Deze bepaling kan derhalve door een gewone wet worden opgeheven.

Het afschaffen van de opkomstplicht moet niet gebeuren omwille van electorale motieven of omdat ze slechts geldt in vijf landen ter wereld. Wel meent de heer Van Quickenborne dat ze moet worden afgeschaft om een principiële reden : deelname aan de verkiezingen moet een vrije keuze zijn.

De opkomstplicht wordt echter gehandhaafd om de apathie bij de burger weg te werken of om de kloof tussen burger en politiek te verkleinen. De heer Van Quickenborne meent echter dat de opkomstplicht slechts symptoombestrijdend is en niet het eigenlijke probleem aanpakt. Door de opkomstplicht kan de participatiegraad aan de verkiezingen niet worden gemeten, alhoewel dit een belangrijk signaal zou kunnen gegeven voor de toestand van de democratie en het bestaan van anti-politieke of apolitieke gevoelens in de samenleving. Met Hans van Mierlo meent hij dat de eerste plicht van een politicus is er voor te zorgen dat de mensen gaan stemmen.

Dit wetsvoorstel is dan ook een ideale gelegenheid om de stemplicht af te schaffen.

Artikel 3ter (nieuw)

Amendement nr. 91

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen een amendement in (amendement nr. 91) dat beoogt in het opschrift van Titel VI van de gemeentekieswet de woorden « en stemplicht » op te heffen.

Artikel 4

Amendementen nrs. 12 en 19

De heer Mahoux c.s. (amendement nr. 12) en de heer Verreycken c.s. (amendement nr. 19) dienen een amendement in om dit artikel te doen vervallen.

Het amendement van de heer Mahoux c.s. vloeit voort uit amendement nr. 11.

Wat betreft het amendement van de heer Verreycken c.s. wordt verwezen naar de verantwoording van amendement nr. 17.

Amendement nr. 65

Amendement nr. 65 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van het Wetboek van strafvordering teneinde het aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Artikel 4bis

Amendement nr. 94

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen een amendement in (amendement nr. 94) dat de Belgische nationaliteit als voorwaarde voor de uitoefening van een burgemeesters- of schepenambt in de gemeentewet opheft.

Het amendement beoogt de deelname aan het politieke leven van de niet-Belgische inwoners van ons land te bevorderen door hen ook toe te laten tot de uitoefening van burgemeesters- en schepenambten. Een echte deelname aan het politieke leven impliceert immers dat men zowel over het actief als het passief kiesrecht beschikt.

In amendement nr. 7 wordt het kiesrecht uitgebreid tot de provincieraad. Op provinciaal niveau bestaat er geen enkele nationaliteitsvoorwaarde voor het ambt van goeverneur. Het is dan ook logisch dat dit ook tot het gemeentelijk niveau wordt uitgebreid.

Een bijkomend argument wordt geput uit artikel 7 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende het OCMW dat eveneens reeds toelaat dat iemand met een vreemde nationaliteit tot voorzitter van het OCMW wordt verkozen. Dit artikel bepaalt immers dat men enkel gemeenteraadskiezer moet zijn om werkend lid te kunnen zijn van een raad voor maatschappelijk welzijn.

De heer Tobback meent dat uit de uitoefening van het actief en passief stemrecht voortvloeit dat ook iemand met een vreemde nationaliteit in aanmerking komt voor de uitoefening van een uitvoerend mandaat. Het zou nogal merkwaardig zijn dat iemand met een groot aantal stemmen van een dergelijk mandaat zou worden uitgesloten. Bovendien wijst hij er op dat de gouverneur door de Koning wordt benoemd en dat dit mandaat niet afhangt van een verkiezing.

Artikel 5

Amendement nr. 20

De heer Verreycken c.s. dient een amendement in (amendement nr. 20) om dit artikel te doen vervallen. Wat betreft de verantwoording wordt verwezen naar amendement nr. 17.

Amendement nr. 66

Amendement nr. 66 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, teneinde ze aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Artikel 6

Amendement nr. 21

De heer Verreycken c.s. dient een amendement in (amendement nr. 21) om dit artikel te doen vervallen. Wat betreft de verantwoording wordt verwezen naar de verantwoording bij amendement nr. 17.

Amendement nr. 67

Amendement nr. 67 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde het aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Artikel 6bis (nieuw)

Amendement nr. 92

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen een amendement in (amendement nr. 92) dat artikel 62 van de gemeentekieswet opheft. Dit artikel bepaalt dat de stemming verplicht is. Voor de verantwoording wordt verwezen naar amendement nr. 90.

Artikel 7

Amendement nr. 22

De heer Verreycken c.s. dient een amendement in (amendement nr. 22) om dit artikel te doen vervallen. Wat betreft de verantwoording wordt verwezen naar de verantwoording bij amendement nr. 17.

Amendement nr. 68

Amendement nr. 68 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van de besluitwet van 12 oktober 1918 betreffende het verblijf in België der vreemdelingen en der personen van vreemde oorsprong, teneinde ze aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Amendement nr. 4

De heer Lozie dient een amendement in (amendement nr. 4) waarin wordt voorgesteld het 1º van dit artikel te doen vervallen. Voor de verantwoording wordt verwezen naar het advies van de Raad van State (zie ook amendement nr. 3).

Amendement nr. 13

De heer Mahoux c.s. dient een gelijkluidend amendement in (amendement nr. 13) dat op gelijkaardige wijze wordt verantwoord (zie ook amendement nr. 11).

Amendement nr. 62

Ook de heer Verreycken c.s. dient een gelijkluidend amendement in (amendement nr. 62). Wat betreft de verantwoording wordt verwezen naar de verantwoording bij amendement nr. 61.

Artikel 7bis (nieuw)

Amendement nr. 82

De heer Monfils en mevrouw Cornet d'Elzius dienen een amendement in tot invoeging van een nieuw artikel 7bis (amendement nr. 82).

De heer Monfils verwijst naar de overgangsbepalingen bij het invoeren van het stemrecht voor de Europese onderdanen. De wet van 27 januari 1997 verleent de Europese onderdanen actief en passief kiesrecht. De overgangsbepalingen van deze wet stellen het recht voor die onderdanen om een ambt binnen het schepencollege te bekleden uit tot oktober 2006, opdat ze zich vertrouwd kunnen maken met de uitoefening van een mandaat voordat zij uitvoerende ambten kunnen bekleden. Om dezelfde redenen wordt in dit amendement voorgesteld de uitoefening van diezelfde uitvoerende ambten door verkozenen van buiten de Europese Unie tot 2012 uit te stellen.

Amendement nr. 93

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen een amendement in (amendement nr. 93) dat in de gemeentekieswet een artikel 68ter (nieuw) invoegt. De heer Vankrunkelsven verwijst naar de verantwoording bij amendement nr. 94 dat de nationaliteitsvoorwaarde opheft voor het vervullen van een uitvoerend gemeentelijk mandaat. In dat geval moet een zeker bewijs van taalkennis worden gegeven. Daarom wordt voorgesteld om de wetgeving die reeds geldt voor de taalgrensgemeenten over te nemen. Deze regeling voorziet een onweerlegbaar vermoeden van taalkennis voor degenen die rechtstreeks verkozen worden maar dit vermoeden kan worden weerlegd voor de burgemeester en schepenen op verzoek van een gemeenteraadslid.

Artikel 8

Amendement nr. 23

De heer Verreycken c.s. dient een amendement in (amendement nr. 23) om dit artikel te doen vervallen.

Wat betreft de verantwoording wordt verwezen naar amendement nr. 17.

Amendement nr. 69

Amendement nr. 69 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van de wet van 5 februari 1947 houdende het statuut van de buitenlandse politieke gevangenen, teneinde ze aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Amendement nr. 85

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen op dit artikel een amendement in (amendement nr. 85) dat beoogt, middels de invoeging van een nieuw 10º in het eerste lid van artikel 71 van de nieuwe gemeentewet, diplomaten en hun gezinsleden expliciet van het toepassingsgebied van deelname aan de lokale verkiezingen uit te sluiten (zie ook amendement nr. 84).

Artikel 9

Amendement nr. 24

De heer Verreycken c.s. dient een amendement in (amendement nr. 24) om dit artikel te doen vervallen.

Wat betreft de verantwoording wordt verwezen naar de verantwoording van amendement nr. 17.

Amendement nr. 70

Amendement nr. 70 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van de wet van 30 december 1953 betreffende het verval van de Belgische nationaliteit uit hoofde van een veroordeling bij verstek wegens misdrijven tussen 26 augustus 1939 en 15 juni 1949 tegen de uitwendige veiligheid van de Staat gepleegd, teneinde ze aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Artikel 9bis (nieuw)

Amendement nr. 7

De heer Tobback en mevrouw Pehlivan dienen een amendement in (amendement nr. 7) dat er toe strekt artikel 1 van de wet van 19 oktober 1991 tot regeling van de provincieraadverkiezingen te wijzigen teneinde niet-Belgen het stemrecht te verlenen voor de provincieraadverkiezingen.

Amendement nr. 15

De heer Mahoux c.s. dienen eveneens een amendement in (amendement nr. 15) dat de niet-Belgen het stemrecht verleent voor de provincieraadverkiezingen. Voor de verantwoording wordt verwezen naar de verantwoording bij het amendement nr. 9.

Amendement nr. 86

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen een amendement in (amendement nr. 86) dat diplomaten en hun gezinsleden uitsluit van deelname aan de provincieraadverkiezingen (zie ook amendement nr. 84).

Amendement nr. 87

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen op dit artikel een amendement in (amendement nr. 87) dat de stemplicht opheft voor de provincieraadverkiezingen. Voor de verantwoording wordt verwezen naar de verantwoording die werd gegeven bij de bespreking van amendement nr. 90.

Amendement nr. 95

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen op dit artikel een amendement in (amendement nr. 95) dat op het vlak van de provincie een gelijkaardige regeling treft voor het vermoeden inzake de taalkennis als voor de taalgrensgemeenten. Deze regeling voorziet in een onweerlegbaar vermoeden van taalkennis voor degenen die rechtstreeks verkozen worden maar dit vermoeden kan worden weerlegd voor de burgemeester en schepenen op verzoek van een gemeenteraadslid (zie ook amendement nr. 93).

Artikel 9ter (nieuw)

Amendement nr. 16

De heer Mahoux c.s. dient een amendement in (amendement nr. 16) tot invoeging van een artikel 9ter (nieuw) om in de wet tot regeling van de provincieraadverkiezingen het actief en passief stemrecht voor onderdanen van vreemde nationaliteit op te nemen. Voor de verantwoording wordt verwezen naar amendement nr. 11.

Amendement nr. 88

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen een amendement in (amendement nr. 88) dat de uitsluiting van het stemrecht van diplomaten en hun gezinsleden voor de provincieraadverkiezingen (zie ook amendement nr. 84) invoegt in artikel 23 van de wet tot regeling van de provincieraadverkiezingen.

Artikel 9quater

Amendement nr. 89

De heren Van Quickenborne en Vankrunkelsven dienen een amendement in (amendement nr. 89) tot invoeging van een nieuw artikel 9quater dat de stemplicht opheft voor de provincieraadverkiezingen. Voor de verantwoording wordt verwezen naar de verantwoording die werd gegeven bij de bespreking van amendement nr. 90.

Artikel 10

Amendement nr. 25

De heer Verreycken c.s. dient een amendement in (amendement nr. 25) om dit artikel te doen vervallen.

Wat betreft de verantwoording wordt verwezen naar amendement nr. 17.

Amendementen nrs. 5 en 14

De heer Lozie (amendement nr. 5) en de heer Mahoux c.s. (amendement nr. 14) dienen elk op dit artikel een amendement in dat voorziet dat het voorstel in werking treedt zes maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad. De oorspronkelijk voorziene datum van inwerkingtreding, 1 januari 2002, kan niet meer gehaald worden. De heer Lozie meent dat eventueel de bepaling over de inwerkingtreding kan worden opgeheven zodat de wet tien dagen na de bekendmaking in werking treedt.

Amendement nr. 71

Amendement nr. 71 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van de wet van 21 juni 1960 houdende statuut van de militairen die tijdens de oorlog 1940-1945 in de Belgische Strijdkrachten in Groot-Brittannië gediend hebben, teneinde ze aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Amendement nr. 77

De heer Verreycken c.s. dient een amendement in (amendement nr. 77) om de inwerkingtreding van de wet te laten afhangen van een volksraadpleging waarbij de meerderheid van de bevolking zich dient uit te spreken over het toekennen van stemrecht aan niet-Europese vreemdelingen.

Artikel 11 (nieuw)

Amendement nr. 72

Amendement nr. 72 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van de wet van 30 maart 1962 betreffende het verval van de Belgische nationaliteit ten gevolge van de besluitwet van 20 juni 1945, teneinde ze aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Artikel 12 (nieuw)

Amendement nr. 73

Amendement nr. 73 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van de wet van wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, teneinde ze aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Artikel 13 (nieuw)

Amendement nr. 74

Amendement nr. 74 van de heer Verreycken c.s. beoogt een wijziging van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart, teneinde ze aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Artikel 14 (nieuw)

Amendement nr. 75

Amendement nr. 75 van de heer Verreycken c.s. beoogt een vervanging van de woorden « de nationaliteit » en « Belgische nationaliteit » door de woorden « het staatsburgerschap » en « het Belgisch staatsburgerschap » in alle bestaande wetsbepalingen, teneinde ze aan te passen aan het in amendement nr. 63 voorgestelde Wetboek van staatsburgerschap.

Artikel 15 (nieuw)

Amendement nr. 76

Amendement nr. 76 van de heer Verreycken c.s. bepaalt dat de wet in werking treedt de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

HOOFDSTUK VI

STEMMINGEN

A. Verklaringen bij de stemmingen

De heer Monfils merkt op dat het voorliggende wetsvoorstel een van de regeringspartijen voor een zeer ernstig probleem geplaatst heeft. Om de cohesie binnen de regering te vrijwaren is de vice-premier, Louis Michel, dan ook tot het besluit gekomen dat het raadzaam is de stemming over dit wetsvoorstel uit te stellen tot na de eerstvolgende federale verkiezingen. Het debat zou dan serener kunnen verlopen en ondertussen kan de bevolking terzake beter voorgelicht worden. De PRL-FDF-MCC ­ fractie heeft wel een voorstel in die zin gedaan, maar het bleek onmogelijk tot een akkoord te komen om de stemming over het voorliggende ontwerp uit te stellen. Aangezien zij niet wil dat nog tijdens deze zittingsperiode over het ontwerp gestemd wordt, al aanvaardt zij het principe mits enige kanttekeningen, is de PRL-FDF-MCC ­ fractie wel verplicht tegen het betreffende wetsvoorstel te stemmen. Duidelijkheidshalve trekt de PRL-FDF-MCC ­ fractie de drie amendementen in die zij ingediend heeft.

Mevrouw De Schamphelaere betreurt ten zeerste dat op een politieke onverantwoorde wijze wordt omgegaan met de grote integratiegedachte waar zij volledig achterstaat. De integratie van migranten is een belangrijke uitdaging voor de toekomst van de hele West-Europese samenleving. De CD&V-fractie beseft hoe groot het gevaar van de opkomst van extreem-rechts is, vooral als dit probleem niet goed wordt aangepakt en er niet aan medewerking van de bevolking wordt gewerkt. De CD&V-fractie is voor integratieopenheid en integratiebereidheid van de migranten die met de Belgische bevolking samenwonen en ze wil de integratiebereidheid stimuleren en bevorderen. Dat was de bedoeling van het amendement nr. 78 dat zij heeft ingediend. De CD&V-fractie heeft duidelijk aangetoond dat de snel-Belg-wet eigenlijk een politiek alibi was omdat binnen de regering geen akkoord bereikt werd over het migrantenstemrecht. De snel-Belg-wet heeft echter geleid tot een polarisatie zodat de meerderheidspartijen in feite een stap achteruitgezet hebben gezet in het integratiebeleid. Met de huidige snel-Belg-wet, blijkt er geen behoorlijke nationaliteitsverwerving meer mogelijk te zijn. De parketten en de Staatsveiligheid hebben te weinig tijd om een deskundig advies te geven. De integratiebereidheid wordt zelfs niet meer vereist.

De CD&V-fractie doet dan ook uitdrukkelijk beroep op de commissieleden om haar amendementen betreffende de aanpassing van de snel-Belg-wet zorgvuldig te willen overwegen.

Dit is de eerste voorwaarde voor de CD&V-fractie om te onderzoeken op welke wijze de integratie verder bevorderd kan worden, en of het migrantenstemrecht hiertoe een bijdrage kan vormen.

De heer Moureaux verklaart dat het standpunt van de PS-fractie bekend is en ongewijzigd gebleven is.

Met spijt stelt hij vast dat sommigen het argument aanvoeren dat het te vermijden is dat het thema van dit wetsvoorstel de volgende verkiezingscampagne overheerst, aldus het risico lopend dat dit inderdaad zal gebeuren. Hun houding is hypocriet, want om geen gezichtsverlies te lijden brengen zij het democratische, politieke leven van dit land in gevaar.

Senatoren zijn verkozen om hun plicht te vervullen. De socialistische senatoren hebben, wat hen betreft, het voorliggende wetsvoorstel volop gesteund, volgens de afspraken die tijdens de regeringsonderhandelingen zijn gemaakt, en zonder enige oekaze van buitenaf.

De heer Dallemagne betreurt de verklaring van de heer Monfils. Voor de laatste maal roept hij alle democratische fracties op om voor het wetsvoorstel te stemmen.

Een dergelijke gelegenheid zal zich immers voor lange tijd niet meer voordoen, aangezien de vele verkiezingen tijdens de volgende zittingsperiode elke discussie hierover zullen vergiftigen.

Elk commissielid zou in eer en geweten moeten stemmen, en niet een louter politiek getinte stem uitbrengen. Er zijn immers onderwerpen waarover men in eer en geweten moet kunnen stemmen, wil men de deur niet openzetten voor populistische ontsporingen.

De eerste minister heeft zich nooit ingelaten met dit dossier. Her kernkabinet heeft hierover nooit vergaderd om een compromis te vinden, terwijl het om een fundamentele aangelegenheid gaat, die verschillende regeringspartijen na aan het hart ligt. Deze partijen hebben van de eerste minister niet geëist dat hij zich hierin mengt en een ander standpunt inneemt dan dat van een VLD-lid. De PRL en de PS wilden er nochtans een regeringskwestie van maken. De regering moest zijn houding duidelijk bepalen. Er stonden reeds een aantal compromismogelijkheden open.

Het gaat om een principieel en symbolisch wetsvoorstel dat 2 % van het kiespubliek aanbelangt en waarvan vaststaat dat het niets aan de politieke machtsverhoudingen in dit land zou wijzigen. Het is van groot belang dat men de waarde van dit instrument vandaag correct inschat, aangezien het ook in de toekomst nuttig kan blijken, zowel in Europa als in België, waar niemand veilig is voor rechts-populistische bewegingen.

De heer Lozie wijst op het belang van de huidige stemming. Hij wijst er op dat de toestand in de komende jaren niet zoveel zal veranderen dat er later een gunstiger moment komt.

Hij heeft respect voor de overtuiging van iedereen, ook al druist die regelrecht in tegen zijn eigen opvattingen, ten minste voor zover men bereid is om zijn politieke verantwoordelijkheid te nemen voor die overtuiging.

Op de betoging voor het migrantenstemrecht van 10 maart 2002 in Brussel heeft de heer Lozie heel veel christelijke organisaties uit Vlaanderen gezien. Toch heeft hij sindsdien tot zijn spijt nog geen parlementslid dat nauw bij deze organisaties aanleunt, een positieve stemming over dit stemrecht horen overwegen.

Tijdens die betoging waren er opvallend veel jongeren aanwezig die beseffen dat ze hoe langer hoe meer in een multiculturele samenleving zullen leven. Zij wensen duidelijk een samenleving waarin iedereen op het lokale niveau politiek kan participeren.

Die betoging is ook het signaal dat, hoe dan ook, deze discussie later terugkomt tot er een beslissing wordt genomen die een dergelijke participatie mogelijk maakt.

Mevrouw Nagy heeft het voorliggende wetsvoorstel ingediend omdat het voordien herziene artikel 8 van de Grondwet toestond om vanaf 1 januari 2001 bij wet het stemrecht toe te kennen aan niet-Europese ingezetenen. Het is belangrijk daarop te wijzen, omdat de compromissen die geleid hebben tot de oorspronkelijke herziening van artikel 8 van de Grondwet, in twee stappen voorzagen. De eerste stap, betreffende de toekenning van stemrecht aan Europese ingezetenen, was opgelegd door het Verdrag van Maastricht, en stootte reeds op heel wat tegenkanting. Dan was er een soort uitstel tot na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2000.

Vanaf 1 januari 2001 werd het mogelijk een wet goed te keuren het stemrecht uitbreidt. Senator Jacky Morael, die deelgenomen heeft aan de onderhandelingen over het regeerakkoord, heeft bevestigd dat alle coalitiepartners het erover eens waren dat er een parlementair debat zou komen, en dat het Parlement de knoop zou doorchakkelen.

In een interview met La Dernière Heure van 21 januari 2002, heeft de eerste minister trouwens verklaard dat de parlementsfracties het stemrecht voor niet-Europeanen aan het bespreken waren. Het bleek niet erg aangewezen stante pede te beweren dat het een regeringskwestie oplevert. Uit de commisseiwerkzaamheden bleek inderdaad dat een overgrote meerderheid voor dit stemrecht gewonnen was.

Het argument dat de bevolking hiervoor niet gereed zou zijn, wordt niet bepaald gesteund door de peilingen die recent in de pers verschenen zijn. De aanwezigheid van talrijke Vlaamse bewegingen in de betoging van 10 maart 2002 is in dit verband wel tekenend.

Mevrouw Nagy wil nog pleiten voor de rol van de politicus als pedagoog en visionair. Vele burgers verwachten ook van hun verkozenen dat zij moedige standpunten innemen, en geen onbegrijpelijk standpunt.

In de Kamer is momenteel een discussie aan de gang over een verslag van hoogleraren betreffende de uitvoering van de nieuwe nationaliteitwet. Hieruit blijkt niet dat een verscherpte controle nodig is, maar wel dat de administratie, de parketten en de Dienst Vreemdelingenzaken over de nodige middelen moeten beschikken om hun taak maar behoren uit te voeren.

Men moet dus de nodige middelen vrijmaken om de wet correct toe te passen in plaats van de wet te wijzigen.

Ons democratische samenlevingsmodel is voorbestemd om aan iedereen stemrecht te verlenen. Het zou met logisch zijn dat men stemrecht toekent aan vreemdelingen uit een andere Europese lidstaat en het weigert aan de andere vreemdelingen.

De heer Verreycken stelt een zeer grote breuklijn vast dat tussen de verschillende partijen, tussen hen die voor de melting pot of de smeltkroesmaatschappij pleiten en hen die denken dat een maximale ontplooiing van een volk best wordt verwezenlijkt in eigen cultuurbedding : thuis.

Dit dossier is maatschappelijk onrijp. Dat is wellicht de reden waarom de eerste minister niet heeft ingegrepen. Hij probeert « Fortuyn » te maken door de vinger aan de pols van de maatschappij te houden, en door op het juiste ogenblik de juiste uitspraken te doen.

Een partijvoorzitter verklaart dat hij voor het voorliggende wetsvoorstel is, terwijl de senatoren van zijn partij tegen gaan stemmen.

In een andere partij zegt de voorzitter voor het wetsvoorstel te zijn maar dat de senatoren van zijn partij tegen zullen stemmen omdat Vlaanderen dat niet wil. In een derde partij is men intern zo zwaar verdeeld dat ze helemaal nog niet weten wat ze gaan doen.

Zelfs binnen de fracties van de meerderheid is dit dossier nog niet rijp. Diezelfde fracties beroepen zich op opiniepeilingen als argument maar verwerpen het voorstel om het migrantenstemrecht te laten bepalen door een referendum.

Alhoewel aan de betoging van 10 maart 2002 vele zelfverklaarde voorstanders van het referendum deelnamen heeft men niemand voor de organisatie van een referendum zien betogen alhoewel dit het enige middel is om te weten wat de bevolking over het migrantenstemrecht denkt.

Wat de aangevoerde opiniepeilingen betreft wijst de heer Verreycken op de onvoorstelbaar dubbelzinnigheid van de voorgelegde meerkeuzevragen terwijl op de eenvoudige vraag of men voor of tegen migrantenstemrecht enkel tot een duidelijk antwoord kan komen.

De meerderheidspartijen hebben zelf een voorstel tot uitstel van de stemming afgewezen hoewel dit dossier beter tot 4008 wordt uitgesteld om het dan met rijpere geesten en in een veranderde situatie te bespreken.

De heer Verreycken gaat dus met nadruk tegen het voorliggende wetsvoorstel stemmen.

Mevrouw Pehlivan zegt dat het er niet over gaat of de bevolking voor of tegen het wetsvoorstel is; het gaat om een democratisch principe. Hoewel velen ook tegen het vrouwenstemrecht waren is het toch ingevoerd. Evenmin kan men beweren dat de bevolking massaal tegen het voorliggende wetsvoorstel is. Studies hebben ook uitgewezen dat er ongeveer 40 % voor- en tegenstanders zijn.

De betoging van 10 maart 2002 heeft bovendien bewezen dat jongeren wel voor een multiculturele samenleving zijn en voor een politieke participatie van migranten.

Het is dus aan de politieke partijen om een duidelijk standpunt in te nemen en niemand is ermee gebaat dat er politieke spelletjes gespeeld worden. De bevolking vraagt gewoon duidelijkheid.

De verruiming van het stemrecht zal slechts leiden tot een kleine toename van het aantal kiesgerechtigden (2 %) zodat de vrees voor een politieke aardverschuiving niet gegrond is. Het gaat om een sociaal instrument dat men aan bepaalde groepen moet toekennen, die nu in achtergestelde plaatsen wonen, opdat ze meer kunnen participeren en meebeslissen.

Daarom zal de SP.A-fractie voor het voorliggende wetsvoorstel stemmen.

De heer Van Quickenborne situeert dit debat in de context van de verhouding tussen het Parlement en de regering. Sommige meerderheidspartijen deden in de voorbije maanden geloven dat zij het stemrecht voor migranten er toch zouden doorkrijgen. Op vraag van de regering gaat de PRL-FDF-MCC-fractie in de Senaat echter tegen het voorliggende wetsvoorstel stemmen. Dit betekent dat de Senaat zich eens te meer plooit naar de eisen van de regering en dat van de door premier Verhofstadt en de regering beloofde politieke vernieuwing en macht voor het Parlement niets in huis komt. De grote verliezer in dit debat is dus het Parlement.

Vroeger werd in het regeerakkoord vaak bepaald dat er geen wisselmeerderheid zou worden geduld. Hoewel dit in het huidige regeerakkoord staat en er zelfs werd gezegd dat het mogelijk zou zijn blijkt vandaag uit de praktijk dat er evenmin wisselmeerderheden mogelijk zijn.

Het is uiteindelijk aan de meerderheidspartijen die voor het migrantenstemrecht zijn, en die aan de stemming zullen meedoen, om af te wegen of hun regeringsdeelname al dan niet belangrijker is dan het stemrecht voor migranten.

Mevrouw Thijs is het eens met de heer Lozie als hij zegt dat de huidige stemming belangrijk is. Het is echter ook belangrijk om na te gaan hoe deze discussie in de Senaat gevoerd werd. Vanaf het begin heeft de CD&V-fractie heel duidelijk gesteld dat het stemrecht belangrijk en bespreekbaar was voor zover het aan de nationaliteitswet gekoppeld werd. Ze heeft dan ook op vraag van andere partijen, haar amendement nr. 78 ingediend om de snel-Belg-wet te veranderen. Dit amendement is echter niet ten gronde onderzocht.

De CD&V-fractie benadrukt dat het belangrijk is om eerst de snel-Belg-wet aan te passen, vooraleer de discussie over het stemrecht gevoerd kan worden. Daarom kan ze het helemaal niet eens zijn met de aanpak van de commissie. Ze zal dan ook tegen het voorliggende wetsvoorstel stemmen.

Mevrouw Kaçar vindt het cynisch en kafkaiaans dat de CD&V-fractie nu afkomt met de integratiegedachte en de integratiebereidheid terwijl CD&V het onthaal- en integratiebeleid van migranten zelf jarenlang heeft bepaald. Ook de snel-Belg wet is het resultaat van dit beleid. Die wet wordt nu in de Kamer geëvalueerd en, zonodig, aangepast. De CD&V-fractie kan beter bij die evaluatie in de Kamer een duidelijk standpunt innemen. Het wetsvoorstel dat hier ter tafel ligt betreft enkel het migrantenstemrecht.

Ook is het opmerkelijk dat bijvoorbeeld niets wordt gezegd over de integratie van Spanjaarden die als Europese onderdanen over het stemrecht beschikken, terwijl wel wordt gesproken van de integratie van andere groepen burgers. Men is selectief in de groepen waarvan men integratie eist.

Door de schuld van een deel van de toenmalige CVP zijn er reeds vroeger gelegenheden voorbijgegaan om het stemrecht aan migranten toe te kennen. Zij herinnert onder meer aan de beloften van premier Dehaene tijdens de zaak Loubna Ben Aïssa. Dezelfde partij blokkeert nu het voorliggende voorstel. Daarmee nemen zij een grote verantwoordelijkheid voor de toekomst. Het voorliggende wetsvoorstel is een onontbeerlijk onderdeel van een langdurig integratiebeleid ten aanzien van de burgers.

Dit is wel een mooie ambitie maar waarom wil men de bevolking ook niet voor andere dossiers opvoeden (rond euthanasie, bijvoorbeeld) ?

Sommigen hebben schrik voor de verzuring in een bepaalde Vlaamse kringen. Maar wat doen we echter met de verzuring binnen de allochtone gemeenschappen ? Als de commissie haar verantwoordelijkheden niet ernstig neemt zal die in de toekomst als een boemerang terugkomen. Hoe lang nog zal deze bevolkingsgroep moeten wachten om betrokken te worden bij de gemeenschap waar ze in leeft.

Mevrouw Kaçar herinnert de heer Monfils eraan dat PRL-voorzitter Ducarme, reeds in het vooruitzicht van de lokale verkiezingen van oktober 2000, het stemrecht aan de Turkse gemeenschap in Schaarbeek heeft beloofd. Nu tegen het voorstel stemmen is terugkomen op een gegeven woord.

Ten slotte stelt zij dat het debat over het stemrecht niet van vandaag dateert en niet van de politieke agenda zal verdwijnen, wat ook het resultaat van de huidige stemming kan zijn.

De heer Tobback beweert dat stemmen belangrijker is dan het afleggen van historische verklaringen.

Het is een fout om deze zaak op de lange baan te willen schuiven. Het is niet goed voor het Parlement. Men moet zich verschuilen achter de regeringsverklaring : zij bevat geen enkele bepaling over het migrantenstemrecht, zodat het Parlement, net als voor euthanasie, volkomen vrij kan bepalen welke richting het wenst te gaan.

Nu wordt het debat gevoerd door mensen die niets met de Senaat te maken hebben. De CD&V kondigde zopas haar stemgedrag aan op de radio. Waarom doet zij dat niet in de Senaat ?

Het aantal mensen dat in aanmerking komt voor de uitbreiding van het stemrecht is overigens van geen belang. Het gaat om het principe.

Men mist hier een zoveelste kans maar tot spijt van wie het benijdt, dit debat komt terug, zelfs al zal het in de kaart spelen van rechts.

In geen enkel debat heeft hij het nu vertoonde cynisme meegemaakt, zelfs niet bij het abortusdebat.

Welke indruk denkt men dat dit geeft bij de bevolking ?

De heer Monfils verraste hem bij het begin van de bespreking door de grote stelligheid waarmee hij de zaak vooruit wou helpen. Daarna wou hij zich plots onthouden, en nu stemt hij tegen. Dit is dan nog contradictorisch met de houding van de PRL in het Waals Parlement, die daar een motie pro-stemrecht mee goedkeurde. Wie denkt men hiermee van zijn geloofwaardigheid te overtuigen ?

Hoe geloofwaardig is Michel nog ten overstaan van Haider ?

Overigens is de Vlaamse opinie niet zo homogeen tegen als de VLD wil doen geloven. Enquêtes tonen aan dat er minstens een verdeeldheid is.

De dubbelzinnigheid van de CD&V blijkt ook uit hun deelname aan de betoging voor het migrantenstemrecht. Hoelang zullen de progressieven binnen deze partij zich nog laten vangen door de conservatieven ?

CD&V stond overigens aan de wieg van de snel-Belg-wet. De eerste zware versoepeling gebeurde tijdens de regering-Dehaene.

Na de zaak-Ben Aïssa was de regering gewonnen voor een versoepeling, doch dat was toen grondwettelijk onmogelijk. Dehaene zelf pleitte onlangs nog in De Standaard voor de goedkeuring van het stemrecht.

Mevrouw Leduc verklaart dat zij uit de hoorzittingen veel heeft geleerd, onder andere van mevrouw Foblets, die er op wees dat er twee manieren zijn om politiek medebeslissingsrecht te verlenen aan vreemdelingen :

1. door de ontkoppeling nationaliteit-politieke rechten;

2. door een versoepeling van de interne wetgeving op de nationaliteitsverwerving.

Bij de aanvang van de legislatuur hebben wij de keuze gemaakt om politiek medebeslissingsrecht te geven via de snel-Belg-wet. Wij hebben daardoor de soepelste naturalisatiewet ter wereld en hebben aldus een keuze gemaakt. Voor andere landen was stemrecht een integratiepoging om de vreemdelingen te leiden naar naturalisatie.

België maakte die omweg niet. Sommige allochtonen kunnen zelfs hun oorspronkelijke nationaliteit behouden door een dubbele nationaliteit aan te nemen.

Ook ontstaat er door het wetsvoorstel een echte ongelijkheid. De enen krijgen stemrecht, de anderen hebben stemplicht. De Belgen hebben een stemplicht maar vreemdelingen hebben de keuze om aan de verkiezingen deel te nemen.

De vreemdelingen die we hier hoorden en dezen van de betoging nemen duidelijk geen genoegen met lokaal stemrecht.

Het ging zelfs zover dat sommigen voor deze commissie kwamen verklaren dat ze geen knieval willen doen om Belg te worden ! Dit was manifest een verkeerd signaal.

De VLD hoort wat aan de basis leeft. Door nu pro te stemmen, zou ze een verkeerd signaal geven, namelijk dat het niet nodig is om zich te integreren en om de taal te leren.

En dat alles mag niet doen vergeten dat er miljoenen werden gespendeerd om de integratie te bevorderen, bijvoorbeeld in het onderwijs in Limburg.

Wanneer er verkrotting is in buurten waar allochtonen wonen, dan is dat in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lokale politici die onvoldoende aandacht schenken aan al hun inwoners.

De heer Vandenberghe stelt vast dat dit debat al te gepolariseerd is wat leidt tot een versmalling van de problematiek. Het breed belang van zijn voorstellen wordt niet onderkend.

De snel-Belg-wet zit fundamenteel verkeerd omdat ze geen enkele integratie vereist. Zo organiseert men een nieuwe apartheid. Vandaar de noodzaak om erover te discussiëren.

CD&V is geen stemvergaarbak waaruit de meerderheid kan putten naar believen. Als men een ernstige discussie wil moet men op een ernstige manier omgaan met het standpunt van zijn fractie.

Mevrouw Bouarfa geeft uiting aan haar gevoelen van teleurstelling en verontwaardiging. Sinds 30 jaar eisen volksbewegingen het stemrecht. Nu zijn er drie categorieën van nationaliteiten : Belgen, EU-burgers en de anderen. Dit is niet bevorderlijk voor een goede verstandhouding tussen buurtbewoners.

De houding van de VLD is jammer, maar begrijpelijk. De ommezwaai van de PRL echter is ronduit schandalig, vooral na hun positieve stemming in het Waals Parlement.

Mevrouw Nagy herinnert eraan dat de kwestie van het verband tussen stemrecht en nationaliteit nu geregeld is in de Grondwet en in het Verdrag van Maastricht.

De heer Moureaux wil niemand terechtwijzen, maar het is duidelijk dat hier een debat aan de gang is tussen hen die een zuivere cultuur voorstaan, en hen die een visie hebben op de manier waarop de wereld van morgen georganiseerd kan worden.

De eerste groep denkt in negentiende-eeuwse termen, toen de natiestaten opkwamen. Het is een achterhaalde visie.

Tegen mevrouw Leduc werpt hij op dat het gemakkelijk is vrijgevig te zijn wanneer men in een welvarende streek woont. Maar de immigranten wonen nu eenmaal in arme gemeenten. Er is duidelijk een gebrek aan solidariteit.

Het afwijzen van het stemrecht zal de problemen nog doen toenemen; het komt de sociale samenhang niet ten goede.

De heer Monfils heeft gewezen op de omstandigheden waarin de stemming plaatsheeft. De Senaat staat niet buiten de realiteit. Het spreekt vanzelf dat politieke overwegingen een rol spelen. Na onderzoek heeft men besloten het probleem uit te stellen. De volgende gemeenteraadsverkiezingen vinden tenslotte pas in 2006 plaats.

Het probleem kan dus bij de vorming van de volgende regering opgelost worden.

b) Stemming over de artikelen

Opschrift

De commissie besluit om de stemming over de amendementen nrs. 1 en 9 uit te stellen tot er meer duidelijkheid is over de stemming over de amendementen ten gronde.

Artikel 1

Dit artikel wordt aangenomen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikelen 1bis, 1ter, 1quater, 1quinquies, 1sexies en 1septies (nieuw)

Amendement nr. 78

De commissie houdt een gesplitste stemming over elk van de in te voegen nieuwe artikelen. Elk voorgesteld artikel wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen bij 6 onthoudingen. Amendement nr. 78 wordt dus volledig verworpen.

Artikel 2

Amendement nr. 17

Dit amendement wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Amendement nr. 3

Dit amendement wordt aangenomen met 5 tegen 2 stemmen bij 8 onthoudingen.

Amendement nr. 81

Dit amendement wordt ingetrokken.

Amendement nr. 83

Dit amendement wordt verworpen met 3 tegen 2 stemmen bij 10 onthoudingen.

Amendement nr. 84

Dit amendement wordt verworpen met 3 tegen 2 stemmen bij 10 onthoudingen.

Amendement nr. 97

Dit amendement wordt verworpen met 3 tegen 2 stemmen bij 10 onthoudingen.

Amendement nr. 98

Dit amendement wordt ingetrokken.

Amendement nr. 11

Ingevolge de aanneming van amendement 3 wordt dit ingetrokken.

Amendement nr. 63

Dit amendement wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Amendement nr. 6

Dit amendement wordt ingetrokken.

Amendement nr. 26

Dit amendement wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Amendement nr. 27

Ingevolge de verwerping van amendement 26 vervalt dit amendement.

Amendementen nrs. 28 tot en met 60

Al deze amendementen worden verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Amendement nr. 80

Dit amendement wordt ingetrokken.

Amendement nr. 96

Dit amendement wordt ingetrokken.

Het aldus geamendeerde artikel wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikel 2bis (nieuw)

Amendement nr. 79

Amendement nr. 79 wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikel 3

Amendement nr. 18

Dit amendement wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Amendementen nrs. 2, 10 en 61

Ingevolge de verwerping van amendement nr. 18 vervallen deze amendementen.

Amendement nr. 8

Dit amendement wordt verworpen ingevolge staking van stemmen, 1 stem voor, 1 stem tegen bij 13 onthoudingen.

Amendement nr. 64

Dit amendement wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Het artikel wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikel 3bis (nieuw)

Amendement nr. 90

Dit amendement wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 5 onthoudingen.

Artikel 3ter (nieuw)

Amendement nr. 91

Dit amendement wordt verworpen met 12 stemmen bij 3 onthoudingen.

Artikel 4

Amendement nr. 12

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen wordt dit amendement ingetrokken.

Amendementen nrs. 19 en 65

Deze amendementen worden beide verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Het artikel wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikel 4bis (nieuw)

Amendement nr. 94

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen wordt dit amendement ingetrokken.

Artikel 5

Amendementen nrs. 20 en 66

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen worden deze amendementen ingetrokken.

Het artikel wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikel 6

Amendementen nrs. 21 en 67

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen worden deze amendementen ingetrokken.

Het artikel wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikel 6bis

Amendement nr. 92

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen wordt dit amendement ingetrokken.

Artikel 7

Amendementen nrs. 4, 13, 22, 62 en 68

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen worden deze amendementen ingetrokken.

Het artikel wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikel 7bis (nieuw)

Amendementen nrs. 82 en 93

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen worden deze amendementen ingetrokken.

Artikel 8

Amendementen nrs. 23, 69 en 85

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen worden deze amendementen ingetrokken.

Het artikel wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikel 9

Amendementen nrs. 24 en 70

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen worden deze amendementen ingetrokken.

Het artikel wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikel 9bis (nieuw)

Amendementen nrs. 7, 15, 86, 87 en 95

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen worden deze amendementen ingetrokken.

Artikel 9ter (nieuw)

Amendementen nrs. 16 en 88

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen worden deze amendementen ingetrokken.

Artikel 9quater (nieuw)

Amendement nr. 89

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen wordt dit amendement ingetrokken.

Artikel 10

Amendementen nrs. 5, 14, 25 en 71

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen worden deze amendementen ingetrokken.

Amendement nr. 77

Dit amendement wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1 stem.

Het artikel wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Artikelen 11, 12, 13, 14 en 15 (nieuw)

Amendementen nrs. 72, 73, 74, 75 en 76

Ingevolge de verwerping van de voorgaande amendementen worden deze amendementen ingetrokken.

Ingevolge de verwerping van de artikelen 2 tot 10 en de erop ingediende amendementen vervallen de amendementen nrs. 1 en 9.

C. Stemming over het geheel

Het voorstel van wet in zijn geheel wordt verworpen met 9 tegen 6 stemmen.

Ingevolge de verwerping van amendement nr. 77 wordt het wetsvoorstel nr. 2-582/1 verworpen. Ingevolge de verwerping van dit wetsvoorstel zijn de wetsvoorstellen nrs. 2-587/1, 2-880/1 en 2-954/1 eveneens verworpen.

Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 13 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitter,
Mia DE SCHAMPHELAERE. Anne-Marie LIZIN.
Meryem KAÇAR.
Philippe MOUREAUX.