Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-46

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Financiën

Vraag nr. 1446 van de heer de Clippele d.d. 25 juli 2001 (Fr.) :
Burgerlijk Wetboek inzake successierechten. ­ Toepassing van artikel 555 door de ontvangers van de dienst der Registratie.

Het is me ter ore gekomen dat de ontvangers van de dienst der Registratie artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek op een vreemde manier toepassen. In dat artikel is er sprake van een schadevergoeding ten laste van diegenen die een terrein bezitten waarop een derde gebouwen heeft opgetrokken.

De gevallen die me zijn voorgelegd, hebben te maken met de eventuele toepassing van artikel 9 van het Wetboek der successierechten. Als de bouw van het pand gefinancierd werd door de vruchtgebruiker is het dan zo dat de dienst der Registratie het recht heeft om van de blote eigenaar een schadevergoeding te eisen die berekend is in overeenstemming met artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek ?

Dient men er niet van uit te gaan dat de dienst der Registratie een derde blijft en niet gemachtigd is om een regel van het burgerrecht op te leggen als die regel niet verplicht is en de partijen de toelating hebben om ervan af te wijken ?

In bepaalde gevallen gaat de dienst der Registratie zelfs zover dat artikel 555 wordt toegepast op een gebouw dat door een echtpaar opgetrokken is op een terrein dat van één van hen is. Als degene die niet de eigenaar van het terrein is, het eerste overlijdt, heeft men bij het regelen van diens erfenis het recht van de eigenaar een schadevergoeding eisen.

Artikel 16 van het Wetboek der successierechten legt overigens uit hoe de vergoedingen moeten worden berekend in het geval er kinderen zijn.

Aangezien artikel 555 van het Burgerlijke Wetboek geen schadevergoeding oplegt, maar de rechthebbende de toelating geeft om die te eisen, ben ik van mening dat de dienst der Registratie niet gemachtigd is om zich in de plaats van de belastingplichtige mag stellen om een element van het vermogen te belasten dat niet opgeëist is en dat bijgevolg niet bestaat.

Hoe verklaart de geachte minister dat de dienst der Registratie artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek toepast bij nalatenschappen waarbij het niet dient te worden toegepast of bij nalatenschappen waarbij de erfgenamen de toepassing ervan niet hebben gevraagd ?

Antwoord : Indien beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde met zijn eigen materialen op het erf van iemand anders, heeft de eigenaar van het erf het recht die voor zich te behouden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen (artikel 555, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering in waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt. In aanwezigheid van een bezitter te goeder trouw, heeft de eigenaar de keuze om ofwel de waarde van de materialen en het arbeidsloon te vergoeden, ofwel een bedrag te betalen dat gelijk is aan de door het erf verkregen meerwaarde (artikel 555, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Kunstmatige natrekking gebeurt steeds mits vergoeding. De vergoeding is de noodzakelijke tegenprestatie van de kunstmatige natrekking (zie De Page, « Traité élémentaire de droit civil belge », deel VI, nr. 62).

Luidens artikel 9 van het Wetboek der successierechten worden de onroerende goederen, die door de overledene verkregen werden ten bezwarende titel voor het vruchtgebruik en door een derde voor de blote eigendom, voor de heffing van het uit hoofde van de nalatenschap van de overledene eisbaar successierecht, geacht in volle eigendom in dezes nalatenschap voorhanden te zijn en door de derde als legaat te zijn verkregen, tenzij bewezen wordt dat de verkrijging niet een bedekte bevoordeling ten behoeve van de derde is.

De goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van de verkrijging beoogd door artikel 9 van het voormeld wetboek worden geacht zich in volle eigendom in het patrimonium van de overledene te bevinden, en de medecontractant wordt als legataris van deze goederen beschouwd. Daaruit volgt dat deze goederen in de aangifte van nalatenschap moeten worden aangegeven volgens hun staat en waarde op het ogenblik van het overlijden.

In principe, wanneer de waardevermeerdering voortvloeit uit verbeteringswerken aangebracht aan de goederen of uit de oprichting van nieuwe constructies op de overgedragen goederen, die uitgevoerd werden na de verrichting, wordt het recht berekend op de waarde van het goed met inbegrip van de verbeteringswerken en constructies.

Aangezien er evenwel slechts een legaat kan zijn in de mate dat de als legataris beschouwde persoon zich ten kosteloze titel verrijkt heeft, moet het volgende voorbehoud gemaakt worden :

a) in geval van oprichting van een gebouw :

1º indien de als legataris aangemerkte persoon bewijst dat hij de gebouwen op zijn kosten heeft opgericht, wordt het bedrag van de uitgave afgetrokken van de waarde van het als legaat aangemerkte goed;

2º indien daarentegen de gebouwen werden opgericht op kosten van de overledene, moet van het emolument van de als legataris aangemerkte derde de vergoeding voorzien door artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek worden afgetrokken (materialen en arbeidsloon); dit bedrag moet in het actief van de gewone nalatenschap van de overledene worden opgenomen, tenzij dit bedrag voordien reeds aan laatstgenoemde was terugbetaald. Indien de overledene verklaard had te verzaken aan elke vergoeding kan er niets worden afgetrokken (zie « Répertoire notarial », titel XV, boek II, « Droits de succession et de mutation par décès », nr. 346).

Wanneer de als legataris beschouwde derde beweert dat het gebouw op zijn kosten werd opgetrokken, dient hij dit te bewijzen.

b) in geval van verbeteringswerken : indien de als legataris beschouwde derde bewijst dat hij, vóór het openvallen van de nalatenschap, noodzakelijke of nuttige uitgaven heeft verricht die het verkregen goed ten goede kwamen, kunnen deze kosten volledig in mindering gebracht worden van de waarde van het als gelegateerd beschouwde goed. Er is evenwel geen enkele vermindering toegestaan voor de door de derde gedane weelde-uitgaven (of luxe-uitgaven, met andere woorden zuiver voor het genoegen).

De administratie verplicht de blote eigenaar dus niet tot het vorderen van een vergoeding, maar belast de legataris in de mate dat hij zich ten kosteloze titel heeft verrijkt, en overeenkomstig de voormelde beperkingen.

Wat betreft de vergoeding die verschuldigd is ten gevolge van de oprichting van een onroerend goed, op kosten van het gemeenschappelijk vermogen, op een grond die toebehoort aan één van de echtgenoten, wordt de aandacht van het geachte lid gevestigd op het volgende.

Er is vergoeding verschuldigd door of aan het gemeenschappelijk vermogen naargelang dit laatste voordeel gehaald heeft uit het eigen vermogen van een echtgenoot of zich verarmd heeft in voordeel van dit vermogen (artikelen 1432 en 1434 van het Burgerlijk Wetboek).

Volgens sommige auteurs is de theorie van de vergoedingen niet van openbare orde en staat het de echtgenoten vrij ervan af te zien. Andere auteurs stellen dat dergelijke bedingen steeds nietig zijn, aangezien ze in tegenstrijd zijn met de economie van het stelsel.

Tijdens het huwelijk kunnen de echtgenoten niet op algemene wijze verzaken aan de toepassing van het systeem van vergoedingen zonder de voor alle wijzigingen inzake huwelijksovereenkomsten voorgeschreven formaliteiten na te leven. Een echtgenoot kan, voor een specifiek geval, afstand doen van de vordering van de vergoeding. Een dergelijke afstand staat gelijk met een gifte tussen echtgenoten.

Na de ontbinding van het stelsel kunnen de echtgenoten of hun erfgenamen een overeenkomst treffen over de kwijtschelding of het ontslag van vergoedingen. Dit beding dient beschouwd te worden als een schenking door de schuldeiser van de vergoeding aan de schuldenaar van de vergoeding.

Bij gebrek aan kwijtschelding van de vergoeding dient deze, krachtens artikel 15 van het Wetboek der successierechten, aangegeven te worden in het actief van de nalatenschap, behoudens toepassing van artikel 16 van het Wetboek der successierechten.

Er wordt voor de heffing van het successierecht in rechte nederdalende lijn of tussen echtgenoten met gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen inderdaad geen rekening gehouden met de terugnemingen en vergoedingen die verbonden zijn aan de gemeenschap die heeft bestaan tussen de overledene en een echtgenoot, bij welke hij bij zijn overlijden levende kinderen of afstammelingen heeft (artikel 16 van het Wetboek der successierechten).