2-989/3 | 2-989/3 |
20 DECEMBER 2001
Evocatieprocedure
Het ontwerp van programmawet werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers goedgekeurd op 18 december 2001 (stuk Kamer, nr. 50-1503/23).
Het werd overgezonden aan de Senaat op 18 december 2001, die het op 18 december 2001 geëvoceerd heeft.
Met toepassing van artikel 27.1, tweede lid, van het reglement van de Senaat heeft de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging de bespreking aangevat op 11 december 2001. De bespreking van het ontwerp werd voortgezet in de vergadering en van 19 en 20 december 2001.
Artikel 95 van de programmawet vormt de wettelijke grondslag voor de oprichting van een staatsdienst met afzonderlijk beheer voor het Koninklijk Museum voor het leger en de krijgsgeschiedenis, bepaald in artikel 140 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit.
Het Koninklijk Museum voor het leger en de krijgsgeschiedenis is een wetenschappelijke instelling van de federale Staat, die tot de bevoegdheid van de minister van Landsverdediging behoort. De bepaling heeft tot doel aan dat museum een beheersautonomie toe te kennen vergelijkbaar met deze van andere federale wetenschappelijke instellingen. Via deze autonomie en met inachtneming van de beheersregels die een dergelijke staatsdienst kenmerken, zijn de activiteiten uit te breiden en te verbeteren.
Op een vraag van mevrouw Willame-Boonen antwoordt de minister dat het besproken artikel het bijvoorbeeld mogelijk zal maken om de opbrengst van een tentoonstelling die georganiseerd werd door het Museum voor het leger, te gebruiken voor de organisatie van een andere tentoonstelling.
De Staatssecretaris benadrukt het feit dat de artikelen 132 tot 140 van de programmawet niets veranderen aan het hoofddoel en de basisstructuur van de Belgische Technische Coöperatie (BTC).
Sinds haar oprichting in 1998 heeft de BTC te kampen met praktische problemen. Nu moet er dus spoedig een wettelijk kader komen dat het nieuwe beheerscontract vergt om de vennootschap soepeler te laten functioneren.
De regeling van de maandelijkse voorschotten, dat zeer problematisch is gebleken, moet vervangen worden door een soepeler mechanisme.
Ook moet het wettelijk kader van het personeelsbeheer versoepeld worden teineinde de werving van contractueel personeel te vergemakkelijken.
De thans geldende wet bepaalt immers dat het statuut van het personeel van de BTC vergelijkbaar moet zijn met dat van de rijksambtenaren, en dat het inzetten van contractueel personeel alleen toegestaan is om aan uitzonderlijke en tijdelijke behoeften te voldoen.
Een dergelijk statuut is voor de BTC echter niet werkbaar omdat het werkvolume dat zij van de Staat ontvangt, sterk varieert. Met uitzondering van een vaste kern medewerkers, waarvan het ontwerpstatuut bijna voltooid is, beschikt de BTC niet over de nodige middelen om vast personeel in dienst te nemen.
Ook moeten sommige termijnen voor de uitoefening van de procedure van het administratief toezicht op de BTC verkort worden.
Met toepassing van het regeerakkoord legt het wetsontwerp ook een nieuwe taak op aan de BTC : de uitvoering van programma's ter bevordering van eerlijke handel.
De heer Mahoux vestigt de aandacht op het personeelsprobleem van de BTC. Hij vraagt de staatssecretaris nadere uitleg over de geplande wijziging inzake personeelsbeheer.
Hij wenst eveneens te vernemen hoever het staat met de naleving van de voorwaarden voor het behoud van het « statuut van 1967 », die werden vastgesteld in de wet van 21 december 1998 tot oprichting van de BTC, wat betreft de voormalige ontwikkelingswerkers. Ook vraagt hij hoeveel ontwikkelingswerkers van het vroegere ABOS zijn overgenomen door de BTC.
De staatssecretaris antwoordt dat het ontwerp van programmawet niets verandert aan de bepalingen die gelden voor de vroegere ambtenaren van het ABOS of voor de voormalige ontwikkelingswerkers met het « statuut van 1967 » die willen overstappen naar de BTC.
Met toepassing van de wet van 21 december 1998 kunnen zij hun oorspronkelijke statuut gedurende twee jaar behouden.
Bij het aantreden van deze regering bestond de BTC amper. Er waren slechts enkele mensen benoemd.
Naast de medewerkers van het vroegere ABOS, die hun « statuut van 1967 » behielden, heeft de vennootschap dus personeel op contractuele basis moeten werven.
De regering heeft dan met toepassing van de wet van 21 december 1998 een ontwerp van personeelsstatuut opgesteld.
Dit heeft echter geen concrete resultaten opgeleverd, aangezien de regering besefte dat het erg moeilijk zou zijn voor de BTC om personeel in vast dienstverband te werven, tenzij dan een vaste kern van medewerkers, voornamelijk van de hoofdzetel in Brussel, die dankzij de goedkeuring van deze programmawet uiteindelijk een statuut zouden kunnen krijgen.
De goedkeuring van de programmawet is ook spoedeisend geworden omdat de Raad van State in een recent arrest de BTC verbiedt projectleiders die in partnerlanden wonen, contractueel te werven, met als argument dat de wet wervingen op basis van een statuut oplegt.
Een statuut verlenen in de wettelijke zin aan medewerkers in het veld zou leiden tot dezelfde situatie die in het verleden kritiek heeft uitgelokt.
Het nodige aantal in het partnerland wonende medewerkers hangt nauw samen met de ontwikkelingen, de omvang en de kenmerken van de bilaterale samenwerking die tot stand komt.
Er moeten dus contractuele wervingen plaatshebben.
De heer Mahoux meent dat het recente arrest van de Raad van State alle soorten wervingen door de BTC momenteel in feite onwettig maakt.
Hij wil weten welke situatie die arrest precies doet ontstaan.
Hij vraagt hoeveel mensen de BTC kan werven en in welke contractuele situatie de mensen die er nu al werken, zich bevinden.
De heer Geens erkent dat hij het recente arrest van de Raad van State niet goed begrijpt. De BTC heeft wisselende personeelsbehoeften aangezien de Belgische ontwikkelingssamenwerking er nu eenmaal van jaar tot jaar anders uitziet.
Hij begrijpt niet goed dat een statuut wordt geëist voor het overzeese personeel, aangezien het aantal van 25 landen waar de BTC momenteel actief is, elk ogenblik kan worden ingeperkt.
Daar komt nog bij dat het statuut van het overzeese personeel van land tot land zou verschillen.
Dit wetsvoorstel wil de BTC de nodige technische middelen aanreiken om te kunnen functioneren.
Bovendien is de afschaffing van het systeem van de maandelijkse voorschotten een goede zaak.
De staatssecretaris verklaart dat de vaste medewerkers van de BTC, ongeveer 45 personen, een statuut zullen krijgen. Thans gaat het om hetzij ambtenaren van het vroegere ABOS die hun statuut behouden hebben, hetzij personen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Ongeveer 85 ontwikkelingswerkers met het « statuut van 1967 » werken nog voor de BTC.
Deze ambtenaren kunnen vragen om individueel gereïntegreerd te worden in de administratie binnen een termijn van twee jaar vanaf hetzij de bekendmaking van de regels aangaande het personeelsbeleid van de BTC, hetzij hun effectieve overstap naar de BTC.
Dit wetsontwerp heeft tot doel om contractuele personeelsleden die momenteel voor de BTC werken, toe te staan om op die basis verder te werken zolang de specifieke nieuwe regels inzake personeelsbeleid van de vennootschap niet zijn goedgekeurd.
De heer Mahoux zou graag in grote lijnen de regels kennen van het personeelsbeleid dat wordt voorbereid alsook het aantal mensen dat thans in het veld voor de BTC werkt.
De staatssecretaris antwoordt dat thans ongeveer 200 mensen in het veld voor de BTC werken, van wie er ongeveer 85 ontwikkelingssamenwerkers zijn op wie het « statuut van 1967 » van toepassing is. Zij genieten een schorsing van dit statuut om contractuele prestaties te verrichten voor de BTC. Na afloop van die prestaties is het statuut van 1967 opnieuw op hen van toepassing.
De termijn van twee jaar die hun is toegekend en binnen welke zij moeten kiezen voor de nieuwe regels inzake personeelsbeheer van de BTC of voor hun statuut van 1967, is nog niet ingegaan aangezien die nieuwe regels nog niet bestaan.
Thans zijn de ontwikkelingswerkers op wie het « statuut van 1967 » van toepassing is, in overtal, doch dit overtal zal uiteindelijk verdwijnen aangezien die ontwikkelingswerkers weldra binnen een termijn van twee jaar een keuze moeten maken tussen contractuele prestaties met toepassing van de nieuwe regels inzake personeelsbeheer van de BTC of de overheidssector.
Velen van hen hebben al gevraagd om opnieuw opgenomen te worden in de overheidssector en sommigen werken nu al in verschillende ministeries.
Artikel 95
Mevrouw Thijs vraagt hoe groot de jaarlijkse begroting voor het Museum van het leger en de krijgsgeschiedenis is.
Past deze hervorming in de reorganisatie van het leger ? Zal deze hervorming een weerslag hebben op de begroting van Defensie ? Zal er een beheerscontract worden gesloten tussen Landsverdediging en het museum ? Welk statuut zal het personeel van het museum krijgen ? Hoe groot is het huidige personeelsbestand van het museum (burgerlijk, militair en contractueel personeel) ? Verleent het desbetreffende artikel autonomie aan het museum om personeel in dienst te nemen ? Zijn er voldoende wachters om een veilige toegang tot alle zalen te verzekeren ? Met welke maatregelen werd het tekort aan wachters ondervangen ? Is de Staat verzekerd tegen diefstal ? Hoe staat het met de toegankelijkheid van een aantal kostbare verzamelingen voor het grote publiek ? Hoe staat het met de toegankelijkheid van de verzameling « zware voertuigen » voor het publiek ? Welke plannen zijn er voor de restauratie en de inrichting van de nieuwe hallen van het museum ? Hoe staat het met de privé-partners voor het museum ? Mevrouw Thijs is voorstander van het behoud van de vrije toegang tot het museum.
De heer Maertens heeft vragen bij het lot van de archieven van vóór de Tweede Wereldoorlog, die zich nog in Moskou bevinden, en bij de toegang van het publiek tot de archieven van na de oorlog, die bewaard worden in het Museum van het leger en de krijgsgeschiedenis.
De minister antwoordt dat de begroting voor het museum momenteel 210 miljoen frank beloopt.
De hervorming waarvan sprake zou geen weerslag mogen hebben op de begroting van Landsverdediging die voor de werking van het museum wordt toegekend.
De oprichting van een staatsdienst met afzonderlijjke beheer past inderdaad in de hervorming van het leger.
Momenteel werken er 122 mensen in het museum, vanwie 80 militairen, 21 burgers en 21 contractuelen.
Het personeelsbestand van het museum zal altijd burgerlijk statutair personeel en militair personeel omvatten.
De toekomstige Staatsdienst met afzonderlijk beheer zal met eigen middelen contractueel personeel in dienst kunnen nemen.
Alle ingerichte zalen zijn momenteel toegankelijk voor het publiek.
Alleen enkele kostbare verzamelingen zijn niet toegankelijk.
De jongste jaren zijn er bijzondere veiligheidsmaatregelen genomen door het museum; de bewaking is dag en nacht verzekerd.
Bovendien zullen er nog bijkomende hallen worden gerestaureerd.
De oprichting van een Staatsdienst met afzonderlijk beheer zal het openbaar en privé-partnership ten goede komen.
Inzake de toegang tot de archieven werd er niets gewijzigd.
Over het behoud van de vrije toegang tot het museum werd er nog niets beslist.
Artikel 132
Mevrouw Thijs vraagt of het principe van de eerlijke handel verenigbaar is met de regels van de Wereldhandelsorganisatie ?
In welk budget wordt voorzien om de nieuwe, door dit artikel gevestigde bevoegdheid uit te oefenen ?
Welke initiatieve werden reeds genomen om de « eerlijke handel » aan te moedigen ?
Volgens de Raad van State zegt de toelichting bij het artikel weinig over de inhoud van de programma's ter bevordering van de eerlijke handel noch over hun specifiek karakter.
Mevrouw Thijs betreurt dat de werkzaamheden met betrekking tot het wetsvoorstel over de sociaal verantwoorde productie niet sneller opschieten. Zij vraagt of volgens de regering het concept eerlijke handel ook betrekking heeft op de sociaal verantwoorde productie.
De staatssecretaris antwoordt dat eerlijke handel een ruim begrip is dat in geen geval nieuwe handelsbarrières in het leven mag roepen.
Er is voorzien in een begroting voor de uitoefening van de nieuwe bevoegdheid.
Vroeger werd daartoe reeds in een begroting voorzien, maar bij gebrek aan een wettelijke basis kon zij niet worden besteed.
Het eerste programma waarin krachtens dit artikel wordt voorzien, is de oprichting van een Waarborgfonds.
Ingevolge de opmerking van de Raad van State heeft de regering het begrip « programma's voor de bevordering van eerlijke handel » in de memorie van toelichting gepreciseerd.
Anderzijds bestaat er een verband tussen de begrippen « eerlijke handel » en « sociaal verantwoorde producten ».
De heer Geens verheugt zich erover dat het begrip « programma's tot bevordering van de eerlijke handel » een ruime betekenis heeft gekregen.
Dank zij deze definitie zal men het hoofd kunnen bieden aan de snelle ontwikeling van de internationale situatie.
Hij verheugt zich over de oprichting van een Waarborgfonds.
Mevrouw Thijs c.s. dient een amendement nr. 116 (stuk Senaat, 2-989/2, 2001-2002) in, dat ertoe strekt in dit artikel een verduidelijking toe te voegen inzake de definitie en de inhoud van het begrip eerlijke handel (fair trade), door de criteria te gebruiken die bepaald zijn in het wetsontwerp ter bevordering van de sociaal verantwoorde productie (stuk Senaat, nr. 2-288) dat momenteel behandeld wordt in deze commissie.
De staatssecretaris verklaart dat dit wetsontwerp nog niet is gefinaliseerd. Het begrip eerlijke handel is bewust ruimer geformuleerd, aangezien het ook gaat om duurzame productie, hetgeen niet louter terug te brengen is tot sociaal verantwoorde productie. De bedoelde artikels in de programmawet stellen concrete maatregelen voor in verband met de werking van de BTC. Het is niet mogelijk te wachten op de stemming van het wetsontwerp inzake de sociaal verantwoorde productie.
De heer Maertens wijst erop dat er niet kan verwezen worden naar een wet die nog niet bestaat.
Mevrouw Thijs stelt dat er in het kader van de Lambermont-besprekingen voortdurend werd verwezen naar wetten die evenmin als dusdanig bestonden. Het advies van de Raad van State wijst op de onduidelijke omschrijving van het begrip fair trade. Het is de bedoeling van het amendement om aan deze onduidelijkheid te verhelpen.
Amendement nr. 116 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1.
Mevrouw Thijs c.s. dient een amendement nr. 117 in, dat ertoe strekt een nieuw artikel 132bis in te voegen. Dit amendement is een technische toevoeging bij amendement nr. 116.
De staatssecretaris herhaalt dat de werking van de BTC niet op de lange baan kan worden geschoven. Een eventuele oplossing zou erin bestaan dat de door deze amendementen beoogde verduidelijking zou worden ingeschreven in het nieuwe beheerscontract van de BTC. Hierdoor zou eveneens tegemoet worden gekomen aan de opmerkingen van het Rekenhof inzake de BTC.
Amendement nr. 117 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1.
Mevrouw Thijs c.s. dient een amendement nr. 118 in, dat ertoe strekt aan de BTC de opdracht toe te vertrouwen een jaarlijkse gendernota op te stellen.
De heer Geens verklaart dat een dergelijke opdracht hier niet op zijn plaats is. De BTC is de uitvoerder van de opdracht zoals vastgelegd in de wet op de Belgische internationale samenwerking van 25 mei 1999. De BTC is bijgevolg een uitvoerend, en geen conceptueel orgaan.
Amendement nr. 118 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1.
Artikelen 133 tot en met 137
Geen opmerkingen
Artikel 138
Mevrouw Thijs c.s. dient een amendement 119 in, dat ertoe strekt artikel 138 te doen vervallen.
De staatssecretaris verwijst naar de algemene bespreking in deze commissie, waar deze problematiek uitgebreid werd besproken. Het was niet de bedoeling van de wetgever om aan het personeel van de BTC een statuut op te dringen. Het was net de essentie om de BTC toe te laten een soepeler personeelsbeleid te voeren. De personeelsleden bevinden zich niet in een juridisch vacuüm, vermits zij contractueel aangeworven zijn.
Mevrouw Thijs herinnert eraan dat de staatssecretaris er tijdens de algemene bespreking mee akkoord ging dat er over deze materie een debat in deze commissie zou worden georganiseerd. In afwachting van dit debat kunnen alvast de betrokken artikelen van de programmawet vervallen.
Amendement nr. 119 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1.
Artikel 139
Mevrouw Thijs c.s. dient een amendement nr. 120, dat ertoe strekt artikel 139 te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als deze van amendement nr. 119.
Amendement nr. 120 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1.
Artikel 140
Mevrouw Thijs c.s. dient een amendement nr. 121 in, dat ertoe strekt artikel 140 te doen vervallen. Mevrouw Thijs verwijst naar de verantwoording bij het amendement.
De staatssecretaris stelt dat deze kwestie eveneens werd behandeld tijdens de algemene bespreking. Hier geldt eveneens dat de BTC in staat moet worden gesteld een flexibeler personeelsbeleid te voeren, rekening houdend met het fluctuerend werkvolume.
Amendement nr. 121 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1.
Mevrouw Thijs c.s. dient een amendement nr. 122 in, dat ertoe strekt een nieuw artikel 140bis in te voegen. Hier wordt, net zoals bij de amendementen nrs. 116 en 117, verwezen naar het wetsontwerp ter bevordering van de sociaal verantwoorde productie, met dien verstande dat de toetsingscriteria die worden voorgesteld in het wetsontwerp worden ingevoegd in de wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking.
De staatssecretaris verklaart dat de programmawet tot doelstelling heeft dringende maatregelen te treffen inzake de begroting. Hier gelden dezelfde argumenten als voor de amendementen nrs. 116 en 117.
Amendement nr. 122 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1.
Mevrouw Thijs c.s. dient een amendement nr. 123 in. Dit amendement is een technische toevoeging bij amendement nr. 122.
Amendement nr. 123 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1.
Artikel 95 wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.
Artikelen 132 tot en met 140 worden aangenomen met 8 stemmen tegen 1.
De artikelen 95 en 132 tot 140 verwezen naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdedediging in hun geheel zijn aangenomen met 8 stemmen tegen 1.
Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.
| De rapporteur, Michiel MAERTENS. |
De voorzitter, Marcel COLLA. |