2-858/2

2-858/2

Belgische Senaat

ZITTING 2001-2002

27 NOVEMBER 2001


Wetsvoorstel tot wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 116 en 126 van het Kieswetboek

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 16 en 18 van de wet van 12 januari 1989 tot regeling van de wijze waarop de Brusselse Hoofdstedelijke Raad wordt gekozen


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW CORNET d'ELZIUS


I. VOORAFGAANDE METHODOLOGISCHE OPMERKING

Dit voorstel is door de commissie onderzocht samen met drie andere voorstellen :

het voorstel van bijzondere wet (nr. 2-857/1), tot wijziging van artikel 28 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

het wetsvoorstel (nr. 2-859/1), tot wijziging van de artikelen 116 en 126 van het Kieswetboek;

het wetsvoorstel (nr. 2-882/1), tot wijziging van de artikelen 16 en 18 van de wet van 12 januari 1989 tot regeling van de wijze waarop de Brusselse Hoofdstedelijke Raad wordt gekozen.

De hoofdindiener van de voorstellen 2-857/1, 2-858/1 en 2-859/1 oordeelde dat het aangewezen was zijn voorstellen samen te behandelen, omdat ze een oplossing bieden voor een zeer concreet technisch probleem voor de verkiezing van de Vlaamse en Waalse Raden, en van de Kamer van volksvertegenwoordigers, met name dat van de kleine kiesomschrijvingen.

Daar er blijkbaar eensgezindheid bestond over de noodzaak daaraan, en ook de regering hiertegen geen enkel bezwaar had, konden deze voorstellen meteen worden afgehandeld.

De indienster van het wetsvoorstel nr. 2-882/1 toonde zich bereid bovenvermelde voorstellen te steunen, op voorwaarde dat haar voorstel eveneens samen werd behandeld. Het ging volgens haar om dezelfde doelstelling, namelijk het aanbrengen van technische verbeteringen voor de verkiezing van het Brusselse Gewest.

De commissie besloot tenslotte over het voorstel nr. 2-857/1 een afzonderlijk verslag uit te brengen omdat het over de wijziging van een bijzondere wet gaat die in de plenaire vergadering met bijzondere meerderheid moet worden gestemd.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE INDIENERS

a) Wetsvoorstel nr. 2-858/1 tot wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur

De hoofdindiener verklaart dat, teneinde de kans te verkleinen op een tussentijdse verkiezing om een openstaande plaats in te vullen ingeval de reserve van opvolgers opgebruikt is, het voorstel van bijzondere wet nr. 2-857/1 dat afzonderlijk wordt ingediend bij de Senaat de kandidaten de mogelijkheid wil bieden op hun lijst een groter aantal kandidaten op te nemen dan er leden te verkiezen zijn.

Het geval van een verkiezing zonder stemming moet wettelijk geregeld worden. Dit beoogt het onderhavige voorstel van gewone wet.

Dit voorstel van gewone wet, alsook het voorstel van bijzondere wet waarvan het een verlengstuk vormt, betreft uitsluitend de Waalse Gewestraad en de Vlaamse Raad.

b) Wetsvoorstel nr. 2-859/1 tot wijziging van de artikelen 116 en 126 van het Kieswetboek

De hoofdindiener verklaart dat dit voorstel tot doel heeft het risico te verkleinen dat tussentijdse verkiezingen moeten worden georganiseerd om een vacante plaats in te vullen, wanneer de reserve aan opvolgers is uitgeput. Het strekt ertoe om de partijen die kandidaat zijn bij de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers toe te staan meer kandidaten op hun lijst op te nemen dan er leden te verkiezen zijn.

Om een grotere gelijkheid van kansen tussen de kandidaten te bevorderen en beter rekening te houden met de voorkeurstemmen uitgebracht door de kiezer, is de overdracht van de lijststemmen naar de kandidaten die de eerste plaatsen op de lijst innemen door de wet van 27 december 2000 (Belgisch Staatsblad van 24 januari 2001) tot de helft teruggebracht. Daarnaast is het systeem van de kandidaat-opvolgers afgeschaft. Niet-gekozen kandidaten worden automatisch opvolgers.

Door niet langer kandidaat-opvolgers voor te stellen aan de kiezer, heeft de wetgever het aantal kandidaten op de lijsten sterk verminderd.

In bepaalde gevallen is hun aantal ingekrompen tot twee per lijst (arrondissement Hoei-Borgworm voor de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers).

Dit kleine aantal kandidaten biedt de kiezer onvoldoende keuze, vooral als men ervan uitgaat dat de kandidaten op de lijst de verschillende stromingen in de kieskring moeten vertegenwoordigen en dat het aantal vrouwen en jongeren op de lijst moet toenemen.

Een ander risico is dat bij gebrek aan opvolgers steeds vaker tussentijdse verkiezingen moeten plaatsvinden. Een lid kan overlijden of ontslag nemen, onder meer wegens een ernstige ziekte. Een gekozen kandidaat kan aangewezen worden voor een ministerambt en zijn opvolgers kunnen om een of andere reden weigeren zijn plaats in te nemen. De risico's zijn vooral groot in kieskringen met een gering aantal verkozen.

Bovendien heeft een lijst die niet meer over opvolgers beschikt, geen enkele waarborg dat hij na de tussentijdse verkiezing, zijn zetel herovert. Dit wijzigt de aard van de stemming, die bij de volledige verkiezing van de verkozenen van de kieskring nog evenredig was.

De Raad van State heeft daar ook al op gewezen in zijn advies van 28 juni 2000 over het voorontwerp van bijzondere wet van ... tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de Vlaamse Raad, de Waalse Gewestraad en de Brusselse Hoofstedelijke Raad (stuk Kamer, nr. 1050/001, 1999-2000, blz. 20 en 21).

In dit voorstel wordt de tekst overgenomen die de Raad van State naar voren schoof in zijn advies van 3 april 2000 over het voorontwerp van wet tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de federalen wetgevende Kamers en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap (stuk Kamer, nr. 667/001, 1999-2000, blz. 32).

Tijdens de bespreking van dit wetsontwerp in de Kamer verklaarde de minister van Binnenlandse Zaken dat in het oorpronkelijke ontwerp betreffende de Kamer en de Senaat wel was voorzien in een oplossing voor dit probleem. De regering gaf er evenwel de voorkeur aan, het Parlement te laten oordelen over de relevantie van een maatregel terzake (stuk Kamer, nr. 667/004, 1999-2000, blz. 4). Aan de vooravond van de lokale verkiezingen heeft de meerderheid in het Parlement zich niet over dit ontwerp uitgesproken. Er werd opnieuw aan herinnerd tijdens de besprekingen in de Senaatscommissie voor Binnenlandse Zaken op 19 juni 2001 en in de plenaire vergadering van 5 juni 2001 (Handelingen, nr. 2-134) over het ontwerp van bijzondere wet betreffende de gewestraden.

Dit voorstel strekt ertoe het aantal kandidaten op te trekken op de lijsten voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Voorgesteld wordt dit aantal met 30 % op te trekken, met een minimumaantal van vijf bijkomende kandidaten. Dit voorstel is de tegenhanger van een afzonderlijk voorstel van bijzondere wet aangaande de verkiezingen van het Vlaams Parlement en van het Waals Parlement. Het minimale aantal bijkomende kandidaten is van 4 opgetrokken tot 5, vanwege het geringere aantal voor de Kamer en omdat de kieskringen vaak groter zijn dan bij de verkiezing van de regionale parlementen.

In de kleinste kieskringen brengt dit het aantal kandidaten op 7 voor een volledige lijst.

Dit aantal vormt een bovengrens, en geen verplichting voor de lijsten, die dus niet noodzakelijk volledig moeten zijn om te kunnen worden ingediend.

Daar komt nog bij dat de indieners het niet nodig achten het reeds hoge aantal kandidaten voor de rechtstreekse verkiezing van de Senaat en van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap nog op te trekken. De auteurs hebben evenmin geraakt aan de wet van 26 juni 2000 tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de provincie- en gemeenteraden en van het Europees Parlement (Belgisch Staatsblad van 14 juli 2000).

Ten slotte dient er op gewezen dat hier ook niet wordt getornd aan artikel 117bis van het Kieswetboek, als laatste gewijzigd bij de wet van 27 december 2000, artikel 5. Deze bepaling aangaande de vertegenwoordiging van beide geslachten moet met een bijzondere wet worden gewijzigd na de lopende herziening van de Grondwetsartikelen 10 en 10bis.

c) Wetsvoorstel nr. 2-882/1 tot wijziging van de artikelen 16 en 18 van de wet van 12 januari 1989 tot regeling van de wijze waarop de Brusselse Hoofdstedelijke Raad wordt gekozen

De hoofdindienster verklaart dat, teneinde een grotere gelijkheid van kansen tussen de kandidaten te bevorderen en beter rekening te houden met de voorkeurstemmen uitgebracht door de kiezer, de overdracht van de lijststemmen naar de kandidaten die de eerste plaatsen op de lijst innemen, door een aantal recentelijk goedgekeurde wetsontwerpen en ontwerpen van bijzondere wet op de helft is teruggebracht. Door die wijzigingen is het systeem van de kandidaat-opvolgers afgeschaft. Niet-gekozen kandidaten worden automatisch opvolgers.

Toen dit systeem voor het eerst werd toegepast tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 is uit de uitslag gebleken dat er ongewenste gevolgen kunnen zijn voor kieskringen met een groot aantal kiezers waarin slechts enkele kandidaten met voorkeurstemmen worden verkozen. In grote politieke partijen worden kandidaten vaak verkozen met slechts een paar voorkeurstemmen meer dan andere. Een goed georganiseerd stemblok , maar ook een spontaan stemblok , kan dan een groep met elkaar verbonden kandidaten voordeel opleveren.

Het CRISP (Centre de recherche et d'information socio-politiques), toonde in een recente studie aan dat dit risico groter is in grotere kieskringen, bijvoorbeeld het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. Ten gevolge van de recente Lombardakkoorden werden daar voortaan op een lijst 72 Franstalige parlementsleden en 17 Nederlandstalige parlementsleden verkozen.

Dit wetsvoorstel heeft tot doel het aantal voorkeurstemmen dat een kiezer kan uitbrengen, te beperken tot drie om zo nefaste gevolgen te vermijden zowel voor het politieke evenwicht van de vergadering als voor de verstandhouding tussen kandidaten op dezelfde lijst. Op die manier wordt de geest van de wet gerespecteerd, waarbij de kiezer zijn persoonlijke voorkeur voor een welbepaalde kandidaat kan uiten en waarbij terzelfder tijd mogelijke plannen voor beslissende kliekvorming binnen een lijst de pas worden afgesneden.

III. BESPREKING

Alle leden zijn het erover eens dat de voorstellen beantwoorden aan een echte noodzaak.

Het zou inderdaad onaanvaardbaar zijn dat kleine kieskringen zouden moeten herstemmen omdat er niet genoeg plaatsvervangers zijn voorzien.

Hetzelfde probleem stelt zich uiteraard niet in het Brusselse Gewest. Het voorstel nr. 2-882/1 wil een probleem verhelpen dat enkel bij grote kieskringen aan bod komt. In het Brusselse Gewest, waar de kandidaten relatief onbekend zijn bij de kiezers, is het eerder een nadeel dan een voordeel om veel kandidaten op de lijst te hebben. De meeste kiezers brengen een lijststem uit. Wanneer er dan toch op naam wordt gestemd, gebeurt dit soms lukraak of via de techniek van het stemblok . Geen van beide mogelijkheden strookt met de normale gang van zaken.

Om daaraan te verhelpen zou het aantal voorkeurstemmen beperkt moeten worden tot drie, zodat de kiezers een welbepaalde keuze moeten maken.

De heer Moureaux dient drie amendementen in om dit getal te verhogen tot vijf, conform met wat werd aanvaard in verband met het voorstel nr. 2-857/1, waar ook het getal vijf werd aangehouden. Zo heeft de kiezer wat meer keuze.

De commissie stelt vast dat het wetsvoorstel nr. 2-882/1 een reeks artikelen wijzigt van een wet die reeds tweemaal na mekaar werd gewijzigd door wetten die wel gestemd zijn in beide Kamers maar nog niet zijn bekrachtigd en afgekondigd, noch gepubliceerd.

Het gaat om de volgende wetsontwerpen die ter bekrachtiging aan de Koning werden voorgelegd :

a) Wetsontwerp tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de Vlaamse Raad, de Waalse Gewestraad en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, ingediend bij de Kamer onder nr. 50-1051/1 en uiteindelijk gestemd in de Senaat op 5 juli 2001 (zie stuk Senaat, nr. 2-680/4);

b) Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 12 januari 1989 tot regeling van de wijze waarop de Brusselse Hoofdstedelijke Raad wordt verkozen en de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, ingediend bij de Kamer onder nr. 50-1247/1 en uiteindelijk gestemd in de Senaat op 12 juli 2001 (zie stuk Senaat, nr. 2-771/5).

Dit impliceert een technische correctie aan de basistekst van het voorstel, die door de commissie werd goedgekeurd, door de verwijzing naar beide wetten.

IV. STEMMINGEN

a) Wetsvoorstel nr. 2-858/1

Artikelen 1 en 2

Deze artikelen worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Geheel

Het geheel van het wetsvoorstel wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

b) Wetsvoorstel nr. 2-859/1

Artikelen 1 tot 3

Deze artikelen worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Geheel

Het geheel van het wetsvoorstel wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

c) Wetsvoorstel nr. 2-882/1

Artikel 1

Dit artikel wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Artikel 2

Amendement nr. 1 van de heer Moureaux wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden. Het aldus geamendeerde artikel wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Artikel 3

Amendement nr. 2 van de heer Moureaux wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Artikel 4

Amendement nr. 3 van de heer Moureaux wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

Geheel

Het geheel van het wetsvoorstel wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.

De rapporteur,
Christine CORNET d'ELZIUS.
De voorzitster,
Anne-Marie LIZIN.