2-162 | 2-162 |
De voorzitter. - De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Zoals de vice-eerste minister weet heeft de discussie over het verschil in statuut tussen arbeiders en bedienden al heel wat stof doen opwaaien, niet alleen tijdens deze legislatuur, maar ook in het verleden. Telkens wordt er een politieke consensus gevonden, althans in woorden. Men is er zich van bewust dat het verschil in behandeling van de twee groepen discriminerend is. Intussen werd er een aantal specifieke aanpassingen aangebracht. Ik denk hierbij aan het optrekken van de opzegtermijnen voor arbeiders en de afschaffing van de carenzdag, maar de fundamentele ongelijkheid blijft bestaan.
Tijdens een vergadering van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat opteerde de vice-eerste minister ervoor om het thema over te laten aan de sociale partners. Intussen nam de Kamer van Volksvertegenwoordigers unaniem een resolutie aan die ervoor pleit de verschillen in behandeling op te heffen.
Het probleem met het doorschuiven van dergelijke voorstellen naar de sociale partners, zo leert het verleden, is dat er meestal niets van komt. Het thema is al tientallen jaren actueel en de sociale partners blijken in dit dossier vaak de koelkast, om niet te zeggen de diepvries te zijn. Het onderwerp stond op de agenda van de onderhandelingen voor het interprofessioneel akkoord 2000-2001, maar de sociale partners slaagden er niet in tot een oplossing te komen. Uiteindelijk kreeg de Nationale Arbeidsraad de opdracht tegen eind 2001 voorstellen uit te werken. Het enige positieve geluid sinds kort komt van de Landelijke Bediendecentrale waarvan de voorzitter een voorzichtige opening maakte. Hij is bereid te praten over een eenheidsstatuut. Hij gaat ervan uit dat de bedienden er als groep niet op achteruit mogen gaan, maar houdt minder vast aan zogenaamde deeleisen. Hij verwijst naar het behoud van de langste opzegtermijnen voor de bedienden. Ik verwijs hier naar het faillissement van Sabena waarbij gebleken is dat bepaalde bedienden die enkele tientallen jaren in dienst zijn, een opzegtermijn van meer dan twee jaar krijgen. Misschien zijn we, in vergelijking met het buitenland, wel een beetje te ver gegaan.
Het is altijd goed op het einde van het jaar even terug te blikken en na te gaan of de beloftes van het jaar gestand werden gedaan. Ik vraag me vandaag af of het uitstel dat de sociale partners destijds kregen, niet zal leiden tot nieuw uitstel of zelfs afstel.
Ik heb voor de vice-eerste minister volgende vier vragen.
Hoever staat de Nationale Arbeidsraad met het uitwerken van de voorstellen?
Zal de einddatum, eind 2.001, worden gehaald?
Hoe reageert de vice-eerste minister op de uitlatingen van de Landelijke Bediendecentrale in een aantal kranten zoals De Financieel Economische Tijd en De Morgen?
Indien de Nationale Arbeidsraad niet tot een eenheidsstandpunt komt, trekt de regering dit dossier dan naar zich toe?
De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid. - Mevrouw Onkelinx heeft me gevraagd volgend antwoord voor te lezen.
Vooraleer op de vier punten van de vraag om uitleg te antwoorden, ben ik zo vrij te verwijzen naar mijn interventie van 24 januari 2001 in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat.
Pro memorie hebben de sociale partners, die er zich bewust van zijn dat de convergentie van de statuten niet beperkt kan worden tot de collectieve arbeidsovereenkomst nummer 75, in het laatste interprofessioneel akkoord de verbintenis aangegaan om op het niveau van de Nationale Arbeidsraad de verschillen te onderzoeken tussen beide statuten. Vóór einde 2001 zouden conclusies worden ingediend om een duurzame oplossing te vinden via een programmering over een periode van zes jaar.
De regering heeft akte genomen van het interprofessioneel akkoord en heeft beslist te wachten op de voorstellen van de sociale partners.
Wat het eerste punt van de vraag betreft zal, volgens de inlichtingen waarover ik beschik, de Nationale Arbeidsraad een vergadering beleggen op 18 december eerstkomend over de kwestie van het statuut arbeider/bediende.
Voor het tweede punt zal ik zien of de sociale partners de termijn naleven die zij hebben vastgelegd bij het sluiten van het interprofessioneel akkoord 2001-2002.
In verband met het derde punt, ken ik het standpunt van LBC niet en kan ik me daarover bijgevolg niet uitspreken.
Ten vierde zou ik willen zeggen: "Alles op z'n tijd!"
Ik wacht op het standpunt van de sociale partners en op grond daarvan zal ik de regering vragen een beslissing te nemen.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De minister antwoordt niet op mijn vraag hoe ver het staat met de uitwerking van de voorstellen. Als men op 18 december aanstaande vergadert, is dit dan de eerste keer of is dit het eindpunt? Het antwoord van minister Onkelinx is eens te meer teleurstellend.
-Het incident is gesloten.