Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-40

ZITTING 2000-2001

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken

Vraag nr. 1425 van de heer Kelchtermans d.d. 13 juli 2001 (N.) :
Verdrag over de biologische wapens. ­ Sancties. ­ Standpunt van België.

Het Verdrag over de biologische wapens uit 1972, dat inmiddels geratificeerd werd door 143 landen, verbood de ontwikkeling, de productie en de opslag van bacteriologische en chemische wapens, maar voorzag in geen sancties bij de niet-naleving ervan. Sinds 1995 wordt er gediscussieerd over de oprichting van een controle-organisme dat de naleving zou kunnen controleren en implementeren.

Daarom kreeg ik van de geachte minister graag een omstandig antwoord op volgende vragen :

1. Welke is de stand van zaken van deze besprekingen ? Wat is het standpunt van ons land terzake ?

2. Welke hinderpalen bestaan er nog om tot een akkoord te kunnen komen, zoals gepland voor de vijfde herzieningsconferentie in november eerstkomend in Genève ? Hoe kunnen die opgelost worden ?

3. Zulk een controle-organisme vereist ook de inbreng van de nodige financiële middelen. Hoe hoog worden de kosten ervan begroot en welke aandeel zal ons land in voorkomend geval hierin dragen ? Zullen hierin ook Belgische onderdanen betrokken worden ? Zo ja, hoeveel en op basis van welke criteria ?

Antwoord : Aangaande de algemene problematiek waarnaar het geachte lid verwijst in zijn inleiding, beschikt het internationaal recht over drie belangrijke instrumenten.

Het eerste dateert al uit 1925, het zogenaamde Protocol van Genève, dat het gebruik van chemische en bacteriologische wapens in oorlogstijd verbiedt, dit in navolging van het drama van de Eerste Wereldoorlog.

Het tweede is inderdaad het Verdrag uit 1971 op het verbod van biologische wapens (BTWC), dat de ontwikkeling, de aanmaak, en de opslag van biologische en toxinewapens verbiedt, en in de preambule (her)bevestigen de verdragspartijen hun engagement aangaande het verbod van het gebruik volgens het Protocol van Genève. Er is bij dit verdrag echter in geen controlemechanisme voorzien.

Ik verwijs ook naar het Verdrag uit 1993 op het verbod van chemische wapens (CWC). Het omvat het verbod van gebruik, ontwikkeling, aanmaak, opslag en transfer van chemische wapens. België ratificeerde het verdrag eind 1996. Het beschikt wel over een uitgebreid verificatiemechanisme dat een jaarlijkse declaratieplicht omvat voor de verdragspartijen, die ingevolge daarvan op willekeurige basis routine-inspecties ontvangen. Daarnaast zijn er aanmaningsinspecties, voor het geval er een overtreding van het verdrag wordt verondersteld bij een verdragspartij. Er werd hiertoe een internationale organisatie opgericht (de OPCW) die deze taken uitvoert. Dit alles kostte echter bijna 20 jaar onderhandelingen, met dien verstande dat het einde van de koude oorlog een belangrijk momentum creëerde dat mede de uiteindelijke goedkeuring mogelijk maakte.

De onderhandelingen waar het geachte lid naar verwijst zijn deze voor een bijkomend protocol bij het Verdrag uit 1972 op het verbod van biologische wapens. Omdat hier immers, in tegenstelling tot het verdrag dat chemische wapens verbiedt, geen enkel mechanisme voor controle op de naleving bestaat, werd binnen de internationale gemeenschap de noodzaak aangevoeld om dit alsnog in te voeren.

In dit kader kunnen op de vragen van het geachte lid de volgende antwoorden worden gegeven.

1. Een speciale conferentie in 1994 gaf de opdracht aan een « ad hoc-groep » van regeringsexperts om versterkende maatregelen uit te werken bij het Verdrag op het verbod van biologische wapens. Dit mandaat werd herbevestigd door de conclusies van de toetsingsconferentie bij het BTWC-verdrag in 1996, die tevens stelden dat het werk tegen de volgende toetsingsconferentie in uiterlijk 2001 moest afgerond zijn. Deze ad hoc-groep is momenteel 23 keer bij elkaar gekomen in Genève. Er werd tot voor kort gewerkt op basis van een « evolutieve tekst », op basis van consensus.

Ons land deelt het standpunt met zijn EU-partners dat door zijn vertrouwenwekkend karakter zo'n protocol een noodzakelijke aanvulling vormt op het verdrag. Een echt sluitende verificatie voor dit soort wapens is moeilijk realiseerbaar, aangezien de capaciteit voor de aanmaak ervan quasi alomtegenwoordig is. Er is echter consensus binnen de Europese Unie dat de voor het verdrag meest relevante installaties wel moeten gedeclareerd worden en dat er bezoeken op routinematige wijze moeten kunnen gebeuren. Vermoedt men een overtreding van het verdrag, dan dient er een procedure te bestaan voor het instellen van een onderzoek. Deze taken dienen te worden uitgevoerd door een internationale organisatie met onafhankelijke inspecteurs. België is van oordeel dat die het best in Den Haag zou kunnen worden gevestigd, waar ook de organisatie op het verbod van chemische wapens reeds is gevestigd.

2. Voor een groot deel van de ontwerptekst bestaat weliswaar consensus, maar er zijn een aantal essentiële geschilpunten. De voornaamste zijn :

­ de Verenigde Staten hebben een probleem met het voorgestelde declaratieregime, omwille van de impact ervan op de relatie tussen de Amerikaanse overheid en de biotechnologische en farmaceutische sector;

­ de groep van Westerse landen, en dus ook de Verenigde Staten, is het dan weer niet eens met een bepaalde groep van ontwikkelingslanden die stellen dat toetreding tot het protocol een ticket omvat voor vrije toegang tot alle goederen die momenteel onder nationale exportcontrole vallen door hun proliferatierisico. Gezien de bovenvermelde moeilijke controleerbaarheid van biologische wapenprogramma's, acht ik toegevingen ten aanzien van dit standpunt noch haalbaar noch opportuun.

In het voorjaar van dit jaar presenteerde de voorzitter van de werkgroep een compromisvoorstel dat op het eerste punt slechts gedeeltelijk de VS tegemoet kwam, en op het tweede punt wel de groep van Westerse landen volgde. De EU-partners zijn alle van mening hiermee te kunnen leven, net zoals een grote groep van meer gematigde ontwikkelingslanden. De ontwikkelingslanden verkregen ook toezeggingen aangaande programma's voor internationale samenwerking voor vreedzaam gebruik van biotechnologische wetenschap die de organisatie zou kunnen ontplooien.

Sommige andere landen, zoals China, stellen zich erg kritisch op.

Voor de Verenigde Staten gaat de compromistekst te ver. Zij verklaarden op 24 juli in Genève, dat zij de voorliggende tekst niet kunnen aanvaarden. De dag daarop sprak België in naam van de Europese Unie zijn teleurstelling daarover uit, maar nam er nota van dat de Verenigde Staten er zich toe verbindt voorstellen te formuleren. De Europese Unie nodigt dan ook de Verenigde Staten uit om snel met deze concrete voorstellen voor de dag te komen en om daarmee uit de impasse te geraken voor de vijfde toetsingsconferentie. De Europese Unie nam terzelfder tijd akte van het feit dat de Verenigde Staten in hun verklaring onverminderd hun steun aan alle multilaterale regimes aangaande massavernietigingswapens betuigen, net zoals aan het gemeenschappelijk objectief om het Verdrag van 1972 te versterken. Voor de Europese Unie is het belangrijk, dat alle actoren en dus ook de Verenigde Staten deelnemen aan een toekomstig akkoord. Benadrukt wordt dat ikzelf als voorzitter van de Europese Unie op 9 juli laatstleden een demarche heb ondernomen bij de Verenigde Staten om te pleiten voor een tijdige beëindiging van de onderhandelingen en voor een duidelijk standpunt terzake vanwege de Verenigde Staten.

Men kan stellen dat de eindfase van de onderhandelingen zeer moeizaam verloopt en dat de vooropgestelde datum voor afsluiting ervan onder zware druk staat.

3. Gezien er nog geen overeenstemming bestaat welke activiteiten relevant zijn voor het protocol, is het nog niet mogelijk te bepalen hoe omvangrijk de activiteiten van deze op te richten organisatie zouden zijn ingeval men tot een akkoord komt.

Louter ter vergelijking kunnen we even de organisatie op het verbod van chemische wapens als voorbeeld nemen.

België heeft een relatief groot aantal installaties die onder het Verdrag op het verbod van chemische wapens moeten worden gedeclareerd en die kunnen worden geïnspecteerd. We ontvangen ook hiervoor desalniettemin gemiddeld slechts twee à vier inspecties per jaar. De kosten voor het verblijf van de inspecteurs in ons land worden ten laste genomen door het ministerie van Economische Zaken wat betreft inspecties in de industrie, en door het ministerie van Landsverdediging voor de installaties ressorterend onder de Krijgsmacht. De jaarlijkse kostprijs hangt af van het aantal ontvangen inspecties. Mijn departement neemt de jaarlijkse verplichte bijdrage aan de organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW) ten laste, die voor dit jaar 527 325 euro bedroeg.

Wanneer België daarentegen zou overgaan tot de ratificatie van een versterkend protocol bij het Verdrag op het verbod van biologische wapens zouden weliswaar ook een beperkt aantal industriële activiteiten moeten worden gedeclareerd en aan inspecties onderhevig zijn. Men kan echter constateren dat zelfs de maximale voorstellen aantonen dat het, enerzijds, om een veel beperkter aantal activiteiten zal gaan dan in het geval van de Organisatie op het verbod van chemische wapens. Anderzijds zullen, in het geval van een Organisatie op het verbod van biologische wapens, ook de jaarlijkse verplichte bijdragen lager liggen, al was het maar omwille van de beperktere personeelsbezetting ervan.