(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Na de aanbeveling van de Raad van de Europese Unie over de invoering van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, is in België de « deelname aan de werkgelegenheid van de oudste werknemers zwak (12 punten lager dan het gemiddelde van de EU), meer bepaald bij personen ouder dan 55 jaar, bij wie de werkgelegenheidsgraad (24,7 %) altijd de laagste is van de Unie ».
Deze situatie lijkt niet te verbeteren, want volgens de cijfers van het Nationaal Instituut van de statistiek is het aantal werknemers ouder dan 65 jaar in twee jaar met 6,8 % gedaald (in 1999 waren ze met 25 007 en in 2000 waren ze met 25 164), en dat op het moment dat het aantal werknemers van dezelfde leeftijdsgroep in de Verenigde Staten in dezelfde periode met 3 % was gestegen (in 1999 telde men 16 % en in 2000 was dit 19 %).
Nochtans schrijft de wet van 13 februari 1998 over de bepalingen ter bevordering van de werkgelegenheid in haar artikel 3 dat :
« § 1 : Het bij de aanwerving van personeel verboden is om een maximale leeftijdsgrens voor te schrijven, waardoor een kandidaat vanaf deze leeftijd zich niet meer kandidaat kan stellen.
§ 2 : In het kader van de selectie van personeel is het verboden een maximale leeftijdsgrens voor te schrijven vanaf dewelke de kandidaat niet meer in aanmerking zou genomen worden voor indiensttreding.
§ 3 : Het formeel of impliciet verwijzen naar een leeftijdsgrens, zoals bedoeld in §§ 1 en 2, eveneens onder dit verbod valt. »
Ik weet ook dat de regering in haar werkgelegenheidsstrategie in 2001 een budget van 2,47 miljoen euro heeft voorzien. Vanaf 2002 zou er nog een teruglopend budget van 12,39 miljoen euro voorzien zijn voor de uitwerking van de preventieve maatregelen met het oog op de verbetering van de werkomstandigheden van werknemers ouder dan 55 jaar.
Kan de geachte minister mij zeggen waarom, ondanks al deze maatregelen, de werkgelegenheidsgraad bij werknemers ouder dan 65 jaar voortdurend daalt ?
Welke praktische en concrete maatregelen heeft de regering gepland om personen ouder dan 65 jaar aan te moedigen om te blijven werken indien ze dit wensen ?
Antwoord : Zowel in het federale werkgelegenheidsbeleid als in de Europese werkgelegenheidsstrategie wordt bijzonder aandacht besteed aan het verhogen van de werkgelegenheidsgraad voor oudere werknemers. Overeenkomstig internationaal aanvaarde definities dient hieronder te worden verstaan de werknemers behorend tot de leeftijdsklassen tussen 55 en 64 jaar. De in de loop van de jongste 25 jaar gevolgde beleidskoersen hebben er in België toe bijgedragen dat steeds meer werknemers voor het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd uit het beroepsleven stappen. Omwille van sociale, economische en demografische redenen moet deze trend omgekeerd worden.
Onlangs werden dan ook twee wetsontwerpen ingediend die erop gericht zijn de omstandigheden te creëren die onontbeerlijk zijn voor het optrekken van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers behorend tot vermelde leeftijdsklassen en die gebaseerd zijn op de akkoorden tussen de sociale partners. Het betreft de wetsontwerpen « ter verhoging van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers » en « ter verbetering van de combinatie werk en levenskwaliteit ».
Men moet er zich wel van bewust blijven dat het tot een goed einde brengen van deze ommekeer in het beleid niet zo maar van vandaag op morgen kan gerealiseerd worden omdat zulks gepaard gaat met een mentaliteitswijziging van zowel werknemers- als werkgeverszijde.
Het verhogen van de werkgelegenheidsgraad van personen van 65 jaar en ouder vormt in het werkgelegenheidsbeleid geen prioriteit, omdat op dit moment er in de jongere leeftijdsklassen, en bij de groep tussen 55 en 64 jaar in het bijzonder, nog een ruime arbeidsreserve aanwezig is die eerst dient aangesproken te worden.
Overigens wens ik erop te wijzen dat de thans geldende reglementering gepensioneerden de mogelijkheid biedt om, binnen bepaalde inkomensgrenzen, een ouderdomspensioen te cumuleren met een beroepsactiviteit als loontrekkend of zelfstandig werknemer. Indien onder druk van de vergrijzing van de bevolking, in de toekomst toch een debat zou moeten gevoerd worden over uitbreiden van de mogelijkheden om beroepsactief blijven na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd voor wie het wenst en kan, dan mag daarbij niet uit het oog verloren worden dat het om een vrij complexe aangelegenheid gaat waarbij tal van aspecten aan bod zullen komen die de bevoegdheid van de federale minister van Werkgelegenheid ruim overschrijden.
Naast de werkgelegenheidsaspecten (zoals bijvoorbeeld het voorkomen van verdringingseffecten ten aanzien van de jongere leeftijdsgroepen) zal immers onder andere een antwoord moeten geboden worden op een aantal fundamentele vragen inzake sociale zekerheid (en pensioenen in het bijzonder) en fiscaliteit.