2-139

2-139

Belgische Senaat

Handelingen

WOENSDAG 18 JULI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Rechten van het kind (Stuk 2-725)

Bespreking

Mevrouw Martine Taelman (VLD), corapporteur. - Gedurende de afgelopen maanden heeft de werkgroep Kinderrechten onder voorzitterschap van mevrouw de T' Serclaes de taak op zich genomen om de bijzondere sessie van 19 tot 21 september van de VN in New York over de kinderrechten mee voor te bereiden.

De rapporteurs van de werkgroep, mevrouw de Bethune en de heer Galand, hebben op 16 juli het rapport voorgesteld aan de verenigde commissies voor de Justitie en de Sociale Aangelegenheden waar de geamendeerde aanbevelingen van de werkgroep en het verslag eenparig werden aangenomen met 21 stemmen.

Ingevolge de Conventie over de kinderrechten van 1989 verbonden de landen zich ertoe dat hun regering iedere 5 jaar een rapport zou uitbrengen waarin de geboekte vooruitgang en de blijvende tekorten vermeld worden. Voor de speciale sessie werd een afzonderlijk rapport opgesteld.

De werkgroep kreeg als opdracht een bijdrage te leveren vanuit de wetgevende macht. Deze werkgroep heeft goed werk geleverd en is erin geslaagd, over de partijgrenzen heen, zinvolle aanbevelingen te doen. Dit is gelukt dankzij de interessante hoorzittingen, de kennisname van het rapport van de niet-gouvernementele organisaties en de verhelderende debatten die erop volgden.

Sommige aanbevelingen situeren zich op wereldschaal, andere op Europees niveau waarbij we voordeel hopen te halen uit het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie. Verder zijn er aanbevelingen van federaal belang en tenslotte formuleren we ook suggesties die uitsluitend voor de Senaat zijn bestemd.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

De heer Galand stelde in de verenigde commissies de aanbevelingen voor het federale beleidsniveau voor. Ze kunnen in een zestal thema's worden onderverdeeld: kinderen en hun familie; kinderen en justitie; migratie- en asielbeleid tegenover kinderen; misbruik en uitbuiting van kinderen; kinderen versus verkeersveiligheid; kinderen en hun gezondheid, waarbij ook de andersvalide kinderen aan bod kwamen.

Op internationaal vlak werd gedacht aan een gelijkekansenbeleid en de strijd tegen de armoede. Uit de interessante hoorzitting met mevrouw Carol Bellamy bleek dat de ontwikkelingssamenwerking zich vooral op jonge meisjes moet richten die als moeders, via de gezondheidszorg en het onderwijs, de vicieuze cirkel van de armoede kunnen doorbreken. Ook de problematiek van de kindsoldaten en de gebrekkige registratie van geboorten in bepaalde landen kunnen we niet genoeg benadrukken. Als een probleem reeds aan bod was gekomen in andere commissies, zoals de commissie Binnenlandse Zaken wat het asiel- en immigratiebeleid betreft, werd met hun aanbevelingen rekening gehouden.

Mevrouw de Bethune, corapporteur, ging dieper in op de mechanismen en structuren die nodig zijn om een effectief kinderrechtenbeleid op federaal niveau te voeren. Op het vlak van de bestaande structuren werd aanbevolen om de bestaande Interministeriële Conferentie een structurele basis te geven, de Nationale commissie voor de rechten van het Kind een meer bestendig karakter te geven om de kwaliteit van de verslaggeving te verbeteren en de opvolging te verzekeren, op Europees niveau een netwerk van organisaties uit te bouwen naar analogie met Child Focus in België, de aanbevelingen van het eindrapport van de Nationale commissie tegen de seksuele uitbuiting van kinderen verder uit te voeren.

De volgende aanbevelingen worden gedaan voor het toekomstig gecoördineerd kinderrechtenbeleid. Een federale minister zou zich als coördinator over het kinderrechtenbeleid moeten ontfermen. Hij of zij moet een beleidsnota opstellen, een budget uittrekken en binnen de federale administratie een strategische cel oprichten. Ook een frequentere, bijvoorbeeld jaarlijkse, rapportering aan het parlement, is aanbevolen. Tevens moet het nut van de Interministeriële Conferentie als beleidsinstrument worden benadrukt.

Het initiatief van de minister van Justitie om de werking van de Nationale Commissie voor de rechten van het kind te verbeteren in overleg met de gemeenschappen moet worden gesteund.

20 november is door de Senaat en andere internationale instellingen uitgeroepen tot de Dag van het Kind. Dit is een ideale gelegenheid voor het voeren van een jaarlijks debat over deze materie. Het is zinvol om ook het sociaal middenveld en de NGO's bij deze debatten te betrekken. Dit geldt zeker voor 2001, nu België Europees voorzitter is.

Ten slotte wordt aanbevolen om een federaal parlementair aanspreekpunt inzake kinderrechten op te richten in de Senaat, bijvoorbeeld in de vorm van een werkgroep ad hoc of een bijzondere commissie.

De voorzitter van de commissie heeft nog enkele punten toegevoegd.

Om het belang van de sessie in New York te onderstrepen zal in de Senaat tijdens het verloop ervan een videoconferentie worden georganiseerd zodat de kinderen en de minister aldaar kunnen converseren met de geïnteresseerden hier ter plaatse.

De wetsvoorstellen die door enkele senatoren ingediend zijn, moeten dringend tot concrete resultaten leiden.

Ten slotte wijst de voorzitter er nog op dat eind 2001 in Yokohama een belangrijk wereldcongres wordt gehouden over de commerciële en seksuele uitbuiting van kinderen. De Senaat moet ook hier de wetgevende macht een stem geven.

De verenigde commissies gingen dieper in op een aantal aspecten van het verslag van de werkgroep.

Wat adoptie betreft werd gespecificeerd dat de teksten die het belang van het kind als voorwaarde voor adoptie prioritair stelt, zoals het Verdrag van Den Haag en de Internationale Conventie van de Rechten van het Kind, niet kunnen worden gebruikt om in een later debat homoparen van adoptie uit te sluiten.

Een tweede punt was asiel en migratie, waarbij de problematiek van minderjarigen in gesloten centra uitdrukkelijk werd vermeld. Daar de werkgroep het debat ten gronde niet heeft kunnen voeren, wordt de bevoegde senaatscommissie gevraagd dit aspect te bespreken.

Ten derde is er de borstvoeding. De commissie verduidelijkt dat geen waarde-oordeel werd gegeven over de diverse vormen van zuigelingenvoeding. Vrouwen die hebben gekozen om hun baby borstvoeding te geven, moeten dit echter in optimale omstandigheden kunnen doen.

Een laatste punt zijn kinderen in oorlogssituaties en ontwikkelingssamenwerking. Een van de leden heeft de aandacht gevestigd op de aanbeveling waarin de regering wordt opgeroepen om op internationaal vlak misdaden tegen kinderen in oorlogssituaties effectief te vervolgen en te bestraffen. Hij drukte tevens zijn hoop uit dat het rapport een steun zal betekenen voor degenen die ijveren voor het optrekken van het budget voor ontwikkelingssamenwerking van 0.36% naar 0.7% van het BBP.

Al deze punten werden in de verenigde commissies besproken. Mevrouw de Bethune zal een meer inhoudelijke verslag geven van de werkzaamheden van de werkgroep. Ik wens alleszins alle leden van de werkgroep te bedanken voor hun uitvoerige bijdrage tot het debat.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP), corapporteur. - Op mijn beurt wil ik iedereen danken. De werkgroep Rechten van het Kind is er in een kort tijdsbestek immers in geslaagd deze assemblee een behoorlijk rapport voor te leggen. Niet toevallig werd het door de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden unaniem goedgekeurd.

Verder dank ik in het bijzonder alle gastsprekers. Zonder de tijd te nemen om deskundigen en vertegenwoordigers van het middenveld te horen, die ons met de meest urgente problemen hebben geconfronteerd, zou er nooit zo'n grondig debat geweest zijn. Ik nodig iedereen dan ook uit het getuigenis van deze sprekers in extenso te lezen.

Heel in het bijzonder dank ik mevrouw Kirschen, de bijzondere vertegenwoordiger van België bij de buitengewone zitting van de Verenigde Naties, alsmede de heer Wilmot, directeur communicatie en programma's bij het Belgisch Comité voor Unicef, de heer Goblet van Buitenlandse Zaken, de kinderrechtencommissarissen Lelièvre en Vandekerckhove en de heren Lescrenier en Lathouwers, leden van het departement van Justitie.

Ik dank ook alle vertegenwoordigers van de overkoepelende NGO's, meer in het bijzonder de heer Noppe, coördinator van de Kinderrechtencoalitie Vlaanderen, mevrouw Melkebeek, secretaris Kinderrechtencoalitie Vlaanderen, mevrouw Van Houcke, coördinator van Coordination des ONG pour les Droits de l'Enfant, de heer Van Keirsbilck, vertegenwoordiger van Défense des Enfants international, de heer Vandermeerschen van de Ligue des Droits de l'Homme en mevrouw Budin van ATD-Vierde Wereld.

Uiteraard dank ik ook onze collega's van de gemeenschapsparlementen, die op onze uitnodiging voor deze gedachtewisseling zijn ingegaan.

Het verheugt me ook een hoorzitting te hebben gehouden met de algemeen directeur van Unicef, mevrouw Bellamy.

Het overzicht van deze eminente, boeiende en geëngageerde sprekers getuigt van de ernst van de werkzaamheden van de werkgroep.

Tot slot dank ik ook de diensten van de Senaat, meer in het bijzonder de commissiediensten, die ons deskundig en op efficiënte wijze hebben geholpen bij het opstellen van het rapport. Op het einde van het politieke jaar past het ook de overige diensten van de Senaat te danken, zoals de vertaaldienst en de drukkerij, die ervoor zorgen dat de verslagen tijdig worden rondgedeeld, ondanks onze overvolle agenda.

Ik zal niet terugkomen op het verslag. Mevrouw Taelman, die de inhoudstafel heeft overlopen, heeft immers alles al gezegd. Bovendien zullen de talrijk ingeschreven sprekers de inhoudelijke klemtonen wel onder de aandacht van de Vergadering brengen.

Niettemin wil ik de aandacht van deze assemblee vestigen op het belang van de werkgroep Rechten van het Kind van de Senaat. In de inleiding van het rapport werd uiteengezet dat de Senaat ook in het verleden op geregelde tijdstippen heeft geprobeerd het politieke debat rond dit thema op federaal niveau aan te zwengelen. Dit was niet evident omdat dit thema per definitie tot de gemeenschappen behoort, wat overigens niet meer dan normaal is, omdat kinderrechten nu eenmaal een persoongebonden materie zijn. Niet toevallig hangen de kinderrechtencommissarissen dan ook af van respectievelijk het Vlaams Parlement en de Franse Gemeenschap.

Toch hebben we de voorbije jaren de nood ervaren om op federaal vlak meer aandacht te besteden aan de rechten van kinderen, niet alleen in de dramatische omstandigheden van de vreselijke voorvallen in de vorige legislatuur, maar in het algemeen.

Wij hebben alleszins een stap vooruit gezet nu we op het einde van het politieke jaar de werkgroep hebben geanimeerd, een rapport hebben geschreven en de aanbeveling hebben geformuleerd dat het werk in het komende politieke jaar moet worden voortgezet. Een van de grote verdiensten van dit rapport is dat het aantoont hoe belangrijk het is dat er ook op federaal niveau, horizontaal in alle departementen, aandacht is voor kinderrechten. Het rapport illustreert dat ook en maakt een inventaris van punten waarvan we de komende maanden, binnen het bestek van deze legislatuur, prioritair werk moeten maken.

Eigenlijk hebben we het werkplan geschreven en de beleidsnota rond het federaal kinderrechtenbeleid voor deze legislatuur opgesteld. We moeten nu nog uitpraten hoe we dit dossier per dossier zullen concretiseren. We hebben de regering een schema aangereikt om dit in de overheidsdiensten te materialiseren. Ik beklemtoon hierbij opnieuw het belang van een coördinerend minister. Dit betekent niet dat er aan de regering een minister moet worden toegevoegd, verre van, wel dat iemand in de regering de verantwoordelijkheid moet dragen om het beleid te coördineren, een beleidsnota te maken, de begroting te beheren, de begrotingscontrole uit te voeren en over de timing inzake uitvoering te waken. Deze coördinerend minister moet kunnen beschikken over een strategische cel die bevoegd is om horizontaal aan alle departementen impulsen te geven, het schema van de werkzaamheden kan volgen en over de begroting kan waken. De minister en zijn dienst moeten ook in het Parlement een aanspreekpunt hebben.

Ik heb het daarstraks al gehad over het belang van een commissie in de Senaat die de werkzaamheden kan voortzetten en erover kan waken dat het plan dat we de Senaat vandaag voorleggen, ook werkelijkheid wordt en niet het statuut krijgt van "interessant referentiedocument" waarnaar men ooit later eens kan teruggrijpen.

Ten slotte benadruk ik ook dat het belangrijk is dat de dialoog tussen regering en Parlement dynamisch verloopt, dat er een jaarlijkse rapportering aan het Parlement komt en dat we 20 november niet alleen als internationale, maar ook echt als nationale kinderrechtendag beschouwen waarop we het federale beleid evalueren, erover debatteren en de continuïteit ervan toetsen. Als we erin slagen tegen het komende politieke jaar deze instrumenten te installeren en efficiënt te laten functioneren, dan geven we de aanzet tot een reëel, gecoördineerd federaal kinderrechtenbeleid. Dit zou opnieuw een stap vooruit zijn. Ik beschouw dit rapport als een eerste stap. De belangrijkste stap moet echter nog komen: het implementeren van de aanbevelingen die vandaag worden aangereikt en die van groot belang zijn voor de leefkwaliteit van kinderen en hun gezinnen, want kinderen staan nooit alleen.

Tot besluit wil ik nog even de aandacht vragen voor de voorstellen van de werkgroep om in het najaar de werkzaamheden voort te zetten. In punt VI van de aanbevelingen worden tal van punten opgesomd waar we zelf werk van kunnen maken. Ik overloop ze even. We willen van de Top van New York ook in ons land een evenement maken. Samen met de officiële regeringsdelegatie zal er een delegatie van de Senaat naar New York gaan, maar het moment moet ook in ons land zelf worden gevierd. We stellen een videoconferentie voor waarop ook kinderen het woord krijgen. Wij vragen echter vooral dat er gevolg wordt gegeven aan de beslissingen van de Top van New York, dat er een actieplan komt, dat dit becijferd en getimed wordt en dat we ten minste in de Senaat samen met de regering dit alles concreet kunnen volgen.

We vragen een prioritaire behandeling voor de wetsvoorstellen die de voorbije maanden in de Senaat werden ingediend.

Tot slot herinner ik aan het voornemen om na de top van New York op 20 november aanstaande in de Senaat en dus nog tijdens het Belgische Europese voorzitterschap de kinderrechten in Europees perspectief te bespreken.

Ik verwijs eveneens naar de voorbereiding van de top van Yokohama over mishandelde kinderen. We moeten ook nagaan hoe de aandacht voor de kinderrechten in alle parlementaire commissies horizontaal kan worden geïntegreerd.

Voor het overige verwijs ik naar het omvangrijke en goed gedocumenteerde verslag.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Vandaag verschenen in de kranten twee artikels die indirect te maken hebben met het verslag van de werkgroep van de rechten van het kind. Eén artikel ging indirect over borstvoeding, het ander betrof de 170 verdwenen kinderen. Dit bewijst eens te meer het nut van de werkgroep.

De werkgroep rechten van het kind heeft uitstekend werk geleverd. Iedereen die dit verslag leest, moet opmerken dat we dankzij de talrijke hoorzittingen volledig geïnformeerd zijn. Het lijkt wel of niets of niemand die ook maar iets met kinderrechten te maken heeft, aan de werkkracht van de werkgroep is ontsnapt.

Ik wil dan ook niet alleen de enthousiaste voorzitster, maar ook de rapporteurs bijzonder gelukwensen met hun werk. Alle leden hebben ongetwijfeld actief meegewerkt en het verwondert me dat ze er vandaag zo fris uitzien.

Inhoudelijk wil ik op twee aspecten van het verslag ingaan, meer bepaald op de aanbevelingen van de werkgroep en op de uiteenzetting van mevrouw Budin van ATD-Vierde Wereld.

De werkgroep formuleert een aantal zeer terechte aanbevelingen. Een federaal minister voor de coördinatie van de kinderrechten bevordert in elk geval de horizontale werking. Kinderrechten moeten, net als de armoedeproblematiek, in alle commissies en bij de bevoegdheden van alle ministers sluimerend aanwezig zijn. Een dialoog met kinderen en jeugd zal zeker de burgerzin vergroten en uiteindelijk de kloof tussen burger en politiek verkleinen.

De werkgroep haalt ook aan dat het beleid inzake kinderrechten jaarlijks geëvalueerd moet worden en dat een actieplan nodig is. Zonder evaluatie en planning is geen follow-up mogelijk.

De werkgroep schuift 20 november naar voren als jaarlijkse ontmoetingsdag met de kinderen. Zo een dag brengt de jeugd dichter bij de politiek: jongeren worden beluisterd en ze kunnen deelnemen aan de politieke besluitvorming. Door dit soort activiteiten te organiseren ondersteunt de Senaat ook de leerkrachten van de basis- en de middelbare scholen, die bij het werken aan de eindtermen of ontwikkelingsdoelen aandacht moeten hebben voor de bevordering van de burgerzin. Een indirecte samenwerking tussen de politieke wereld en de scholen maakt de politiek voor de jeugd begrijpelijker en helpt de kloof te verkleinen.

Als besluit van dit eerste punt pleit ik ervoor dat het rapport opvolging krijgt. Ik ben ervan overtuigd dat al de leden van de werkgroep zich daarvoor willen inzetten in de commissies. Ik hoop ook dat er een jaarlijkse evaluatie komt om de opvolging te verankeren.

In een tweede punt wil ik ingaan op de problematiek van kind en armoede. Mevrouw Pascale Budin van ATD-Vierde Wereld, maakte tijdens de hoorzittingen een erg belangrijke opmerking. Ze zei dat een kind altijd deel uitmaakt van een gezin. Als we dat gezin onvoldoende ondersteunen, als dat gezin in armoede leeft - in België doen er dat nog altijd veel te veel - dan worden automatisch het leven en de rechten van het kind aangetast. Toegang tot onderwijs, toegang tot gezondheidszorg en respect voor de integriteit van het gezin zijn allemaal erg belangrijk. Omdat er vaak nog een schrijnend gebrek aan respect voor de integriteit bestaat, worden veel kinderen geplaatst in plaats van voldoende steun te geven aan de ouderen. Optimaal functioneert een gezin alleen als het ook materieel niets tekortkomt, als het over voldoende middelen beschikt, over voldoende geld, een goede en gezonde huisvesting enzovoort.

Mevrouw Budin vermeldde ook de interparlementaire werkgroep Vierdewereld. Een belangrijk doel van de werkgroep is op regelmatige basis de politieke verantwoordelijken in contact te brengen met de verenigingen waar de armen aan het woord komen. Er wordt thematisch en ervaringsgericht gewerkt. Zo werkten we al aan de thema's als partnerschap tussen politici, wetenschappers en armen, plaatsing van kinderen, gezondheid en armoede en daklozen. De bedoeling is dat er na een getuigenis van ervarings- en/of terreindeskundigen een debat ontstaat met de politieke vertegenwoordigers. Die hebben dan tot taak wat ze hoorden bij hun fracties ter sprake te brengen en daar acties uit te werken in de vorm van wetsvoorstellen.

Contacten leggen met parlementsleden is echter geen gemakkelijke opdracht. Ligt het aan de werkdruk? Ligt het aan de organisatie van de vergaderingen, aan een gebrek aan interesse? Ik weet alleen dat er hier een belangrijke stap is gedaan om tot een dialoog te komen en dat er al resultaten werden geboekt.

Ik hoop in ieder geval dat al de leden van de werkgroep Kinderrechten voortaan de vergaderingen stipt zullen bijwonen om daar het kind zelf tot het centrum van onze discussies te maken. Van mijn kant beloof ik alvast om op de vergadering van het bureau van de werkgroep van deze week de werkzaamheden van 20 november in ons actieplan te laten opnemen en om ervoor te zorgen dat we minstens eenmaal per jaar het kind centraal plaatsen in onze interparlementaire werkgroep.

Mme Clotilde Nyssens (PSC). - Je voudrais d'abord saluer l'initiative de l'ensemble des membres du groupe de travail, et remercier en particulier Mme de T' Serclaes du coup de pouce qu'elle a donné au Sénat pour qu'il reprenne en mains cette problématique des droits de l'enfant.

Ce fut un des moments forts au Sénat lorsque la commission des Affaires Institutionnelles s'est penchée sur la problématique et a inséré un article relatif aux droits de l'enfant. Les représentants des différents ministères étaient présents ainsi que le ministre de la Justice, lequel a exposé son rapport intermédiaire en vue du dépôt du rapport de la Belgique à la Convention des droits de l'enfant. Je me souviens qu'à l'époque, Mme de T' Serclaes avait dit qu'il fallait structurer et profiter de l'occasion pour que le Sénat élabore quelque chose de durable ; il importait également à ses yeux que le rapport de la Belgique à l'ONU ne soit pas un énième document non lu, non examiné et non porté politiquement ; il fallait enfin et surtout que le Parlement ait son mot à dire avant et qu'il procède ultérieurement à une évaluation.

Je crois que depuis lors, certains, dont Mme de T' Serclaes, cherchaient l'occasion pour instituer un lieu de parole et de législation. Ce groupe de travail fut ainsi constitué pour que les droits de l'enfant soient quelque chose de durable dans notre assemblée.

Je ferai une première observation générale sur le concept des droits de l'enfant. Ces droits nous viennent évidemment de la convention de l'ONU de 1989. À l'époque, on voulait, d'une manière un peu médiatique, inscrire dans un texte à portée mondiale des dénominateurs communs qui toucheraient l'ensemble des enfants de la planète.

Cet exercice était difficile puisqu'à l'évidence, la situation des enfants en Occident est très différente de celle des enfants dans d'autres continents. J'ai donc toujours des réserves quand on parle de droits de l'enfant en général parce qu'il me paraît nécessaire d'envisager l'enfant dans son contexte, et tout d'abord dans sa famille.

Mme De Roeck et d'autres intervenants ont rappelé que l'enfant n'est pas isolé et que son premier espace de vie est sa famille.

ATD-Quart monde et d'autres ONG nous disent depuis toujours qu'il ne faut pas isoler l'enfant et lui donner des droits comme on le fait pour un adulte capable de les exercer avec maturité. L'objectif des droits de l'enfant est de ne pas faire de ce dernier un adulte avant la lettre. Il convient de permettre à l'enfant de s'épanouir tout en restant enfant, en lui laissant son insouciance, sa joie de vivre et ses capacités ludiques que l'adulte n'a plus. Mon seul souci est dont que l'on ne fasse pas des enfants des sujets de droit au même titre que les adultes.

Une réflexion a été menée par les différents intervenants et également en dehors de la commission par les juristes et des représentants des sciences humaines selon laquelle le contexte de la Convention des droits de l'enfant a changé. Il est évident que 1989 est loin. Nous sommes en 2001 et j'ai l'impression que l'on entre dans une ère sociale où la place de l'enfant et les relations entre adultes et enfants sont en train de se modifier profondément. L'ère de comportements autoritaires et paternalistes des parents à l'égard de leurs enfants est terminée. Les relations affectives sont en train de se chercher et, comme on l'a souvent dit, les pères occupent de plus en plus leur place ou du moins devraient l'occuper.

On donne de plus en plus d'importance à la parole de chacun. Quand cela se passe bien dans les familles, c'est parce que la parole circule entre l'enfant et les parents et que les différents rôles familiaux sont bien distribués. Nous vivons une époque où les relations entre les parents et les enfants sont en train de se chercher. Nous vivons également une nouvelle socialisation. On recherche de nouveaux modèles au niveau des éducateurs. Combien d'éducateurs et d'enseignants ne nous disent-ils pas que le rapport à l'enfant est en train de changer, que tout est basé sur le consentement et sur l'écoute !

Nous sommes peut-être entrés - comme l'a dit à plusieurs reprises Mme Laloy au sein du groupe de travail - dans une ère de soupçon par rapport aux éducateurs. Je ne voudrais pas que les atrocités que nous avons vécues dans notre pays et que la problématique de la maltraitance jettent un soupçon sur les relations affectives que l'on doit avoir vis-à-vis des enfants et des jeunes.

Quand on parle « droits de l'enfant », de grâce qu'on les définisse et que l'on ait une réflexion sociologique humaine avant de légiférer dans une série de matières.

En ce qui concerne les priorités législatives, je crois que l'inventaire réalisé par le groupe de travail est bon. Mon attention est particulièrement retenue par le chapitre « l'enfant et la justice » parce que le sujet a déjà été abordé au sein de la commission de la Justice. Il est évident que nous attendons la matière de l'adoption. C'est vrai qu'elle sera d'abord soumise à la Chambre, mais nous pouvons nous impliquer d'une manière ou d'une autre dans ce débat.

Il existe des problématiques fondamentales dans cette matière comme, par exemple, les qualités et les aptitudes qu'il faut avoir pour adopter un enfant. C'est une obligation qui nous vient de la Convention de La Haye. Comment une société peut-elle juger des aptitudes et des qualités nécessaires pour adopter un enfant ? C'est une question éminemment éthique, politique, psychologique. Le Sénat devrait pouvoir avoir son mot à dire en dehors d'une simple procédure d'évocation ou en deuxième ligne, lorsque les choix sont faits. Nous devons réfléchir à la manière de travailler avec la Chambre.

En ce qui concerne le chapitre « l'enfant et la justice », nos trois propositions sont quelque peu en attente, à savoir l'audition des droits de l'enfant, proposition de Mme de Bethune, les avocats des mineurs, proposition de Mme Lindekens, et la proposition de Mme Taelman sur la capacité procédurale d'un enfant à être entendu en justice. Je suis convaincue que l'enfant n'est pas une partie comme une autre au procès. Un adulte a sa place dans la justice. Un enfant doit avoir sa place dans la justice, mais il faut la chercher. Un enfant doit participer, être entendu, être écouté, être au courant. J'ai hâte de participer au mois d'octobre au débat relatif à la place de l'enfant devant nos tribunaux, puisque certains estiment qu'il faut lui attribuer une capacité juridique ou procédurale et aller au delà de l'audition. Cette audition devrait peut-être être améliorée au départ de la proposition de Mme de Bethune.

Des propositions ont évidemment été formulées quant au chapitre concernant l'enfant dans sa famille. Même s'il s'agit d'une matière qui relève des compétences du fédéral mais aussi des communautés, je voudrais que l'on prenne également à bras-le-corps le problème de la protection de la jeunesse et du placement des enfants. Cette thématique a souvent été évoquée au sein du groupe de travail, en particulier dans le groupe interassemblées qui se réunit régulièrement avec ATD-Quart monde. Il y a une demande en cette matière.

Le droit familial en général, le droit de visite, les rapts parentaux, tous ces sujets font partie de l'inventaire considérable des thèmes réalisé par le groupe de travail. Je n'ai pas la moindre idée de la manière dont nous allons travailler pour embrasser toutes ces matières. La tâche est immense ; il faudra effectuer des choix, établir des priorités...

À titre personnel, je suis particulièrement intéressée par le droit familial et par le droit à la justice. Je propose que nous nous retrouvions à la rentrée pour arrêter des priorités et déterminer une méthode de travail. Il importe de mettre à profit la volonté avérée des parlementaires, laquelle transcende les clivages entre majorité et opposition, pour avancer de concert, portés par cette dynamique. Le Sénat, chambre de réflexion, se doit de se pencher sur l'évolution constante de la famille s'il ne veut pas rater le coche. Tels sont les éléments essentiels que j'ai retenus du rapport.

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV), corapporteur. - Ik neem niet het woord als corapporteur, maar wel namens de Agalev-fractie.

De werkgroep is erin geslaagd op korte tijd een rapport op te stellen dat een omvangrijk naslagwerk is. We mogen er terecht fier op zijn. We hebben verschillende hoorzittingen gehouden, die bijzonder leerrijk waren. Daaruit bleek de maatschappelijke noodzaak van het oprichten van een federale instantie die over de rechten van het kind waakt. De werkgroep behandelde thema's die verband houden met de federale bevoegdheid of met de gedeelde federale en regionale bevoegdheid. Een aantal belangrijke thema's inzake kinderrechten behoort uitsluiten tot de regionale bevoegdheid. Die werden uiteraard niet besproken.

Ik vraag bijzondere aandacht voor het thema van kinderen en duurzame ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling is verbonden met de rechten van het kind, want elke investering in duurzame ontwikkeling is een investering in de toekomst van de mensheid. Daarom is het Verdrag van Kyoto zo belangrijk. Hoewel het verdrag zelf spreekt over de rechten inzake gezondheid, milieu, voeding, zuiver drinkwater, ... is het recht op duurzame ontwikkeling niet erkend als kinderrecht.

Kindeffectrapportering is belangrijk. Op Vlaams niveau is de kindeffectrapportering gerealiseerd en bewijst ze haar nut.

Tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie zal een conferentie worden gehouden over migratie en asielbeleid. Onze fractie vraagt aandacht voor het statuut van de niet-begeleide minderjarigen in de asielprocedure. Ook de situatie van kinderen in oorlog verdient aandacht. Het aantal van de niet-begeleide minderjarigen en de routes die ze volgen, moeten in kaart worden gebracht op internationaal niveau zodat er preventief kan worden gewerkt.

In het Verdrag van de rechten van het kind is een uitdrukkelijk verbod op het opsluiten van minderjarigen in gesloten centra opgenomen. De regering plant echter de oprichting van een centrum voor de opsluiting van niet-begeleide minderjarigen in Zaventem. Daarmee kunnen wij niet akkoord gaan. Wanneer de minderjarigen hier aankomen, moeten ze een gepaste begeleiding krijgen. Ze in een gesloten centrum opsluiten, is een slechte oplossing.

Mijn belangrijkste opmerking heeft betrekking op de verkeersveiligheid. Het mobiliteitsvraagstuk heeft een kindertoets nodig. De kindeffectrapportering is ook in dat opzicht van belang. Ouders van kinderen die in het verkeer gestorven zijn, kunnen zich thans alleen tot een politionele rechtbank wenden. Administratief gaat het immers maar om een verkeersdelict en de straffen voor de daders staan vaak niet in verhouding tot de gepleegde feiten. Er moet in deze procedure meer rekening worden gehouden met de ouders.

Een van de belangrijke aanbevelingen van de werkgroep is die over de coördinatie van het beleid. De werkgroep vraagt hiervoor de aanstelling van een coördinerend minister. Die minister moet worden geholpen door een strategische cel uit de administratie die horizontaal over de verschillende betrokken departementen dient te opereren. Het wetsvoorstel van mevrouw Lindekens en mezelf tot oprichting van een Federaal Kinderrechtencommissariaat dient in deze optiek te worden besproken.

De ingewikkelde staatsstructuur van België en de bevoegdheidsverdeling mogen de rechten van het kind niet in het gedrang brengen. Ik denk daarbij specifiek aan bevoegdheden die het federale en het regionale niveau overlappen, zoals het jeugdsanctierecht of zoals de verkeersveiligheid van kinderen. De gemeenten staan immers in voor de plaatsing van de verkeersborden en verlenen hun medewerking aan het uitstippelen van de verkeersveiligheid.

Een aspect dat niet aan bod is kunnen komen, is het onderwijs, dat een gemeenschapsbevoegdheid is. Er zijn echter allochtone kinderen die onvoldoende toegang krijgen tot een kwalitatief hoogstaand onderwijs. Ik wens daar toch even de aandacht op te vestigen.

In de organisatie van de maatschappij moet er veel aandacht gaan naar de plaats van het kind, zoals mevrouw Nyssens terecht opmerkte. Er moet rekening worden gehouden met de arbeidsorganisatie van de ouders, de arbeidsduur, de verkeersveiligheid, enzovoort.

Ik wijs tot slot op het belang van de follow-up van dit verslag. We hebben geprobeerd alle problemen met betrekking tot de rechten van het kind in dit naslagwerk aan bod te laten komen. Vermits het de bedoeling was zo volledig mogelijk te zijn, hebben we alle aspecten niet echt grondig kunnen onderzoeken en hebben we korte aanbevelingen geformuleerd. Het verslag kan in alle bestaande commissies gebruikt worden. Mevrouw De Roeck heeft al beloofd daar in de interparlementaire werkgroep Vierde Wereld werk van te maken. Om de follow-up te garanderen, moet er een speciale instantie komen. De naam of vorm van die instantie doen er niet toe, wel dat ze er is en in de structuren van de Senaat en van de federale administratie wordt geïntegreerd.

Mme Marie-José Laloy (PS). - Je voudrais remercier les rapporteurs, les services du Sénat ainsi que la présidente de notre groupe pour la clarté et la précision du rapport.

Je souhaite également saluer le résultat des travaux du groupe qui s'est constitué en vue de préparer la session extraordinaire des Nations unies, sur les droits des enfants, qui aura lieu à New York, en septembre prochain.

Je voudrais souligner le fait que le Sénat porte un intérêt constant au thème des droits des enfants. J'en veux pour preuve les nombreuses propositions de loi et de résolution - déposées ou adoptées - portant sur ce sujet, ainsi que d'autres initiatives concrètes visant à la participation des enfants. Je reviendrai sur ce dernier point dans un instant.

Je ne passerai pas en revue l'ensemble des comptes rendus des auditions, qui furent toutes très intéressantes, enrichissantes et éclairantes pour nos travaux. Je ne commenterai pas non plus les trente-sept recommandations faites par le groupe, suffisamment développées dans le rapport et ayant d'ailleurs fait l'objet d'un vote en commission.

Je tiens toutefois à insister sur quelques points qui me tiennent à coeur.

Tout d'abord, faut-il le rappeler, la Convention relative aux droits des enfants, que notre pays a ratifiée le 25 novembre 1991, est bien une convention, et non une déclaration. Elle a donc un caractère juridiquement contraignant et son application peut, par conséquent, être réclamée en justice. Si des actes importants ont été posés par la Belgique en vue de son application, il n'en va pas de même pour de nombreux autres États, qui se sentent encore trop peu concernés par la question. Et j'insisterai ici sur deux points particuliers.

Je demande au gouvernement, en qualité de président de l'UE, qu'il exerce une pression maximale, entre autres sur les États-Unis, pour qu'ils ratifient la Convention, et sur tous les États signataires, afin qu'ils veillent à sa mise en oeuvre effective.

Ensuite, je voudrais rappeler à notre gouvernement que les protocoles additionnels relatifs, d'une part, à la prostitution des enfants et, d'autre part, à la participation des enfants aux conflits armés, n'ont toujours pas été soumis à l'assentiment de nos différentes assemblées. La situation spécifique de ces deux domaines est de plus en plus dramatique, particulièrement en ce qui concerne la prostitution. Il est donc extrêmement urgent de rendre nos lois pénales plus strictes et de prévoir l'extraterritorialité.

Durant les six mois de la présidence belge, notre gouvernement fera le point sur les progrès accomplis en matière, notamment, de politique d'asile et d'immigration, de lutte contre la criminalité, de coopération judiciaire pénale et civile. Cela implique concrètement - et la liste est longue - les problèmes suivants : le regroupement familial, les mineurs étrangers non accompagnés, les demandeurs d'asile, les enfants en prison, les enfants dont les parents sont emprisonnés, les disparition d'enfants, les rapts parentaux, l'exploitation sexuelle des enfants, la traite des êtres humains, etc.

Je veux donc insister pour que, lors de la conférence ministérielle relative à l'asile et à l'immigration, ces questions fassent l'objet d'une attention particulière et qu'une meilleure coordination de la politique européenne en la matière se mette en place.

J'ai d'ailleurs, à ce sujet, déposé une proposition de loi visant à instituer une médiation internationale, via un réseau de médiateurs internationaux, me référant à la Convention de La Haie qui traite de la mise à disposition de la médiation en cas de rapts parentaux, ou d'autres méthodes de résolution des conflits concernant les enfants.

En ce qui concerne les recommandations relatives aux priorités des niveaux fédéral, régional et communautaire, je me limiterai à attirer votre attention sur le fait que les droits de l'enfant ne peuvent se concevoir indépendamment de ceux de sa famille.

Les pouvoirs publics ont donc une responsabilité vis-à-vis des parents et doivent leur permettre d'exercer leurs devoirs, particulièrement pour ceux qui se trouvent en situation de pauvreté, qu'elle soit économique, sociale ou culturelle.

Une attention particulière doit être réservée à l'égalité des droits pour les filles et les garçons et spécialement dans certains domaines. je relève un exemple : on ne se pose quasi jamais la question de l'équité dans les investissements. Je pense particulièrement aux sports collectifs. Nous sommes tous fiers de Justine et de Kim qui ont réussi des performances, mais combien avons-nous de petites filles qui s'entraînent sur les terrains de football, dans des clubs où des sommes d'argent extrêmement importantes sont investies exclusivement à l'intention des jeunes garçons ? La question est ouverte et mérite réflexion, me semble-t-il.

Tant la Convention internationale des droits de l'enfant que le Comité des droits de l'enfant mettent l'accent sur la nécessaire participation des enfants aux décisions qui les concernent. Le Comité des droits de l'enfant encourage d'ailleurs fortement les enfants à donner leurs avis et demande aux adultes et aux institutions de garantir que ceux-ci seront pris en considération aux fins de décisions qui influencent leur existence.

Paradoxalement, nos enfants sont de plus en plus sujets ou, malheureusement trop souvent, objets de notre attention, mais sont-ils pour autant entendus, reconnus, en tant que personnes à part entière ? Mettons-nous en place les moyens adéquats pour garantir leurs droits et particulièrement ceux qui assurent leur participation à la vie sociale, la liberté de pensée, la liberté d'expression ?

Nous avons encore malheureusement en mémoire ce simulacre de participation que notre gouvernement a réalisé avec la mise en place d'un gouvernement des enfants. Une petite fille à qui on avait peut-être trop fait croire qu'elle avait quelque chose à dire, a démissionné et, pendant un an, n'a pas du tout été consultée. Sa participation s'était limitée à figurer sur une belle photo avec notre gouvernement. De cela, nous ne voulons plus. Une participation des enfants implique de les prendre réellement en considération, de les écouter et de donner suite à leurs revendications.

C'est pourquoi un des points forts de la session de New York est la participation des enfants. Notre groupe de travail a décidé, et je m'en réjouis, en collaboration avec l'UNICEF, d'impliquer le plus grand nombre possible d'enfants à cette session. Plusieurs groupes d'enfants sur tout le territoire belge travaillent déjà maintenant, réfléchissent, discutent, analysent, critiquent et s'expriment à propos de leurs droits mais aussi de leurs devoirs. À cet égard, je partage largement les propos de Mme Nyssens : s'il est clair que nos enfants ont des droits, ils ont aussi des devoirs et leurs droits ne doivent pas être supérieurs aux droits des parents et des adultes, qu'ils soient leurs éducateurs, leurs amis, etc. Sur ce point, nous devons être particulièrement vigilants parce que nous avons connu trop de dérives. Les accidents malheureux que notre pays a connus ont conduit à une trop grande focalisation sur les droits de l'enfant, peut-être pour nous donner bonne conscience, mais les conséquences, pour certains adultes, ont été dramatiques et sont loin d'être réglées.

Lors de la session de New York, certains des enfants qui ont participé à la réflexion, tant en Communauté française qu'en Région flamande, participeront aux travaux de New York et les répercuteront à leur retour tandis que d'autres seront ici au Sénat. Ils participeront à des rencontres-débats avec des parlementaires et seront en relation, par le biais d'une vidéoconférence, avec leurs amis, leurs collègues, la présidente du groupe et les ministres présents à New York. Pour nous, il s'agit une nouvelle fois de partager le fruit de notre travail parlementaire avec les enfants et de les confronter à leurs réactions.

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

C'est là notre contribution à l'édification d'une culture des droits de l'enfant par la participation mais également par l'information et la sensibilisation de l'opinion publique.

Avant de conclure, je ne peux m'empêcher de penser à ces centaines de millions d'enfants soumis au travail forcé et à l'exploitation, à ces douze millions d'enfants de moins de cinq ans qui meurent chaque année dans le monde de causes susceptibles d'être combattues par des moyens efficaces et peu coûteux, à ces milliers d'enfants qui meurent dans des conflits armés ou qui souffrent de handicaps irréversibles, à ces enfants qui vivent dans des camps de réfugiés ou ont été déplacés et, plus près de nous, aux enfants mineurs qui sont encore enfermés.

Dans notre monde où la technologie et les connaissances sont disponibles, où le revenu moyen a quadruplé en vingt-cinq ans, nous n'avons plus d'excuse. Nous avons le devoir de respecter les droits des enfants, surtout des moins favorisés.

Mme Nathalie de T' Serclaes (PRL-FDF-MCC). - Je remercie les rapporteurs mais également l'ensemble des membres du groupe de travail de leur contribution à ce rapport. Nous avons travaillé sous pression, notre mandat étant limité dans le temps. Nous avons cependant rédigé un rapport volumineux, contenant quantité d'informations. Lorsque les annexes auront été distribuées, les membres pourront prendre connaissance du rapport que la Belgique a fourni aux Nations Unies et qui décrit l'état de la question et les progrès réalisés dans notre pays en faveur des droits de l'enfant. L'ensemble de ce rapport constitue donc un document de travail précieux.

Je remercie également les services du Sénat qui ont travaillé dans des conditions parfois difficiles et à un rythme soutenu, particulièrement au cours des deux dernières semaines. Le rapport dont nous discutons cet après-midi sera présenté lors de la session extraordinaire des Nations Unies qui se tiendra à New York au mois de septembre. Notre mandat se situant dans le cadre de la préparation et du suivi de cette session, nous souhaitions avoir une discussion avant que les ministres compétents, tant au niveau fédéral que communautaire, ne se rendent à New York pour y discuter du document final qui y sera adopté.

Je voudrais attirer l'attention des membres de notre assemblée sur le rapport qui a été élaboré par le secrétaire général des Nations Unies en vue de cette session extraordinaire. Intitulé « Nous, les enfants - Examen de fin de décennie de la suite donnée au sommet mondial pour les enfants de 1990 », ce rapport est aussi une mine d'informations et comporte d'intéressants tableaux sur les progrès réalisés dans le monde. Mme Laloy vient de citer un certain nombre de chiffres relatifs à la situation des enfants dans le monde. Nous ne pouvons oublier que notre pays se situe parmi les plus privilégiés du monde, ce qui nous donne une responsabilité particulière. Lorsque nous abordons ces questions, nous devons les situer dans un cadre mondial.

La présence du secrétaire d'État à la Coopération au Développement est particulièrement intéressante, même si l'ensemble du gouvernement devrait être présent puisque cette matière est transversale.

Nous avons élaboré ce rapport dans le cadre de la session spéciale. Il était donc souhaitable que l'un des ministres responsables sur le plan de la politique extérieure puisse nous entendre et nous répondre.

Nous espérons que dans un deuxième temps, peut-être pour le débat que nous devons avoir le 20 novembre prochain, nous recevrons à l'échelon belge un certain nombre de réponses plus pointues à l'égard des différentes recommandations que nous avons élaborées dans le cadre de notre rapport.

Je citerai simplement une petite phrase de Kofi Annan dans ce rapport : « Nous devons renforcer notre action pour que soient atteints les objectifs fixés lors du sommet mondial pour les enfants et que soient appliqués de manière concrète les principes de la Convention relative aux droits de l'enfant. Notre action doit être portée par une conviction encore plus forte de la part des responsables politiques, mais aussi des différentes composantes de la société civile. »

C'est un message important qui s'adresse aux politiques, mais aussi à l'ensemble de la société. C'est dans ce cadre que nous avons réfléchi et rédigé notre rapport.

Qu'avons-nous voulu faire par le biais de ce document, comment l'avons-nous structuré et quel type de recommandations avons-nous voulu mettre en oeuvre ?

Les intervenants précédents ont bien défini la philosophie générale du rapport et ont insisté sur l'une ou l'autre recommandation. Ce document reflète assez fidèlement les éléments prioritaires qui nous animent.

Je m'attacherai à quelques points seulement et, en premier lieu, à la place du Sénat dans cette problématique. Le Sénat a un rôle important à jouer. Nous avons bien fait de nous saisir de cette problématique, comme nous l'avons fait pour d'autres matières, comme l'immigration, la taxe Tobin, etc.... Notre assemblée a vocation à élaborer ce type de rapport et a une action internationale prioritaire par rapport à la Chambre. Nous nous trouvons dans un monde global. Si nous devons penser et agir au plan local, nous sommes aussi appelés à penser globalement.

De par sa composition, notre assemblée est un lieu de rencontre des communautés et des régions. S'il est des matières qui nécessitent des concertations avec l'ensemble des entités de notre État fédéral, les droits de l'enfant en font assurément partie.

Mme Kaçar a parlé de l'enseignement. Le pouvoir fédéral n'est pas compétent en cette matière. Or, l'éducation est une matière prioritaire dans le cadre des droits de l'enfant et le Sénat peut remplir un rôle de coordination sur ce plan.

Comme l'a dit Mme Laloy, nous devons écouter la société civile et stimuler la participation des enfants en lien direct avec les dispositions de la Convention internationale des droits de l'enfant et l'ensemble des ONG qui travaillent dans cette perspective.

C'est pourquoi nous avons voulu tenir cette vidéoconférence avec les ministres responsables. L'invitation s'adresse tant au ministre des Affaires étrangères qu'au secrétaire d'État à la Coopération au Développement et aux différents ministres qui seront présents à New York, pour dialoguer avec les enfants dans le cadre du forum préliminaire. Ce dialogue pourra également avoir lieu ici au Sénat avec les enfants qui seront présents lors de cette session spéciale.

Je voudrais également insister sur le rapport annuel, le plan d'action et la date du 20 novembre. Nous avons indiqué que nous voulions un rapport annuel et un plan d'action qui complètent le plan quinquennal. La Convention des droits de l'enfant crée, au sein des Nations unies, un comité de suivi de ce qui se passe dans les différents pays. La Belgique doit publier un rapport quinquennal. Ni le Parlement ni les ONG ne sont intervenus dans la rédaction du premier rapport. Les ONG ont participé à la seconde phase de la rédaction du deuxième. Nous voulons intervenir nous aussi, et nous voulons que les enfants interviennent. Mais ce rapport quinquennal devrait être soutenu par un rapport annuel et par un plan d'action. C'est pour cela que nous insistons sur celui-ci ainsi que sur la date symbolique du 20 novembre, jour anniversaire de l'adoption de la Convention internationale. Dans la société civile, tout le monde nous demande d'en faire une date-phare. Je sais que l'UNICEF prépare déjà des actions. Le 20 novembre prochain, nous serons toujours en pleine présidence belge. Saisissons donc cette occasion pour organiser chaque année un débat en profondeur. Nous disposons d'un document. Nous souhaitons que le gouvernement élabore un plan d'action. Mais nous devons préparer un rapport plus approfondi. C'est aussi pour cela que nous demandons que notre groupe puisse continuer à travailler de manière structurelle, sous une forme ou sous une autre. Ce sera probablement un groupe de travail puisque certains craignent que nous prenions du temps sur les autres commissions. Je signale que nous avons travaillé pendant deux mois, en dehors des commissions permanentes. Nous avons quand même réussi à produire un document qui tient la route. Il contient une centaine de pages plus des annexes. Si on le veut, on le peut. N'ayons donc pas peur de créer des groupes de travail ou des commissions ad hoc afin de préparer certains débats importants voire essentiels dans notre société.

Monsieur le ministre, vous vous rendrez à New York en compagnie du ministre des Affaires étrangères. Je vous demande d'être attentif au débat qui a lieu actuellement au sein du PrepCom et aux négociations dont ressortira le document final. La Belgique présidera l'Union européenne. Vous ne devez en aucun cas accepter, sous la pression des États-Unis, que ce document final soit en deçà de ce que prévoient les dispositions de la Convention internationale des droits de l'enfant. C'est l'enjeu actuel des négociations. Elles ne se déroulent pas très bien mais nous savons que des négociations comprennent toujours une phase difficile, une phase de dramatisation. Nous comptons sur la « force de frappe » de la Belgique en tant que président de l'Union européenne pour que ce point-là, ainsi que la participation des enfants, restent des thèmes importants du document final. Ces deux points doivent constituer sa base et son armature. Cela ne sera pas facile, monsieur le ministre, mais vous devez tenir bon. Et l'Union européenne doit tenir bon lors de cette négociation. C'est en tout cas le message que je voudrais vous adresser aujourd'hui, au nom du groupe de travail.

Dans notre document, nous avons voulu indiquer que la place des enfants doit aussi faire l'objet de toute l'attention de l'Union européenne. Or, nous n'avons pas relevé, dans les documents et dans les priorités en tant que telles, une quelconque mention de la place des enfants.

Nous insistons pour que les enfants soient davantage présents dans l'ensemble des politiques qui vont être élaborées durant cette période de présidence belge. Et pourquoi n'en parlerait-on pas dans la déclaration de Laeken ? Que les conseils des ministres de la Justice et des Affaires intérieures s'en préoccupent et pas seulement concernant l'exploitation sexuelle mais aussi au niveau des politiques d'asile et d'immigration. J'ai assisté à une conférence régionale à Berlin où l'UNICEF fit état d'un sondage d'opinion réalisé auprès notamment d'enfants des pays de l'Est ou des pays « en transition ». Un quart de ces enfants avaient l'intention d'émigrer dans nos pays. C'est un signal. Un quart des enfants, c'est beaucoup, voire énorme. Cela veut dire que nous, citoyens de l'Union européenne, devons savoir que ces enfants estiment que la situation dans leur pays n'est pas tenable et que la pression migratoire sera de plus en plus importante. On ne peut donc continuer à ignorer l'existence des enfants dans les débats sur l'immigration, l'asile, la justice ou l'Europe sociale. Les trois ministres responsables de matières sociales, lors d'une conférence de presse, ont exposé leurs priorités qui comprennent la lutte contre la pauvreté, laquelle constitue un point clef de la vie et des droits des enfants.

Comme Mme Laloy l'a fait dans son intervention, comme M. Galand ne manquera pas de le faire, j'en suis certaine, je tiens à insister sur le fait que le droit des parents et le droit des enfants ne forment qu'un droit humain. Dans la lutte contre la pauvreté, il faut aussi parler des enfants. Nous estimons que les enfants méritent mieux qu'une simple réunion des ministres responsables de la Jeunesse. Je ne suis pas d'accord avec l'idée de ministres des femmes qui seuls s'occuperaient des femmes et de ministres de la Jeunesse seuls intéressés aux droits des enfants. Moi, je voudrais un conseil des Affaires générales sur les « droits de l'enfant » et pourquoi pas un conseil ECOFIN avec les droits des enfants à son ordre du jour ? C'est Mme Bellamy, secrétaire générale de l'UNICEF, qui dit qu'elle aura gagné son combat lorsqu'elle aura derrière elle tous les ministres des Finances et du Budget. Elle a raison. On ne peut pas oublier les enfants. Les enfants qui sont le futur de nos pays et même du monde entier doivent être pris en compte dans toutes les politiques ; leurs conditions d'existence et de développement doivent se trouver à l'agenda des conseils des ministres les plus sérieux et non reléguées dans une case à part. Voilà le message que notre rapport délivre, le signal que nous voulons lancer à cette assemblée.

Mais au-delà de ce signal, nous poursuivrons notre action, nous ne voulons pas nous arrêter. Les propositions que nous faisons sont le résultat d'un long travail mais, pour les faire aboutir, il faudra faire preuve d'une véritable volonté politique. J'espère que, dans cette assemblée et au gouvernement, nous trouverons les interlocuteurs avec lesquelles nous arriverons à définir des priorités. J'espère ensuite que, dans chacune de nos commissions, ces priorités feront l'objet de débats et surtout aboutiront à des résultats concrets.

M. Paul Galand (ECOLO), corapporteur. - J'ai écrit deux pages de remerciements adressés aux services, à Mme de T' Serclaes, aux corapportrices et à mes collègues mais étant donné l'heure, je m'associe aux remerciements déjà énoncés.

Vu l'excellent rapport de Mme Taelman et les interventions qui ont été développées, j'évoquerai plus particulièrement certaines recommandations et problématiques abordées par le groupe de travail et sur lesquelles je voudrais insister sans minimiser l'importance des autres recommandations.

Mme De Roeck a insisté sur une des plus grandes atteintes aux droits des enfants : la pauvreté. D'autres ont fait de même et tous ont raison. Il ne faut pas isoler l'enfant de sa famille, sauf cas exceptionnels. Un jour, cet enfant sera parent et citoyen. La façon dont le travail de promotion sociale aura été fait avec ses parents le confortera alors dans son rôle de parent et de citoyen.

Je voudrais compléter cette approche du problème de la pauvreté par la lutte contre la pauvreté et les droits de l'enfant au niveau international.

Les débats sur la coopération au développement seront à l'ordre du jour de la prochaine rentrée parlementaire et je me réjouis de votre présence, monsieur Boutmans. Il faudra effectivement accroître nos efforts de coopération pour diminuer l'écart entre les 0,36% de produit intérieur brut et l'objectif des 0,7% consacrés à la coopération, spécialement en faveur des programmes qui visent le bien-être des enfants du Sud.

L'audition de Mme Bellamy, présidente de l'UNICEF, a mis en lumière combien l'aide aux programmes de scolarisation des filles était une des mesures les plus efficaces à moyen terme pour le développement durable et la lutte contre la pauvreté. Serons-nous logiques avec nous-mêmes en soutenant les efforts du fédéral, particulièrement vis-à-vis de l'Afrique centrale et en veillant à une bonne coordination des efforts de tous acteurs de la coopération et des différents niveaux de pouvoirs ?

La Convention internationale relative aux droits de l'enfant doit aussi entraîner une prise de conscience du fait qu'il faut accorder davantage de place, dans la politique internationale, à la promotion et au respect des droits des enfants et des jeunes. Ces futurs adultes apprennent leurs devoirs de citoyens en voyant comment les adultes les remplissent vis-à-vis des enfants. En ce sens, je pense qu'à de nombreux niveaux des relations internationales, les efforts doivent être poursuivis et renforcés et que les droits des enfants sont prioritaires, et non en annexe.

Parmi d'autres, je voudrais évoquer brièvement deux situations qui nous touchent intensément et de près : la situation en Irlande du Nord et le conflit israélo-palestinien. Dans le premier cas, que penser de cet exemple d'adultes qui, aujourd'hui encore, narguent d'autres adultes, d'autres parents par des défilés provocateurs en souvenir de batailles qui ont eu lieu voici quatre siècles ? C'est un spectacle affligeant, un exemple de stupidité d'adulte qui, malheureusement, risque de faire des émules parmi les enfants.

Et que dire de ce qui se passe en Palestine ? Que deviennent ces enfants qui voient leur maison détruites ? Que ressentent ces jeunes, témoins de la mort de leurs camarades à l'entrée d'une discothèque ? C'est aussi pour que, demain, ces enfants ne soient pas des kamikazes ou ne forment pas une soldatesque destructrice que l'UE doit imposer l'envoi rapide et massif d'observateurs en Palestine.

Pourquoi pas aussi avec l'Unicef ?

Il faut que l'Union européenne veille, avec plus de détermination, à ce que les provocateurs extrémistes, le recours à la violence ne soient plus tolérés au sein de l'Union.

Je voudrais terminer cette intervention en abordant le problème de la sécurité routière, le code de la rue et pour dire combien le groupe de travail tient à appuyer le plan pour la sécurité routière du gouvernement fédéral.

Est-il encore acceptable, à notre époque, que l'on aménage encore des quartiers en construisant des maisons des deux côtés de la rue, sans trottoir et sans piste cyclable ?

Qu'en est-il de la sécurité des enfants qui se rendent à l'école et des parents qui se promènent avec une poussette d'enfant ?

Bien sûr, il y a des compétences régionales, mais des normes de sécurité doivent être fixées au niveau fédéral et, probablement, européen.

Enfin, en ce qui concerne la santé et l'environnement, combien sont désolants les freins à la mise en oeuvre du protocole de Kyoto. Quelle inquiétude pour nos jeunes de voir ces adultes qui n'arrivent pas à s'entendre sur des défis aussi importants.

Voilà quelques recommandations que je voulais mettre en avant. Je souhaite que nous réussissions pleinement un contrat renouvelé, modernisé et chaleureux de solidarité, de participation et de soutien entre les générations. Un contrat où les réussites humaines et la « bientraitance » occupent une place essentielle.

Avec les enfants, c'est l'État social participatif que nous devons réussir.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - In een lange rij vrouwelijke sprekers neem ik, misschien als nieuwe man, met enige schroom het woord. Bovendien heb ik wegens andere commissiewerkzaamheden de commissiebesprekingen over dit onderwerp niet kunnen volgen.

Zoals mevrouw Kaçar zei, gaan de aanbevelingen grotendeels uit van de klassieke rechtenkinderen in de sfeer van politie en geweld. In het post-Dutrouxtijdperk is dat wellicht begrijpelijk. Gelukkig werden ook passages over verkeersveiligheid en duurzaamheid opgenomen. Ik wil vooral op die minder klassieke, zeg maar ecologische kinderrechten, de nadruk leggen. Over die onderwerpen werden bijvoorbeeld geen hoorzittingen belegd.

Recente cijfers inzake verkeersveiligheid wijzen uit dat in 2000 1470 mensen in het verkeer stierven, waaronder heel wat zwakke weggebruikers, kinderen en jongeren. In de werkgroep Mobiliteit hoorden we de Vereniging van ouders van verongelukte kinderen. Er zijn een aantal heel concrete aanbevelingen gedaan, zo concreet dat ze soms pijn doen. In de Senaat werd aldus het signaal gegeven over de 30 km per uur in de schoolomgeving. Dat wordt nu door minister Durant omgezet in een koninklijk besluit. Recent is door Vlaams minister Stevaert het idee gelanceerd over een maximumsnelheid van 70 km per uur op alle gewestwegen. Ik heb daarover vroeger al een wetsvoorstel ingediend dat hopelijk in de Senaat zal worden besproken. Het is immers een federale materie.

Maar we moeten nog verder gaan. Er is gesproken over de "straatcode" waaraan minister Durant werkt. We moeten daarbij vertrekken vanuit de vraag hoe het kind zich gedraagt in het verkeer. Een kind kan bijvoorbeeld niet over een auto heenkijken. Bij de inrichting van kruispunten moet daaraan worden gedacht. Kinderen steken ook nooit recht een straat over. Kinderen hebben dus specifieke gedragspatronen waarmee rekening moet worden gehouden. Hun advies moet worden gevraagd. Dat moet worden bestudeerd en geanalyseerd. Dat gaat verder dan waarin nu is voorzien.

Hetzelfde geldt inzake duurzame ontwikkeling en inzake milieu en gezondheid. In het Vlaams Parlement was er daarover een speciale commissie, waar ook het Vlaamse kinderrechtencommissariaat werd gehoord, alsook de Bond voor grote en jonge gezinnen. Ook op internationaal niveau beweegt heel wat. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft onlangs nog een verklaring aangenomen rond kinderen, milieu en gezondheid, die door België is onderschreven. Ook Agenda 21 bevatte een specifiek deel voor kinderen, waarover zijzelf hebben gestemd. Er moet dus aandacht komen voor een aantal ecologische kinderrechten. Ik geef enkele voorbeelden. In Antwerpen heeft de helft van de peuters jonger dan één jaar last van ademhalingsproblemen. Dat is een schending van een fundamenteel kinderrecht op zuivere lucht.

Het gaat om de schending van een fundamenteel kinderrecht, namelijk het recht op zuivere lucht. Luchtverontreiniging kan worden verholpen, maar dat is inderdaad niet zo eenvoudig.

In de aanbevelingen wordt gewezen op het belang van borstvoeding, dat ook een fundamenteel kinderrecht is. De moedermelk bevat echter toxische stoffen. Ook daaraan moet worden verholpen.

Een ander voorbeeld heeft betrekking op het productbeleid. Kamerlid Magda De Meyer heeft een voorstel gelanceerd om het gebruik van muggenstekkers, die schadelijke stoffen bevatten, in baby- en kinderkamers te verbieden. Het gebruik van dergelijke schadelijke producten die op termijn de hormonale huishouding en de voortplanting verstoren, houdt een schending van de mensenrechten in.

UNICEF heeft samen met UNF uitgebreide rapporten opgesteld over ecologische kinderrechten in het Zuiden. Het recht op zuiver drinkbaar water is een fundamenteel kinderrecht dat in het Zuiden op grote schaal wordt geschonden. Miljoenen kinderen sterven aan dysenterie omdat het water vervuild is.

Mevrouw De Roeck en ikzelf hebben een resolutie ingediend om een actieplan rond kinderen, gezondheid en milieu, zowel hier als in het Zuiden, uit te werken. We hebben de spoedbehandeling gevraagd. Het werk is nog niet af. De verruiming tot de ecologische kinderrechten moet er komen om in de toekomst te kunnen rapporteren over het geheel van de problematiek.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP). - Ik vind het spijtig dat er zo weinig belangstelling is voor het plenaire debat. Het thema Rechten van het kind bestrijkt alle domeinen. Alle parlementsleden zouden dus geïnteresseerd moeten zijn. Er vergadert momenteel slechts één commissie. Het is dus niet juist dat vele senatoren elders in het gebouw aan het werk zijn. Dat toont echter wel aan hoe in België wordt omgegaan met de problematiek van de rechten van het kind. Het blijft een theoretisch gegeven.

Het valt in ons land niet zo op dat er met die rechten veel problemen zijn. Er bestaan zeer grote verschillen tussen de landen. Van wat kinderen hier als doodgewoon ervaren, kunnen kinderen in de derde wereld nauwelijks dromen. Concrete resultaten mogen van de Top in New York dus niet worden verwacht.

Dat kinderen worden betrokken zowel bij de voorbereiding als bij de Top zelf, vind ik een goede zaak. Het verslag toont aan dat er heel wat gebeurt en dat België een belangrijke rol speelt.

Ik dank de rapporteurs en de voorzitster voor het feit dat de commissie ondanks haar twijfelachtige start heeft kunnen bewijzen dat de rechten van het kind de aandacht van het Parlement verdienen. We moeten ernaar streven dit werk in de Senaat voort te zetten.

Voor de buitenwereld is het woord "recht" al te vaak een theoretisch concept dat naar justitie verwijst. Deze zienswijze moet veranderen. Rechten van kinderen behelzen veel meer dan wat zichtbaar is op het vlak van justitie. Gelukkig is binnen de werkgroep een veel bredere discussie ontstaan en overstijgen onze aanbevelingen het louter justitiële.

In sommige landen beschikken kinderen niet over voldoende voeding, hebben ze geen recht op onderwijs of hebben ze geen toegang tot een goede gezondheidszorg. Deze kinderen hebben, net als de volwassenen in die landen, in eerste instantie recht op deze basisbehoeften; justitie komt voor hen later.

België staat inderdaad aan de top inzake de vrijwaring van de kinderrechten. Toch zijn er nog heel veel kansarme gezinnen met kansarme kinderen. Het beleid moet op deze kinderen worden toegespitst. Kinderen die in een kansarm milieu opgroeien, zullen zonder dat de beleidsmakers optreden kansarme volwassen worden. De aandacht mag dus nooit verslappen. Er moet een doelgericht beleid zijn voor groepen die extra aandacht en stimulansen verdienen, zoals migrantenkinderen en gehandicapte kinderen.

Er is reeds veel gezegd over de aanbevelingen inzake verkeersveiligheid, justitie en volksgezondheid. België kreeg niet alleen negatieve opmerkingen. Samen met andere collega's heb ik ervoor gepleit om van dit rapport geen negatief rapport te maken, maar ook aandacht te besteden aan de positieve punten. Ik meen dat we een evenwichtig rapport hebben opgesteld.

De rechten van het kind moeten onze blijvende aandacht krijgen. Een mentaliteitswijziging is noodzakelijk op alle beleidsniveaus. Bij elke beslissing moet worden nagegaan of ze de kinderen ten goede komt. De betekenis van het kindeffectrapport moet worden onderstreept. Dit hoeven geen grote wetenschappelijke studies te zijn. Elke beleidsmaker moet er rekening mee houden dat veel mensen in dit land kinderen zijn.

We hebben al beslissingen genomen die minder goed zijn voor kinderen. Alleen hebben we niet de reactie gehad daarover onmiddellijk na te denken.

Ik hoop dat wij met dit debat een aanzet hebben gegeven om de kindvriendelijkheid in het Parlement te introduceren. Kinderen vormen immers een belangrijk deel van onze bevolking. Wij maken hun toekomst, maar zij zijn de toekomst.

Mevrouw Martine Taelman (VLD), corapporteur. - Ik kan bondig zijn, vermits door diverse partijen reeds werd benadrukt hoe het rapport tot stand gekomen is en welke de belangrijke klemtonen ervan zijn.

Namens de VLD-fractie wil ik onderstrepen dat de toestand van de kinderrechten in België niet slecht is. Integendeel, de jongste jaren werden meerdere initiatieven genomen, die de omliggende landen en de rest van de wereld ons benijden en als voorbeeld voor het buitenland gelden. Denk maar aan Child Focus en de Vlaamse en de Waalse kinderrechtencommissariaten.

Ook op het vlak van de gezondheid van het jonge kind en de begeleiding van jonge moeders heeft België een performant systeem, wat evenwel niet betekent dat er geen ruimte meer is tot verbetering.

Opvallend waren de unaniem positieve reacties van de mensen die zich beroepshalve of op vrijwillige basis bezighouden met kinderen, kinderrechten en dergelijke, die allen de betekenis van een structureel aanspreekpunt voor de kinderrechten in het Parlement hebben onderstreept.

Natuurlijk moet het echte werk nog beginnen, namelijk het omzetten van de aanbevelingen van de werkgroep in de praktijk. De VLD rekent erop dat de coalitie de geformuleerde aanbevelingen ter harte neemt en dat ook deze instelling haar verantwoordelijkheid neemt om de opvolging van dit rapport te verzekeren.

De VLD-Senaatsfractie wil de aandacht vestigen op drie prioriteiten in de aanbevelingen.

Ten eerste, de VLD hecht veel betekenis aan de naleving van de Conventie van Den Haag van 29 mei 1993 aangaande adoptie. Het doet ons dan ook genoegen dat het regeringsontwerp ter verbetering van de adoptieprocedure eindelijk in de Kamer werd ingediend. Hierop wachtten we al lang. Ook de Senaat zal de behandeling van dit ontwerp met argusogen volgen.

Dit ontwerp durft het aan de beoordeling van adoptiegezinnen hoofdzakelijk over te laten aan de rechter, na een maatschappelijk verslag, en dus niet langer aan een administratie. Dit heeft twee belangrijke voordelen. In de eerste plaats krijgt de burger hiermee de kans zijn dossier aan de beoordeling van een onafhankelijke instantie te onderwerpen, met duidelijke en voor iedereen dezelfde procedureregels. Daarenboven heeft de rechter de verplichting zijn beslissing te motiveren in het belang van het kind. In de tweede plaats wordt de gegevensbewaring hierdoor gecentraliseerd, wat voor de geadopteerde het voordeel heeft dat indien hij een zoektocht wenst te starten naar zijn roots de gegevens daaromtrent gemakkelijker te bereiken zijn.

Ten tweede, de VLD onderstreept ook de betekenis van een hervorming van het jeugdbeschermingsrecht. We wensen dat dit ontwerp dat in voorbereiding is, op serene wijze en volkomen in het belang van de jongeren wordt behandeld, zonder zich daarbij te laten leiden door taboes. Wij willen daarenboven dat dit ontwerp snel wordt afgewerkt.

Het gaat immers niet op dat jongeren onder het mom van bescherming thans worden opgesloten in gesloten instellingen of, indien daar geen plaats is, in gevangenissen en dat de jongeren wordt meegedeeld dat dit gebeurt met het oog op hun bescherming. Duidelijkheid is belangrijk. Elke jongere heeft het recht op duidelijkheid over de manier waarop zijn delinquent gedrag wordt beantwoord.

Ten derde, de VLD wil nogmaals de aandacht vestigen op een drietal wetsvoorstellen die in de Senaat werden ingediend, teneinde de kinderen de gelegenheid te geven te participeren in het juridisch proces: het wetsvoorstel over de jeugdadvocaten en dit over het hoorrecht, alsmede het wetsvoorstel over het recht op toegang tot de rechter.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

De participatie van het kind in onze maatschappij is immers van grote betekenis om van de jongere een kritische en mondige burger te maken, die zijn rechten maar ook zijn plichten kent en weet dat hij op dit vlak ernstig wordt genomen.

Mme Anne-Marie Lizin (PS). - N'étant pas membre du groupe de travail consacré aux droits de l'enfant, je voudrais, non pas reprendre l'ensemble des éléments mentionnés dans ce contexte et figurant dans les recommandations, mais en souligner deux qui m'intéressent particulièrement.

Je commencerai par la pauvreté. En tant que rapporteuse de la commission des Droits de l'homme sur la question de la pauvreté en général et de l'extrême pauvreté en particulier, et sur la relation entre cette situation et les droits de l'homme, j'ai eu l'occasion de travailler une dizaine de jours à La Paz, avec les petits cireurs de chaussures. Ces enfants, laissés à eux-mêmes depuis des années, opèrent dans la rue, masqués pour ne pas être reconnus. Le soir, ils travaillent dans un petit centre de formation pour essayer d'obtenir un diplôme. Repris en main par une petite ONG de La Paz, ils tentent de se procurer des ordinateurs. Notre ambassade a finalement accepté de leur fournir deux ordinateurs déclassés en provenance de l'ambassade de Bolivie.

Quand on mesure à quel point des actes très simples sont valorisés lorsqu'ils concernent des groupes de cette nature, on se rend compte que la politique de coopération devrait peut-être se concentrer sur ce genre d'objectifs.

Cet exemple des petits cireurs de chaussures de La Paz montre bien ce qu'est l'enfance. Les enfants en situation véritablement difficile, cela n'existe pas. Ce sont déjà des adultes, sans doute plus intelligents, qui, d'une part, ont bien compris le monde qui les entoure et qui, d'autre part, ont encore l'espoir de s'en sortir. Ce sont certainement, parmi toutes les personnes confrontées à la pauvreté, celles sur lesquelles nous pouvons miser.

Je tiens aussi à mettre en évidence le travail qu'il est possible de réaliser avec les milieux qui s'occupent des enfants et en particulier des filles emmenées dans les réseaux de prostitution. Nous traitons régulièrement de la traite vers l'Europe, mais il faut savoir que les situations les plus catastrophiques se situent ailleurs. Ces cas ne sont pas mentionnés dans nos rapports, puisqu'il s'agit de recommandations adressées au Gouvernement belge, mais, lorsqu'on essaie d'avoir un aperçu général de la situation des droits de l'enfant, la vraie catastrophe est la suivante : naître fille dans des milieux susceptibles de vous vendre à n'importe quel prix, pour remplir une fonction qui ne vous réserve, physiquement, aucun espoir au-delà de l'âge adulte. Dans notre monde actuel, des millions de petites filles sont concernées.

Je voudrais dès lors, au-delà de nos recommandations, que ce problème soit rappelé de façon régulière. Nos relations extérieures, de nature économique et commerciale, doivent également tenir compte de ces situations.

J'en viens au second point, qui m'intéresse de manière très précise, l'enlèvement international d'enfants, non pour parler des droits familiaux, mais parce c'est une matière spécifique du droit international. Nous avons agi, dans un premier temps, de manière à obtenir la Convention de La Haye. Nous nous battons maintenant pour qu'elle soit reconnue. Quoi qu'il en soit, de très nombreux États ne sont pas concernés. Aujourd'hui encore, l'enfant dont les parents ne sont pas de la même nationalité n'existe pas aux yeux du droit. Le détachement dont les États font preuve vis-à-vis de cette situation me semble tout à fait anormal. Encore aujourd'hui donc, alors que le droit international privé règle dans les moindres détails les procédures commerciales et les procès envisageables en cas de vente de telle ou telle matière ou de problèmes de transport, il ne règle pas clairement - parce que les États ne sont pas motivés - le statut des enfants qui relèvent de deux droits nationaux différents. Ce point mérite des efforts supplémentaires de notre part, efforts dirigés non pas seulement vers les États signataires de la Convention de La Haye, mais aussi et surtout vers tous ceux qui n'ont pas l'intention d'adhérer à un système international, et ils sont très nombreux...

Je ne rappellerai pas tous les cas, car ils sont connus de ceux qui parmi nous s'intéressent à ces matières. Ce sont des cas difficiles qui touchent précisément ce type de pays avec lesquels nous n'avons pas la possibilité de convaincre, à moins d'en faire une question diplomatique importante.

La Belgique ne le fait pas encore assez aujourd'hui. Selon moi, le cas le plus grave est celui du Maroc. Un nouvel ambassadeur est récemment installé ; il reprendra tous les dossiers qui lui sont soumis. Le cas particulier de Mme Koummane et de cet enlèvement qui n'est toujours pas solutionné aujourd'hui pose notamment la question de savoir pourquoi un ministre de notre gouvernement continue à accepter que l'on n'identifie prétendument pas ces enfants-là et qu'on ne les localise pas au Maroc, ce qui revient à se moquer de notre gouvernement en quelque sorte. Comment n'arrive-t-on pas à faire de ce cas un point essentiel ? Les relations entre les deux pays sont si étroites et nombreuses qu'elles devraient permettre de trouver une solution.

Pour moi, en termes de droit international, ce type de cas est vraiment le révélateur de ce que l'élaboration de recommandations est une chose, mais que l'action du gouvernement, en particulier dans ce cas que je cite explicitement, n'est pas toujours satisfaisante.

À l'égard du Maroc, il convient de reprendre son bâton de pèlerin, avec une voix un peu plus forte, afin de faire aboutir ces dossiers.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP), corapporteur. - Op mijn beurt wil ook ik een aantal accenten leggen in deze materie waarvan heel veel thema's al aan bod zijn gekomen. Namens de CVP-fractie zeg ik dit rapport onze volle steun toe. We zullen het uiteraard goedkeuren. Het verheugt ons dat formeel wordt erkend dat ook op federaal niveau een globaal kinderrechtenbeleid moet worden gevoerd. Ik wil even benadrukken dat de aanzet tot dit structureel beleid, zoals u zich herinnert, tijdens de vorige legislatuur werd gegeven naar aanleiding van de tragische feiten rond de verdwenen kinderen. Toen werden op federaal niveau de eerste instrumenten voor een kinderrechtenbeleid opgestart. Ik verwijs hierbij naar de oprichting van de interministeriële conferentie, de oprichting van de nationale commissie voor de rechten van het kind, belast met het opmaken van het vijfjaarlijks rapport voor de Verenigde Naties, de oprichting van de nationale commissie tegen de seksuele uitbuiting van kinderen en de oprichting van Child Focus. Over dit laatste werd destijds in de Senaat een boeiend debat gevoerd en we hebben deze organisatie in het begin mee gefinancierd. Met de CVP mee aan het roer werd er tijdens de vorige legislatuur een sterke aanzet tot dit beleid gegeven.

Nu moet het tweede deel worden geschreven en het was de hoogste tijd om die stap te zetten. Het aanwijzen van een coördinerend minister, het vormen van een coördinerende strategische cel binnen de administratie, het belasten van een parlementaire commissie met het volgen van de materie, het organiseren van een jaarlijkse rapportering aan het Parlement met een parlementair debat op 20 november, dit zijn allemaal elementen die het beleid kunnen structureren en vormgeven en ervoor kunnen zorgen dat het stelselmatig wordt opgevolgd. Ik hoop dat dit alles in de komende maanden concreet wordt geïmplementeerd.

Wanneer we immers terugkijken op de voorbije maanden, moet ik toch betreuren dat de interministeriële conferentie sinds het begin van de legislatuur nog niet werd bijeengeroepen. Wellicht naar aanleiding van het bestaan van de werkgroep Kinderen in de Senaat en de hoorzittingen die we hebben gehouden, heeft de premier de regering de opdracht gegeven de interministeriële conferentie morgen samen te roepen. Er komt dus een nieuw elan en het verheugt me dat wij daartoe wellicht voor een deel de aanzet hebben gegeven.

Ik betreur dat er tot nog toe rond de rechten van kinderen geen globaal beleidsplan is. Dit betekent niet dat er niets is gebeurd. Ook de regering heeft bepaalde concrete beleidsinitiatieven genomen, die positief zijn. We hebben ontwerpen geamendeerd en wetten goedgekeurd. In bepaalde concrete dossiers is er dus vooruitgang geboekt, maar we missen een globale visie en ik hoop dat het rapport dat we bespreken daartoe wel een aanzet zal geven, zodat we op een meer coherente en globale manier kunnen werken.

Ik betreur ook dat geen afdoend en coherent gevolg werd gegeven aan de aanbevelingen van de commissie tegen seksuele uitbuiting van kinderen. Deze commissie heeft een drietal jaar geleden haar werkzaamheden afgerond met een eindrapport en een reeks concrete aanbevelingen. We hebben het even gecheckt en gemerkt dat tal van aanbevelingen van deze uitstekende commissie nog niet zijn opgevolgd. Ik hoop dat we ook deze elementen een nieuw elan kunnen geven in het raam van een globaal beleidsplan.

Tot slot betreur ik eveneens dat er nog altijd geen Belgisch nationaal actieplan inzake seksuele mishandeling van kinderen is uitgewerkt. Ik heb de minister van Justitie daarover meermaals vragen gesteld in de plenaire vergadering. We moeten dit plan voor het einde van het jaar in Yokohama indienen. In 1996, bij de eerste top in Stockholm, nam België nog het voortouw, toonden we op Europees niveau de weg om dergelijke feiten echt te bekampen. Nu, twee jaar later, hebben we wel een algemeen veiligheidsplan, maar een specifiek nationaal actieplan voor kinderen is er nog steeds niet.

Ik hoop dat we onmiddellijk na het zomerreces samen met de minister van Justitie een debat kunnen openen en een actieplan opstellen.

De heer Malcorps zei terecht dat niet alle hoorzittingen hebben plaatsgehad. Ik heb nog een hele lijst van organisaties die nog zouden moeten worden gehoord. Ik hoop dat werk te kunnen verder zetten. Volgens de CVP is er alleszins nood aan een wettelijk verplichte rapportering inzake kinderrechten. Volgens de Zweedse auteur Ellen Kay, die begin vorige eeuw het boek schreef De eeuw van het kind, zouden tegen het eind van de twintigste eeuw alle beslissingen getoetst worden aan de belangen van het kind. Nu blijkt ze wel wat voortvarend te zijn geweest want er is nog heel wat te doen inzake `kindeffectrapportering'.

Uit artikel 3 van het UNO-verdrag van de rechten van het kind kan de noodzaak aan dergelijk kindeffectrapportering worden afgeleid. Het wettelijk verplicht maken van dergelijke rapportering op elk beleidsniveau was dan ook één van de aanbevelingen van de nationale commissie tegen seksuele uitbuiting van kinderen. Onze collega's in het Vlaams Parlement hebben in 1997 reeds het eerste decreet in die zin goedgekeurd en enkele maanden geleden werd, op basis van de opgedane ervaring, die regelgeving al aangepast.

Ik vind het belangrijk dat er jaarlijks een toetsing is aan de federale begroting, want dat is een essentieel instrument om te meten in welke mate het beleid effectief rekening houdt met kinderen.

Op basis van mijn berekeningen kom ik tot de conclusie dat deze regering in 2001 in totaal ca. 1,4 miljard aan kindvriendelijke maatregelen uitgeeft. Dat is een zeer kleine fractie van de federale begroting dat aantoont hoeveel aandacht de regering aan kinderen besteedt. Vele ministers gaven trouwens toe dat ze niet eens wisten hoeveel ze aan kinderrechten besteden. Een doelgroepenreflex is duidelijk nog lang niet geïntegreerd in het beleid, ook al vormt dat een hoeksteen voor elk `mensgericht beleid'. Dat veronderstelt immers dat de beleidsverantwoordelijken een concreet idee hebben over de impact van hun beleid voor de mensen van de doelgroep. In heel wat landen is de doelgroepenreflex wel al ingeburgerd. Onze eigen staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking houdt trouwens in september een internationale conferentie in het raam van het Europese voorzitterschap om, in samenwerking met de UNDP de gendertoets op de begroting uit te voeren. Heel geleerde mensen zijn druk bezig om daarvoor mechanismen uit te denken. Ik pleit ervoor om niet te wachten op een UNDP-formule of op een VN- of een Europese verplichting, maar om zelf voorstellen te doen, om ons al de zelfdiscipline op te leggen om de kinderrechtentoets op elke federale begroeting toe te passen, met de hulp van de deskundigen die ons land nu al rijk is. Vaak is de politieke wil trouwens al even belangrijk als de deskundigheid. Samen met mijn fractie juich ik toe dat er al concrete stappen in die richting worden ondernomen.

Ik kom nu tot de inhoudelijke thema's die we in het rapport hebben aangekaart. Het ene punt had misschien wat meer aandacht kunnen krijgen dan het andere, ieder had er vanuit zijn eigen deskundigheid waarschijnlijk graag nog een punt aan toegevoegd. Zonder in detail te treden kan ik toch zeggen dat de CVP-fractie globaal achter de prioriteiten van het rapport staat.

Zelf wil ik het accent leggen op de participatierechten van de kinderen. Die rechten staan als een groot beginsel in de conventie, die het heeft over de drie P's: protection, provision en participation. Dat laatste is natuurlijk het moeilijkste in te vullen. Mevrouw Nyssens en mevrouw Laloy hebben daarstraks al opgemerkt dat we moeten zoeken naar een perfect evenwicht tussen de rechten en de verantwoordelijkheden van kinderen. Geen van beide zijn gemakkelijk te meten of te vergelijken met die van volwassenen. Ik ben het eens met mevrouw Laloy dat we er ons niet vanaf mogen maken met een symbolische inspraak voor kinderen. De videoconferentie die de Senaat organiseert op het ogenblik van de top in New York vind ik een prima idee, maar we zullen ervoor moeten zorgen dat we kinderen echt een platform geven, dat we op beleidsniveau conclusies trekken uit wat ze naar voren brengen, kortom dat we hen echt au sérieux nemen.

Een juiste invulling van het participatierecht van kinderen is de uitdaging van de komende jaren.

Ik heb zelf een voorstel ingediend dat daaraan voor een deel tegemoetkomt. Het voorstel geeft kinderen recht op toegang tot de rechter in alle procedures die hen aanbelangen. Het behelst niet enkel het recht om gehoord te worden, maar ook het recht om te spreken. Ik ben geen voorstander van spreekplicht voor kinderen, maar wil wel dat ze worden uitgenodigd om te mogen spreken. Dat kan volgens mij al vanaf de leeftijd van 7 jaar. De organisatie en de procedure in de rechtbank moet natuurlijk wel worden aangepast en de rechters en het justitieel personeel moeten worden gevormd. De invoering van het hoor- en spreekrecht vergt wel een mentaliteitsverandering.

Ook de toegang van kinderen tot de rechtsprocedure is een deel van het participatierecht. Mevrouw Taelman en anderen hebben hierover een voorstel ingediend. Principieel staat de CVP positief tegenover het voorstel. Over de praktische organisatie zal nog moeten worden gedebatteerd.

Met betrekking tot de participatie moet de Grondwet opnieuw worden gewijzigd. Onze fractie heeft tijdens de vorige legislatuur een voorstel ingediend om de Grondwet op dat punt voor herziening vatbaar te verklaren. Vorig jaar werd het recht op bescherming en waardigheid van kinderen in de Grondwet ingeschreven. We hebben echter nagelaten om het recht op dienstverlening en het recht op participatie in de Grondwet op te nemen. De volledige inhoud van de Conventie zou in een notendop in de Belgische Grondwet moeten worden opgenomen. De experts die we hebben gehoord deelden die mening. In ieder geval is een stap vooruit gedaan door naar kinderen te verwijzen in de Grondwet en het recht op hun waardigheid en bescherming in de Grondwet op te nemen.

De CVP wil het belang van de veiligheid en de gezondheid van kinderen benadrukken. Het verkeersveiligheids- en mobiliteitsbeleid moet de toets aan de kinderrechten doorstaan.

De problematiek van asiel en migratie moet door een kinderbril worden bekeken. Het is onbehoorlijk dat kinderen in gesloten centra worden opgenomen, tenzij voor hun bescherming. Omwille van redenen van openbare orde is het echter onaanvaardbaar.

De CVP- fractie is heel ongerust over het verdwijnen van niet-begeleide minderjarigen. Child Focus heeft vandaag een verslag bekendgemaakt waaruit blijkt dat ongeveer 150 niet-begeleide minderjarigen zouden zijn verdwenen. Een heel aantal onder hen zouden zijn terechtgekomen in de kinderprostitutie.

De kinderrechten moeten ook deel uitmaken van de patiëntenrechten. Dat geldt niet het minst voor de geestelijke gezondheidszorg. In een krantenartikel van vorige week stond dat slechts drie procent van de begroting voor de geestelijke gezondheidszorg aan minderjarigen ten goede komt. Pas bij het toetsen van de begroting aan de kinderrechten blijkt op welke manier de middelen worden besteed.

Mevrouw Laloy heeft aangetoond dat die toets ook illustreert welke middelen ten goede komen aan meisjes, welke aan jongens. Ze was terecht van mening dat er ook op dat vlak naar gelijkheid moet worden gestreefd. Slechts 3 tot 4% van de begroting komt hen ten goede van de geestelijke gezondheidszorg van kinderen, wat bewijst dat die groep te weinig aandacht krijgt.

Voorts maken we ons zorgen over de gezonde voeding van kinderen, een gezond leefmilieu in het algemeen en over borstvoeding, maar ik verwijs naar de talrijke interpellaties en uiteenzettingen die ik hierover in het verleden al heb gehouden.

Ik ben van oordeel dat wij op internationaal vlak, in het kader van de rechten van de mens, de leiding moeten blijven nemen in de verdediging van de rechten van het kind. We moeten van het Europese voorzitterschap gebruik maken om in het bijzonder de Verenigde Staten ertoe aan te sporen het kinderrechtenverdrag te ratificeren. De additionele protocollen moeten zo vlug mogelijk toepasselijk worden. De meest kwetsbare kinderen zoals de kinderen in oorlogssituaties en in de armste ontwikkelingslanden, de kinderen die door aids zijn getroffen of de kindsoldaten moeten in het centrum van de belangstelling blijven staan.

Ik doe tot slot een oproep tot alle senatoren om zich aan te sluiten bij de Say yes-campagne van Unicef, een tienpuntenprogramma voor een wereldwijde beweging van kinderen. Die campagne waarbij ook de kinderen betrokken worden, wordt ten dele door de Belgische regering gefinancierd. Het is goed dat we de ngo's op die manier steunen. We hebben trouwens een uitstekende samenwerking gekregen van die ngo's en van de deskundigen. Hun adviezen hebben ons geholpen om beleidsimpulsen te geven. We zijn partners geworden in de uitbouw van een betere wereld voor kinderen.

Ik heb de folder van de Say yes-campagne op de banken laten leggen, maar ik twijfel er niet aan dat iedereen ze kent en steunt.

De CVP-fractie zal het verslag en de aanbevelingen goedkeuren.

De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. - Ik feliciteer de Senaat, en de leden van de werkgroep in het bijzonder, voor dit initiatief en voor het gedegen werk dat is verricht.

Het is belangrijk dat het Verdrag voor de rechten van het kind en het beleid in al zijn facetten daaromtrent door het Parlement wordt gevolgd. Ik ben ervan overtuigd dat het verdrag een van de meest efficiënte mensenrechteninstrumenten is. Het is wereldwijd niet alleen het meest geratificeerde verdrag, maar het is ook een verdrag dat effectief iets wijzigt aan de situatie van kinderen, ook al is dat niet altijd helemaal zoals wij het wensen.

Het verslag bevat een reeks aanbevelingen voor de federale regering, maar ook voor andere beleidsniveaus. De ingewikkelde structuur van ons land komt de efficiëntie van het beleid niet altijd ten goede.

Het verslag stelt vragen over de ratificatie van diverse verdragen. De ratificatieprocedure van het aanvullend protocol over gewapende conflicten is ingezet. De regering heeft het voorontwerp terzake goedgekeurd. Het werd voor advies aan de Raad van State voorgelegd. Ik hoop dat het zeer binnenkort ter bespreking in het Parlement kan worden ingediend. De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft op 3 juli jongstleden het wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende het verbod op de ergste vormen van kinderarbeid goedgekeurd. Ook het ontwerp houdende goedkeuring van het verdrag inzake interlandelijke adoptie is in de Kamer aanhangig.

Naar aanleiding van de buitengewone zitting van de Verenigde Naties over de kinderrechten zal er een ruimer debat worden georganiseerd. De regering zal dan de gelegenheid krijgen in te gaan op problemen die vandaag werden aangehaald.

Uiteraard speelt de ontwikkelingssamenwerking een belangrijke rol in de bescherming van de rechten van het kind. Armoede is het grootste probleem waarmee kinderen worden geconfronteerd, zowel in ontwikkelingslanden als - weliswaar in geringere mate - bij ons.

La lutte contre la pauvreté est l'objectif fondamental de notre politique de coopération au développement. C'est aussi le cas partout dans le monde.

Pour qu'un enfant ait un avenir, il doit pouvoir échapper à la pauvreté extrême. Le rôle de la coopération au développement est d'aider les pays concernés à mener leur lutte contre la pauvreté, de contribuer à leur développement durable, d'oeuvrer à l'amélioration du sort de leurs populations et donc de leurs enfants. Tout ce qui améliore la situation socio-économique et socioculturelle et favorise le respect des droits de l'homme au sens large du terme est profitable aux enfants. Nous intervenons bien sûr en seconde ligne puisque les pays concernés doivent déterminer eux-mêmes les politiques à mener.

Nous devons continuer à mieux diriger nos politiques de coopération tant au niveau belge, qu'aux niveaux européen et international.

Il n'en fut cependant pas toujours ainsi. Il est assez récent que le concept de lutte contre la pauvreté en tant qu'objectif fondamental de toute coopération fasse l'objet d'un consensus. Cela signifie que dans nos propres politiques, nous devons nous demander si notre action contribue à la réalisation de cet objectif.

La lutte contre la pauvreté nécessite une politique intégrale. Il n'est généralement pas opportun de la scinder en différentes « sous-politiques ». Cela ne signifie pas que la petite échelle ne soit pas importante, mais la pauvreté et le sous-développement constituent d'abord un problème global et de grande échelle.

Nous mènerons encore des débats sur ce sujet à l'avenir. Même s'il a été dit que la répartition des compétences en Belgique ne permettait pas toujours de mener une politique cohérente, réfléchissons à la suite que nous donnerons aux souhaits de révision des compétences en matière de coopération. Là aussi, la cohérence est essentielle.

Kinderen hebben er alle belang bij dat het land waarin ze wonen, zich ontwikkelt, maar daarnaast moeten we ook specifieke programma's ten gunste van kinderen steunen. Het instrument dat zich daar bij uitstek toe leent, is Unicef. De Belgische regering heeft een uitstekende relatie met deze organisatie. Ik heb mevrouw Bellamy overigens onlangs nog in Genève ontmoet.

Wij hebben onze bijdrage aan Unicef aanzienlijk verhoogd. Naast de algemene bijdrage van 80 miljoen hebben we op het einde van vorig jaar, toen we vaststelden dat vrij aanzienlijke bedragen van het Europees Ontwikkelingsfonds niet zouden worden opgevraagd, nog 70 miljoen extra uitgekeerd, onder meer een half miljoen dollar om de speciale UNO-sessie van september te helpen financieren en ervoor te zorgen dat delegaties uit ontwikkelingslanden er op een efficiënte manier aan kunnen deelnemen. Dit jaar hebben we de core-bijdrage verhoogd tot 90 miljoen frank.

Daarnaast financieren we allerlei programma's van Unicef of andere organisaties die specifiek gericht zijn op de verbetering van de situatie van kinderen. Meestal gaat het om programma's in verband met de zorg tijdens de zwangerschap en na de geboorte. Het bestrijden van moeder- en kindersterfte is met het oog op de verdediging van de rechten van het kind een van de eerste prioriteiten.

Ik ga akkoord met mevrouw Bellamy wanneer zij erop aandringt in het onderwijs de situatie van meisjes te verbeteren. Dat doen we ook in een hele reeks programma's. We werken op het ogenblik aan een strategienota over onderwijs. Het eerste ontwerp is klaar en zal over enkele maanden in het Parlement worden besproken. Daaruit zal blijken dat aan de situatie van meisjes in het onderwijs in een aantal partnerlanden specifieke aandacht wordt gegeven.

Ik ben ten alle tijde bereid verder over dit onderwerp te debatteren. Dit rijke rapport zal een belangrijke inspiratiebron voor het regeringsbeleid zijn.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over de aanbevelingen van de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden heeft later plaats.