2-137 | 2-137 |
De heer Frans Lozie (AGALEV), rapporteur van de Subcommissie Mensenhandel en prostitutie. - Op 9 mei 2001 heeft de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden aan de Subcommissie Mensenhandel en prostitutie gevraagd om advies te geven over het voorstel van mevrouw Erika Thijs tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie belast met een onderzoek naar de oorzaken en mechanismen van de mensenhandel in bepaalde sectoren. Het voorstel van mevrouw Thijs beoogt de Subcommissie Mensenhandel en prostitutie om te vormen tot een onderzoekscommissie met behoud van haar samenstelling en werkzaamheden om onderzoek te verrichten naar de mensenhandel in concrete sectoren van het maatschappelijke leven, inzonderheid de sport, meer bepaald het voetbal, de studentenuitwisseling, de sector van de au pairs, de diplomatie, de tewerkstelling en de prostitutie. Aanleiding daartoe was het bezoek van de Braziliaanse onderzoekscommissie aan de Senaat op 16 maart 2001. Daarenboven is ook een probleem van zwendel in diplomatieke posten aan bod gekomen tijdens een hoorzitting op 5 maart 2001 met de heer Leman, directeur-generaal van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding.
De subcommissie heeft daarom de minister van Buitenlandse Zaken en ambtenaren van het departement op 28 mei en 11 juni 2001 uitgenodigd om enige uitleg in dit verband te verstrekken.
Tijdens deze hoorzittingen kwamen volgende dossiers aan bod: de visumfraude in de Belgische ambassade van Sofia, Bulgarije; de zwendel in verblijfskaarten op de dienst protocol van Buitenlandse Zaken.
Vanuit de administratie werd tevens de normale procedure voor visumverstrekking en de rol van de diplomatieke posten hierin, uiteengezet.
De vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken deelde tevens mee dat hij zich via de regering ertegen zou verzetten dat er op basis van voornoemde dossiers een onderzoekscommissie zou worden opgericht naar de werking van zijn administratie terzake. Deze zeer expliciete afwijzing van een onderzoekscommissie door de minister werd door meerdere leden betreurd.
De subcommissie "Mensenhandel" heeft dit voorstel behandeld tijdens haar vergaderingen van 28 mei en 11 juni 2001.
Tijdens de algemene bespreking meent een spreker dat indien de subcommissie zou adviseren om niet over te gaan tot een parlementaire onderzoekscommissie, zij in elk geval het recht moet voorbehouden om aan het jaareinde, bij het einde van het EU-voorzitterschap, een evaluatie te maken. Zulks zou de mogelijkheid bieden om de beslissing tot de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie te hernemen wanneer daar intussen reden toe zou blijken.
Een lid stelt vast dat op grond van de antwoorden die door Buitenlandse Zaken zijn verschaft, duidelijk bepaalde andere diensten ook bij de visumproblematiek betrokken zijn, zoals de Dienst Vreemdelingenzaken en Justitie. Ook zijn, volgens het lid, antwoorden gegeven die manifest in tegenspraak zijn met zijn persoonlijke bevindingen.
De indiener van het voorstel uit bezwaren over een mogelijk uitstel van een onderzoekscommissie.
Een ander lid steunt de idee om een onderzoekscommissie op te richten. Er waren argumenten voor en tegen, maar uiteindelijk besluit de subcommissie met 5 stemmen tegen 3 bij 1 onthouding een negatief advies uit te brengen over de wenselijkheid om een onderzoekscommissie op te richten.
Het huidig verslag werd goedgekeurd met 6 stemmen bij 1 onthouding.
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)
Tot slot wens ik nog een aantal persoonlijke bedenkingen te formuleren. Volgens mij gaat het om een gemiste kans. Mensenhandel is een internationale, goed georganiseerde aangelegenheid met een duidelijke link naar de visaproblematiek. Georganiseerde maffiose criminele organisaties zijn in visa en vooral in Schengendocumenten geïnteresseerd. Ze zijn, zoals de minister van Justitie zonet zei, gelinkt aan corruptie. Ook onze diplomatieke posten kunnen erbij betrokken worden. De overheid is zich onvoldoende bewust van de contrastrategie van deze maffiose criminaliteit. Precies tijdens het Belgisch voorzitterschap had België ten opzichte van andere Europese landen en ten overstaan van de Schengenlanden een duidelijk signaal kunnen gegeven door een parlementaire onderzoekscommissie op te richten.
De regering heeft zich verzet tegen de oprichting van een onderzoekscommissie; ze heeft een vergissing begaan. Ik betreur ten zeerste dat de minister van Buitenlandse Zaken er een regeringszaak heeft willen van maken. Ik ben ervan overtuigd dat er in de toekomst drastische maatregelen zullen moeten worden genomen.
Mme Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - C'est à la suite de la visite de la commission d'enquête brésilienne au Sénat en mars 2001, visite lors de laquelle il a été question de pratiques de traite des êtres humains dans le milieu du football belge, que la mutation de la sous-commission en commission d'enquête a été considérée par plusieurs de ses membres comme une nécessité et que Mme Thijs a déposé sa proposition.
À titre personnel, je n'avais à ce moment-là aucun sentiment sur le sujet. En effet, après la remise par des parlementaires brésiliens d'un rapport sur des pratiques éventuelles de traite des êtres humains dans le milieu du football belge, certains sénateurs ont affirmé, devant des journalistes, que des pratiques douteuses existaient dans le milieu. La sous-commission a alors demandé l'audition d'un joueur de football victime de la traite des être humains. Ce sportif n'a pas osé répondre aux différentes questions qui lui ont été posées parce que ses interlocuteurs n'étaient pas liés par le devoir de réserve qu'impose une commission d'enquête.
S'est alors ajoutée l'affaire des trafics de visas. C'est en effet toujours au mois de mars que M. Leman, directeur du Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme, a abordé le problème de la fraude des visas dans les postes diplomatiques. Et, reconnaissons-le avec honnêteté, nous avons été fort étonnés par ces affirmations à huis clos. Je rappelle que, dans le rapport 2001 sur la traite des êtres humains, le nom de M. Leman n'apparaît nulle part, ce qui en fait un rapport lacunaire.
M. Paul Wille (VLD). - On vous a répondu à ce sujet, madame. Soyez honnête.
Mme Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Plongeons-nous dès lors dans les documents officiels. Le rapport du Centre, qui en est un, décrit ce qu'il appelle deux bizarreries. La première concerne un trafic de visas à l'ambassade de Belgique à Sofia dans les années 1995 à 1997. À cette époque, certaines personnes se sont livrées à un trafic d'au moins 500 visas. Ces faits ont été confirmés par le parquet de Bruxelles en novembre 2000, après l'envoi d'une commission rogatoire à Sofia. La seconde bizarrerie a eu lieu au service du protocole de l'administration des Affaires étrangères à Bruxelles, dont un fonctionnaire a reconnu avoir écoulé, contre rémunération, au moins 300 cartes de séjour - certains ont même parlé de 3000 - à des personnes supposées entretenir des liens avec la mafia russe.
C'est afin de s'expliquer sur ces deux affaires que le ministre des Affaires étrangères et les hauts fonctionnaires de son département ont été invités par la sous-commission les 28 mai et 11 juin 2001. Ils se sont expliqués sur ces deux dossiers et les commissaires ont découvert que d'autres incidents avaient aussi lieu dans d'autres postes diplomatiques. Le ministre n'a pas hésité à affirmer que M. Leman avait menti. Comme celui-ci n'était pas présent, il lui était un peu difficile de se défendre. Les membres du département du ministre ont fait l'historique des différents dossiers, rappelé la procédure d'octroi des visas, minimisé les faits et renvoyé aux procès en cours. Ceux-ci bloqueraient toute initiative d'enquête parlementaire. Cependant, l'article 1er de la loi du 3 mai 1880 sur les enquêtes parlementaires précise que « les enquêtes menées par les chambres ne se substituent pas à celles du pouvoir judiciaires avec lesquelles elles peuvent entrer en concours sans toutefois en entraver le déroulement ».
Après l'audition du ministre, il apparaissait d'autant plus opportun à plusieurs d'entre nous de transformer la sous-commission « Traite des êtres humains » en une commission d'enquête. En effet, seul l'examen de faits concrets et un contrôle réel dans le domaine de la traite des êtres humains peuvent permettre de rendre plus efficace la lutte contre ce fléau. Pourtant, le ministre des Affaires étrangères s'est fortement opposé à la mise sur pied d'une commission d'enquête. Il a affirmé qu'il mettrait tout son poids dans la balance pour qu'elle ne voie pas le jour. Il en ferait même une affaire de gouvernement. Le ministre a refusé catégoriquement que l'on enquête sur le fonctionnement de son département. Qu'y a-t-il à cacher ? Je me le demande...
À l'aube de la présidence par la Belgique du Conseil européen, créer une commission d'enquête sur la traite des êtres humains me semble au contraire constituer un signe fort, témoin de l'importance que la Belgique accorde à la lutte contre cette pratique.
Si le gouvernement inscrit ce sujet parmi ses priorités pour les six mois à venir, il ne devrait pas avoir peur de pointer du doigt les dysfonctionnements de fait pour l'ensemble des postes diplomatiques des pays Schengen, à l'exception de quelques ambassades qui, selon M. Leman, échapperaient à cette triste règle.
L'image de la Belgique, qui s'est manifestement améliorée au cours de ces deux dernières années, ne devrait pas seulement se nourrir, - et je suis très gentille avec le ministre des Affaires étrangères -, de diplomatie présente et intelligente ou de spots publicitaires percutants mais aussi d'une volonté de réforme au sein de notre propre diplomatie. Il faut accepter de nettoyer les écuries d'Augias. En ces temps de présidence belge de l'UE, les dysfonctionnements des postes diplomatiques, les raisons de ces dysfonctionnements, les solutions à y apporter, pourraient fournir de précieux indicateurs pour remédier de manière générale aux mauvaises habitudes et aux fraudes récurrentes.
Je reste intimement persuadée que seule une commission d'enquête pourrait permettre d'avancer concrètement et de voir clair dans une multitude de faits liés à la traite des êtres humains quel que soit le domaine concerné. Cette commission pourrait se donner les moyens de faire la radioscopie de secteurs fonctionnant souvent dans l'ombre ou en autarcie et de pratiquer l'examen détaillé de tous les mécanismes liés à la traite des êtres humains.
Une commission d'enquête impose de parler sous serment et évite les fuites si souvent à l'origine de non-dits. Elle offre la possibilité de récolter, dans le respect de règles déontologiques, les informations nécessaires à une lutte efficace contre la traite des êtres humains et la prostitution. Pourtant, le ministre des Affaires étrangères n'en a pas voulu. Pourquoi ? Qu'est-ce que cela signifie ? La raison officielle est qu'il ne veut pas que l'on disqualifie son département. N'aurait-il pas peur aussi de voir mêlés à des explications douloureuses quelques-uns de ses proches collaborateurs ou des diplomates haut gradés, certainement innocents. Des promotions, notamment au centre pour l'égalité des chances, sont dans l'air ces semaines-ci. A-t-on refusé de voir l'un ou l'autre être mêlé à ces affaires, alors qu'il y a eu manifestement lors des entretiens que nous avons eus avec ces fonctionnaires, des contrevérités ou, du moins, de larges omissions. Il est clair que le ministre des Affaires étrangères et le premier ministre n'ont pas voulu d'une commission d'enquête.
Dès les vacances de Pâques, les réunions de majorité de la sous-commission ont dû se succéder à un rythme régulier ; tout a été cadenassé, verrouillé, enterré sans doute jusqu'à la fin de la présidence belge.
En 1998, le député Didier Reynders, alors chef de groupe PRL à la Chambre, interpellait le ministre Derycke sur l'affaire « Sofia« et d'autres encore, et exprimait son souhait d'y voir clair. Mais, une fois au pouvoir, le PRL verrouille tout !
Mevrouw Erika Thijs (CVP). - De subcommissie Mensenhandel houdt zich al een paar jaar bezig met de ernstige en pijnlijke problematiek van de mensenhandel. Samen met verschillende collega's ben ik van mening dat we vandaag een stap verder moeten doen. Algemeen overheerst het gevoel dat we nog altijd aan de oppervlakte blijven, dat we ons werk niet grondig genoeg kunnen doen.
België is er terecht fier op dat het een van de meest uitgewerkte wetgevingen ter bestrijding van de mensenhandel bezit. Dat is een troef. Maar precies omdat die wetgeving zoveel belovend is, is een grondig evaluerend onderzoek een noodzaak. Dit onderzoek moet uitmonden in concrete voorstellen voor de aanpak van de mensenhandel. Enkel met uitgebreide onderzoeksbevoegdheden, zoals door de grondwet vastgelegd, kan de subcommissie Mensenhandel het bestaande juridische en reglementaire arsenaal effectief evalueren. De subcommissie moet zichzelf de middelen geven om sectoren die vaak op zichzelf draaien, door te lichten. Het recht van onderzoek, waarover elke Kamer krachtens artikel 56 van de grondwet beschikt, is hiertoe het middel bij uitstek. Dat biedt namelijk de mogelijkheid om met inachtneming van de deontologie de informatie in te winnen die nodig is om een effectieve en efficiënte aanpak van de mensenhandel te kunnen verzekeren. Vaak heb ik de indruk dat in deze gevoelige materie de slachtoffers, de politiemensen, de magistraten en iedereen die erbij betrokken is niet voluit durven spreken, zolang ze niet zeker zijn dat hun verklaringen binnen de muren van de Senaat blijven. Wie kan deze mensen dat recht ontzeggen? Iedereen weet in welke omstandigheden slachtoffers van mensenhandelaars moeten leven en werken, hoe moeilijk ook de omstandigheden zijn waarin politiemensen werken. Van hen allemaal vergt het een grote inspanning om de stap naar onze subcommissie te doen. In ruil voor hun moedige samenwerking verdienen zij minstens de grondwettelijke bescherming.
De subcommissie heeft zich nochtans, na een periode van enthousiast werken, plots achter de visie van de minister van Buitenlandse Zaken geschaard. Minister Michel deelde ons mee dat hij er zich met alle middelen tegen zou verzetten dat er op basis van de dossiers visa en visazwendel een onderzoekscommissie zou worden opgericht naar de werking van zijn administratie ter zake. De minister was bijzonder duidelijk en zou er zelfs een regeringszaak van maken. Meerdere collega's betreurden deze houding omdat ze compleet niet ter zake was. De minister vreesde dat een onderzoek naar de wijze waarop de visa door Belgische ambassades worden uitgereikt, het imago van zijn departement zou schaden. Het was niet onze bedoeling een visacommissie op te richten maar wel om een aantal werkwijzen en dossiers grondig door te lichten. Ofwel werkt zijn administratie behoorlijk en zal een onderzoek dit ook aantonen, ofwel loopt er iets fout en zal het onderzoek de problemen helpen identificeren. Op langere termijn zal het imago van het departement erdoor verbeteren. Uit de antwoorden van de minister leid ik bovendien af dat ook andere diensten bij de visumproblematiek betrokken zijn, zoals de Dienst Vreemdelingenzaken en het departement justitie. Kortom, ik denk niet dat het instellen van een onderzoekscommissie naar de mechanismen van mensenhandel in het Belgische economisch en sociaal leven een handicap zou zijn geweest voor het Belgische voorzitterschap. Integendeel, België had, naast een degelijke wetgeving, een stevige geloofwaardigheid en ervaring kunnen voorleggen aan zijn Europese partners. Een goede wetgeving is een noodzaak, maar zonder een diepgaande controle op de realisatie op het terrein, blijft het vaak bij woorden. En niets is zo overtuigend dan concrete moedige daden op het terrein. Een onderzoekscommissie ter zake was daarom een unieke kans om onze buurlanden te overtuigen van de absolute noodzaak van een gezamenlijk beleid.
Door een hardnekkige houding aan te nemen heeft vice-eerste minister Michel het zich alleen maar moeilijker gemaakt. Hij zal veel verbeelding aan de dag moeten leggen om zijn collega's te overtuigen verdere stappen in de harmonisering van de wetgeving inzake mensenhandel te doen. Hij zet naar mijn mening de eerste prioriteit van het Belgische voorzitterschap op de helling. Hoe kan de minister van Buitenlandse Zaken nog genoeg geloofwaardigheid bezitten om zijn collega's te overtuigen van de noodzaak om de wetgeving op de mensenhandel te verstrengen? Dat was toch de eerste prioriteit van het Belgische voorzitterschap. Of zijn ook die prioriteiten misschien ondertussen al weer veranderd? (Applaus)
Mme Anne-Marie Lizin (PS). - Je voudrais remercier M. Lozie d'avoir réalisé un rapport difficile et qui clôture un débat également difficile.
Notre groupe approuvera bien entendu ce rapport mais il souhaite rappeler l'importance des visas dans l'ensemble des matières dont nous débattons régulièrement ici au titre de la commission de l'Intérieur. En effet, c'est peut-être paradoxal, mais une politique correcte en ce qui concerne le contrôle du territoire et l'accès à ce dernier est impérativement liée à une politique convenablement menée en matière de visas. Davantage que dans d'autres domaines, il faut être apte à mener correctement des contrôles.
Nous nous sommes interrogés sur l'opportunité d'une commission d'enquête sur ce thème. Pour l'instant, nous avons choisi de ne pas prévoir une telle commission. Cependant, si des défaillances étaient à nouveau mises en évidence, nous n'excluons pas la possibilité de rouvrir ce dossier. Telle est la raison de mon intervention : nous nous rallions aux propositions du rapporteur, M. Lozie, mais nous gardons un oeil très attentif sur la question des visas et nous n'excluons pas la nécessité d'approfondir la question.
La commission d'enquête sur les visas n'est pas nécessairement la meilleure technique. Pour bien surveiller la façon de délivrer les visas, il faudrait pouvoir aller voir sur place comment les choses se passent réellement. Nous y serons attentifs. Nous n'avons pas donné de blanc-seing à un quelconque parti en ces matières, mais nous avons entendu les arguments du ministre des Affaires étrangères pour ces six mois. Si la situation s'aggravait, nous aurions peut-être intérêt à rouvrir le dossier. En commission de l'Intérieur, nous continuerons à manifester notre intérêt à la question des visas.
Je voulais simplement que Mme Willame ne nous quitte pas sur un sentiment de frustration profonde. Un jour, peut-être, la commission attendue sur ce thème verra le jour.
-De bespreking is gesloten.