2-12/10 | 2-12/10 |
21 JUNI 2001
(Subamendement op amendement nr. 30 B van mevrouw Nyssens)
Art. 2
De voorgestelde opsomming aanvullen als volgt :
« e) sociale bescherming met inbegrip van sociale zekerheid en gezondheidszorg;
f) sociale voordelen;
g) onderwijs. »
Verantwoording
Deze opsomming vervolledigt amendement nr. 30 om ratione materiae het hele toepassingsgebied over te nemen van richtlijn 2000-43 van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of ethnische afstamming.
(Subamendement op amendement nr. 30 B van mevrouw Nyssens)
Art. 2
De voorgestelde tekst aanvullen als volgt :
« Dit verbod geldt ongeacht de gebruikte methode van discriminatie, te weten de vermelding in een officieel stuk of in een proces-verbaal, het verspreiden, het publiceren of het openbaar maken van een tekst, een bericht, een teken of van enige andere drager met discriminerende uitlatingen als bedoeld in dit artikel. »
Verantwoording
De vermelding in een proces-verbaal en het verspreiden, het publiceren of het openbaar maken vallen minder duidelijk binnen het toepassingsgebied ratione materiae in de strikte zin dan andere vormen van discriminatie. Duidelijkheidshalve moeten deze elementen in een afzonderlijke paragraaf worden behandeld.
| Clotilde NYSSENS. |
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
In de voorgestelde § 4, na de woorden « discriminatiegronden opgesomd in § 2 », de woorden « , met uitzondering van het geslacht, » toevoegen.
Verantwoording
Ongewenst seksueel gedrag wordt reeds behandeld in de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid. Overlapping is uit den boze.
(Subamendement op amendement nr. 10 van de regering)
Art. 3quater (nieuw)
Het tweede streepje van het voorgestelde artikel doen vervallen.
Verantwoording
Aangezien deze bepaling niet nader bepaalt welke wet, decreet of ordonnantie bedoeld wordt, dient zij te vervallen.
Art. 4
De aanhef van de voorgestelde § 1 van dit artikel doen luiden als volgt : « Onverminderd de bepalingen van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden ».
Verantwoording
De in § 1 van artikel 4 van dit voorstel genoemde strafbaarstellingen worden reeds behandeld in de zogenaamde wet-Moureaux. Dit amendement moet overlappingen voorkomen.
(Subamendement op amendement nr. 11 van de regering)
Art. 5
In het voorgestelde artikel 5, de woorden « het geslacht, » en « de leeftijd, » doen vervallen.
Verantwoording
Hoe kan het geslacht een verzwarende omstandigheid zijn ? De wet betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen beschouwt de leeftijd al als een verzwarende omstandigheid.
Art. 12
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Dit artikel overlapt artikel 15 van het wetsvoorstel.
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
Het laatste streepje van de voorgestelde § 1 van dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Deze bepaling houdt in haar huidige formulering geen steek.
| Nathalie de T' SERCLAES. |
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
Aan het voorgestelde artikel volgende wijzigingen aanbrengen :
A. § 1 hernummeren tot § 3.
B. In § 2, dat hernummerd wordt tot § 1, de woorden « Er is sprake van directe discriminatie » vervangen door de woorden « Voor de toepassing van deze wet is er directe discriminatie ».
C. In § 3, dat hernummerd wordt tot § 2, de woorden « Er is sprake van indirecte discriminatie » vervangen door de woorden « Voor de toepassing van deze wet is er indirecte discriminatie ».
Verantwoording
Zowel om legistieke als juridische redenen is het van belang dat eerstens een definitie wordt gegeven van de begrippen directe en indirecte discriminatie, alvorens een verbodsbepaling wordt ingevoerd die gebruik maakt van deze begrippen.
Door te vermelden dat de gehanteerde definities enkel van toepassing zijn voor deze wet, wordt bovendien elke juridische onduidelijkheid vermeden met betrekking tot de definitie van discriminatie zoals die wordt gehanteerd in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden.
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
Paragraaf 1 van het voorgestelde artikel vervangen als volgt :
« § 1. Deze wet is van toepassing zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties.
Elke vorm van directe of indirecte discriminatie is verboden bij :
de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie- en aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van alle bevorderingskansen;
de toegang tot alle vormen en alle niveaus van beroepskeuzevoorlichting, beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding en omscholing, met inbegrip van praktijkervaring;
werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning;
het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een werkgevers- of werknemersorganisatie of enige organisatie waarvan de leden een bepaald beroep uitoefenen, waaronder de voordelen die deze organisaties bieden;
de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn. »
Verantwoording
Huidig amendement is de concrete omzetting van de Europese Richtlijn van 27 november 2000, volgens het in deze Richtlijn voorziene toepassingsgebied.
Het toepassingsgebied van deze richtlijn is overigens identiek aan de Europese Richtlijn van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, op enkele uitzonderingen na. Zo omvat deze laatste richtlijn eveneens de 1) sociale bescherming, 2) sociale voordelen, 3) onderwijs en 4) de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn als toepassingsgebied waarbinnen discriminatie op grond van ras of ethnische afstamming verboden is. Dit uitgebreide toepassingsgebied is vanzelfsprekend verantwoord vanuit de specifieke discriminatiegrond ras of ethnische afstamming; zij kan evenwel niet zomaar toegepast worden op de andere in het wetsvoorstel voorgestelde discriminatiegronden.
Om deze reden worden enkel de toegang en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn ook opgenomen in deze wet.
Een omzetting van de overige bepalingen van de Richtlijn van 29 juni 2000 dient dan ook te gebeuren in het kader van de specifieke wetgeving met betrekking tot non-discriminatie op grond van ras of ethnische afstamming.
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
In § 1 van het voorgestelde artikel, het eerste streepje aanvullen met de woorden « die publiekelijk beschikbaar zijn ».
Verantwoording
Het wetsvoorstel verbiedt elke vorm van discriminatie bij het leveren van goederen en diensten, zonder enige beperking. Ook de Raad van State was van oordeel dat het toepassingsgebied van het wetsvoorstel nu het ook ingrijpt op de private betrekkingen te ruim is, nu de rechtsonderhorige onmogelijk een inschatting kan maken of een bepaalde gedraging een discriminatie vormt in de zin van het wetsvoorstel.
Om deze reden is het wenselijk dit toepassingsgebied te beperken tot goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, conform de Europese Richtlijn van 29 juni 2000.
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
In § 1 van het voorgestelde artikel, het zevende streepje doen vervallen.
Verantwoording
Terecht stelt de Raad van State dat de wetgever de burgers niet mag verplichten om in alle handelingen van hun maatschappelijk leven en bij het uiten van hun mening de ideeën van de overheid inzake « bestrijding van discriminaties » over te nemen.
Deze bepaling laat dan ook vragen rijzen met betrekking tot de verenigbaarheid met de vrijheid van meningsuiting. Zoals de Raad van State stelt : « noch uit de tekst van het voorstel, noch uit de toelichting erbij blijkt dat meningen, grappigheden of spotternijen niet zouden kunnen worden beschouwd als het aanzetten tot discriminatie of het openlijk te kennen geven van het voornemen tot discriminatie ». Het gevaar bestaat dat het huidig voorstel véél verstrekkender gevolgen heeft dan bedoeld kan zijn.
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
In § 1 van het voorgestelde artikel, het laatste streepje doen vervallen.
Verantwoording
Het wetsvoorstel voorziet in het verbod van discriminatie bij « elke andere normale uitoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit ».
Deze libellering kan vrij ruim geïnterpreteerd worden. In de toelichting bij het oorspronkelijk voorstel staat te lezen : « Deze wet slaat uiteraard niet op de zuiver private betrekkingen tussen individuen, met inbegrip van de betrekkingen die ontstaan in het kader van een vereniging tusen personen, die daarvoor hun eigen redenen hebben en daarbij hun eigen, gemeenschappelijke criteria hanteren. » De Raad van State merkte daarbij op : « Deze passage uit de toelichting bij het voorstel is ontoereikend. In de tekst zelf van het artikel moet worden gesteld dat deze wet niet van toepassing is op private betrekkingen. »
Het regeringsamendement past de tekst evenwel niet aan aan deze opmerking van de Raad van State; evenmin is er een gelijkaardige toelichting terug te vinden bij het amendement. Nochtans is deze verduidelijking noodzakelijk : het uitoefenen van een « economische », « sociale », « culturele » activiteit kan wel degelijk op private betrekkingen slaan.
Bovendien merkt de Raad van State op dat het voorstel een beperking inhoudt van de vrijheid van vereniging. Het is immers mogelijk dat sportverenigingen, culturele, folkloristische, caritatieve, filantropische verenigingen enkel openstaan voor bepaalde personen op grond van een van de criteria vermeld in artikel 2, § 1, van het voorstel. Nu deze directe discriminatie steeds verboden is volgens het voorstel, is dit in strijd met de vrijheid van vereniging.
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering Subsidiair amendement op amendement nr. 86).
Art. 2
In § 1 van het voorgestelde artikel, het laatste streepje aanvullen met de woorden « uitgezonderd de private betrekkingen ».
Verantwoording
Zie de verantwoording bij amendement nr. 86.
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
Het voorgestelde artikel aanvullen met een § 5 luidend als volgt :
« § 5. Deze wet is niet van toepassing op private betrekkingen.
De toepassing van deze wet mag geen afbreuk doen aan de bescherming van andere fundamentele rechten en vrijheden, inzonderheid de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van eredienst. »
Verantwoording
Zie de verantwoording bij amendement nr. 69 (van de heer Vandenberghe c.s.).
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
In § 2 van het voorgestelde artikel, de woorden « of toekomstige » doen vervallen.
Verantwoording
Het wetsvoorstel voorziet als discriminatiegronden « de huidige of toekomstige gezondheidstoestand ».
Het is juridisch niet duidelijk wat het precieze doel is van de bepaling « of toekomstige gezondheidstoestand ».
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
Paragraaf 2 van dit voorgesteld artikel vervangen als volgt :
« § 2. Voor de toepassing van deze wet is er directe discriminatie indien iemand ongunstiger wordt behandeld dan een andere in een vergelijkbare situatie behandeld wordt, is of zou worden behandeld op de grond van geslacht, een zogenaamd ras, de huidskleur, afstamming of nationale of etnische afkomst, seksuele geaardheid, burgerlijke stand, geboorte, leeftijd, het geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap.
Directe discriminatie kan niet worden gerechtvaardigd, tenzij zij objectief door een legitiem doel wordt gerechtvaardigd, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. »
Verantwoording
Huidig amendement sluit nauwer aan bij de definitie zoals voorzien in de Europese richtlijnen.
Anderzijds bepaalt het wetsvoorstel op absolute wijze dat directe discriminatie onder geen enkele omstandigheid kan worden gerechtvaardigd. De libellering moet daarom worden aangevuld met de bepaling dat directe discriminatie een ongunstiger behandeling van personen betreft ten overstaan van andere personen die in een vergelijkbare situatie anders worden behandeld.
Bovendien kan directe discriminatie, conform de rechtspraak van het Arbitragehof en het EHRM, in bepaalde omstandigheden wel gerechtvaardigd zijn.
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
In § 3 van het voorgestelde artikel de woorden « en dus niet vervangen kunnen worden door even doeltreffende of meer doeltreffende maatregelen die getuigen van meer eerbied voor de betrokken persoon » doen vervallen.
Verantwoording
Deze libellering sluit nauwer aan bij de definitie gegeven in de Europese richtlijnen. De tekst van het wetsvoorstel voegt een bijkomende beperking in, die gezien het toepassingsgebied van het wetsvoorstel naar alle domeinen van het maatschappelijk leven onverantwoord is.
(Subamendement op amendement nr. 7 van de regering)
Art. 3
Het eerste lid van het voorgestelde artikel aanvullen met de volgende bepaling :
« mits het doel legitiem en het vereiste evenredig aan dat doel is. »
Verantwoording
De verantwoording bij het regeringsamendement bepaalt dat deze bepaling een omzetting omvat van de Europese richtlijn van 17 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.
De voorgestelde bepaling trekt deze regeling bovendien door naar alle in het wetsvoorstel voorziene discriminatiegronden.
Artikel 4.1. van de vermelde richtlijn bepaalt evenwel :
« 1. Niettegenstaande artikel 2, leden 1 en 2, kunnen de lidstaten bepalen dat een verschil in behandeling dat op een kenmerk in verband met een van de in artikel 1 genoemde gronden berust, geen discriminatie vormt, indien een dergelijk kenmerk, vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem en het vereiste evenredig aan dat doel is. »
Het is noodzakelijk om de voorgestelde bepaling ook als dusdanig te redigeren.
(Subamendement op amendement nr. 7 van de regering)
Art. 3
Het tweede lid van het voorgestelde artikel doen vervallen.
Verantwoording
Het voorgestelde tweede lid stelt dat de Koning de gevallen vaststelt waarin een bepaald kenmerk een doorslaggevende voorwaarde vormt wegens de aard of de uitoefeningsvoorwaarden van de betrekking.
Het kan niet aanvaard worden dat de uitvoerende macht bepaalt en beslist in welke gevallen er geen/wel discriminatie is, en aldus een exclusieve regeling van non-discriminatoire gronden kan vaststellen.
(Subamendement op amendement nr. 7 van de regering)
Art. 3
Na het eerste lid van het voorgestelde artikel, het volgende lid invoegen :
« Wat betreft de beroepsactiviteiten van de erediensten, religieuze organisaties of gemeenschappen, waarvan de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd, vormt een verschil in behandeling gebaseerd op de godsdienst of overtuiging van een persoon geen discriminatie, indien vanwege de aard van de activiteiten of de context waarin deze worden uitgeoefend de godsdienst of overtuiging een wezenlijke, legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereiste vormt gezien de grondslag van de organisatie. »
Verantwoording
De toelichting bij amendement nr. 7 stelt dat het een omzetting betreft van de Europese richtlijn van 17 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.
Artikel 4.2 van deze richtlijn bepaalt evenwel :
« De lidstaten kunnen op het moment van vaststelling van deze richtlijn bestaande nationale wetgeving handhaven, of voorzien in toekomstige wetgeving waarin op de datum van vaststelling van deze richtlijn bestaande nationale praktijken worden opgenomen, die bepaalt, dat in het geval van kerken en andere publieke of particuliere organisaties, waarvan de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd, wat betreft de beroepsactiviteiten van deze organisaties een verschil in behandeling gebaseerd op godsdienst of overtuiging van een persoon geen discriminatie vormt indien vanwege de aard van de activiteiten of de context waarin deze worden uitgeoefend de godsdienst of overtuiging een wezenlijke, legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereiste vormt gezien de grondslag van de organisatie. Dit verschil in behandeling wordt toegepast met inachtneming van de grondwettelijke bepalingen en beginselen van de lidstaten en van de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, en mag geen op een andere grond gebaseerde discriminatie rechtvaardigen.
Mits de bepalingen van deze richtlijn voor het overige worden geëerbiedigd, laat deze richtlijn derhalve het recht van kerken en andere publieke of particuliere organisaties waarvan de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd, onverlet om, handelend in overeenstemming met de nationale grondwettelijke en wettelijke bepalingen, van personen die voor hen werkzaam zijn, een houding van goede trouw en loyauteit aan de grondslag van de organisatie te verlangen. »
Het voorgestelde amendement houdt geen rekening met deze bepaling, en dient derhalve te worden aangevuld.
(Subamendement op amendement nr. 8 van de regering)
Art. 3bis (nieuw)
In het voorgestelde artikel de woorden « de interne organisatie van » doen vervallen.
Verantwoording
Het voorgestelde artikel stelt dat de wet niet van toepassing is op de interne organisatie van religieuze culten en gemeenschappen en van levensbeschouwelijke organisaties die door de Koning erkend zijn.
Omdat het wetsvoorstel aldus enkel waarborgt dat zij niet geldt voor de interne organisatie van religieuze gemeenschappen, betekent dit dat de externe uitoefening van de geloofsbeleving het risico loopt als aanzet tot discriminatie te worden beschouwd, omdat deze uitoefening onder het toepassingsgebied van de wet ressorteert. Zulks is strijdig zowel met de vrijheid van vereniging als met de vrijheid van eredienst.
Evenmin garandeert het voorstel dat, met betrekking tot kerken en andere publieke en particuliere organisaties, waarvan de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd, wat de beroepsuitoefening van deze organisaties betreft, een verschil in behandeling gebaseerd op godsdienst of overtuiging niet onder de bepaling van de wet valt.
Het voorgestelde artikel dient dus te worden herzien.
(Subamendement op amendement nr. 8 van de regering Subsidiair amendement op amendement nr. 95)
Art. 3bis (nieuw)
Het voorgestelde artikel aanvullen als volgt :
« ; evenmin mag de toepassing van deze wet afbreuk doen aan de vrijheid van vereniging en de vrijheid van eredienst ».
Verantwoording
Zie de verantwoording bij amendement nr. 95.
(Subamendement op amendement nr. 8 van de regering)
Art. 3bis (nieuw)
In het voorgestelde artikel, de woorden « die door de Koning erkend zijn » doen vervallen.
Verantwoording
Amendement nr. 8 van de regering verschaft geen enkele verantwoording met betrekking tot het onderscheid tussen een religieuze culte of levensbeschouwelijke organisatie die wel of niet door de Koning erkend is, om de toepassing van deze wet te bepalen.
(Subamendement op amendement nr. 8 van de regering)
Art. 4
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
1. In haar advies van 16 november 2000 stelt de Raad van State uitdrukkelijk :
« Doordat het voorstel burgerrechtelijke en strafbepalingen bevat die rechtstreeks op particulieren van toepassing zouden zijn, kan de onnauwkeurigheid van het voorstel niet worden aanvaard. De burgers moeten precies weten welk gedrag zij niet mogen vertonen. Zulks geldt in het bijzonder in strafzaken. Krachtens het beginsel van de wettelijkheid van de strafbaarstellingen en van de straffen, dat voortvloeit uit artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en uit de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, heeft de wetgevende macht de grondwettelijke plicht om in voldoende duidelijke, nauwkeurige en rechtszekerheid biedende bewoordingen te bepalen welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. »
En
« De wetgever mag de burgers niet verplichten om in alle handelingen van hun maatschappelijk leven en bij het uiten van hun mening de ideeën van de overheid inzake « bestrijding van discriminaties » over te nemen. Hoewel de wetgever discriminatie door bepaalde gedragingen of het afleggen van bepaalde verklaringen kan verbieden, moet de wet de noodzakelijke waarborgen bieden ter bescherming van de overige fundamentele rechten en vrijheden die verankerd zijn in de Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. »
Dit geldt a priori indien men ook indirecte discriminatie, zoals gedefinieerd in het regeringsamendement nr. 6, strafbaar wenst te stellen.
Het is onaanvaardbaar om de burgers een principieel verbod van onderscheid op te leggen waarvan de concrete inhoud niet op voorhand vaststaat; de vereisten van legitiem doel en proportionaliteitstest voldoen niet aan de eis van de voorzienbaarheid die aan een strafbaarstelling moet worden gegeven : zij gaan immers uit van een inschatting door de betrokken persoon, die achteraf het voorwerp zal uitmaken van een evaluatie.
2.
2.1. De Belgische rechtsorde bevat op heden reeds een uitgebreid en omvattend juridisch kader dat bescherming biedt tegen discriminatie, zowel in de verhouding van de rechtsonderhorige ten opzicht van de overheid als in de privaatrechterlijke verhoudingen.
Artikel 10 en 11 van de Grondwet voorzien in een algemeen discriminatieverbod. De schending van dit verbod kan rechterlijk worden afgedwongen, zowel tegen reglementeringen en beslissingen van de uitvoerende macht, als met betrekking tot de wetten, decreten of ordonnanties (Arbitragehof).
Het verbod op discriminatie kent bovendien ook een horizontale werking, en kan worden ingeroepen in geschillen tussen particulieren onderling. Een schending van dit verbod maakt volgens vaste Cassatierechtspraak een onrechtmatige daad uit in de zin van artikel 1382-1384 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 14 van het EVRM verzekert de non-discriminatie met betrekking tot het genot van alle rechten en vrijheden die in dit Verdrag en zijn aanvullende Protocollen zijn vermeld.
Artikel 26 van het BUPO-verdrag voorziet net zoals de Belgische Grondwet in een algemeen discriminatieverbod.
Zowel artikel 14 EVRM en artikel 26 BUPO kunnen rechtstreeks voor de Belgische rechter worden ingeroepen.
De Belgische rechtsorde voorziet dus in een omvattend en afdwingbaar kader dat rechtsbescherming biedt tegen discriminatoire gedragingen en volledig privaatrechterlijk en constitutioneel wordt gesanctioneerd.
Een nieuw wetgevend initiatief dat, naast het bestaande juridische kader, als doel heeft « de discriminatie te bestrijden » dient te voldoen aan de beginselen van de behoorlijke wetgeving.
Dit impliceert dat dergelijk initiatief enkel verantwoord kan zijn na een voorafgaandelijke evaluatie van de huidige bestaande juridische beschermingsmechanismes en een analyse van de maatschappelijke noodzaak om de bestaande algemene normen te verbeteren of te wijzigen.
Het wetsvoorstel, noch het amendement duiden de maatschappelijke noodzaak aan om nieuwe normen, die bovendien strafrechterlijk sanctioneerbaar zijn, te verantwoorden. Uit de huidige toepassing van de normen die de rechtsbescherming tegen discriminatie op het oog hebben, blijkt overigens helemaal niet dat de specifiekere dwingende redenen aanwezig zijn om een algemene strafrechterlijke bepaling in te voeren. Evenmin blijkt of Justitie over de instrumenten beschikt om deze algemene strafrechterlijke norm te doen naleven.
3. De indieners van dit amendement zijn dan ook, samen met de Raad van State, van mening dat de voorgestelde strafbaarstelling van discriminatievormen onaanvaardbaar is.
Art. 4
In § 1 van dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Het woord « discriminatie » telkens vervangen door de woorden « directe discriminatie ».
B. De woorden « wegens de bijzondere kenmerken bedoeld in artikel 2 » telkens vervangen door de woorden « wegens een discriminatiegrond bedoeld in artikel 2, § 2 ».
Verantwoording
Dit amendement is strikt subsidiair, nu enige strafbaarstelling op directe en a priori indirecte indiscriminatie voor de indieners van huidig amendement onaanvaardbaar is (zie verantwoording bij amendement nr. 98, tot schrappen van artikel 4).
De libellering van artikel 4 is, in haar samenlezing met artikel 2, bovendien dubbelzinnig.
In elk geval is duidelijk dat een volgens artikel 2 verboden discriminatoire handeling vaak plaatsvindt in de omstandigheden bedoeld in artikel 444 van het Strafwetboek (namelijk op openbare bijeenkomsten of plaatsen, of in tegenwoordigheid van verschillende personen, of in bijzijn van de beledigde en voor getuigen, hetzij door geschriften, prenten of zinnebeelden). De verbodsbepalig van artikel 2 wordt dus feitelijk steeds strafrechtelijk gesanctioneerd.
Is dit de bedoeling van de indieners van het wetsvoorstel ?
Het gebruik van het woord « discriminatie » is niet wenselijk, nu het wetsvoorstel geen enkele definitie voorziet van « discriminatie » as such. Om te vermijden dat onder discriminatie de brede definitie van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden zou worden begrepen, dient specifiek melding te worden gemaakt van directe en indirecte discriminatie. Voor de indiener van dit amendement kan zelfs in ondergeschikte orde evenwel enkel sprake zijn van strafrechtelijke sanctioneerbaarheid van directe discriminatie.
De libellering « wegens de bijzondere kenmerken bedoeld in artikel 2 » is verwarrend. Het is beter te stellen dat het de discriminatiegronden bedoeld in artikel 2, § 2, betreft.
Art. 4
In § 2 van dit artikel het woord « discriminatie » telkens vervangen door de woorden « directe discriminatie ».
Verantwoording
Zie de verantwoording bij amendement nr. 99.
(Subamendement op amendement nr. 11 van de regering)
Art. 5
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie de verantwoording bij amendement nr. 98, tot schrapping van artikel 4.
De Raad van State stelde bovendien duidelijk dat « de bevoegdheid van de strafrechter bij het bepalen van een straf ruim genoeg is, zodat een soortgelijke bepaling overbodig is. »
Zij merkte terecht op dat « het bestanddeel van bepaalde strafbare feiten, inzonderheid van die welke de reden betreffen, noodzakelijkerwijs het geslacht zal zijn, zodat de bepaling automatisch zal leiden tot een verdubbeling van de straffen die de wet in een soortgelijk geval oplegt. »
Art. 6
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie de verantwoording bij amendement nr. 98, tot schrapping van artikel 4.
Art. 7
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zie de verantwoording bij amendement nr. 98, tot schrapping van artikel 4.
| Hugo VANDENBERGHE. Mia DE SCHAMPHELAERE. |
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
Paragraaf 1 van het voorgestelde artikel aanvullen met een tweede lid, luidende :
« Er is geen sprake van discriminatie indien een ongunstiger behandeling gebaseerd op geslacht, leeftijd, handicap of nationaliteit verband houdt met de organisatie van een sportieve en of culturele gebeurtenis indien dit verschil in behandeling redelijk en relevant is voor de doelstelling van deze gebeurtenis. »
Verantwoording
Sommige sportieve en culturele activiteiten « noodzaken » een zeker onderscheid in behandeling dat voor zover het redelijk en relevant is (met andere woorden duidelijk gerelateerd aan de aard van de activiteit) te verantwoorden is.
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
Paragraaf 2 van het voorgestelde artikel aanvullen met een tweede lid, luidende :
« Er is geen sprake van discriminatie op basis van de discriminatiegrond geslacht wanneer een ongunstiger behandeling gebaseerd is op het voorkomen van gêne of van een inbreuk op de privacy die voortspruit uit de aanwezigheid van een persoon van het andere geslacht. »
Verantwoording
Gelet op de specifieke aard van deze discriminatiegrond lijkt bovenstaande uitzondering gerechtvaardigd.
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
Paragraaf 2 van het voorgestelde artikel aanvullen met een tweede lid, luidende :
« Wanneer de handicap of de gezondheidstoestand van een persoon in de gegeven omstandigheden deze persoon of een derde zou kunnen schaden, dan vormt een ongunstiger behandeling die in redelijkheid gericht is op het voorkomen van deze schade, geen discriminatie. »
Verantwoording
Het voorgestelde lid wil de mogelijkheid laten om aangepaste maatregelen omwille van gezondheids- en/of veiligheidsmaatregelen te treffen ten aanzien van personen met een handicap. Deze maatregelen kunnen enkel worden genomen in het belang van deze personen en kunnen voor zover zij een ongunstiger behandeling zouden veroorzaken niet aanzien worden als discriminatie.
| Fatma PEHLIVAN. |
(Subamendement op amendement nr. 9 van de regering)
Art. 3ter (nieuw)
In het voorgestelde artikel, de woorden « artikel 2 » vervangen door de woorden « artikel 2, § 2 ».
Verantwoording
Het betreft een technische aanpassing.
Art. 4
In het eerste lid van dit artikel, de woorden « artikel 2 » telkens vervangen door de woorden « artikel 2, § 2 ».
Verantwoording
Het betreft een technische aanpassing.
(Subamendement op amendement nr. 4 van de regering)
Art. 4
In de voorgestelde aanvulling, de woorden « artikel 2 » vervangen door de woorden « artikel 2, § 2 ».
Verantwoording
Het betreft een technische aanpassing.
(Subamendement op amendement nr. 15 van de regering)
Art. 10
De voorgestelde § 3 aanvullen met de volgende zin :
« Deze bepaling is niet van toepassing op de strafprocedures ».
Verantwoording
Het amendement beoogt te expliciteren dat de verschuiving van de bewijslast niet van toepassing is in strafrechtelijke procedures, hetgeen een strijdigheid zou impliceren met artikel 6 EVRM, het vermoeden van onschuld dat in strafzaken van toepassing is.
Art. 12
In het derde lid van dit artikel, de woorden « Wanneer het slachtoffer van de wetsovertreding of van de discriminatie een natuurlijke persoon is, is » doen vervallen.
Verantwoording
Gelet op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet moet de in artikel 10, derde lid, vervatte bepaling eveneens van toepassing zijn als het slachtoffer een rechtspersoon is.
Art. 13
Het vijfde lid van § 2 van dit artikel aanvullen als volgt :
« Wanneer een vordering tot staking van bij de strafrechter aanhangig gemaakte feiten ingesteld is, wordt over de strafvervolging pas uitspraak gedaan nadat over de vordering tot staking een in kracht van gewijsde getreden beslissing gewezen is. Tijdens de opschorting is de verjaring van de strafvordering geschorst ».
Verantwoording
De voorgestelde aanpassingen dringen zich op doordat artikel 13, § 2, vijfde lid, afwijkt van de regel vervat in artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, volgens hetwelk de strafvordering de burgerlijk vordering schorst.
De minister van Werkgelegenheid,
Laurette ONKELINX.
Hoofdstuk V (nieuw)
Na artikel 15, een hoofdstuk V (nieuw) invoegen, met als opschrift « Oprichting van een Instituut voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen », bestaande uit de artikelen 16 tot 21, en luidende :
« Hoofdstuk V.
Oprichting van een Instituut voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen
Art. 16. Naast het Centrum voor gelijke kansen en voor racismebestrijding wordt het « Instituut voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen » opgericht, hierna Instituut genoemd;
Het Instituut vormt de derde pijler van het gelijkekansenbeleid naast de bevoegde administratie en de Raad voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen.
Art. 17. Het Instituut heeft als opdracht de gelijkheid van kansen voor mannen en vrouwen te bevorderen, elke vorm van discriminatie op grond van het geslacht te bestrijden en de deelname van vrouwen aan het politieke, economische en maatschappelijke leven te bevorderen.
Art. 18. Het Instituut is bij de uitoefening van zijn opdracht volkomen onafhankelijk.
Het Instituut is in het bijzonder bevoegd om :
1º informatie en documentatie betreffende het domein van zijn opdracht te verzamelen en te verspreiden;
2º onderzoek en studies uit te voeren die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn opdracht;
3º aanbevelingen te doen aan de overheid, privé-personen, bedrijven of instellingen naar aanleiding van de resultaten van de in punt 2º vermelde onderzoeken en studies;
4º adviezen te geven en aanbevelingen te doen aan de overheid ter verbetering van de regelgeving inzake zijn opdracht;
5º emancipatie-effectrapportering ten aanzien van alle beleidsbeslissingen te ontwikkelen en te begeleiden;
6º de coördinatie van initiatieven in het kader van het gelijkekansenbeleid van de verschillende overheden te bevorderen;
7º in rechte op te treden in rechtsgeschillen waarbij wettelijke bepalingen die geslachts- of genderdiscriminatie verbieden of beperken, worden overtreden;
8º België te vertegenwoordigen op UNO- en Europees vlak.
Art. 19. De bevoegde ministers en staatssecretarissen stellen het Instituut informatie ter beschikking voor het volbrengen van zijn opdrachten. Het Instituut kan het advies inwinnen van de gemeenschappen, de gewesten, de provinciale en de lokale overheden en van elke openbare instelling als dit nuttig is voor de uitvoering van zijn opdracht.
Art. 20. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het organiek statuut van het Instituut.
Dit statuut bepaalt onder andere :
1º de structuur van het Instituut, met inachtname van een evenwichtige vertegenwoordiging van de overheid en van niet-gouvernementele organisaties;
2º de nadere regels betreffende de aanwijzing van zijn leden;
3º het statuut van zijn medewerkers;
4º de nadere regels betreffende de financiëring.
Art. 21. Elk jaar brengt het Instituut aan de regering verslag uit over zijn opdracht. Een afschrift wordt overzonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en aan de Senaat. »
Verantwoording
Sedert meer dan anderhalf decennia is het gelijkekansenbeleid een vast item op de politieke agenda. In de loop der jaren heeft het steeds meer vaste vorm gekregen en is het nu de experimentele fase voorbij.
In rechte is gelijkheid omzeggens gerealiseerd, maar de strijd om gelijkheid in de feiten, is nog niet gestreden. Uit de cijfers van het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties blijkt dat in ons land het leefniveau van de vrouwen 12 % lager dan dat van de mannen (« gender development measure ») en de beslissingsmacht van vrouwen 40 % lager ligt dan die van mannen (« gender empowerment measure »).
Diverse maatschappelijke structuren en houdingen werken nog steeds ongelijkheid in de hand, zodat een krachtig gelijkekansenbeleid moet worden uitgewerkt op basis van nieuwe strategieën.
In de voetsporen van de « Peking +5 »-conferentie is het hoog tijd om de ondersteunende structuur voor het gelijkekansenbeleid te actualiseren, te versterken en verder te ontwikkelen. Hiertoe is er nood aan een nieuw expertisecentrum, een onafhankelijk « instituut voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen » op federaal niveau.
Het gelijkekansenbeleid dient te worden uitgebouwd op basis van drie pijlers :
De eerste pijler is het politieke beleid : onder leiding van de bevoegde minister en haar/zijn administratie (momenteel de minister van Arbeid en Tewerkstelling);
De tweede pijler is de Raad voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen die zorgt voor het overleg met het middenveld en adviserend werkt;
De derde pijler, die nog ontbreekt, is het Instituut voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen, dat onafhankelijk deskundigheid opbouwt en ten dienste staat van het beleid, het middenveld en individueel geïnteresseerden.
Met de oprichting van het « Instituut voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen » wordt één aanspreekpunt gecreëerd voor zowel de overheid, de bedrijven als voor de privé-personen en instellingen.
Ontegensprekelijk is de samenwerking tussen de verschillende actoren noodzakelijk voor de beoogde efficiëntie.
Het instituut heeft tot taak :
deskundigheid te verwerven;
beleidsinstanties technisch te adviseren;
advies en rechtsbijstand te verlenen aan mannen en vrouwen over gelijke kansen en gender;
verdediging in rechte van slachtoffers van geslachts- of genderdiscriminatie en begeleiding van klachtenprocedures;
Daarnaast kan het « Instituut » ook volgende functies vervullen :
wetenschappelijk onderzoek;
documentalist en informatieverstrekking;
administratieve ondersteuning;
ontwikkelen van nieuwe beleidsinstrumenten;
ontwikkelen van en begeleiden van mainstreamingsbeleid;
ontwikkelen van een begeleiding van emancipatie-effectrapportage;
vertegenwoordiging van België op UNO- en Europees vlak (bijvoorbeel « Commission Status of Woman » en het Adviescomité gelijke kansen bij de Europese Commissie).
Het Gelijkekanseninstituut kan nieuwe beleidsinstrumenten voor het gelijkekansenbeleid ontwikkelen en invoeren. Genderindicatoren moeten ontwikkeld worden om de evoluties op het gebied van gelijke kansen op kwantitatieve wijze weer te geven zodat het effect van het gelijkekansenbeleid kan gemeten worden. Een gendertoets zowel op de inhoud van het gevoerde beleid als op de begroting is nodig, alsook naar geslacht opgesplitste statistieken.
Een analoge werkwijze vinden we in de ons omliggende landen. In Spanje bestaat sedert 24 oktober 1983 het « Instituto de la mujer » dat resorteert onder de minister van Tewerkstelling en Sociale Zaken. Ter aanvulling en ter ondersteuning van wetswijzigingen besloot de Spaanse regering dit instituut op te richten. Haar opdracht bestaat uit enerzijds de sociale gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen en anderzijds de deelname van vrouwen aan het politieke, economische en culturele leven te stimuleren.
Om dit doel te bereiken, beschikt het instituut over de nodige bevoegdheden gaande van studiewerk overleg met nationale en internationale organisaties tot controle en toetsing van de toepassing van het gelijkekansenbeleid in alle beleidsvormen.
In Nederland werd, met overheidssteun, op 1 januari 1998 « E-Quality », een expertisecentrum voor gelijke kansen, opgericht naast het IIAV, het International Information Centre and Archives for the Woman's Movement.
Verder is het NIKK Nordic Institute for Women Studies and Gender Research, opgericht in 1995 in het kader van een actieplan van de Noorse regering ter bevordering van de gelijke kansen.
België heeft eveneens nood aan zulk een centrum. Zo adviseert de Raad voor gelijke kansen van mannen en vrouwen op 7 april 2000 inzake het wetsvoorstel ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding, om in een drieledige institutionele structuur te voorzien op het vlak van gelijke kansen voor mannen en vrouwen, welk een Instituut voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen, een Raad voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen en een Directie gelijke kansen omvat. De raad acht het ook aangewezen om de verdediging in rechte van slachtoffers van genderdiscriminatie toe te vertrouwen aan een apart op te richten Instituut voor gelijke kansen, juist omwille van de specifieke problematiek.
Een voorstel in deze zin werd ook ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers door mevrouw Creyf en de heer Vanpoucke (stuk Kamer, nr. 130/1, BZ 1999), gebaseerd op het wetsvoorstel van volksvertegenwoordigster Anne Van Haesendonck (stuk Kamer, nr. 195/1, 1998-1999) tijdens de vorige legislatuur.
| Sabine de BETHUNE. Mia DE SCHAMPHELAERE. Hugo VANDENBERGHE. Clotilde NYSSENS. Nathalie de 'T SERCLAES. |
(Subamendement op amendement nr. 6 van de regering)
Art. 2
In de voorgestelde § 2 van dit artikel, tussen het woord « geboorte » en het woord « leeftijd », het woord « taal, » invoegen.
Verantwoording
Ook taal kan een grond van discriminatie opleveren.
Alle internationale verklaringen en verdragen inzake mensenrechten verbieden iedere vorm van discriminatie op grond van taal en niet uitsluitend van moedertaal.
Voorbeelden daarvan vindt men :
in artikel 2 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948;
in artikel 2 van het Internationaal Pact inzake economische, sociale en culturele rechten van 19 december 1966;
in artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950.
In een land als het onze kunnen ook personen die in België verblijven gediscrimineerd worden alleen al omdat zij een taal beter spreker dan de andere of gewoonweg omdat zij niet meer dan één van de in België gangbare talen (Nederlands en Frans) spreken of geen enkele ervan.
De verleiding is groot om talenkennis op te leggen voor zaken die daar niets mee uitstaande hebben zoals de toegang tot een sociale woning, tot een beroep waar het gebruik van de andere taal geen selectiecriterium vormt.
In dergelijke gevallen verhult het criterium van talenkennis in feite de bedoeling om cultureel te discrimineren.
(Subamendement op amendement nr. 11 van de regering)
Art. 5
In dit artikel, tussen de woorden « de burgerlijke stand » en de woorden « de leeftijd », invoegen de woorden « de taal ».
Verantwoording
Zie de verantwoording op amendement nr. 114.
| Olivier de CLIPPELE. |