2-128

2-128

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 21 JUNI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatsverandering, en met de Bijlagen A en B, gedaan te Kyoto op 11 december 1997 (Stuk 2-775)

Voorstel van resolutie over de noodzaak dat de Verenigde Staten van Amerika de doelstelling van het protocol van Kyoto in acht nemen (van de heer François Roelants du Vivier c.s., Stuk 2-727)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Ik stel voor het wetsontwerp en het voorstel van resolutie samen te bespreken. (Instemming)

Het woord is aan de heer Colla voor een mondeling verslag.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

De heer Marcel Colla (SP), rapporteur. - De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft op 19 juni het wetsontwerp houdende instemming met het Protocol van Kyoto besproken. Die bespreking werd ook toen gekoppeld aan de resolutie. De commissie stemde volmondig in met het uitbrengen van een mondeling verslag, zodat we de beide punten nog tijdens deze plenaire vergadering kunnen behandelen. Het moet me hierbij toch van het hart dat politiek en journalistiek België wel wakker wordt als het over de noodpil of over Voeren gaat, maar veel minder interesse betoont voor een mondiaal probleem als de klimaatverandering.

Dit gezegd zijnde, herinner ik eerst kort aan de doelstellingen van het Protocol van Kyoto, namelijk de verwezenlijking van de doelstellingen van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering. Het gaat om een fundamenteel mondiaal probleem en bijgevolg over een politiek moeilijk punt, aangezien hier een langetermijnvisie verkozen wordt boven resultaten op korte termijn, die trouwens bijna zeker niet realiseerbaar zijn. Het Protocol van Kyoto beoogt een versterking van de engagementen van de geïndustrialiseerde landen, die de verplichting op zich nemen om de uitstoot van broeikasgassen, die een negatief effect hebben op het klimaat, sterk te reduceren. De ontwikkelingslanden worden van die verplichting vrijgesteld. Als referentieperiode wordt het jaar 1990 gehanteerd. Het doel is globaal te komen tot een vermindering van vijf procent in de periode 2008-2012. Het gaat daarbij om een korf van een zestal broeikasgassen.

In zijn inleiding verwees de staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling in de eerste plaats naar de recente bijeenkomst en de besluiten van de Europese top van Göteborg. Ten tweede voegde hij daar de resultaten aan toe van de besprekingen in de ministerraad van 22 december 2000, waaruit het wetsontwerp is voortgekomen dat de regering bij de Senaat heeft ingediend. Ten derde herinnerde hij eraan dat de Europese Unie reeds in 1998 beslissingen inzake deze materie heeft getroffen, waarbij de opdracht van de Unie gespreid werd over de verschillende lidstaten. De gezamenlijke inspanning van de Europese Unie bedraagt 8 procent. De bijdrage van België komt neer op een reductie van 7,5 procent. Om de Unie-afspraken internationaal te laten aanvaarden, moeten al de lidstaten het Protocol ratificeren en moeten zowel de Europese Commissie als de lidstaten dit aan de UNO-zetel in New York melden. De staatssecretaris onderstreepte nog het niet-verplichtend karakter van het Kyoto-Protocol, dat pas in werking treedt op het ogenblik dat 55 landen, goed voor 55 procent van de totale emissie, tot ratificatie zijn overgegaan.

Een aantal collega's van de commissie vestigde vervolgens de aandacht op diverse belangrijke punten.

Er werd gewezen op de brede consensus in wetenschappelijke kringen over de oorzaken van het broeikaseffect. Er werd ook aangedrongen op de uitwerking van een federaal plan voor duurzame ontwikkeling.

Verder werd gesteld dat nieuwe onderhandelingen, indien ze nog nodig zijn, in ieder geval in het kader van het protocol van Kyoto moeten blijven. Terzake werd verwezen naar de recente voorstellen van de Nederlandse minister Pronk.

Er werden eveneens vragen gesteld over de standpunten van het Zweedse voorzitterschap. Zweden zou een taks op energieconsumptie boven een taks op energieproductie verkiezen.

Verder werd aandacht gevraagd voor de verdeling van de inspanningen, zowel over de sectoren als over de regio's. België, dat een groot voorstander van het protocol is, zou zich oeverloos belachelijk maken wanneer zijn daden niet in verhouding staan tot de principiële standpunten omdat het er niet in slaagt akkoorden met de regio's te sluiten.

De resolutie heeft als voornaamste doel om de Verenigde Staten toch nog ertoe te bewegen hun standpunt te wijzigen en hen te doen aansluiten bij de doelstellingen van het protocol van Kyoto. Er werd gewezen op de industriële sterkte van de Verenigde Staten en hun groot aandeel in de totale uitstoot van broeikasgassen. In 1990 bedroeg dat ongeveer een kwart.

Er waren opmerkingen en vragen over de houding van Japan, over de traditionele enigszins schoorvoetende houding van sommige Europese lidstaten en over de houding van de Verenigde Staten, meer bepaald die van de president. Die verkiest lobbyen op korte termijn blijkbaar boven een mondiale visie op lange termijn. Er werd ook gezegd dat het even hypocriet zou zijn het protocol met grote trom te ondertekenen en te ratificeren, maar in gebreke te blijven bij de uitvoering ervan.

Er werd gewezen op de inconsequente houding van de Verenigde Staten. Dat het Congres de regering terugfluit behoort misschien nog tot het klassieke democratische spel, maar dat de ene regering de handtekening van de vorige regering niet respecteert, zorgt voor continuïteitsproblemen op internationaal en diplomatiek vlak.

De commissie zal de internationale besprekingen en de evolutie inzake Kyoto volgen. Dat kadert in de reflectieopdracht van de Senaat.

Het ontwerpverdrag en de geamendeerde resolutie werden unaniem door de aanwezige leden aanvaard.

M. François Roelants du Vivier (PRL-FDF-MCC). - Voici des années que les milieux scientif iques discutent d'une augmentation des températures, non pas en raison de cycles naturels, mais en conséquence de l'émission en croissance constante de gaz dits à « effet de serre », c'est-à-dire de gaz qui laissent entrer le rayonnement solaire dans l'atmosphère mais piègent le rayonnement infrarouge émis par la terre et produisent, de ce fait, un accroissement général de la température terrestre.

En 1987 déjà, je fus chargé, par le Parlement européen, de rédiger un rapport sur les risques d'augmentation du niveau des mers dus au réchauffement climatique. C'est dire si la problématique était connue et évoquée au niveau politique. En Belgique, un climatologue, André Berger, professeur à l'UCL, a fait beaucoup pour tirer le signal d'alarme au niveau national mais aussi au niveau international, en participant avec d'autres scientifiques aux travaux du Groupe Intergouvernemental d'Experts sur l'évolution du Climat, le GIEC, ou IPCC en anglais. Le GIEC, qui rassemble aujourd'hui près de 3000 chercheurs, est devenu la source la plus fiable de rapports d'évaluation à propos des changements climatiques.

Les changements climatiques sont, de toute évidence, l'un des problèmes les plus alarmants auxquels le monde doit faire face à l'aube du XXIème siècle. Ainsi que l'a indiqué un récent rapport du GIEC, la température de la terre augmentera entre 1,4 et 5,8°C au cours de ce siècle si des mesures ne sont pas adoptées pour enrayer ce phénomène, imputable essentiellement aux activités humaines.

Selon ce même rapport, un tel phénomène aurait des conséquences catastrophiques, avec un danger accru de vagues de chaleur répétées, de pluies torrentielles conduisant à des inondations, de typhons et de cyclones, tandis que la couche de glace et de neige diminuerait de manière radicale, en même temps que le niveau des océans augmenterait.

Dans ce contexte, la réduction des émissions de gaz à effet de serre - gaz qui, d'après le GIEC seraient responsables de plus de la moitié du réchauffement climatique des cinquante dernières années et, en grande partie, responsables du réchauffement futur - revêt une importance cruciale.

La Convention cadre des Nations Unies sur les changements climatiques, ouverte à la signature lors du Sommet de la Terre qui s'est tenu à Rio en 1992 et adoptée à New York le 9 mai 1992, a été conçue dans le but de stabiliser la concentration de gaz à effet de serre dans l'atmosphère à un niveau qui évite une perturbation sérieuse du système climatique causée par des activités humaines et dans un laps de temps suffisant pour permettre aux écosystèmes de s'adapter naturellement aux changements climatiques, pour que la production alimentaire ne soit pas menacée et pour que le développement durable puisse être mis en oeuvre.

La Convention reconnaissant le principe des responsabilités communes mais différenciées des différentes parties et celles-ci, ayant reconnu qu'il appartenait aux pays développés ayant causé la plus grande partie des émissions de gaz à effet de serre, d'être à l'avant-garde de la lutte contre les changements climatiques, trente-huit pays industrialisés, parmi lesquels les États-Unis, ont convenu par un Protocole à la Convention précitée, le 10 décembre 1997 à Kyoto, de réduire leurs émissions de gaz à effet de serre, en moyenne, de 5,2% d'ici 2012, par rapport au niveau de 1990. Les pays de l'Union européenne se sont engagés à une réduction de 8% - à 7,5% pour la Belgique - et les États-Unis, à une réduction de 7%.

Selon les climatologues, et cela a bien été remarqué dans l'avis du 28 septembre 1998 du Conseil fédéral du développement durable sur la politique climatique de la Belgique, le Protocole de Kyoto ne constitue qu'une toute première étape, puisqu'il faudrait réduire les émissions de 60 à 80% au cours des prochaines décennies pour limiter les changements climatiques à un niveau acceptable.

Afin de pouvoir entrer en vigueur, le Protocole de Kyoto doit être ratifié par 55 pays signataires, sur 84, représentant 55% au moins des émissions totales du dioxyde de carbone.

À eux seuls, les États-Unis, qui accueillent 4% de la population mondiale, sont responsables de quelque 25% des émissions totales de dioxyde de carbone, le principal polluant couvert par le CO2 Protocole de Kyoto, et de 35% des émissions des pays industrialisés.

Il n'est, par ailleurs, pas inutile de rappeler qu'il existe des disparités marquées entre les différents pays en ce qui concerne la production de CO2. Un Européen produit en moyenne 10 tonnes - un Belge, 12 tonnes - de CO2 par an, contre 24 tonnes pour un Américain moyen, tandis que les pays en développement se situent en moyenne à un niveau six fois inférieur à celui des pays développés. Ainsi, pour enrayer le réchauffement planétaire, il faudrait parvenir, à l'échelon mondial, à une production par tête de 1,7 tonne de CO2 au maximum.

En outre, ainsi que l'a indiqué récemment le GIEC, les pays qui ont l'accès le plus limité aux ressources sont également ceux dont la capacité d'adaptation est la plus faible et qui sont dès lors les plus exposés au réchauffement climatique et à ses effets néfastes. C'est pourquoi les pays développés, dont les États-Unis, ont une responsabilité importante et un rôle déterminant à assumer dans la réduction effective des émissions de gaz à effet de serre.

Dans ce contexte, les récentes déclarations du Président des États-Unis, George W. Bush, refusant la participation de son pays au Protocole de Kyoto, apparaissent particulièrement irresponsables. Ce Protocole a en effet été conçu comme un élément de la stratégie globale de développement durable, qui ne va en aucune manière à l'encontre de la promotion du développement économique et de l'emploi ; au contraire, à moyen et long termes, une stratégie en matière de développement durable et l'utilisation rationnelle des ressources naturelles renforceront la croissance économique. Il est donc regrettable que le seul effet de la stratégie du gouvernement américain soit de protéger, dans un combat d'arrière-garde, les industries productrices et principales utilisatrices de combustibles fossiles.

C'est pourquoi, avec d'autres collègues, j'ai déposé une proposition de résolution, adoptée à l'unanimité par la commission des Relations extérieures, proposition qui, je l'espère, recueillera aujourd'hui une large majorité. Cette proposition exprime les regrets du Sénat à l'égard de l'attitude du Président des États-Unis, encourage le gouvernement belge à poursuivre ses efforts tendant à faire revenir le gouvernement américain sur sa décision et mandate le gouvernement à oeuvrer dans le cadre de la présidence belge de l'UE afin que le Protocole de Kyoto soit ratifié par 55 États et sorte ses effets, s'il le faut, en l'absence des États-Unis.

Mais il ne faut pas se leurrer. Avec ou sans les États-Unis, la mise en oeuvre du Protocole de Kyoto sera douloureuse, quoique simple si l'on s'en tient à l'évidence du postulat de départ : consommer moins. Nous devons donc réduire la quantité de combustible que nous brûlons, non en diminuant notre niveau de vie, mais en réduisant le gaspillage et la prodigalité dont nos sociétés sont coutumières. Car, si entre 1976 et 1985, l'UE a accru son intensité énergétique - soit le PNB divisé par la consommation énergétique - de 20%, l'amélioration n'a atteint que 5,3% entre 1986 et 1995. Les spécialistes estiment que cette intensité peut encore être accrue de 50%.

Ce grand défi, il faut le rencontrer chez nous d'abord, en veillant à mettre en oeuvre un ensemble de solutions diversifiées et adaptées à notre structure industrielle et énergétique. On le sait, l'UE doit parvenir à une réduction de ses émissions de gaz à effet de serre de 8% sur la période considérée, et la part du fardeau attribuée à la Belgique est de -7,5%. Compte tenu de la structure institutionnelle du pays, nous devons répartir l'effort national entre les trois régions, avec l'aide du fédéral. Il serait, à cet égard, aberrant d'imaginer une réduction linéaire de 7,5% dans chacune des trois régions, alors que la répartition à l'intérieur de l'Union a, quant à elle, tenu compte des disparités entre États. Il faut dès lors adapter l'effort demandé à la capacité contributive de chaque région.

Avant l'effort, aujourd'hui, nous franchirons une étape hautement symbolique : l'adhésion du Sénat au premier Protocole conclu en application de la Convention de Rio sur les changements climatiques, le Protocole de Kyoto. Quelques jours après le Sommet de Göteborg et avant la présidence belge de l'UE, c'est un signal fort que nous envoyons à nos partenaires de l'UE et de la communauté internationale, en ce compris les États-Unis.

Le groupe PRL-FDF-MCC apportera donc ses voix à la procédure d'assentiment au Protocole de Kyoto, dans l'espoir également que, dans quelques semaines, à Bonn, reprennent des négociations constructives avec les États-Unis et les autres pays du « groupe de l'ombrelle », tout en développant un nouveau partenariat avec les pays en développement, qui sont à la fois les principales victimes des futurs changements climatiques et nos principaux alliés de demain pour protéger le climat terrestre.

Mme Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Mon intervention concernera le traité de Kyoto, en général, tandis que celle de mon collègue Georges Dallemagne abordera la question de la finalisation de ce protocole en Belgique, laquelle risque de créer quelques difficultés, puisqu'il semble qu'il n'existe encore aucun plan opérationnel de réalisation de ses objectifs.

Certains ont déclaré que le protocole de Kyoto était mort. Je pense, bien sûr, au président des États-Unis. Eh bien non, le protocole de Kyoto n'est pas mort. L'Union européenne a confirmé son engagement envers Kyoto. La Belgique a décidé, à la veille de sa présidence, de poser un geste politique fort en accélérant la ratification de ce protocole. Nous nous en réjouissons d'autant plus qu'il semble que le Sénat soit la première assemblée à le ratifier, ce dont nous remercions M. Colla, président de la commission des Relations extérieures.

Le progrès des connaissances scientifiques des deux dernières décennies du XXe siècle a permis de mettre en évidence de nombreux risques environnementaux à caractère global : destruction de la couche d'ozone, changement climatique, diminution de la biodiversité, désertification, déforestation, pollution des océans. Au cours de la législature précédente, nous avions eu l'occasion d'entendre en commission des Affaires économiques le climatologue M. Pascal Van Yperzele nous faire un exposé très éclairant en la matière.

Il s'agit d'autant de risques environnementaux dont les causes et les effets peuvent se manifester en tous les points du globe. Ce nouveau type de risques exige un traitement intégré tant du point de vue géographique, puisque les pollutions ne connaissent pas de frontières, que du point de vue des milieux, les grands cycles biogéochimiques terrestres étant inéluctablement couplés. Nous sommes confrontés à des problèmes de responsabilité diffuse et inégalement partagée. La simple application du principe pollueur-payeur n'est pas de nature à résoudre ces nouveaux types de problèmes. Au contraire, on voit s'imposer des approches communes en vue d'une coordination internationale, qu'il s'agisse de prévention ou de lutte contre les dégradations.

Le protocole de Kyoto s'inscrit parfaitement dans cette nouvelle manière d'aborder les problèmes mondiaux. Il faut toutefois signaler que le recours aux traités internationaux n'est pas nouveau. Déjà au début du XXe siècle, existaient des traités ou conventions protégeant telle ou telle espèce menacée. Il s'agissait d'efforts ponctuels et disjoints. Kyoto s'inscrit dans une dynamique plus ambitieuse. En effet, la communauté internationale a pris le parti de définir une convention-cadre très ambitieuse, la convention-cadre des Nations unies sur les changements climatiques intervenue à Rio, en 1992, et de la compléter par le protocole de Kyoto, adopté en 1997, par lequel les pays industrialisés s'engagent à réduire ou limiter leurs émissions de six gaz à effet de serre en 2008-2012 par rapport aux niveaux atteints en 1990.

La Belgique a, quant à elle, reçu la mission de réduire ses émissions de 7,5%, réduction qui s'inscrit dans l'effort global de l'Union européenne.

Les objectifs de Kyoto sont-ils trop ambitieux ? Est-il injuste que les pays industrialisés soient soumis à des contraintes environnementales, au risque de faire perdre de la compétitivité à leurs entreprises dans un monde globalisé, alors que les pays émergents subissent moins de contraintes ? Ne devrait-on pas inciter les pays en développement, pollueurs potentiels, à adopter, dès le départ de leur développement, les meilleures pratiques environnementales disponibles ?

Il s'agit d'autant de questions qui reçoivent une interprétation différente selon les pays. Le président Bush a jugé, à tort à mon avis, que la compétitivité de l'industrie américaine primait sur les enjeux environnementaux, dont les effets sont attendus dans une centaine d'années. Notre désapprobation de l'attitude américaine est exprimée dans la résolution de notre collègue Roelants, que nous soutenons évidemment. Cependant, s'agissant d'un sujet qui dépasse les clivages majorité-opposition, nous regrettons qu'il n'ait pas souhaité associer dès le départ l'opposition. Une résolution signée par tous les partis démocratiques aurait été un beau symbole.

Ce qui me paraît le plus discutable est que le Président des États-Unis renonce unilatéralement à l'engagement de son pays sans que le Congrès ne se soit exprimé. Il s'agit d'un problème important en ce qui concerne la continuité des États-Unis et leur crédibilité sur le plan international.

La décision du Président Bush met en lumière les limites de la coordination internationale. La souveraineté des États reste un principe incontournable du droit international. Il n'existe en effet pas d'autorité supérieure chargée d'en faire respecter les règles et d'en assurer l'application, les sujets des normes, à savoir les États, étant en même temps leurs auteurs.

Le droit international repose avant tout sur une approche volontariste. Pourtant, Kyoto a essayé de pallier l'absence d'un gendarme mondial en s'appuyant sur les mécanismes de marché. Les mécanismes de flexibilité consistent à pouvoir acheter ou vendre des permis d'émission ou à prévoir des mécanismes de diminution de l'effet de serre, comme le reboisement. Ce recours aux mécanismes du marché est une facilité offerte aux États pollueurs de s'adapter plus facilement.

Je suis heureuse que I'Union européenne et la Belgique, malgré les craintes de ces dernières semaines, aient maintenu un engagement ferme et ambitieux en faveur du processus de Kyoto. L'adoption des règles communes pour gérer les risques environnementaux globaux est un enjeu politique majeur pour le début du XXIe siècle. Les hésitations face aux engagements de Kyoto montrent que répondre à ces défis exigera, à l'avenir, une nouvelle manière de concevoir les relations internationales : une créativité juridique sera nécessaire pour construire un équilibre entre respect de la souveraineté et besoin de coordination entre les États. Il est primordial que chaque État et que les citoyens comprennent leur intérêt à collaborer. L'interdépendance écologique est un fait ; si les risques sont à présent « mutualisés », les bénéfices seront aussi partagés.

Madeleine Albright, ancienne secrétaire d'État, a rappelé hier, lors d'un discours tenu au Heysel, la proximité qui existait entre la diplomatie et le monde des affaires dans le monde actuel : ils doivent chacun agir ou interagir dans un monde globalisé. Je pourrais ainsi poursuivre la réflexion en affirmant que, dans un monde global, les intérêts individuels défendus par les entreprises rejoignent l'intérêt général des générations actuelles et des générations futures défendu par les États. Dans cet esprit, il convient de concilier les vues à court terme avec les vues à plus long terme. C'est précisément l'enjeu du protocole de Kyoto et ce que n'a pas encore compris le président des États-Unis.

Nous verrons tout à l'heure, grâce à mon collègue M. Dallemagne, comment la finalisation de ces accords en Belgique risque de poser quelques petits problèmes en raison de la structure institutionnelle de notre pays.

Mme Marie Nagy (ECOLO). - Je ne puis que me réjouir de faire partie de la première assemblée en Belgique à adopter ce projet. Je pense que c'est un signe important et que les parlements régionaux, qui doivent également ratifier le protocole de Kyoto, suivront l'exemple du Sénat. Cela permettra au futur président européen chargé des matières environnementales d'exprimer une position forte de la Belgique dans le cadre de cette présidence et de convaincre les autres collègues de l'Union, voire les négociateurs internationaux, qu'il est important de poursuivre le processus impliquant la communauté internationale en vue de la ratification du protocole de Kyoto.

Cette première ratification est donc une étape essentielle d'un processus commencé il y a plus de dix ans. Depuis la fin des années 80, les changements climatiques sont devenus une préoccupation politique croissante de la communauté internationale. En 1990 déjà, le groupe intergouvernemental d'experts sur l'évolution du climat remettait son premier rapport recommandant le lancement de négociations pour un accord mondial sur les changements climatiques.

La convention cadre sur les changements climatiques a été ouverte aux signatures en 1992, lors du sommet de la terre, aussi appelé sommet de Rio. Elle est entrée en vigueur en 1994. Au terme de plus de deux années de négociations, la Conférence des parties a adopté, en décembre 1997, le protocole de Kyoto à la convention cadre des Nations unies sur les changements climatiques. Ce protocole a été ouvert aux signatures en mars 1998 et, après un an, il a déjà reçu 84 signatures. Pour qu'il puisse entrer en vigueur, 55 pays représentant 55% des émissions de CO2 devront le ratifier. Il est donc important que le bloc européen le ratifie.

Cette étape est essentielle mais pas suffisante. Il faudra à la fois concrétiser les objectifs contenus dans le protocole - d'où l'importance du plan climat - mais aussi veiller à ne pas totalement dénaturer ces objectifs par les mécanismes de flexibilité prévus par le protocole. Nous devrons donc être attentifs au deuxième round de la sixième conférence des parties qui se tiendra à la fin du mois de juillet à Bonn, tout en essayant d'amener les USA à intégrer ce processus.

J'ai écrit au président du Sénat afin de lui demander de permettre qu'une délégation de notre assemblée suive ces travaux, à un moment crucial des décisions. J'espère que j'obtiendrai une réponse positive. Il est important que les parlementaires soient associés à ce genre de discussion.

Après le sommet de Göteborg, où l'Union a confirmé ses engagements en faveur d'un développement durable, il est apparu clairement que la ratification du protocole demeurait un objectif européen. À Bonn, il faudra que cette position soit maintenue et que le processus soit approfondi. Il convient d'isoler les États-Unis et de les mettre devant une situation difficilement défendable. En effet, il est inadmissible qu'un gouvernement décide de ne plus tenir compte des engagements des gouvernements précédents, et notamment de la décision de ratifier un protocole.

Le réchauffement climatique constitue l'enjeu essentiel d'une génération mais aussi et surtout un élément de survie pour les générations futures. La lutte contre ce phénomène est une condition indispensable à un développement durable et solidaire. Ce sont à la fois les pays et les personnes les plus pauvres qui ressentiront directement les conséquences des changements climatiques, ce qui accentuera les inégalités au sein des pays mais aussi entre pays développés et pays en voie de développement. C'est une question de choix de modèle de développement. Il faut opposer le développement durable à un développement qui ne tient pas compte de l'ensemble de la planète et de ses ressources finies.

Il est donc impératif que l'Europe puisse présenter, face au plan climat américain, les atouts que l'efficacité énergétique représente pour l'économie européenne, notamment dans le secteur industriel. En effet, l'intensité énergétique des pays européens, c'est-à-dire la consommation d'énergie par unité produite de PNB, est largement inférieure à celle des États-Unis. Ainsi, quand un Américain émet 0,77 tonne de CO2 pour 90 dollars de PNB, le Danois n'en rejette que 0,3. Un Américain produit en moyenne 24 tonnes de CO2 par an alors qu'un Européen n'en rejette que 10. Cela veut donc bien dire qu'il existe, dans le mode de production et dans les technologies utilisées en Europe, une capacité d'innovation et de meilleure gestion énergétique. Ce sont des atouts pour nos sociétés.

La modernité n'est pas nécessairement la poursuite d'un certain mode de vie caractérisé par le gaspillage. Le choix de Kyoto n'est pas celui du retour à l'âge de la bougie. Il constitue le témoignage d'une modernité bien comprise, garante non seulement de notre qualité de vie mais aussi de celle des générations futures. C'est le choix affirmé d'un développement durable et solidaire.

Le consensus sur les changements climatiques tels que celui suscité par le réchauffement de la planète, ne doit pas nous tromper sur le fait qu'il s'agit bien d'un changement lié aux activités humaines. Les mesures qui doivent encore être prises vont donc concerner également les modes de vie et les types de développement économique.

Je crois qu'il est important de travailler à une prise de conscience forte des effets et des impacts des changements climatiques sur la santé, sur l'agriculture et sur les phénomènes climatiques extrêmes aux conséquences économiques directes - je pense notamment à l'augmentation des primes d'assurances contre les intempéries. Les gouvernements ont la responsabilité d'informer et de sensibiliser la population à ces sujets, mais ils doivent aussi en faire prendre conscience aux responsables politiques de tous les niveaux.

J'espère que le consensus large qui préside aujourd'hui à l'adoption du projet de ratification se maintiendra lorsque des mesures concrètes devront être appliquées. Nous devons au moins atteindre les objectifs fixés par le protocole et donc diminuer de 5,7%, par rapport à 1990, la production de gaz à effets de serre dans la période de 2008 à 2012. Or, la Belgique est loin d'être le meilleur élève de la classe. Nous étions en 1998 à 16% au-dessus du plafond fixé par le protocole et nos émissions dépassaient déjà de plus de 8% celles de 1990. Pour atteindre l'objectif, il faudra appliquer les mesures contenues notamment dans le plan fédéral de développement durable adopté par le gouvernement en incitant les acteurs économiques, entreprises et ménages, à des pratiques réduisant au maximum les émissions de gaz à effets de serre et en s'assurant que les pouvoirs publics soient par leur comportement un modèle en la matière.

Il faut donc encourager l'utilisation des énergies renouvelables, améliorer l'efficacité énergétique et encourager la cogénération d'énergies.

Nous savons aussi qu'il faut promouvoir une mobilité compatible avec le développement durable ; cela implique de réfléchir aussi aux liens essentiels qui unissent la mobilité et les politiques d'aménagement du territoire.

En matière de fiscalité, une réflexion doit être menée au niveau européen pour que soit pris en compte le prix de l'énergie dans la valorisation des différents éléments qui entrent dans la production. De même, il faut se pencher sur l'instauration d'un type de fiscalité qui mènerait à une amélioration du rendement énergétique.

Ces mesures ne représentent pas une fin en soi. L'objectif reste d'atteindre le résultat fixé à Rio et repris dans le protocole de Kyoto.

Promouvoir un développement plus solidaire et plus durable me semble vraiment valoir la peine que l'on discute des moyens à mettre en oeuvre.

Il est important aussi de se rappeler que ce combat pour la protection de la planète est un combat entamé de longue date par quelqu'un à qui je voudrais rendre hommage aujourd'hui : René Dumont, mort il y a trois jours. Dès les années 1960, il a milité pour qu'on prenne en considération le caractère fini de nos ressources naturelles, le développement des pays du tiers monde et l'héritage que nous laisserons à nos descendants. Je pense que le combat que nous menons aujourd'hui a eu en René Dumont un précurseur. C'est d'ailleurs grâce à la lecture de ses ouvrages que je suis venue à l'écologie politique. J'estime qu'au moment de la ratification du protocole de Kyoto, il était opportun de lui rendre cet hommage.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - De Senaat beleeft inderdaad een historisch moment. Hij heeft de eer als eerste Belgische assemblee het protocol van Kyoto te mogen goedkeuren. In Europees verband waren Frankrijk dat het protocol vorig jaar ratificeerde, en Denemarken dat dat vorig jaar deed, ons voor. We behoren dus wel tot de koplopers.

Nu wordt het kwestie de landen die twijfelen - hopelijk niet in de Europese Unie - over de streep te krijgen. Op termijn moeten we ook de Verenigde Staten overtuigen, zonder daarvoor een knieval te moeten maken. Op korte termijn denk ik ook aan landen als Rusland en aan de Oost-Europese landen die tot de EU willen toetreden.

Op 30 juni bezoekt de Japanse eerste minster de Amerikaanse president Bush. Onmiddellijk daarna legt hij een bezoek af aan Londen en aan Parijs. Ik hoop dat de Europeanen de Japanse eerste minister ervan zullen kunnen overtuigen trouw te blijven aan het protocol dat in het Japanse Kyoto werd ondertekend.

Het mag echter niet bij woorden blijven, we moeten ook daden stellen. Het is al een beetje een gemiste kans, want het klimaatplan waarmee uitvoering moet worden gegeven aan het protocol van Kyoto, zal pas tegen eind oktober klaar zijn. De staatssecretaris heeft terecht gewezen op de verantwoordelijkheid van de gewesten, die naast de federale overheid voor de materie bevoegd zijn.

Het steekt niet op een maand, maar het zou goed zijn dat we tegen eind oktober een goed klimaatplan opgesteld hebben dat door de verschillende bestuursniveaus wordt gedragen en dat in de komende tien jaar effectief wordt uitgevoerd.

Zoals de heer Colla nog heel recent zei, is het niet het moment om ons in communautair gehakketak te verliezen. Elk gewest moet zijn verantwoordelijkheid opnemen. De 7,5% is ook voor het Vlaams Gewest een uitdaging. Als rijk gewest moet het dat aankunnen. België kan mechanismen hanteren die ook op wereldschaal worden toegepast, bijvoorbeeld emission trading. Als het verhandelen van emissies een oplossing kan zijn, waarom zouden we daar dan niet voor kiezen.

Naast de verschillende gewesten, moeten ook alle sectoren hun bijdrage leveren, zeker de energie-intensieve sectoren. Het gaat niet op enkel de energie-arme sectoren of de gezinnen voor de inspanning te laten opdraaien. Ook de elektriciens, de staalnijverheid, de chemie moeten hun bijdrage leveren. Hierover moet overlegd worden tussen de federale en de gewestelijke overheden. De precieze normen worden op gewestelijk niveau bepaald. Dat ligt voor de hand.

Ander belangrijk instrument is de CO2-energietaks. Zonder die taks zullen de doelstellingen van Kyoto nooit worden verwezenlijkt en zal België zijn bijdrage tot de burden sharing van 7,5% niet halen. Bij de herbevestiging van het federale plan voor duurzame ontwikkeling werd gelukkig verklaard dat ons land daarvoor effectief zal gaan. Als een aantal energierijke sectoren een vrijstelling bekomen, zonder dat daartegenover concrete verplichtingen staan, dan zullen de lasten worden afgeschoven op de energiearme sectoren en de gezinnen. In het overleg tussen de federale en de gewestelijke overheid moeten duidelijke richtlijnen worden uitgewerkt voor de beperking van de emissie van CO2 en van broeikasgassen. Dat is iets anders dan het bekrachtigen van enkele voornemens inzake energie-efficiëntie of de best beschikbare techniek, zoals vandaag gebeurt in de chemiesector. Dat is een gevaarlijke interpretatie en zeker geen grond voor het verlenen van een vrijstelling van de CO2-energietaks.

We moeten met Japan, Rusland en een aantal Oost-Europese landen onderhandelen over het toepassen van de flexibele mechanismen. De Nederlandse minister Pronk is thans in die richting bezig met de uitwerking van een compromis om het Kyoto-protocol overeind te houden.

Dat betekent niet dat wij als sterk land in Europa de ambitieuze doelstelling van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling zonder meer moeten opgeven. Wij mogen ongetwijfeld de ambitie koesteren dat we de flexibele mechanismen voor ten hoogste 50% zullen kunnen inzetten. De doelstellingen joint implementation, clean development mechanism en immission trading zullen we maar gedeeltelijk realiseren. Clean development mechanism omvat het verwerpen van kernenergie en van het misbruik van putten en reservoirs.

Thans wil ik even ingaan op het voorstel van resolutie van de heer Roelants du Vivier. België kan een duidelijk signaal geven aan de Verenigde Staten door het protocol van Kyoto zo vlug mogelijk te laten ratificeren door alle parlementaire assemblees. De eerste minister heeft president Bush er al op gewezen dat we op de medewerking van de VS, de grootste vervuiler, rekenen voor de uitvoering van het verdrag. Desnoods doen we het zonder de VS, want zoals in de commissie is gezegd, mag het protocol van Kyoto niet worden uitgehold.

Als de regering Bush besluit het klimaatverdrag en andere belangrijke milieuverdragen niet te ratificeren, geven zij hun wereldleiderschap voor een deel op. Zullen zij die zich als de belangrijkste wereldmacht zien, zich terugtrekken in splendid isolation als er beslissingen moeten worden genomen die van levensbelang zijn voor mens en planeet? Mochten ze dat wel doen dan kan Europa voor een deel de rol van wereldmacht overnemen. Europa moet alleszins een belangrijke rol spelen inzake de uitvoering van het verdrag en België moet tijdens het voorzitterschap daartoe een eerste aanzet geven.

Europa moet ook een billijke en rechtvaardige houding aannemen ten opzichte van de ontwikkelingslanden. Wat mij het meest stoort in de houding van president Bush, is dat hij van oordeel is dat de ontwikkelingslanden dezelfde inspanningen moeten doen als de geïndustrialiseerde landen. Met die houding gaat hij lijnrecht in tegen de geest van de verklaring van Rio van 1992 waar een consensus werd bereikt over het recht op ontwikkeling voor de derdewereldlanden. De geïndustrialiseerde landen hebben een probleem gecreëerd door de uitstoot van broeikasgassen waarvan de derdewereldlanden het grootste slachtoffer zijn. We kunnen moeilijk verwachten dat zij in hun armoedetoestand berusten en geen recht meer hebben op ontwikkeling. We moeten onze verantwoordelijkheid opnemen om niet te eindigen bij wat Amerikaanse filosofen "ecologisch imperialisme" noemen wat erop neerkomt dat de begrenzing van de groei naar de armste landen wordt geëxporteerd. Het Westen kan toch niet eenzijdig beslissen dat landen zoals Bangladesh, Tsjaad en Botswana geen broeikasgassen meer mogen uitstoten. De ontwikkelde landen moeten als eersten het voorbeeld geven en minder broeikasgassen uitstoten. De ratificatie van het protocol van Kyoto is daarbij een eerste stap.

M. Georges Dallemagne (PSC). - Il était important, dans le contexte actuel, que l'Union européenne prenne un engagement fort en faveur du Protocole de Kyoto. Et cela, malgré l'attitude de repli unilatéral du président des États-Unis. Il était également important et nécessaire que le gouvernement belge donne, à la veille de sa présidence européenne, un signal politique en accélérant le processus belge de ratification du Protocole de Kyoto. Je suis heureux que le Sénat ait aujourd'hui l'occasion de se pencher sur ce Protocole.

Mais il faut en convenir : il n'est pas la panacée universelle ni la solution définitive aux problèmes du changement climatique. Il apparaît plutôt comme un processus qui traduit un changement d'esprit, de conception des relations internationales en faveur d'une approche commune de problèmes globaux. On peut se demander, en effet, si une réduction d'environ 5% des émissions de gaz contribuant à l'effet de serre peut véritablement éviter les risques environnementaux que les scénarios raisonnables nous prédisent à l'horizon de quelques dizaines d'années. À cet égard, le Protocole de Kyoto me semble nettement insuffisant. Il représente, certes, une solution importante, pragmatique et volontariste mais aussi insuffisante. N'est-ce pas notre modèle de développement socio-économique qui est fondamentalement à revoir ? Je le pense réellement.

La réalisation des objectifs fondamentaux de Rio et de Kyoto exige d'aller au-delà des textes des conventions. Elle passe par la maîtrise de la demande mondiale d'énergie. Les enjeux technologiques et organisationnels de l'efficacité énergétique au niveau planétaire seront déterminants.

Dans quelque 40 ans, l'évolution de la demande mondiale d'énergie nous confrontera à plusieurs types de crises entre lesquelles nous devrons peut-être choisir : risque climatique, pénurie alimentaire, tensions pétrolières, accidents nucléaires. Compte tenu de son impact, la maîtrise de la demande mondiale de transports est un enjeu important et devrait constituer un élément majeur de réorientation des choix économiques à moyen terme. L'un des débats les plus vifs autour de la maîtrise de l'effet de serre concerne les mesures complémentaires aux mesures nationales, qui autorisent plus de souplesse quant aux moyens pour chaque pays de respecter ses engagements. Ces mesures de souplesse passent par le marché des quotas et des permis d'émissions mais également par les investissements destinés à réduire ces émissions de CO2. La recherche technologique est essentielle dans cette perspective.

Ratifier rapidement le Protocole de Kyoto est un objectif que nous soutenons pleinement. Toutefois, ratifier un engament international sans avoir les garanties de pouvoir effectivement en respecter les obligations me préoccupe particulièrement. C'est par l'application de Kyoto dans les faits que l'on luttera contre l'effet de serre.

À Kyoto en 1997, l'Union européenne s'est engagée à avoir réduit, en 2012, ses émissions de gaz à effet de serre de 8% par rapport au niveau des émissions de 1990. Les Quinze se sont ensuite accordés sur le partage de cet effort : la Belgique a reçu la mission de réduire ses propres émissions de 7,5%. Or, dans les faits, il apparaît que la tâche sera ardue. Loin de réduire ses émissions, la Belgique les a augmentées de plus de 7% depuis 1990. Nous considérons, comme nombre d'observateurs, que, sans un plan de réduction rapidement mis au point et détaillé, la Belgique ne parviendra pas à honorer ses engagements.

Je me suis déjà inquiété, dans notre enceinte, des rumeurs, des intentions, des projets de certains membres de ce gouvernement pendant la période de flottement qui a régné avant que le gouvernement ne confirme son engagement en faveur du Protocole de Kyoto. N'a-t-on pas entendu le projet de renégocier avec les États-Unis, donnant ainsi des gages au Président Bush ?

N'a-t-on pas entendu la volonté de certains de renégocier les quotas au niveau de l'UE ? N'a-t-on pas entendu la volonté de favoriser la grande industrie au détriment des consommateurs particuliers ? Le gouvernement a, in extremis, sauvé la face à la veille du Sommet de Göteborg.

Je suis loin d'être rassuré quant à la politique de la majorité pour atteindre les objectifs de Kyoto. En effet, on ignore si la Belgique devra acheter des permis d'émissions ou si elle pourra remplir seule ses engagements. Par ailleurs, je constate que le plan national sur le climat est loin d'être finalisé. Il bute sur des problèmes politiques essentiels de partage de l'effort national.

Selon quelle méthode de partage sera évaluée la charge entre le Nord et le Sud ? Comment sera répartie la charge entre les secteurs économiques ? Autant de questions essentielles auxquelles aucune réponse n'a été définitivement apportée. On nous annonce un résultat et un accord de coopération vers octobre 2001. Je crois réellement, au moment de ratifier Kyoto, qu'un plan opérationnel de réalisation de ses objectifs aurait pu être finalisé et présenté au parlement par le Secrétaire d'État responsable de ce secteur. Toutes les dimensions auraient dû être abordées quels que soient les niveaux de pouvoir, y compris les énergies renouvelables.

Alors que l'on se félicite de la collaboration internationale qui a prévalu lors de la signature de Kyoto, la Belgique se voit curieusement confrontée à une absence de collaboration de ses propres régions qui disposent de l'essentiel des compétences en cause. Je ne peux m'empêcher de rapprocher cette situation ubuesque dans laquelle l'État fédéral ne pourrait remplir ses obligations environnementales internationales à cause des régions, du projet de défédéralisation de la coopération au développement. Cet avertissement devrait rafraîchir les ardeurs de certains à casser la coopération fédérale au développement.

Il y a quelques semaines, le Premier ministre exprimait le souhait de disposer du plan climatique avant la présidence européenne. Le gouvernement tente à présent de sauver la face en accélérant la ratification de Kyoto, sans savoir précisément comment remplir ses obligations. Le gouvernement reste au stade des déclarations d'intention dépourvues, pour l'instant, de fondements opérationnels, et je m'en inquiète.

Finalement, qui est le plus irresponsable ? Le président Bush qui refuse de manière franche les engagements souscrits par son prédécesseur ou un gouvernement qui accepte hypocritement les engagements souscrits, pour avoir bonne presse, sans savoir comment il respectera ses engagements ou bien même s'il pourra jamais les respecter ?

Je suis, comme nous tous sans doute, favorable à la ratification du Protocole de Kyoto. Je crois que sa dynamique doit être amplifiée tout en souhaitant que notre pays soit capable d'honorer ses engagements. J'engage donc le gouvernement à présenter de toute urgence un plan coordonné avec les régions pour atteindre les objectifs nationaux de la Belgique dans le cadre de Kyoto. J'aimerais, en outre, que nous prenions pleinement conscience qu'il ne suffira pas de respecter Kyoto pour éviter les conséquences prévisibles du changement climatique. Il s'agit donc, dès à présent, de se préparer à l'étape suivante, tant sur le plan de la maîtrise de l'énergie que sur le plan de la prévention des catastrophes et de l'aide aux victimes des catastrophes naturelles.

-De algemene bespreking is gesloten.