2-128

2-128

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 21 JUNI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Jan Remans aan de vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie en aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over ęde speciale parkeerkaartenĽ (nr. 2-655)

De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Jan Remans (VLD). - Er zijn patiŽnten die zich volgens alle logische inzichten heel moeilijk kunnen verplaatsen buiten hun auto, maar toch geen parkeerkaart toegekend krijgen omdat de adviserende artsen van het ministerie van Sociale Zaken zich stricto sensu richten naar de OfficiŽle Belgische Schaal voor bepaling van de graad van Invaliditeit (OBSI) en de regels van Balthazar.

Voorbeelden zijn legio. In geval van goede beweeglijkheid van de onderste ledematen voorziet de OBSI in geen of slechts minimale invaliditeitspercentages, maar de restricties ingevolge belasting van kunstgewrichten en pijn van chronische ontstekingen vormen een grote handicap voor de verplaatsingen, des te meer als pijn in de schouders of misvorming in de handen niet toelaten een handstok of een ander hulpmiddel te gebruiken.

In geval van strikte toepassing der OBSI voldoet deze handicap niet aan de criteria voor een blijvende invaliditeit van ten minste 50% aan de onderste ledematen en evenmin aan de overige eisen die recht kunnen geven op een speciale parkeerkaart, zoals algemene blijvende invaliditeit van ten minste 80%, graad van zelfredzaamheid van ten minste 12 punten, verlamming of amputatie van de bovenste ledematen, ten minste 50% oorlogsinvaliditeit.

Laat de huidige reglementering enige interpretatie in de zin van een "totaalbeoordeling van de volledige persoon" toe door adviserende artsen handelend naar logisch denken buiten de strikte criteria van de OfficiŽle Belgische Schaal voor de bepaling van de graad van Invaliditeit?

Zo ja, kan niet worden overwogen terzake een omzendbrief uit te vaardigen ter vastlegging van deze redelijkheid?

Zo neen, welke maatregelen overweegt de minister met betrekking tot een meer interpretatieve en de facto meer redelijke toekenning van de speciale parkeerkaarten?

De heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn. - Het antwoord van minister Vande Lanotte luidt als volgt.

Allereerst wenst hij eraan te herinneren dat de medische voorwaarden voor het toekennen van een speciale parkeerkaart werden vastgelegd bij ministerieel besluit van 7 mei 1999.

De parkeerkaart wordt verleend aan personen die lijden aan een permanente invaliditeit van ten minste 80%, aan personen van wie de gezondheidstoestand tot een vermindering van de zelfredzaamheid met ten minste twaalf punten leidt, bepaald overeenkomstig de handleiding en de schaal die van toepassing is in het kader van de wetgeving betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten, aan personen die lijden aan een permanente invaliditeit die rechtstreeks te wijten is aan de onderste ledematen en ten minste 50% bedraagt, aan personen die helemaal verlamd zijn aan de bovenste ledematen of van wie de bovenste ledematen geamputeerd zijn, aan burgerlijke of oorlogsinvaliden met ten minste 50% oorlogsinvaliditeit.

Om elke discriminatie te vermijden, moet de evaluatie van de 50% van de onderste of van 100% van de bovenste ledematen worden uitgevoerd op basis van het Officieel Belgisch Barema van de Invaliden.

Om medische referentiecriteria te wijzigen moeten de verschillende ministeriŽle kabinetten en de bevoegde federale en regionale administraties worden aangesproken.

In het verleden heeft minister Vande Lanotte zich al uitsproken voor het meer toespitsen van de toekenning van de speciale parkeerkaart aan personen die een mobiliteitsprobleem hebben en die werkelijk moeilijk te been zijn. Dit hoeft niet noodzakelijk het gevolg te zijn van een aandoening aan de onderste of bovenste ledematen, maar kan eveneens het gevolg zijn van bijvoorbeeld hartproblemen of problemen met de luchtwegen. Die handicap wordt evenwel niet door alle personen met een handicap evident bevonden.

Vandaar dat de minister zijn bestuur voor dienstverlening aan gehandicapten heeft belast om een studie uit te voeren die eventuele verbeteringen moet voorstellen die beter tegemoetkomen aan het criterium van de mobiliteit van de gehandicapte. Dit rapport moet afgewerkt zijn tegen het einde van het jaar.

Hierover wenst minister Vande Lanotte eveneens overleg te plegen met de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap, waarin de organisaties vertegenwoordigd zijn en die ook betrokken was bij de opmaak van de huidige criteria.

De heer Jan Remans (VLD). - Het antwoord van de minister stemt me heel tevreden. De vooruitzichten zijn goed, waarvoor mijn dank.