(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Eerst en vooral wens ik de minister van Sociale Zaken en de minister van Justitie nogmaals te bedanken voor het uitgebreide antwoord dat ze enkele weken gegeven hebben op mijn vragen om uitleg in verband met het sociaal statuut van advocaten.
Een belangrijk wetsartikel bleef toen echter onbesproken. Het gaat om artikel 477ter van het Gerechtelijk Wetboek. Naar mijn weten is dit het enige wetsartikel, waarop eventueel de onverenigbaarheid van het beroep van advocaat met het statuut van werknemer zou kunnen worden gestoeld.
Artikel 477ter van het Gerechtelijk Wetboek heeft betrekking op advocaten die overkomen uit andere lidstaten van de Europese Gemeenschap om in Belgiė tijdelijk het beroep van advocaat uit te oefenen. Zij verbiedt hen rechtshandelingen in Belgiė te stellen, wanneer zij hun beroep uitoefenen in het kader van een ondergeschikt verband ten opzichte van een openbare of particuliere rechtspersoon.
De vraag rijst echter op artikel 477ter van het Gerechtelijk Wetboek niet strijdig is met twee artikelen van de EEG-richtlijn van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten. Nochtans is artikel 477ter juist in het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd om deze richtlijn in het Belgisch recht om te zetten.
Enerzijds bepaalt de richtlijn in artikel 6 dat de lidstaten aan advocaten in loondienst het verbod kunnen opleggen om hun eigen werkgever te vertegenwoordigen in een rechtsprocedure. De richtlijn geeft lidstaten geenszins de bevoegdheid om advocaten in loondienst te verbieden adviezen te geven of processen te voeren ten behoeve van de cliėnten van hun werkgever.
Anderzijds bepaalt artikel 4 van de richtlijn dat een advocaat die zich tijdelijk in een andere EG-lidstaat vestigt, de daar geldende regels inzake onverenigbaarheden van het beroep met andere werkzaamheden moet respecteren. Artikel 477ter van het Gerechtelijk Wetboek gaat echter nog een stap verder. Het artikel regelt het uitoefenen van het beroep van advocaat zelf, ongeacht of daarnaast nog een andere werkzaamheid wordt verricht.
Het voorgaande brengt me tot het stellen van de volgende vragen :
1. Is de geachte minister op de hoogte van de eventuele strijdigheid van artikel 477ter van het Gerechtelijk Wetboek met de Europese richtlijn van 22 maart 1977 waarvan artikel 477ter juist de getrouwe omzetting in het Belgische recht had moeten zijn ?
2. Is de geachte minister eveneens de mening toegedaan dat artikel 477ter van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 4 en 6 van de Europese richtlijn van 22 maart 1977 schendt ?
3. Deelt de geachte minister de overtuiging dat artikel 477ter van het Gerechtelijk Wetboek, ter wille van de strijdigheid met het hogere Europese recht, geen praktische toepassing kan kennen ?
Antwoord : Artikel 477ter van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De in artikel 477bis bedoelde personen die zich in een band van ondergeschiktheid bevinden ten opzichte van een openbare of private persoon, mogen geen enkele handeling van vertegenwoordiging of verdediging in rechte verrichten. »
De personen bedoeld in voornoemd artikel 477bis zijn personen die hun woonplaats in een lidstaat van de Europese Unie hebben gevestigd en die aldaar gemachtigd zijn een titel te voeren welke overeenstemt met die van advocaat in Belgiė.
Dit artikel is in het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd teneinde richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten (uitoefening van het beroep zonder vereiste van vestiging) om te zetten.
Naar luid van artikel 6 van die richtlijn kan elke lidstaat advocaten in loondienst die door een arbeidsovereenkomst aan een overheidsonderneming of een particuliere onderneming zijn verbonden, uitsluiten van de uitoefening van de werkzaamheden betreffende de vertegenwoordiging en de verdediging in rechte van deze onderneming voor zover de in deze Staat gevestigde advocaten niet gemachtigd zijn deze werkzaamheden uit te oefenen.
Het valt op te merken dat het ontwerp van wet, overeenkomstig de voornoemde richtlijn van 22 maart 1977, aanvankelijk in een beperkt verbod voorzag. Tijdens de parlementaire werkzaamheden zijn amendementen ingediend waarbij het verbod veralgemeend werd (zie verslag Bourgeois, stuk Kamer, 1979-1980/81, nr. 281/3, blz. 7). Er kan worden benadrukt dat het Hof van Cassatie (Cass., 5 december 1994, RW, 1995-1996, blz. 321) heeft beslist dat overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978, deze richtlijn uiterlijk op 22 december 1984 in het nationaal recht moest worden omgezet en dat na die datum de in het interne recht bevatte discriminatie geen uitwerking meer kon hebben. Onder voorbehoud van de beoordeling van de hoven en rechtbanken zou dezelfde oplossing moeten toegepast worden op de in artikel 477ter van het Gerechtelijk Wetboek bevatte discriminatie (zie in dat verband, « Gerechtelijk recht Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, artikel 477ter-2 », Kluwer Rechtswetenschappen, Antwerpen).
Voorts moet worden gesteld dat thans wordt gewerkt aan de omzetting van richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PB EG nr. L 77 van 14 maart 1998, blz. 36-43), alsook dat hoewel die omzetting nog niet is gerealiseerd, zij sedert 14 maart 2000, datum in de richtlijn voorzien voor de omzetting ervan, rechtstreekse rechtsgevolgen heeft (cf. in dit verband Cass., 5 december 1994, op. cit.).
In artikel 2 van die richtlijn wordt in essentie bepaald dat iedere advocaat het recht heeft om onder zijn oorspronkelijke beroepstitel permanent de werkzaamheden van advocaat uit te oefenen.
In artikel 6.1 van dezelfde richtlijn wordt bepaald dat onafhankelijk van de beroeps- en gedragsregels waaraan hij in de lidstaat van herkomst onderworpen is, de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat voor alle werkzaamheden die hij op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst uitoefent, aan dezelfde beroeps- en gedragsregels onderworpen is als advocaten die onder de relevante beroepstitel van de laatstbedoelde lidstaat praktiseren.
Krachtens artikel 8 van dezelfde richtlijn kunnen advocaten die in de lidstaat van ontvangst onder hun oorspronkelijke beroepstitel zijn ingeschreven, hun beroep in loondienst bij een andere advocaat, bij een samenwerkingsverband van advocaten of een advocatenkantoor of bij een publiek- of privaatrechtelijke onderneming uitoefenen, voor zover de lidstaat van ontvangst zulks voor de onder de beroepstitel van die lidstaat ingeschreven advocaten toestaat.
Na omzetting van voornoemde richtlijn 98/5/EG in Belgisch recht zal de betwiste bepaling (gewijzigd in de ontwerptekst) worden geformuleerd in overeenstemming met de supranationale regels die, zoals hierboven reeds is gesteld, voorrang hebben op het interne recht.
In het nieuwe ontwerp-artikel 477ter, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek wordt immers het volgende bepaald : « De uitoefening van het beroep van advocaat bij de in artikel 477bis bedoelde personen is onverenigbaar met alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, openbare of particuliere, tenzij ze noch de onafhankelijkheid van de advocaat, noch de waardigheid van de balie in gevaar brengen. »
Deze formulering is overigens in overeenstemming met het advies van de Raad van State.
Volledigheidshalve kan daaraan worden toegevoegd dat in de memorie van toelichting bij het voornoemde ontwerp van wet het volgende is gesteld : « Het huidige artikel 477ter van het Gerechtelijk Wetboek, dat artikel 477ter, § 3, van hetzelfde wetboek wordt, werd gewijzigd teneinde de « communautaire » advocaten op gelijke voet te plaatsen met de Belgische advocaten, zulks om in overeenstemming te zijn met de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrije verrichten van diensten en bijgevolg tegemoet te komen aan de wens van de Europese Commissie. »