2-122

2-122

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 7 JUNI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Martine Taelman aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over het compensatieloon aan een vervangingsinkomentrekker vanwege de gemeente (nr. 2-632)

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - De wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de artikelen 12 en 19 1 van de nieuwe gemeentewet doelt op een verbetering van de bezoldigingsregeling en van het sociaal statuut van de lokale verkozenen.

Gemeentebesturen kunnen sindsdien het vervangingsinkomen van mandatarissen compenseren. Met een vervangingsinkomen wordt zowel pensioen, werkloosheidsuitkering als invaliditeits- of ziekte-uitkering bedoeld. De mandatarissen die genieten van deze wet, doen volledig afstand van hun vervangingsinkomen tijdens hun mandaat. De staat betaalt hen niet meer. De gemeente daarentegen neemt de compensatie volledig voor eigen rekening. Bovendien zal de staat k nog eens belastingsgelden ontvangen op dit compensatieloon. De staat heeft dus twee keer winst.

Deze wet is onveranderd gebleven na de aanzienlijke optrekking van de lonen voor de mandatarissen. Bij gevolg kost een compensatie aan een gemeente gemakkelijk 10 miljoen en meer op een legislatuur. Dit is onaanvaardbaar hoog. Zeker wanneer er meerdere mandatarissen in deze situatie verkeren. Als een gemeente weigert het compensatieloon te betalen omwille van deze hoge prijs, mist de wet natuurlijk volledig zijn doel.

Bovendien is deze dure compensatie een grote bron van ergernis voor de inwoners van de betrokken gemeente. Zij zien hun belastingsgeld gaan naar het mooie loon van een politicus in plaats van naar een nuttig project. De mandataris die dit compensatieloon drft vragen, valt volledig uit de gratie bij de bevolking. De discriminatie die eigenlijk uit de wereld moest worden geholpen met de wet van 4 mei 1999, heeft dus het omgekeerde effect.

Heel anders is de situatie van de mandataris die pas tijdens zijn mandaat bijvoorbeeld op pensioen gaat. Deze mag zijn vervangingsinkomen wl cumuleren met een wedde uit een lokaal mandaat.

Is de Minister op de hoogte van de benarde positie waarin sommige mandatarissen en gemeenten verkeren?

Is de Minister van plan een regeling uit te werken om de gemeenten die in deze situatie verkeren, financieel te steunen, waardoor ook de betrokken mandataris zijn besmeurde blazoen verliest?

Kan de Minister er voor ijveren om de niet langer uit te keren vervangingsinkomens door te storten aan de gemeenten van de betrokken mandatarissen?

Vindt de Minister de discriminatie aanvaardbaar tussen de situatie van de mandatarissen die al van een pensioen genieten voor zij verkozen werden en zij die pas tijdens hun mandaat op pensioen gaan?

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De vraag van mevrouw Taelman betreft de toepassing van de wet van 4 mei 1999 die de gemeente toelaat om, op de door de Koning te bepalen wijze en voor zover de betrokken mandataris het zelf vraagt, de wedde van de burgemeester of van de schepen aan te vullen met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene lijdt omdat hij de wedde van burgemeester of schepen cumuleert met andere wedden, pensioenen, vergoedingen of wettelijke of reglementaire toelagen.

Deze wet werd aangenomen op het einde van de voorgaande legislatuur in het raam van de Staten-Generaal van de Democratie zonder enig overleg met de toenmalige regering. De huidige regering draagt dus geen enkele verantwoordelijkheid bij het uitvoeren van deze regelgeving.

De weddenverhoging van de burgemeester of schepen gebeurt overigens niet automatisch: de gemeente heeft de mogelijkheid maar niet de verplichting tot compensatie.

Anderzijds worden de andere wedden, pensioenen, vergoedingen of wettelijke of reglementaire toelagen niet noodzakelijk afgeschaft. Ze kunnen ook gewoon verminderd worden. Bovendien zijn ze niet noodzakelijk ten laste van de staat. Het is niet noodgedwongen de staat die voordeel haalt uit deze vermindering of afschaffing.

De bewering dat voornoemde wet van 4 mei 1999 ongewijzigd is gebleven na de aanzienlijke stijging van de wedden van burgemeesters en schepenen, moet genuanceerd worden: deze stijging is het gevolg van een andere wet van 4 mei 1999 die in dezelfde uitgave van het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd, namelijk die van 28 juli 1999. Beide wetten werden dus gelijktijdig door het Parlement aangenomen.

De eerste vraag heb ik reeds beantwoord: naast het feit dat de betaling van deze compensatie een mogelijkheid is in hoofde van de gemeente en niet een verplichting, staat het het Parlement vrij enig initiatief te nemen dat het opportuun acht om deze regelgeving te wijzigen.

Mijn antwoord op vraag twee is ontkennend. Ik ben niet voornemens zelf het zopas aangehaalde initiatief te nemen.

Mijn antwoord op vraag drie is eveneens ontkennend. Er kan niet worden overwogen de staatsbegroting aan te wenden om aan de gemeenten de vervangingsinkomens uit te betalen die zouden zijn afgeschaft of verminderd omwille van hun cumul met een burgemeester- of schepenwedde.

Vraag vier maakt allusie op de regelgeving krachtens welke een pensioengerechtigde een mandaat van burgemeester of schepen tot op het einde mag uitoefenen of een mandaat binnen een OCMW., voor zover dit mandaat een aanvang heeft genomen voor de ingangsdatum van het pensioen en uiterlijk de laatste dag van de maand waarin de mandataris 65 jaar wordt. In dergelijke eventualiteit wordt het pensioenbedrag geenszins gewijzigd. Ik lees het antwoord van minister Vandenbroucke voor.

In antwoord op punt 4 van haar vraag kan ik mevrouw Taelman meedelen dat de bijzondere cumulatieregeling voor de politieke mandaten gebaseerd is op een objectief criterium, namelijk op het feit dat een mandaat lopend is of niet. Bovendien is deze uitzonderingsregeling beperkt in de tijd en geldt uitsluitend voor de mandaten die lopen op de ingangsdatum van het pensioen. Voor de latere mandaten geldt de gewone cumulatieregeling.

De thans vigerende regeling is een bevestiging van een reeds lang bestaande regeling. Zij heeft het voorwerp uitgemaakt van een grondige discussie naar aanleiding van de parlementaire besprekingen van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen. Het parlement heeft destijds beslist dat deze regeling een evenwicht waarborgt tussen het democratisch beginsel dat zegt dat een verkozene zijn mandaat mag blijven uitoefenen tot het verstrijkt en de stelling dat elke cumulatie moet worden beperkt.

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Ik vind het antwoord van de minister onvoldoende genuanceerd. Er is volgens mij een verschil tussen het verlies van een vervangingsinkomen, zoals een werkloosheidsuitkering, en van een pensioen. Een pensioen is het gevolg van opgebouwde rechten door vroeger verrichte arbeid. We hebben het thans zo vaak over het actiever betrekken van de senioren bij alle aspecten van de maatschappij. Het lijkt me bijgevolg niet logisch dat die senioren financieel gestraft worden wanneer zij na hun pensionering nog een politiek mandaat wensen uit te oefenen. Het is misschien aangewezen om het wetsvoorstel van mevrouw Moerman dat vandaag in de Kamer in overweging wordt genomen, ook in aanmerking te nemen voor de cumul tussen het pensioen en de inkomsten voortvloeiend uit een politiek mandaat.