2-114

2-114

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 17 MAI 2001 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Projet de loi fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification (Doc. 2-662) (Procédure d'évocation)

Discussion générale

De heer Jan Steverlynck (CVP), rapporteur. - Dit wetsontwerp werd op 15 februari 2001 door de Kamer van Volksvertegenwoordigers goedgekeurd en op 5 maart 2001 door de Senaat geëvoceerd. De commissie heeft drie vergaderingen aan de bespreking ervan gewijd, meer bepaald op 18 en 25 april en 8 mei 2001.

Dit wetsontwerp voert de Europese richtlijn 99/93 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen uit. Het is een aanvulling op een eerder goedgekeurd ontwerp, dat ondertussen de wet van 20 oktober 2000 is geworden tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de gerechtelijke handtekening in de gerechtelijke en buitengerechtelijke procedure. Deze wet wijzigt de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over de bewijsvoering om onder bepaalde voorwaarden te voorzien in de gelijkwaardigheid van de elektronische en de handgeschreven handtekening.

Het wetsontwerp dat we vandaag bespreken en dat werd ingediend door de minister van Economische Zaken, wil een meer algemeen kader scheppen voor het gebruik van de elektronische handtekening en organiseert de accreditatie van "certificatiedienstverleners", de vennootschappen die certificaten afleveren en beheren en nog een aantal andere diensten aanbieden die noodzakelijk zijn voor het gebruik van elektronische handtekeningen.

In zijn inleidende uiteenzetting in de commissie drong de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek erop aan dit ontwerp met spoed te behandelen om op die manier een volledige omzetting van de Europese richtlijn te realiseren en tegelijkertijd de mogelijkheid te creëren een elektronische handtekening gelijk te stellen met een handgeschreven handtekening en de rol en de verantwoordelijkheid van de certificatiedienstverleners te regelen.

In antwoord op de vraag of België op dit terrein tot de koplopers behoort of integendeel één van de laatste is, bevestigde de minister tijdens de algemene bespreking dat enkel Zweden en Finland de richtlijn al volledig hebben omgezet en dat Frankrijk ermee bezig is.

Een commissielid relativeert evenwel de snelheid waarmee België de richtlijn omzet. De regering heeft op het tweede wetsontwerp een belangrijk amendement moeten indienen naar aanleiding van de belangrijke opmerkingen van de Europese Commissie. Dit lid betreurt het feit dat het aangepaste wetsontwerp niet opnieuw voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd. Ook bleek de tekst van het ontwerp die door de Kamer werd overgezonden, nogal wat slordigheden te bevatten die niet alleen van taalkundige aard zijn.

Er werden diverse amendementen ingediend met de bedoeling tot een duidelijke en éénduidige tekst te komen zodat de elektronische handtekening meer en meer ingang kan vinden, een bekommernis die door alle commissieleden werd gedeeld.

De minister en sommige commissieleden verschilden van mening over de vraag of de wettekst, samen met de Memorie van Toelichting, voldoende garanties biedt, dan wel of de wettekst zelf meer dient te worden gepreciseerd.

De belangrijkste discussie werd gevoerd over artikel 4 paragraaf 4 dat tot doel heeft een geavanceerde elektronische handtekening, gerealiseerd op basis van een gekwalificeerd certificaat en aangemaakt door een veilig middel voor het aanmaken van een handtekening, gelijk te stellen met een handgeschreven handtekening.

De tekst van het wetsontwerp liet enige twijfel bestaan of de gelijkstelling wel volledig is. Bovendien zorgde de toevoeging van de zin "ongeacht of deze handtekening gerealiseerd werd door een natuurlijke dan wel door een rechtspersoon" voor een uitvoerige discussie.

Het amendement nummer 4 heeft tot doel een klare en duidelijke tekst in te voeren die beter de ratio legis weergeeft. Het is immers de bedoeling - ook van de Europese Commissie - een elektronische handtekening integraal dezelfde rechtskracht te geven als een klassieke handtekening. De in het amendement voorgestelde formulering biedt, althans volgens de indiener, meer zekerheid en vermijdt dat dit principe na de inwerkingtreding van de wet nog in twijfel wordt getrokken. Er mag daarover geen ambiguïteit bestaan. Het amendement sluit dus beter bij de richtlijn aan.

Een tweede punt van dit amendement betreft de weglating van de verwijzing naar enerzijds een natuurlijke en anderzijds een rechtspersoon. Zo wordt een discussie over de vraag wat de handtekening van een rechtspersoon is, vermeden. De mogelijkheid dat de rechtspersoon certificaathouder is, wordt hierbij zeker niet verworpen. Wel wil men vermijden te moeten spreken over "handtekening van rechtspersoon", aangezien de handtekening voor een rechtspersoon steeds wordt gezet door een natuurlijke persoon, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de rechtspersoon.

Impliciet stelt het wetsontwerp dat een rechtspersoon een handtekening kan plaatsen met dezelfde rechtsgeldigheid als een natuurlijke persoon. Welnu, volgens een eerder advies van de Raad van State kan een rechtspersoon als zodanig geen stuk ondertekenen.

De minister antwoordde dat de verwijzing naar de rechtspersonen precies gebeurd is om klaarheid te scheppen en ervoor te zorgen dat ook een rechtspersoon elektronisch een handtekening kan plaatsen. Het aannemen van het amendement, en aldus de verwijzing naar rechtspersoon schrappen, zou volgens de minister het doel van dit ontwerp in gevaar brengen.

Verscheidene leden bleken daarvan evenwel niet helemaal overtuigd.

Volgens een lid moet er een onderscheid worden gemaakt tussen het certificaat en de handtekening. Niemand betwist dat een rechtspersoon certificaathouder kan zijn. Alleen rijst de vraag of een rechtspersoon een handtekening kan zetten die dezelfde rechtsgeldigheid heeft als de handtekening van een natuurlijke persoon. Het Burgerlijk Wetboek erkent eigenlijk alleen de handtekening van natuurlijke personen.

Een ander aspect betreft het principe van de "corporate governance" of behoorlijk bestuur. Indien het inderdaad zo zou zijn dat een rechtspersoon rechtsgeldig een handtekening kan plaatsen zonder dat gekend is welke natuurlijke persoon daartoe de privé-sleutel heeft gebruikt, dan rijst een probleem van aansprakelijkheid. Het is belangrijk precies te weten welke bestuurder getekend heeft omdat het nadien, in termen van "corporate governance", duidelijk moet zijn wie de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt.

Een lid wenst dat er klaarheid komt over het feit of een vennootschap op naam van de vennootschap certificaathouder kan zijn dan wel of het natuurlijke personen, geïdentificeerd als organen van een vennootschap, zijn die een certificaat op hun naam hebben.

Volgens de minister is de rechtspersoon certificaathouder en is de fysische persoon de verantwoordelijke voor de handtekening en wordt aan deze laatste een sleutel toegekend. De minister bevestigt trouwens dat aan één rechtspersoon meerdere sleutels kunnen worden toegekend.

Aangaande de handtekening van de rechtspersoon verwijst de minister naar artikel 8, paragraaf 3 waarin gepreciseerd wordt dat de certificatiedienstverlener moet verifiëren of de persoon gemachtigd is om de rechtspersoon, houder van het certificaat, te verbinden. Daarom is er sprake van een register waarin deze gegevens worden bijgehouden.

Na discussie en overleg wordt amendement nummer 12 ingediend. Dit amendement, dat trouwens grotendeels overeenstemt met amendement nummer 4, heeft tot doel te vermijden dat elektronische en klassieke handtekeningen niet worden gelijk gesteld. Het neemt de twijfel bij de huidige formulering van artikel 4, paragraaf 4 weg.

Amendement nummer 12 blijft verwijzen naar "handtekening door een rechtspersoon" omdat dit een duidelijke optie was van de minister. De auteur van het amendement merkt op dat een van de mogelijke oplossingen voor dit probleem een systeem is waarbij alleen natuurlijke personen elektronische handtekeningen plaatsen. De minister heeft zich tegen die optie verzet. Hij geeft de voorkeur aan een systeem waarbij de rechtspersoon dat ook kan doen. Dit amendement werd aangenomen met 6 stemmen tegen 1.

Een ander discussiepunt had te maken met de onzekerheid of artikel 5.2 van de Europese richtlijn in dit wetsontwerp wel goed is omgezet. Om zekerheid te bieden, werd amendement nummer 13, dat voorziet in de letterlijke omzetting in het Belgisch recht van artikel 5.2 van de Europese richtlijn 93/99, ingediend en unaniem aanvaard.

Amendement nummer 14 strekt ertoe de derde paragraaf van artikel 8 te vervangen om alle twijfel weg te nemen over wie voor de rechtspersoon getekend heeft en het mogelijk te maken om achteraf aansprakelijkheden te kunnen vaststellen.

Dit amendement werd aangenomen met 7 stemmen voor en 1 onthouding.

De amendementen nummer 7 en 8 die ertoe strekken om naast een definitieve herroeping ook een schorsing van gekwalificeerde certificaten mogelijk te maken, zoals dat ondermeer ook in Frankrijk het geval is, werden verworpen met 6 stemmen tegen 1, bij 1 onthouding.

Voor de minister is vertrouwen de sleutel voor het succes van de elektronische handel. Hij wil dan ook streng blijven op dit punt en meent dat een schorsing een gevaar kan inhouden.

Vervolgens werd amendement nummer 10 unaniem aangenomen. Het verduidelijkt de tekst van paragraaf 5 van artikel 20 tekstueel zonder aan de grond te raken.

Tot slot werd het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel, eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Als rapporteur betreur ik evenwel dat bij de amendering werd nagelaten ook een aantal zuiver taalkundige opmerkingen, die door het leescomité van de Senaat werden geformuleerd, in de tekst op te nemen. Dit zou een betere wettekst hebben opgeleverd.

Mijnheer de voorzitter, na deze uiteenzetting als rapporteur wil ik nu namens de CVP-fractie het belang van het ontwerp onderstrepen.

Dit ontwerp moet niet alleen de Europese richtlijn in ons recht omzetten, maar moet er vooral zorgen dat hiermee een volgende stap wordt gedaan om elektronisch handelen binnenkort in alle veiligheid en vertrouwen te laten gebeuren. Met de goedkeuring van dit wetsontwerp wordt namelijk een elektronische handtekening gelijkgesteld met een handgeschreven handtekening.

Dit wetsontwerp is een schakel in een hele ketting van wetsontwerpen om elektronisch handelen mogelijk te maken. We hadden het al over de wet van 20 oktober 2000 tot introductie van nieuwe communicatiemiddelen in de gerechtelijke en buitengerechtelijke procedure. Binnenkort, namelijk vóór 17 januari 2002, moet een wetsontwerp volgen tot omzetting van de Europese richtlijn inzake elektronische handel. Verdere stappen zullen volgen om e-government en e-justice mogelijk te maken.

We verwijzen naar de plannen van minister Van den Bossche inzake de rol van de gemeenten als registratieautoriteit in het kader van Public Key Infrastructure, naar de elektronische identiteitskaart die voor begin volgend jaar wordt aangekondigd en naar de elektronische notariële akte. Ook in de sociale administraties is men druk bezig om elektronische communicatie mogelijk te maken en de papierstroom voor de ondernemingen te verminderen. Ik verwijs naar de elektronische onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, de geïntegreerde elektronische werkmelding, de invoering tegen 2003 van de multifunctionele aangifte, waardoor de RSZ-aangifte en de aangifte voor de meest sociale risico's zoals arbeidsongevallen, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid elektronisch zal gebeuren. Ook in de plannen van de reorganisatie van de fiscale diensten is veel plaats ingeruimd voor informatica, precies om ervoor te zorgen dat fiscale aangiften binnenkort veilig elektronisch kunnen worden ingediend. Het ontwerp is dan ook een uitermate belangrijke stap.

Zoals uit het verslag reeds tot uiting is gekomen, heeft er zich in de commissie een hele discussie ontsponnen omtrent de elektronische handtekening van rechtspersonen. De oplossing waarvoor de commissie uiteindelijk heeft gekozen, lijkt ons onduidelijk. De Belgische regeling zal uniek zijn in de wereld.

In het geamendeerde artikel 4 paragraaf 4 is sprake van een handtekening door een rechtspersoon. Dit artikel moet samen gelezen worden met artikel 8 paragraaf 3 dat bepaalt dat de certificatiedienstverlener voor een rechtspersoon een register bijhoudt met de identiteit en de hoedanigheid van de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt en die gebruik maakt van de handtekening verbonden aan het certificaat.

De in artikel 1322 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde handtekening, al dan niet in elektronische vorm, is een handtekening die verwijst naar natuurlijke personen. Dit wordt bevestigd door het advies van de Raad van State. Artikel 4, paragraaf 4, van het ontwerp verwijst naar artikel 1322 en slaat dus op natuurlijke personen, die desgevallend vertegenwoordiger kunnen zijn van een rechtspersoon. De toegevoegde verwijzing naar rechtspersonen is daarom overbodig en verwarrend, tenzij het de bedoeling zou zijn de bestaande regels van vertegenwoordiging van rechtspersonen te wijzigen, hetgeen uitdrukkelijk wordt uitgesloten in artikel 3 van het ontwerp.

De verwarring is allicht het gevolg van het feit dat certificaten in het algemeen kunnen verwijzen naar natuurlijke personen of rechtspersonen, maar ook naar een veilige server of objecten. Bijgevolg kan de generieke term digitale of elektronische handtekening ook gebruikt worden voor dergelijke certificaten. Dit is een techniek die meer mogelijkheden biedt dan die welke met het plaatsen van een handgeschreven handtekening worden beoogd. Het kan gaan om de communicatie tussen twee machines in het productieproces, het kan zorgen voor de authenticiteit van een website, enzovoorts. Dit mag echter niet verward worden met de handtekening zoals bedoeld in artikel 1322 waar het enkel gaat over één specifieke elektronische handtekening, namelijk die van een natuurlijke persoon al dan niet in digitale vorm.

De term "digitale handtekening" slaat op een techniek die het mogelijk maakt elektronische gegevens op zodanig wijze te beveiligen dat tegelijk de oorsprong en de integriteit van de gegevens kan worden geverifieerd.

Toestaan dat de techniek van de digitale handtekening en certificaat aangewend worden door een rechtspersoon is iets totaal anders dan het toekennen aan een rechtspersoon van een handtekening in juridische zin.

De minister wou evenwel niet afwijken van "de handtekening voor rechtspersonen" in artikel 4 paragraaf 4. Dit lijkt me compleet verkeerd.

Het is niet zo dat rechtspersonen geen certificaathouder kunnen zijn. Als rechtsobjecten kunnen ze rechtshandelingen stellen. De rechtspersoon is steeds gebonden door de handtekening van natuurlijke personen die namens de rechtspersoon tekenen. Er zal voor elke natuurlijke persoon, die namens de rechtspersoon optreedt, een kenmerkcertificaat zijn dat de hoedanigheid, de functie of het mandaat bewijst van de titularis van het certificaat.

Het is dus niet de rechtspersoon zelf die de handtekening zet, maar wel de natuurlijke personen, in hun bijzondere hoedanigheid. De elektronische handtekening is dan op naam van de individuele persoon. Enkel op die wijze kan de contractpartij daadwerkelijk nagaan of diegene die met de sleutel van de rechtspersoon getekend heeft, ook daadwerkelijk de persoon is die in het register vermeld staat. Ofwel moet de persoon die namens de rechtspersoon tekent zich steeds nogmaals identificeren met zijn eigen private sleutel. In dergelijk geval evenwel heeft de eerste stap, namelijk tekenen met de private sleutel van de rechtspersoon geen zin. Het zou beter zijn dat, zoals in andere landen, de bestuurder of natuurlijke persoon tekent met zijn eigen private sleutel en dat hij een kenmerkcertificaat toevoegt waaruit blijkt dat hij de rechtspersoon vertegenwoordigt.

In de door de minister voorgestelde oplossing vergroten de problemen nog wanneer in bepaalde gevallen de handtekening van twee of meerdere bestuurders vereist is. Hoe zal dit in het bestaande scenario worden opgelost? Komen er daarvoor twee namen in het register? Hoe zal men weten welke van de twee getekend heeft? Hoe zullen derden, op het ogenblik van het sluiten van het contract, kunnen nagaan wie er tekent voor de vennootschap? Dit is van belang voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de rechtspersonen.

Elektronische handtekeningen en certificaten worden automatisch geverifieerd en gevalideerd door softwaretoepassingen. Voor de verificatie en validatie van het soort handtekeningen dat door de minister wordt voorgesteld is geen software op de markt en het is ook in geen enkele internationale of Europese standaard opgenomen.

In de Europese standaard voor gekwalificeerde certificaten, die onlangs door het European Telecommunications Standards Institute is gepubliceerd, staat uitdrukkelijk dat een gekwalificeerd certificaat enkel een natuurlijke persoon als houder kan hebben.

Daarbij komt dat de verplichting voor certificatiedienstverleners die zich in België vestigen om het register bij te houden van natuurlijke personen die optreden voor rechtspersonen, in strijd is met de Europese interne markt.

België moet de richtlijn naleven en kan geen bijkomende verplichtingen opleggen aan certificatiedienstverleners.

Daarmee is voldoende bewezen dat het door de commissie geamendeerde artikel 4 paragraaf 4 geen zin heeft.

Daarom leggen wij opnieuw ons amendement nummer 4 ter stemming voor. We hopen dat de Senaat alsnog onze amendementen zal aannemen.

In het slechtste geval denken wij dat de bepaling en de vondst van de minister dode letter zal blijven en dus uiteindelijk niet veel kwaad zal kunnen.

Artikel 3 lid 1 stelt uitdrukkelijk dat niet zal worden geraakt aan de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bevoegdheid tot het stellen van rechtshandelingen voor rekening van rechtspersonen.

Dit wil dus zeggen dat rechtspersonen enkel kunnen optreden door tussenkomst van natuurlijke personen, zijnde de bestuurders. Daarmee is ons land een unieke wettekst rijker en zijn de voorstanders van degelijk wetgevend werk een illusie armer.

Wij wensen ook onze amendementen nummer 7 en 8 opnieuw voor te leggen. Deze amendementen voorzien in de mogelijkheid om een certificaat te kunnen schorsen, met andere woorden tijdelijk te kunnen herroepen. De houding van de minister, die enkel in een definitieve herroeping voorziet, is te streng. Indien iemand tijdelijk zijn kaart of sleutel kwijt is, moet het, zoals voor bankkaarten, mogelijk zijn het certificaat te schorsen, om nadien het certificaat eventueel opnieuw in gebruik te stellen. In andere landen is de schorsing van een certificaat wel als mogelijkheid opgenomen.

Ik wil er ook op wijzen dat de huidige standaardcontracten van de certificatiedienstverleners, ook Belgische marktspelers, bijvoorbeeld Globalsign, in een schorsingsmogelijkheid voorzien. Het uitdrukkelijk afwijzen van deze mogelijkheid in de Belgische wet kan ongewenste en nadelige effecten hebben. Het is bijzonder jammer dat de minister halsstarrig weigerde op onze suggestie terzake in te gaan.

Onze fractie zal het wetsontwerp, na amendering, goedkeuren omdat wij de noodzaak van elektronisch handelen duidelijk inzien en wensen te stimuleren.

M. René Thissen (PSC). - Je serai nettement plus bref que M. Steverlynck qui nous a présenté un excellent rapport très détaillé et un grand nombre de mesures complémentaires qui pourraient s'intégrer dans la proposition qui nous est soumise. Mais, si elles n'étaient pas acceptées, ces mesures pourraient aussi faire l'objet d'arrêtés qui permettraient d'affiner la signature électronique en tenant compte de l'expérience acquise.

Si le projet n'a finalement pour but que de transposer la directive européenne relative au cadre communautaire pour les signatures électroniques, il n'est pas pour autant sans importance. Dans la presse de ce matin, on peut lire les résultats d'une enquête réalisée par l'Agence wallonne des Télécommunications qui révèle qu'un tiers des ménages wallons et 44% des Wallons ayant entre 15 et 75 ans disposent d'un ordinateur à domicile. La moitié seulement d'entre eux bénéficient d'un accès à Internet. Par ailleurs, 91,3% des sociétés wallonnes disposent d'au moins un poste de travail informatique et 71,8% d'un accès à Internet. Mais seulement 4,5% d'entre elles bénéficient d'un accès à haut débit leur permettant de faire du multimédia, de la formation à distance ou encore de l'e-business. Dans ce secteur, il faut donc encore s'attendre à des développements importants.

On peut donc espérer que le présent projet favorisera le développement du commerce électronique mais rendra également possible la mise en pratique de l'e-governement que le gouvernement nous promet. Aucun obstacle légal ne devrait s'opposer à la possibilité d'introduire, dans un avenir proche, sa déclaration à la TVA ou à l'impôt des personnes physiques via Internet.

Je tiens aussi à souligner l'excellent travail que nous avons pu réaliser en commission et, une fois n'est pas vraiment coutume, l'ouverture du ministre face à divers amendements à une proposition qui avait déjà été adoptée à la Chambre. Ils ont permis d'améliorer sensiblement le projet initial. Ces travaux démontrent à suffisance que le Sénat peut fournir un travail de qualité, dans un large consensus, lorsque le gouvernement laisse notre assemblée jouer le rôle qui est le sien.

Pour conclure, je tiens à vous indiquer que le groupe PSC soutiendra le projet amendé, vu l'adoption des différents amendements relatifs au problème de la signature électronique acceptés en commission. Je me joins à M. Steverlynck pour demander à l'assemblée d'accepter les quelques amendements qu'il redépose et qui me paraissent relever d'une haute technicité mais aussi apporter des garanties supplémentaires à la signature électronique.

-La discussion générale est close.