2-731/1 | 2-731/1 |
27 APRIL 2001
Het Verdrag dat de Regering u ter goedkeuring voorlegt, betreft het verbod van de ergste vormen van kinderarbeid en de onmiddellijke actie met het oog op de afschaffing ervan.
I. De achtergrond van het verdrag
De Internationale Arbeidsorganisatie heeft steeds veel belang gehecht aan de strijd tegen kinderarbeid. Reeds op de allereerste Arbeidsconferentie in 1919 vaardigde de organisatie een Verdrag uit dat een minimumleeftijd voor tewerkstelling in de industrie oplegde.
Een belangrijke mijlpaal in de strijd tegen kinderarbeid is het Verdrag nr. 138 betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces dat in 1973 werd uitgevaardigd. In tegenstelling tot alle eerdere verdragen over kinderarbeid, werd het probleem ditmaal niet sectoraal maar globaal benaderd. De doelstelling was om kinderarbeid af te schaffen door de ratificerende landen te verplichten een minimumleeftijd voor toetreding tot de arbeidsmarkt op te leggen die gekoppeld werd aan het beëindigen van de leerplicht.
In de praktijk bleken veel ontwikkelingslanden maar ook geïndustrialiseerde landen moeilijkheden te hebben met de ratificatie van dit verdrag. Vaak waren er technische hinderpalen. Bij veel landen ontbrak echter vooral de politieke wil om kinderarbeid daadwerkelijk af te schaffen. Kinderarbeid blijkt immers een complex fenomeen dat nauw verbonden is met het algemeen ontwikkelingsniveau van het land, de armoedeproblematiek, het al dan niet toegankelijk zijn van onderwijs maar dat ook bepaald wordt door culturele factoren.
Daarenboven wees steeds gerichter onderzoek van de IAO uit dat kinderarbeid veel meer voorkomt dan tot dusver werd aangenomen. De IAO schat het aantal kinderen tussen 5 jaar en 14 jaar dat in 1999 voor een inkomen werkte op 250 miljoen. Daarvan werkte de helft voltijds en was dan ook de facto verstoken van onderwijs.
Daarom besliste de Internationale Arbeidsorganisatie in het midden van de jaren '90 de strijd tegen kinderarbeid anders aan te pakken en met duidelijke prioriteiten te werken. Er werd voorrang gegeven aan de bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid die onaanvaardbaar worden bevonden ongeacht het ontwikkelingsniveau van een land. Om deze ergste vormen van kinderarbeid af te schaffen werden nieuwe specifieke instrumenten nodig geacht. Op de arbeidsconferenties van 1998 en 1999 werden er volgens de procedure van dubbele beraadslaging een nieuw verdrag en een bijhorende aanbeveling over dit onderwerp onderhandeld.
Er dient onderstreept te worden dat deze nieuwe instrumenten een aanvulling en geen vervanging beogen te zijn van het verdrag nr. 138 en de aanbeveling betreffende de minimumleeftijd voor toegang tot het arbeidsproces. De preambule van het nieuwe verdrag stelt immers uitdrukkelijk dat het verdrag nr. 138 en de bijhorende aanbeveling « de fundamentele instrumenten blijven » inzake kinderarbeid.
Niettemin was er een grote consensus over zowel de nood aan als de inhoud van de nieuwe instrumenten. Dit bleek uit de unanieme goedkeuring van de verdragtekst.
II. De inhoud van het verdrag en de mogelijkheden voor ratificatie
Van bij de aanvang werd er geopteerd voor een korte verdragtekst die door een maximum aantal landen kan geratificeerd worden. De IAO hoopt naar analogie met het Verdrag inzake de rechten van het kind op een haast universele ratificatie. In elk geval wordt het nieuwe verdrag toegevoegd aan de basisverdragen van de IAO.
Het verdrag telt dan ook maar 8 inhoudelijke artikelen. De overige 8 artikelen zijn de gebruikelijke procedurele artikelen.
Artikel 1 verplicht elk land dat het verdrag ratificeert onmiddellijk doeltreffende maatregelen te nemen om de ergste vormen van kinderarbeid te verbieden en dringend af te schaffen.
De artikelen 2 en 3 bevatten de definities en zijn de sleutelartikels van het verdrag.
Artikel 2 definieert in dit verdrag een kind als elkeen beneden de 18 jaar. Het is gebaseerd op artikel 1 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind maar staat in tegenstelling tot dit verdrag geen uitzonderingen toe voor landen waar de nationale wetgeving de meerderjarigheid bepaalt op een leeftijd onder de 18 jaar. Dit verdrag hanteert dan ook een uniforme leeftijdsgrens en voert met de leeftijdsgrens op 18 jaar een hoge beschermingsdrempel in.
Artikel 3 definieert de ergste vormen van kinderarbeid.
Het betreft de verkoop van en de handel in kinderen en hun gedwongen tewerkstelling met inbegrip van hun inzet in gewapende conflicten, hun aanwending voor prostitutie en pornografie of voor criminele activiteiten (trafiek van verdovende middelen) en de werkzaamheden die schadelijk zijn voor hun gezondheid, hun veiligheid of hun moraliteit.
Al deze vormen van kinderarbeid worden behandeld in het Belgische strafrecht, het Belgische humanitair recht, in reeds eerder door België bekrachtigde internationale verdragen, in de wet van 29 juni 1983 betreffende de schoolplicht, in de Belgische wetgeving inzake kinderarbeid en jeugdige werknemers (met name de arbeidswet van 16 maart 1971, gewijzigd bij wet van 5 augustus 1992, het koninklijk besluit van 11 maart 1993 betreffende de kinderarbeid), in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn op het werk en het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de bescherming van de jongeren op het werk en het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming,
Artikel 4 verduidelijkt hoe één van de ergste vormen van kinderarbeid, namelijk de « schadelijke » werkzaamheden die in de definitie vaag omschreven worden, moet bepaald worden. Het definiëren van deze werkzaamheden via een nationale lijst wordt aan de nationale wetgeving of bevoegde overheid overgelaten. Het artikel bepaalt de rol van de werkgevers en werknemerorganisaties in dit nationaal overleg.
Zonder minimumvereisten op te leggen, worden er aanwijzingen voor de definiëring van de gevaarlijke werkzaamheden gegeven. Er moet met name rekening worden gehouden met de relevante internationale normen ter zake en in het bijzonder met de paragrafen 3 en 4 van de aanbeveling over de ergste vormen van kinderarbeid. Dit betekent dat bij het opstellen van de lijst de volgende werkzaamheden moeten overwogen worden zonder evenwel verplicht opgenomen te worden :
de werkzaamheden die kinderen blootstellen aan fysieke, psychologische of seksuele mishandelingen;
de werkzaamheden die ondergronds, onder water, op gevaarlijke hoogtes of in benauwde ruimtes worden uitgevoerd;
de werkzaamheden die worden uitgevoerd met machines, materieel of gevaarlijk gereedschap of waarbij zware lasten moeten worden getorst of gedragen;
de werkzaamheden die worden uitgevoerd in een ongezonde omgeving, waarin bijvoorbeeld kinderen kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, agentia of procédés of aan een temperatuur, lawaai of trillingen die schadelijk zijn voor hun gezondheid;
de werkzaamheden die worden uitgevoerd in bijzonder moeilijke omstandigheden, bijvoorbeeld gedurende vele uren, of 's nachts of waarvoor het kind op ongegronde wijze in de lokalen van de werkgever wordt opgehouden.
Andere niet nader gepreciseerde internationale normen waarmee rekening moet worden gehouden, zijn bijvoorbeeld de IAO-normen inzake nachtwerk, toxische stoffen ...
Opmerkelijk aan dit artikel is dat de bevoegde overheid de door haar geselecteerde vormen van gevaarlijke werkzaamheden moet lokaliseren.
Het artikel kent eveneens een grote rol toe aan de sociale partners die verplicht dienen geraadpleegd te worden bij het opstellen, het periodiek onderzoek en de eventuele actualisatie van de nationale lijsten alsook bij de lokalisatie van de gevaarlijke werkzaamheden.
Er wordt voorgesteld dat het Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid de bevoegde overheid wordt en instaat voor het overleg met de werkgevers- en werknemersorganisaties.
Er dient opgemerkt te worden dat de « schadelijke » werkzaamheden in het Belgisch recht verboden zijn door de reeds vermelde reglementeringen van kinderarbeid en jeugdige werknemers en bescherming van jeugdige werknemers. Het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de bescherming van jongeren op het werk heeft als bijlage een weliswaar niet exhaustieve maar toch zeer exemplarische en concrete lijst van in België als gevaarlijk te bestempelen werkzaamheden die in samenspraak met de sociale partners werd opgesteld. Bovendien moet elke werkgever minstens éénmaal per jaar een risicoanalyse uitvoeren, hernieuwen of aanpassen om elke activiteit te identificeren die een specifiek risico kan opleveren en dit met het oog op een toevoeging aan de lijst van gevaarlijke werkzaamheden.
De maatregelen die nodig zijn voor de daadwerkelijke uitvoering van het verdrag, worden verduidelijkt in de artikelen 5 tot en met 8.
Zo moet elk land een controlemechanisme aanduiden of indien nodig oprichten dat toeziet op de uitvoering van het verdrag (artikel 5). Dit toezicht zal door de arbeidsinspecties worden uitgevoerd in het kader van hun gebruikelijke opdrachten.
Ook dient elk ratificerend land volgens artikel 6 nationale actieprogramma's op te stellen en uit te voeren om deze ergste vormen van kinderarbeid af te schaffen. Het artikel verduidelijkt eveneens de verplichte inbreng van de werkgevers en werknemers bij het opstellen van de nationale actieprogramma's en voorziet de mogelijkheid om andere actoren te consulteren.
Het nationaal actieprogramma zal door het Federaal Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling in overleg met de andere bevoegde overheden worden opgesteld. De aanbevolen raadplegingen zullen binnen de bestaande adviesorganen worden gehouden.
Artikel 7 gaat dieper in op de andere maatregelen die ratificerende landen ter uitvoering van het verdrag moeten nemen.
Paragraaf 1 bepaalt het opleggen en toepassen van strafrechtelijke sancties of zo nodig andere sancties. Meerdere van kracht zijnde wetgevingen die activiteiten behandelen die onder de ergste vormen van kinderarbeid ressorteren, voorzien strafrechtelijke sancties. Momenteel vereisen deze sancties geen wetgevende wijzigingen. Bovendien zal er rekening worden gehouden met het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en pornografie bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen die de bescherming van minderjarigen verbeteren en uitbreiden tot 18 jaar.
De verwijzing naar de inzet van kinderen in gewapende conflicten doet geen afbreuk aan andere bepalingen ter zake uit het internationaal recht die een hogere bescherming bieden. België zal bij het meedelen van de ratificatie een verklaring met deze interpretatie toevoegen.
Paragraaf 2 verplicht de ratificerende landen om binnen een vastgestelde termijn aan preventie te doen, de kinderen aan de ergste vormen van kinderarbeid te onttrekken en hun her-aanpassing en sociale integratie te waarborgen. Hij onderstreept het belang van onderwijs, met name gratis basisonderwijs en beroepsopleiding voor de reïntegratie van kindarbeiders. Hij bepaalt ook dat ratificerende landen de risicokinderen moeten identificeren door met hen in contact te treden. Ook wordt er gevraagd om bijzondere aandacht aan de situatie van meisjes te besteden. Impliciet wordt hiermee verwezen naar het lot van meisjes die zwaar huishoudelijk werk verrichten. Gezien het ongereglementeerd kader waarin dit gebeurt, blijken deze meisjes vaak bijzonder kwetsbaar te zijn met name voor fysiek en/of seksueel geweld.
Er dient opgemerkt te worden dat deze paragraaf vooral relevant is voor ontwikkelingslanden. In ons land worden de bepalingen reeds in hoge mate toegepast dankzij onze wetgeving op de leerplicht en op de jeugdbescherming en -bijstand en het geheel van ons onderwijssysteem. Hoe dan ook zullen de in België voor deze aangelegenheden bevoegde overheden door de voor het verdrag bevoegde overheid gevraagd worden om overleg te plegen en te coördineren.
Elk ratificerend land moet immers een bevoegde overheid aanduiden die instaat voor de uitvoering van het verdrag. In ons land zal dit het Federaal Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling zijn.
Artikel 8 bevat een oproep tot onderlinge bijstand en internationale samenwerking op het vlak van armoedebestrijding, sociale en economische ontwikkeling en universeel onderwijs.
De bedoeling van dit artikel is om via ontwikkelingssamenwerking de eigenlijke oorzaken van de ergste vormen van kinderarbeid aan te pakken.
België steunt technische samenwerkingsprogramma's in deze domeinen. Ons land maakt deel uit van de internationale organisaties en neemt actief deel aan de onderhandelingen die hierop betrekking hebben, met name de Internationale Arbeidsorganisatie en haar IPEC-programma.
De artikels 9 tot en met 16 zijn de gebruikelijke procedurele bepalingen.
De regering meent dat er geen wettelijke hinderpalen zijn voor de ratificatie van dit verdrag door België. Ze wenst een snelle bekrachtiging gezien het grote politieke belang van dit verdrag.
Wel werd er beslist dat dit verdrag een gemengd verdrag is. De instemming van de parlementen van de Gemeenschappen en van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is vereist.
In zijn advies van 11 juli 2000 (ref. L. 30 309/1 van 9 oktober 2000) stelt de Raad van State dat het verdrag benevens door de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie evenwel ook door de Gewesten en de Franse Gemeenschapscommissie bekrachtigd dient te worden.
Integendeel, de betrokken gefedereerde entiteiten wensen geen afstand te nemen van het oorspronkelijke besluit dat op 2 februari 2000 formeel goedgekeurd werd door de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid, zoals gebleken is uit het overleg dat men hen gepleegd is ingevolge het advies van de Raad van State.
Derhalve is de Regering van mening geen gevolg te moeten geven aan dit advies.
Daarom opteert de Regering er voor om het Verdrag nr. 182 inzake de ergste vormen van kinderarbeid benevens aan het federale Parlement enkel aan de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie ter bekrachtiging voor te leggen.
De minister van Buitenlandse Zaken,
Louis MICHEL.
De minister van Werkgelegenheid,
Laurette ONKELINX.
De minister van Justitie,
Marc VERWILGHEN.
Koning der Belgen,
Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken, van Onze Minister van Werkgelegenheid en van Onze Minister van Justitie,
Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Werkgelegenheid en Onze Minister van Justitie zijn gelast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
De Overeenkomst nr. 182 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende het verbod van de ergste vormen van kinderarbeid en de onmiddellijke actie met het oog op de afschaffing ervan, gedaan te Genève op 17 juni 1999, zal volkomen gevolg hebben.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 19 april 2001.
Van Koningswege :
De minister van Buitenlandse Zaken,
Louis MICHEL.
De minister van Werkgelegenheid,
Laurette ONKELINX.
De minister van Justitie,
Marc VERWILGHEN.
(Vertaling)
betreffende het verbod van de ergste vormen van kinderarbeid en de onmiddellijke actie met het oog op de afschaffing ervan
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
SAMENGEROEPEN te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en in vergadering op 1 juni 1999, in haar zevenentachtigste vergadering;
OVERWEGENDE de noodzaak om nieuwe instrumenten goed te keuren met het oog op het verbod en de afschaffing van de ergste vormen van kinderarbeid als belangrijkste prioriteit van de nationale en internationale actie, voornamelijk van de internationale samenwerking en bijstand, om het verdrag en de aanbeveling betreffende de minimumleeftijd voor toegang tot de arbeidsmarkt, 1973, aan te vullen die fundamentele instrumenten blijven inzake kinderarbeid;
OVERWEGENDE dat de effectieve afschaffing van de ergste vormen van kinderarbeid een onmiddellijke globale actie vereist die rekening houdt met het belang van gratis basisonderwijs en de noodzaak om de betrokken kinderen te onttrekken aan al deze vormen van arbeid en hun heraanpassing en sociale integratie waarborgen, waarbij de noden van hun families in overweging worden genomen;
HERINNEREND aan de resolutie betreffende de afschaffing van kinderarbeid die werd goedgekeurd door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieëntachtigste zitting, in 1996;
ERKENNEND dat kinderarbeid voor een groot stuk veroorzaakt wordt door armoede en dat de oplossing op lange termijn schuilt in de volgehouden economische groei die leidt tot sociale vooruitgang en in het bijzonder tot de vermindering van de armoede en tot universeel onderwijs;
HERINNEREND aan het Verdrag betreffende de rechten van het kind dat werd goedgekeurd op 20 november 1989 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties;
HERINNEREND aan de Verklaring van de IAO betreffende de fundamentele beginselen en het recht op werk en de follow-up ervan, die werd goedgekeurd door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar zesentachtigste zitting, in 1998;
ERAAN HERINNEREND dat bepaalde van de ergste vormen van kinderarbeid gedekt worden door andere internationale instrumenten, meer bepaald het Verdrag over de gedwongen arbeid, 1930, en het Bijkomende Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de afschaffing van de slavernij, van de slavenhandel en van de instellingen en praktijken die gelijk staan aan slavernij, 1956;
NA BESLIST TE HEBBEN verscheidene voorstellen betreffende kinderarbeid goed te keuren, een probleem dat het vierde agendapunt vormt van de zitting;
NA BESLIST TE HEBBEN dat deze voorstellen de vorm zouden aannemen van een internationaal verdrag,
KEURT vandaag, op 17 juni negentienhonderd negenennegentig het volgende verdrag goed dat het Verdrag over de ergste vormen van kinderarbeid, 1999, zal worden genoemd.
Artikel 1
Elk Lid dat dit verdrag ratificeert, moet onmiddellijke en doeltreffende maatregelen nemen om dringend het verbod en de afschaffing van de ergste vormen van kinderarbeid te waarborgen.
Artikel 2
In dit verdrag is de term « kind » van toepassing op alle personen van minder dan 18 jaar.
Artikel 3
In dit verdrag omvat de uitdrukking « de ergste vormen van kinderarbeid » :
a) alle vormen van slavernij of analoge praktijken, zoals de verkoop van en de handel in kinderen, de onderworpenheid voor schulden en de lijfeigenschap evenals de verplichte of gedwongen arbeid, met inbegrip van de gedwongen of verplichte aanwerving van kinderen om ze in te zetten in gewapende conflicten;
b) het gebruik, de aanwerving of het aanbieden van een kind voor prostitutie, voor de vervaardiging van pornografisch materiaal of pornografische voorstellingen;
c) het gebruik, de aanwerving of het aanbieden van een kind voor ongeoorloofde praktijken, meer bepaald voor de productie en het verhandelen van verdovende middelen, zoals de relevante internationale verdragen bepalen;
d) de werken die, omwille van hun aard of omstandigheden waarin ze worden uitgeoefend, de gezondheid , de veiligheid of de moraliteit van het kind schade kunnen berokkenen.
Artikel 4
1. De vormen van arbeid die bedoeld worden in artikel 3 d) moeten bepaald worden door de nationale wetgeving of de bevoegde overheid, na raadpleging van de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties en rekening houdend met de relevante internationale normen en in het bijzonder met de paragrafen 3 en 4 van de aanbeveling over de ergste vormen van kinderarbeid, 1999.
2. De bevoegde overheid moet, na overleg met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties de aldus vastgestelde vormen van arbeid lokaliseren.
3. De lijst van de conform paragraaf 1 van dit artikel vastgestelde vormen van arbeid moet periodiek onderzocht en, indien nodig, herzien worden in overleg met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties.
Artikel 5
Elk Lid moet, na overleg met de werkgevers- en werknemersorganisaties, geschikte mechanismen oprichten of aanduiden om te waken over de toepassing van de bepalingen, die dit verdrag uitwerking geven.
Artikel 6
1. Elke Lid moet actieprogramma's opstellen en uitvoeren om de ergste vormen van kinderarbeid bij voorrang af te schaffen.
2. Deze actieprogramma's moeten uitgewerkt en toegepast worden in overleg met de bevoegde openbare instellingen en de werkgevers- en werknemersorganisaties, waarbij zo nodig rekening moet worden gehouden met de standpunten van de andere betrokken groepen.
Artikel 7
1. Elk Lid moet alle noodzakelijke maatregelen nemen om de daadwerkelijke tenuitvoerlegging en de naleving van de bepalingen te waarborgen die dit verdrag uitwerking geven met inbegrip van het voorzien en het toepassen van strafrechtelijke sancties of,zo nodig, van andere sancties.
2. Elk Lid moet, rekening houdend met het belang van onderwijs met het oog op de afschaffing van de kinderarbeid, binnen een vastgestelde termijn efficiënte maatregelen nemen om :
a) te verhinderen dat kinderen worden aangeworven voor de ergste vormen van kinderarbeid;
b) te voorzien in geschikte en noodzakelijke rechtstreekse hulp om kinderen te onttrekken aan de ergste vormen van kinderarbeid en hun heraanpassing en sociale intergratie te waarborgen;
c) de toegang te waarborgen tot gratis basisonderwijs en, wanneer dit mogelijk en passend is, tot de beroepsopleiding voor alle kinderen die onttrokken worden aan de ergste vormen van kinderarbeid;
d) de kinderen te identificeren die in het bijzonder blootgesteld zijn aan risico's en in rechtstreeks contact te treden met hen;
e) rekening te houden met de bijzondere situatie van meisjes.
3. Elk Lid moet de bevoegde overheid aanduiden die belast is met de tenuitvoerlegging van de bepalingen die dit verdrag uitwerking geven.
Artikel 8
De Leden moeten gepaste maatregelen nemen om elkaar te helpen om uitwerking te geven aan de bepalingen van dit verdrag door een samenwerking en/of een versterkte internationale bijstand met inbegrip van maatregelen ter ondersteuning van de economische en sociale ontwikkeling, van programma's ter uitroeiing van de armoede en van universeel onderwijs.
Artikel 9
De formele ratificaties van dit verdrag worden meegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau en worden door hem opgetekend.
Artikel 10
1. Dit verdrag bindt uitsluitend de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie wier ratificatie zal worden opgetekend door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
2. Het zal in werking treden twaalf maanden nadat de ratificaties van twee Leden zullen worden opgetekend door de Directeur-Generaal.
3. Vervolgens zal dit verdrag in werking treden voor elk Lid twaalf maanden na de datum waarop zijn ratificatie zal worden opgetekend.
Artikel 11
1. Elk Lid dat dit verdrag heeft geratificeerd, kan het opzeggen na een periode van tien jaar na de datum van de eerste inwerkingtreding van het verdrag via een akte die wordt overgemaakt aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem wordt opgetekend. De opzegging zal pas in werking treden een jaar nadat ze werd opgetekend.
2. Elk Lid dat dit verdrag heeft geratificeerd en dat, in de periode van één jaar na het verstrijken van de periode van tien jaar die is opgenomen in de vorige paragraaf, geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot opzegging die is voorzien in dit artikel, zal gebonden zijn voor een nieuwe periode van tien jaar en zal, vervolgens, dit verdrag pas kunnen opzeggen na het verstrijken van elke periode van tien jaar volgens de voorwaarden die bepaald zijn in dit artikel.
Artikel 12
1. De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zal aan alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie de optekening betekenen van alle ratificaties en alle akten tot opzegging die hem worden overgemaakt door de Leden van de Organisatie.
2. Bij de betekening aan de Leden van de Organisatie van de optekening van de tweede ratificatie die hem wordt overgemaakt, zal de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden van de Organisatie vestigen op de datum waarop dit verdrag in werking zal treden.
Artikel 13
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zal de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, voor optekening en conform artikel 102 van het Charter van de Verenigde Naties, volledige inlichtingen overmaken betreffende alle ratificaties en alle opzeggingsakten die hij zal hebben opgetekend overeenkomstig deze artikels.
Artikel 14
Telkens als hij het noodzakelijk acht, zal de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau de Algemene Conferentie een verslag voorleggen over de toepassing van dit verdrag en zal hij, als daar reden toe is, onderzoeken of het probleem van de totale of gedeeltelijke herziening ervan op de agenda van de Conferentie moet worden gezet.
Artikel 15
1. Indien de Conferentie een nieuwe verdrag zou goedkeuren houdende de totale of gedeeltelijke herziening van dit verdrag en tenzij het nieuwe verdrag anders beschikt :
a) zou de ratificatie door een Lid van het nieuwe verdrag houdende herziening van rechtswege en in weerwil van bovengenoemd artikel 11, de onmiddellijke opzegging van dit verdrag betekenen, onder voorbehoud dat het nieuwe verdrag houdende herziening in werking is getreden;
b) zou dit verdrag, vanaf de datum van de inwerkingtreding van het nieuwe verdrag houdende herziening, niet meer kunnen geratificeerd worden door de Leden.
2. Dit verdrag zou in elk geval in zijn vorm van kracht blijven voor de Leden die het geratificeerd zouden hebben en die het verdrag houdende herziening niet zouden ratificeren.
Artikel 16
De Engelse en Franse versie van de tekst van dit verdrag zijn gelijkelijk gezaghebbend.
De voorafgaande tekst is de autentieke tekst van het verdrag dat unaniem werd aangenomen door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie op haar 87e zittijd die te Genève plaatsvond en die gesloten werd verklaard op 17 juni 1999.
TOT STAVING waarvan hun handtekening hebben geplaatst op 18 juni
De Voorzitter van de Conferentie
ALHAJI MUHAMMAD MUNUNI.
De Directeur Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau
JUAN SOMAVIA.
Voorontwerp van wet houdende instemming met de Overeenkomst nr. 182 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende het verbod van de ergste vormen van kinderarbeid en de onmiddellijke actie met het oog op de afschaffing ervan, gedaan te Genève op 17 juni 1999.
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
De Overeenkomst nr. 182 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende het verbod van de ergste vormen van kinderarbeid en de onmiddellijke actie met het oog op de afschaffing ervan, gedaan te Genève op 17 juni 1999, zal volkomen gevolg hebben.
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 16 juni 2000 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een voorontwerp van wet « houdende instemming met de Overeenkomst nr. 182 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende het verbod van de ergste vormen van kinderarbeid en de onmiddellijke actie met het oog op de af schaffing ervan, gedaan te Genève op 17 juni 1999 », heeft op 11 juli 2000 het volgende advies gegeven :
Het Verdrag nr. 182 van de Internationale Arbeidsorganisatie is een gemengd verdrag. De artikelen 7 en 8 van het Verdrag hebben immers betrekking op bevoegdheden van de gemeenschappen (onderwijs en beroepsopleiding), van de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (bepaalde aangelegenheden ressorteren onder de bijstand aan personen) (1) en van de gewesten (economisch beleid) (2).
Bijgevolg zal het Verdrag ook door de gemeenschappen, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de gewesten moeten worden goedgekeurd. In de memorie van toelichting wordt evenwel enkel melding gemaakt van de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, maar niet van de gewesten en de Franse Gemeenschapscommissie.
Bij het ontwerp zijn geen andere opmerkingen te maken.
De kamer was samengesteld uit :
De heren A. BEIRLAEN en M. VAN DAMME, kamervoorzitters;
De heer J. SMETS, staatsraad;
De heren G. SCHRANS en A. SPRUYT, assessoren van de afdeling wetgeving;
Mevrouw A. BECKERS, griffier.
De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J. SMETS.
Het verslag werd uitgebracht door de heer W. VAN VAERENBERGH, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer E. VANHERCK, referendaris.
| De griffier, | De voorzitter, |
| A. BECKERS. | A. BEIRLAEN. |
(1) Sommige van die bevoegdheden worden uitgeoefend door respectievelijk het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie.
(2) Namelijk in zoverre artikel 8 ook betrekking heeft op de economische ontwikkeling.