2-672/4 | 2-672/4 |
16 MEI 2001
Evocatieprocedure
Onderhavig optioneel bicameraal wetsontwerp werd door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden op 23 februari 2001. Het wetsontwerp werd in de Kamer aangenomen met 127 stemmen bij 8 onthoudingen. Het werd door de Senaat geëvoceerd op 19 maart 2001 op verzoek van 15 senatoren (Griffiebulletin nr. 47). De onderzoekstermijn loopt ten einde op 5 juni 2001. De commissie voor de Justitie heeft dit ontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 28 maart 2001 en 16 mei 2001 in aanwezigheid van de minister van Justitie.
I. Het oorspronkelijke wetsvoorstel van de heer Erdman telde 5 artikelen, die alle betrekking hadden op de zogenaamde wetsbepalingen Franchimont en er meer bepaald toe strekten een aantal in de praktijk gerezen problemen met betrekking tot de toepassing ervan op te lossen.
a) Artikel 1 is het gebruikelijke artikel in verband met artikel 78 van de Grondwet.
b) Artikel 2 strekt tot aanpassing van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering (beslag en andere opsporingshandelingen in een door het parket gevoerd vooronderzoek) :
Enerzijds wordt in § 2 uitsluitsel gegeven op de vraag of een verzoekschrift daadwerkelijk op het parket moet worden afgegeven, dan wel gebeurlijk mag worden toegezonden per post, waarbij voor uitbreiding tot deze laatste mogelijkheid wordt geopteerd.
Door deze aanpassing, dient in het tweede lid van deze paragraaf wel een keuze te worden gemaakt wat betreft het ingaan van de termijn, binnen dewelke door het parket uitspraak moet worden gedaan.
Het meest duidelijke vertrekpunt in dit verband is de inschrijving in het speciale parketregister, vandaar een ingediend amendement tot aanpassing, afwijkend van een in hetzelfde verband door de heer Vandenberghe ingediend amendement (nr. 1).
De heer Vandenberghe diende terecht een amendement (nr. 2) in, dat een logisch gevolg is van aanpassing van § 2, namelijk dat in § 6, die handelt over de mogelijkheid om na verloop van zekere termijn het reeds eerder ingediende verzoek te vernieuwen, eenzelfde terminologie moet worden gehanteerd.
Anderzijds wordt in § 5 de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen indien het parket niet reageert op het ingediende verzoek nauwkeuriger uitgewerkt, inzonderheid wat betreft de ter zake toe te passen beroepstermijnen.
De wetswijziging gaat er evenwel aan voorbij dat de in § 5 voorziene mogelijkheid een beroepsprocedure betreft, zodat in dergelijke materie niet mag worden afgeweken van de regel dat een beroep steeds ter griffie dient te worden ingesteld.
Vandaar in hetzelfde ingediend amendement het uitsluiten van de mogelijkheid om een tot beroep strekkend verzoekschrift toe te zenden.
c) Artikel 3 past artikel 61ter van het Wetboek van strafvordering (mogelijkheid om aan de onderzoeksrechter inzage van een dossier in gerechtelijk onderzoek te vragen) op dezelfde wijze aan als artikel 28sexies wat betreft de mogelijkheid een verzoekschrift toe te zenden en de beroepsprocedure bij stilzwijgen van de onderzoeksrechter (aanpassing, §§ 2, 5 en 6).
Zoals voor artikel 28sexies werd een amendement ingediend tot het bepalen van de dag waarop de termijn begint te lopen, evenzeer als voor artikel 28sexies afwijkend van een ter zake door de heer Vandenberghe ingediend amendement (nr. 3).
Om parallel te blijven met artikel 28sexies werd in hetzelfde amendement eveneens voorzien in het uitsluiten van het toezenden van een beroepsverzoekschrift, zulks afwijkend van amendement nr. 4 van de heer Vandenberghe, dat logisch voortbouwde op de in het aanvankelijke voorstel voorziene tekst qua § 5.
Zoals voor artikel 28sexies, legde de heer Vandenberghe terecht een amendement (nr. 5) neer om §§ 2 en 7 van artikel 61ter in overeenstemming te brengen qua terminologie.
Verder wijzigt artikel 3 hetzelfde artikel 61ter door enerzijds §§ 1 en 3 te herschikken, waardoor het principe wordt geponeerd dat normalerwijze het integrale dossier ter inzage wordt gegeven, waarvan de onderzoeksrechter naar zijn inschatting in het belang van het onderzoek kan afwijken.
Artikel 3 voorziet verder in een wijziging van de in § 4 van hetzelfde artikel voorziene termijn, binnen dewelke aan de verzoekende partij inzage moet worden verstrekt.
d) Artikel 4 voorziet terzake artikel 61quater (opheffing beslag of opsporingshandeling in het kader van een gerechtelijk onderzoek) in dezelfde aanpassingen als voor artikel 28sexies.
Het wordt dan ook om dezelfde reden als voor artikel 28sexies geamendeerd wat betreft het ingaan van de termijn voor behandeling van het verzoek, zulks afwijkend van amendement nr. 6 van de heer Vandenberghe.
Zoals voor artikel 28sexies, voorziet amendement nr. 7 van de heer Vandenberghe terecht in een tekstuele gelijkstelling van §§ 2 en 7.
e) In artikel 5 wordt wat betreft artikel 61quinquies (mogelijkheid om aan de onderzoeksrechter bijkomend onderzoek te vragen), zoals voor de andere gewijzigde Franchimont-bepalingen, voorzien in de mogelijkheid een verzoekschrift toe te zenden.
Zoals voor de andere bepalingen, strekt een ingediend amendement ertoe duidelijkheid te brengen wat betreft de begindatum van de toe te passen termijn, namelijk vanaf de inschrijving van het verzoekschrift tot bijkomend onderzoek. Om dezelfde reden als voor de eerdere artikelen is dit amendement niet compatibel met het amendement in hetzelfde verband (in dit geval nr. 8) van de heer Vandenberghe.
Anderzijds strekt hetzelfde amendement ertoe, en zulks in de lijn van de amendementen nrs. 2, 5 en 7 van de heer Vandenberghe, §§ 2 en 6 van artikel 61quinquies tekstueel in overeenstemming te brengen.
Om een lacune op te lossen in geval van een eventuele laattijdige beschikking van de onderzoeksrechter en tegelijk een procedure wegens het niet verlenen van een beschikking, voorziet artikel 5 tevens in de expliciete nietigheid van de laattijdige beschikking.
II. Aan het oorspronkelijke wetsvoorstel werden middels twee amendementen van de minister van Justitie een artikel 6 en 7 toegevoegd.
Deze artikelen hebben betrekking op respectievelijk artikel 131 wat betreft de procedure voor de raadkamer in eerste aanleg, en op artikel 235bis, van het Wetboek van strafvordering wat betreft de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling op het niveau van beroep, en beogen meer bepaald uitsluitsel te bieden omtrent de discussie of nietig verklaarde stukken, eens verwijderd uit het dossier, in sommige gevallen toch nog ter beschikking moeten blijven om elementen uit te putten.
Ter zake werd geopteerd voor de meest rechtlijnige oplossing : een vastgestelde nietigheid is absoluut en geldt tegenover iedereen, met andere woorden nietige stukken worden volledig onbruikbaar.
Amendement nr. 9 van de heer Vandenberghe voorziet terecht in een kleine tekstuele aanpassing van de Franstalige tekst van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering, om deze tekst in overeenstemming te brengen met deze inzake artikel 131 van het Wetboek van strafvordering.
III. Tenslotte werd middels amendement aan de oorspronkelijke tekst nog een artikel 8 toegevoegd, er toe strekkende in de wet van 19 februari 2001 tot wijziging van onder meer artikel 734bis van het Gerechtelijk Wetboek een technische verduidelijking ter zake de inhoud van voormeld artikel door te voeren.
Amendementen nrs. 10 en 11 van de heer Vandenberghe doen (wellicht terecht) opmerken dat de te wijzigen wetsbepaling nog niet in voege is getreden, wat consequenties heeft ter zake de formulering.
IV. De gekende teksten worden thans aangevuld met drie amendementen :
a) Een eerste amendement strekt ertoe §§ 3 en 4 van artikel 135 van het Wetboek van strafvordering in overeenstemming te brengen; in § 3 wordt inderdaad voorzien dat de raadkamer uitspraak doet op vaste datum : om dus de beroepstermijn te doen lopen, moet geen bijzondere procedure tot betekening van de verleende beschikking worden voorzien, zoals dat thans wel het geval is in § 4.
Het amendement strekt dus tot aanpassing van § 4 van het voormelde artikel, stellende dat de beroepstermijn ter zake de beschikking van de raadkamer voor alle betrokkenen loopt vanaf de dag der beschikking.
b) Twee andere amendementen strekken er toe de Belgische wetgeving, meer bepaald artikelen 482bis en 503bis van het Wetboek van strafvordering, in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Europees Hof, inzonderheid het arrest Coëme.
Parallel met de reeds uitgewerkte regeling in verband met de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, wordt thans ook expliciet om verdere discussies in dat verband definitief uit te sluiten voorzien in samenhang qua vervolging tussen personen die « genieten » van voorrang van rechtsmacht en « gewone » burgers, met uitzondering evenwel van de misdrijven die tot de exclusieve bevoegdheid van het assisenhof behoren.
Opschrift
De heer Vandenberghe dient een subsidiair amendement in dat ertoe strekt het opschrift te vervangen (stuk Senaat, nr. 2-672/2, amendement nr. 11). De woorden « tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken » worden aldus vervangen door de woorden « tot wijziging van artikel 734bis, § 5, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek ».
De indiener stipt aan dat de wet van 19 februari 2001 nog niet in voege is getreden.
Ingeval men de redactie van artikel 8 wenst te handhaven (en amendement nr. 10 dus zou verwerpen, cf. infra), anticipeert men op de opname van de te wijzigen wetsbepaling in het Gerechtelijk Wetboek en dient het opschrift te worden aangepast.
Wetgevingstechnisch is het niet correct te verwijzen naar een wet die nog niet in werking is getreden.
De minister bevestigt dat de wet van 19 februari 2001 inderdaad nog niet in voege is getreden. Krachtens artikel 12 van deze wet treedt zij pas in werking de eerste dag van de zesde maand na die waarin zij in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd. Dit was een bewuste keuze van de wetgever, om de mogelijkheid te geven alle nodige schikkingen op het terrein te treffen.
Anderzijds is het nochtans duidelijk dat de wet in werking zal treden.
De minister gedraagt zich naar de wijsheid van de commissie.
Een lid wijst erop dat de wet van 19 februari 2001, in tegenstelling tot wat de verantwoording van het amendement vermeldt, nu wel reeds is gepubliceerd. Ze is enkel nog niet in werking getreden.
Stemming
Amendement nr. 11 van de heer Vandenberghe wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 2
De heer Vandenberghe dient een technisch amendement in (stuk Senaat, nr. 2-672/2, amendement nr. 1) dat ertoe strekt een A)bis in te voegen, waarbij de woorden « na de indiening » worden vervangen door de woorden « na de neerlegging ».
De minister verwijst naar het amendement nr. 12 van de regering (stuk Senaat, nr. 2-672/3) dat opteert voor de woorden « na de inschrijving van het verzoekschrift in het register ».
Deze wijziging beoogt het vertrekpunt van de voorziene termijn te preciseren om mogelijke twijfels en geschillen te vermijden in geval van toezending van het verzoekschrift.
De indiener van het amendement nr. 1 kan akkoord gaan met het voorstel van de regering en trekt zijn amendement in.
Aangezien de amendementen nrs. 3, 6 en 8 (cf. infra artikelen 4 en 5) van dezelfde auteur een identieke draagwijdte hebben, worden ook deze amendementen ingetrokken.
De heer Vandenberghe dient een technisch amendement in (stuk Senaat, nr. 2-672/2, amendement nr. 2), dat het woord « indienen », in § 6, vervangt door de woorden « toezenden of neerleggen ». Dit is een logisch gevolg van de aanpassing in § 2 van artikel 28sexies.
De minister stemt hiermee in.
Stemmingen
De amendementen nrs. 2 van de heer Vandenberghe en 12 van de regering worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 2bis
Mevrouw Nyssens dient een amendement nr. 19 in (stuk Senaat, nr. 2-672/3).
Deel A van het amendement neemt de suggestie over uit het verslag van de heer Liégeois over de evaluatie van de wet Franchimont, namelijk dat de wet uitdrukkelijk zou bepalen dat de geheimhouding geldt voor mensen die om wetenschappelijke redenen aanwezig zijn bij een opsporings- of onderzoeksdaad.
Deel B van het amendement stelt voor de termijn van drie maanden, binnen welke de afgifte van de kopie van het proces-verbaal van het verhoor aan de ondervraagde persoon vertraagd kan worden door de procureur des Konings, te vervangen door een termijn van zes maanden (zie verslag van de heer Liégeois).
Deel C van het amendement geeft de procureur des Konings de mogelijkheid om in bijzonder ernstige zaken de afgifte van de kopie aan de ondervraagde persoon uit te stellen bij gemotiveerde beslissing tot de procedure geregeld is.
De minister kan het met dit amendement niet eens zijn. Wat letter A betreft, merkt hij op dat mensen die om wetenschappelijke redenen aanwezig zijn, vaak studenten in de rechten zijn die een vrij korte stage doorlopen bij het parket en die dossiers lezen om bij te leren.
Men moet rekening houden met het feit dat er in dat geval steeds een stagecontract is ondertekend. Tot op heden werd geen enkel incident gemeld. Uiteraard zal de procureur ervoor waken dat de stagiair geen al te delicate dossiers in handen krijgt.
Met betrekking tot het verlengen van de termijn tot zes maanden, onderstreept de minister dat men zich in de opsporingsfase bevindt. Het is belangrijk dat de opsporing niet wordt vertraagd.
Met betrekking tot littera C stipt de minister aan dat een opsporing niet automatisch leidt tot de behandeling voor de onderzoeksgerechten.
Stemmingen
Punt A wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.
De indienster trekt de punten B en C van haar amendement in.
Artikel 2ter
Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 20 (stuk Senaat, nr. 2-672/3) in met dezelfde draagwijdte als amendement nr. 19, maar voor het onderzoek.
De minister verwijst naar zijn antwoord op artikel 2bis.
Stemmingen
Punt A wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding. Punten B en C worden ingetrokken.
Artikel 3
De regering dient een amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 2-672/3). De eerste wijziging beoogt het vertrekpunt van de voorziene termijn te preciseren om alle mogelijke twijfels en geschillen te vermijden in geval van de toezending van het verzoekschrift (zie amendement nr. 12).
De tweede, derde en vierde wijzigingen beogen het indienen van hoger beroep voorzien in §§ 5 en 6 te beperken tot het neerleggen van het verzoekschrift, om hiermee een parallellisme te behouden tussen de beroepen, ingediend bij verzoekschrift of bij verklaring.
Een lid heeft een algemene vraag bij artikel 61ter. Het in de Kamer aangenomen amendement vermeldde in de motivering dat een vormelijke wijziging werd aangebracht om de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde toegang te geven tot het dossier.
Eigenlijk geeft deze wijziging aanleiding tot een geheel andere invalshoek. Spreekster is van mening dat er een te discretionaire mogelijkheid wordt verleend aan de onderzoeksrechter om te bepalen welke delen ter inzage worden gelegd en welke niet. Verschaft deze bepaling wel voldoende waarborgen ?
De minister antwoordt dat de onderzoeksrechter het dossier het beste kent. Hij moet dus perfect kunnen uitmaken welke delen van het dossier toegankelijk zijn en welke niet. Bovendien kan de partij die het niet eens is met de mening van de onderzoeksrechter, deze beslissing aanvechten bij de regeling van de procedure voor de onderzoeksgerechten.
Het lid blijft bij haar standpunt dat er geen wettelijke criteria meer zijn.
De minister verduidelijkt dat degene die toegang vraagt tot het dossier een belang moet kunnen laten gelden. Het betreft een slachtoffer, een burgerlijke partij of een derde die een belang heeft laten gelden bij de zaak. De onderzoeksrechter zal enkel bepalen tot welke stukken men toegang kan hebben, omdat men daarvoor een belang kan laten gelden.
Indien hierover een betwisting bestaat, zal het onderzoeksgerecht uitsluitsel brengen.
De heer Vandenberghe dient het technisch amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 2-672/2) dat de woorden « na het indienen » vervangt door de woorden « na de ontvangst of neerlegging ».
De minister wijst erop dat de mogelijkheid van het instellen van beroep bij een toezending per post niet gekend is binnen de strafvordering.
De minister kan wel instemmen met het technisch amendement nr. 5 van de heer Vandenberghe, dat de terminologie aanpast in artikel 61ter, § 7.
Stemmingen
De amendementen nrs. 5 van de heer Vandenberghe en 13 van de regering worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Amendement nr. 4 van de heer Vandenberghe wordt verworpen met 7 tegen 3 stemmen.
Artikel 4
De regering dient amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 2-672/3) met betrekking tot de precisering van het vertrekpunt van de voorziene termijn en met betrekking tot de beperking van het hoger beroep tot het neerleggen van het verzoekschrift (zie ook amendement nr. 13 op artikel 3).
De minister gaat akkoord met het technisch amendement (stuk Senaat, nr. 2-672/2, amendement nr. 7) van de heer Vandenberghe, teneinde in § 7 het woord « indienen » te vervangen door de woorden « toezenden of neerleggen ».
Amendement nr. 6 van de heer Vandenberghe wordt ingetrokken (stuk Senaat, nr. 2-672/2) (zie artikel 2).
Stemmingen
De amendementen nrs. 7 van de heer Vandenberghe en 14 van de regering worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 5
Amendement nr. 8 van de heer Vandenberghe (stuk Senaat, nr. 2-672/2) wordt ingetrokken ten voordele van het regeringsamendement (zie ook amendementen nrs. 1, 3 en 6).
Amendement nr. 15 van de regering (stuk Senaat, nr. 2-672/3) beoogt het vetrekpunt van de voorziene termijn te preciseren, alsook de terminologie aan te passen aan deze voorgesteld voor de voorafgaande artikelen (zie ook amendementen nrs. 12, 13 en 14).
Stemming
Amendement nr. 15 van de regering wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 6bis (artikel 7 van de aangenomen tekst)
De regering dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 2-672/3, amendement nr. 16) ter invoeging van een artikel 6bis, dat ertoe strekt § 4 van artikel 135 te vervangen.
Deze wijziging houdt in dat de termijn van hoger beroep, in het geval dat een van de inverdenkinggestelden is aangehouden op het ogenblik van de verwijzing door de raadkamer, voor iedereen 24 uur bedraagt, te rekenen vanaf de beschikking.
Deze wijziging treedt de bestaande rechtspraak bij.
Stemming
Amendement nr. 16 van de regering wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikel 7 (artikel 8 van de aangenomen tekst)
De heer Vandenberghe dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 2-672/2) dat in de Franse tekst het woord « plus » vervangt door het woord « pas », teneinde de conformiteit met de Nederlandse tekst te herstellen.
De minister stemt hiermee in.
Stemming
Amendement nr. 9 van de heer Vandenberghe wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Artikelen 7bis en 7ter (artikelen 9 en 10 van de aangenomen tekst)
De regering dient de amendementen nrs. 17 en 18 in (stuk Senaat, nr. 2-672/3) die ertoe strekken in het Wetboek van strafvordering een artikel 482bis, respectievelijk 503bis in te voegen.
Deze amendementen zijn het gevolg van het arrest van 22 juni 2000 van het Europees Hof voor Rechten van de Mens inzake Coëme tegen België.
Stemmingen
Amendement nr. 17 van de regering wordt aangenomen met 8 stemmen bij 2 onthoudingen.
Amendement nr. 18 van de regering wordt aangenomen met 7 stemmen bij 3 onthoudingen.
Artikel 8 (artikel 11 van de aangenomen tekst)
De heer Vandenberghe dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 2-672/2, amendement nr. 10), dat artikel 8 in overeenstemming brengt met het opschrift van het wetsontwerp. Voor de toelichting kan worden verwezen naar de bespreking van amendement nr. 11 met betrekking tot het opschrift.
De minister onderstreept dat de wet reeds is gepubliceerd, maar nog niet in voege getreden.
Een lid merkt op dat het ontwerp geen wijzigingen aanbrengt van artikel 28quinquies van het Wetboek van strafvordering. Nochtans maakt het rapport van de heer Liégeois melding van de problemen die rijzen met de interpretatie van de term « proces-verbaal van het verhoor ». Indien men een proces-verbaal van verhoor aan de betrokkene overhandigt, moet men zich dan beperken tot de weergave van de woorden die de persoon heeft gesproken of kan men ook appreciaties weergeven van de persoon die de betrokkene heeft verhoord ? Zijn er problemen in de praktijk over de inhoud van het proces-verbaal ?
De minister antwoordt dat deze term in de praktijk slechts zeer weinig problemen stelt. De richtlijnen terzake zijn vrij duidelijk uitgewerkt. Er kunnen enkel problemen rijzen bij confrontatie-processen-verbaal waar twee verklaringen door elkaar lopen, en bij verhoor van minderjarigen. Er wordt hiervoor echter een praktische oplossing uitgewerkt bij omzendbrief.
Stemming
Amendemet nr. 10 van de heer Vandenberghe wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.
Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel is aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.
Vertrouwen is geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Jean-François ISTASSE. | Josy DUBIÉ. |