2-326/5 | 2-326/5 |
15 MEI 2001
De commissie voor de Justitie heeft dit wetsvoorstel besproken tijdens haar vergaderingen van 17 mei, 7 en 29 november, 6 en 13 december 2000, 17 januari, 27 maart en 15 mei 2001.
Soms valt het voor dat een vrijwillige hulpverlener zelf het slachtoffer wordt van zijn optreden. Het kan gebeuren dat een vrijwillige hulpverlener ernstige schade wordt berokkend door zijn daad van moed of dat die daad zelfs zijn overlijden tot gevolg heeft.
Er bestaat geen systeem van schadeloosstelling wanneer een vrijwillige hulpverlener een daad van moed stelt. De ziekenhuiskosten zijn ten laste van de hulpverlener.
Die toestand is abnormaal, zowel vanuit moreel als vanuit juridisch oogpunt.
Dit voorstel strekt dan ook ertoe staatshulp te verlenen aan een vrijwillige hulpverlener en eventueel aan zijn rechthebbenden, wanneer de moedige daad die hij heeft gesteld, hem schade heeft berokkend of zijn overlijden tot gevolg heeft gehad.
Het systeem van schadeloosstelling waarin het voorstel voorziet, is geënt op dat voor de slachtoffers van gewelddaden (wet van 1 augustus 1985). Het toepassingsgebied van het voorstel wordt vastgesteld via een definitie van de begrippen « vrijwillige hulpverlener » en « daden van moed ».
De financiële regeling voor die bepalingen vormt daarbij het probleem.
De financiële gevolgen van het voorstel zijn klein. Het is moeilijk precies vast te stellen hoeveel reddingsdaden er worden gesteld, maar als men ervan uitgaat dat er jaarlijks een dertigtal reddingsdaden zijn, dan mag worden aangenomen dat amper in 10 % van die gevallen sprake kan zijn van een schadevergoeding voor de lichamelijke schade of het overlijden (om de vier jaar doet er zich een reddingsdaad met fatale afloop voor). Het gaat geenszins om een statutaire hulpverlener.
De financiële weerslag zou dus beperkt blijven tot enkele miljoenen per jaar.
Er zou moeten worden nagedacht over de oprichting van een fonds dat dergelijke vrijwillige hulpverleners en hun familieleden ter hulp kan komen.
De minister kan het oogmerk en het opzet van het wetsvoorstel steunen. Wel zijn er volgende technische bedenkingen :
1) de vrijwillige hulpverlener is het slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad
Zonder dat er een nieuwe wet wordt goedgekeurd, kan de commissie nu reeds tussenbeide komen en hulp toekennen. Volgens de wet van 1 augustus 1985 wordt de hulp billijk toegekend, waarbij onder meer met het gedrag van het slachtoffer rekening wordt gehouden. Vast staat dat de commissie blijk kan geven van meer vrijgevigheid voor een slachtoffer dat blijk van grote moed heeft gegeven.
Daarenboven voorziet artikel 42 van de wet van 1 augustus 1985 ook in een speciale schadevergoeding voor particulieren die vrijwillig hulp verlenen aan een slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad of van een ontploffing van een oorlogstuig of een bomauto. In dat geval is niet de commissie bevoegd, maar wel de minister van Justitie. Het gaat om een forfaitaire schadevergoeding, die echter maar wordt toegekend als de persoon in kwestie blijvend volledig gehandicapt is of overlijdt.
Het wetsvoorstel vormt een overlapping met de huidige wetgeving. Het is mogelijk artikel 42 te wijzigen in plaats van artikelen 43bis en volgende in te voegen.
2) de vrijwillige hulpverlener is niet het slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad
Er bestaan vele soorten hulpverleners. Men kan een daad van moed stellen bij een verkeersongeval, een natuurramp, in het kader van een arbeidsovereenkomst, enz. De persoon aan wie men hulp verleent, kan zelf de situatie hebben veroorzaakt. In geval van lichamelijke schade, zal de hulpverlener aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming van degene die de schade heeft veroorzaakt, op voorzieningen inzake sociale zekerheid, privé-verzekeringen, ... Daarenboven kan de volgende vraag worden gesteld : in hoeverre is degene voor wie de daad van moed wordt gesteld, niet verplicht de vrijwillige hulpverlener schadeloos te stellen (cf. het begrip « beheer van zaken » artikelen 1372 en volgende van het Burgerlijk Wetboek waar iemand in dienst kan worden genomen zonder fout noch overeenkomst) ?
Momenteel valt zoiets zeker niet onder de bevoegdheid van de commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Die commissie is een bijzonder administratief rechtscollege. Ze werd opgericht voor de gevallen waarin sprake is van opzettelijke gewelddaden. Het blijkt moeilijk te zijn om haar bevoegdheid in een andere materie te geven.
Als wordt aangenomen dat de commissie bevoegd is voor gevallen waarin er geen sprake is van opzettelijk geweld, dan kunnen andere slachtoffers ook aanspraak maken op hulp, zoals bijvoorbeeld slachtoffers van verkeersongevallen, medische fouten, enz.
Daarnaast rijst er nog het probleem van de financiële middelen : in tegenstelling tot wat in het wetsvoorstel wordt bepaald, valt het fonds waarvan sprake is in artikel 28 van de wet van 1 augustus 1985 niet onder de begroting van het ministerie van Justitie. Dat fonds wordt gestijfd met de opbrengst van een bijkomende veroordeling bij een strafrechtelijke of correctionele zware straf. Die zware straf kan het gevolg zijn van een overtreding als gevolg van opzettelijk geweld of van een overtreding die uit onvoorzichtigheid werd begaan. Organisaties die opkomen voor de rechten van de slachtoffers van verkeersongevallen vragen dat de opbrengst van de overtredingen uit onvoorzichtigheid gaat naar de slachtoffers van verkeersongevallen en niet naar slachtoffers van gewelddaden. Daarover dient men zich te beraden.
Het is dus een erg ingewikkeld probleem. Het omvat meer dan alleen maar de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Men zou kunnen voorzien in een forfaitaire schadevergoeding die zou worden toegekend los van de toepassing van mechanismen inzake sociale zekerheid en privé-verzekeringen, of los van de tussenkomt van degene die voor de schade verantwoordelijk is. Er zou een andere commissie kunnen worden opgericht, men zou één of meer ministeries met dat werk kunnen belasten en subsidies kunnen toekennen aan VZW's belast met de hulp aan vrijwillige hulpverleners. Er dient te worden op gewezen dat de gemeenschappen bevoegd zijn inzake bijstand aan personen.
Conclusie
De situatie van vrijwillige hulpverleners verdient bijzondere aandacht. Dat probleem doet tal van vragen rijzen. Er zou een algemene studie moeten worden gemaakt omtrent de slachtoffers of personen die in aanmerking zouden moeten komen voor hulp. Het doel van die studie zou zijn na te gaan welke categorieën personen bijzondere aandacht verdienen, te bepalen hoe de Staat of de gemeenschappen tussenbeide kunnen komen of voor te stellen dat wordt voorzien in bijzondere mechanismen en dat de grenzen van de hulp worden bepaald.
De minister stelt voor een werkgroep op te richten of minstens een aantal experten te horen in deze zeer specifieke materie, eventueel personen van de commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.
Een lid is van oordeel dat men de zaken nogal ingewikkeld maakt. Tachtig procent van de opmerkingen van de minister valt buiten het toepassingsgebied van het voorliggende wetsvoorstel. Het wetsvoorstel heeft inderdaad geen betrekking op de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.
Het lijkt hem nuttig de voorzitter te horen van het Nationaal Werk van hulpverlening aan de wezen van de slachtoffers van daden van moed (de heer Dirick). Deze persoon kan verduidelijken waarover het in concreto gaat. Het humaan en financieel karakter van deze zaak kan worden toegelicht.
Een lid is van oordeel dat de definitie van een « vrijwillige hulpverlener » nader moet worden uitgewerkt (ten opzichte van het « vrijwilligerswerk »).
Een tweede vraag betreft het onderscheid tussen het fonds ten laste van het ministerie van Justitie en een fonds ten laste van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Waarom dit onderscheid ?
Waarom moet dat fonds een schadevergoeding uitbetalen als een derde aansprakelijk is (is degene die aansprakelijk is voor opzettelijke brandstichting, ook aansprakelijk voor de brandwonden van het slachtoffer en van degene die heeft geprobeerd te voorkomen dat die persoon brandwonden opliep ) ? Moet de gemeenschap een persoon schadeloos stellen als de aansprakelijkheid bij een derde ligt ?
Welk orgaan bepaalt wat als een daad van moed kan worden beschouwd ? Is het verlenen van hulp aan iemand die zich in gevaar bevindt, een daad van moed of gaat het om de naleving van de wetsbepaling die verplicht dat men een persoon in gevaar te hulp snelt ?
Spreker besluit dat hij wel akkoord kan gaan met het principe vervat in het voorstel. Men mag een persoon niet verwijten een daad van moed te hebben gesteld.
De indiener van het wetsvoorstel antwoordt, met betrekking tot de definitie, dat men uiteraard niet de « beroepsvrijwilliger » beoogt. Het gaat om de persoon die, zeer uitzonderlijk, een daad van moed stelt. De definitie moet worden onderzocht.
Waarom het onderscheid tussen het fonds binnen het ministerie van Justitie en het fonds binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken ?
Bij het ministerie van Justitie bestaat er een speciaal fonds dat wordt gestijfd met onder meer de opbrengst van de boetes. Op de hulp van dat fonds kan een beroep worden gedaan, als de schuldige de schade niet kan vergoeden (artikel 31) (voorbeeld : schuldige zonder financiële middelen). In dat geval is er duidelijk sprake van een fout die door een derde is begaan.
De middelen voor het fonds bij het ministerie van Binnenlandse Zaken zullen daarentegen worden ingeschreven op de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat fonds zal tegemoet komen komen als er geen sprake is van aansprakelijkheid van derden.
De Commissie voor de hulp aan slachtoffers bij daden van moed zal bepalen of het slachtoffer voldoet aan de voorwaarden voor schadevergoeding en bepaalt het bedrag van de vergoeding (zie Commissie voor de hulp aan de slachtoffers van gewelddaden).
Mutatis mutandis zal de Koning de bepalingen toepassen inzake de opzettelijke gewelddaden. Het is niet nodig een aparte juridische structuur in het leven te roepen.
Een lid vraagt of het voorstel van toepassing is als hulp wordt verleend in geval van een zelfmoordpoging.
De auteur van het voorstel geeft een bevestigend antwoord, met dien verstande dat er geen sprake mag zijn van een fout.
Een lid van de commissie wenst dat verslag wordt uitgebracht over de werking van de bestaande administratieve commissie. Er mag niet worden vergeten dat die commissie een discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft.
Wat is er bepaald op het vlak van de termijnen ? Is de duur van de procedure redelijk ? Hoe staat het met het onderzoek van de dossiers ? Hoe is de commissie samengesteld ?
Een andere vraag heeft betrekking op het onderscheid tussen Belgen en buitenlanders en tussen het stellen van een daad in België en in het buitenland.
Heeft het zin dat onderscheid te maken ? Gaat het niet om een discriminatie die in de wet zit ingebakken ?
Gaat men niet te ver als men ook rekening houdt met daden die in het buitenland worden gesteld ?
Een lid gaat akkoord met de doelstelling van het wetsvoorstel. Het lijkt haar een goed idee na te gaan hoe de Commissie voor de hulp aan slachtoffers van gewelddaden momenteel werkt.
Wat betreft de definitie vraagt spreekster zich af of de woorden « iemand die in levensgevaar verkeert te helpen » niet al te beperkend zijn. Volstaat het gewoon gevaar niet ?
Een tweede opmerking betreft het gemaakte onderscheid op het vlak van nationaliteit. Wat ten aanzien van asielzoekers ?
Een lid meent dat er inderdaad een juridisch-technisch probleem rijst bij de samenloop van de toepassing van voorliggend wetsvoorstel en de werking van de gemeenrechtelijke regels van aansprakelijkheid.
Er zijn twee mogelijke hypothesen : ofwel begaat de hulpverlener een fout, ofwel is dit niet het geval. Indien iemand die niet kan zwemmen in het water springt om hulp te bieden, begaat hij ongetwijfeld een onaanvaardbare lichtzinnigheid. Als de redder een fout begaat, wat is dan het gevolg op het vlak van de aansprakelijkheid ? Is de daad van moed volledig neutraal ? Quid indien de daad van moed een daad van overmoed is ?
In de tweede hypothese begaat de redder geen fout. Hierbij zijn verschillende onderverdelingen mogelijk.
In een eerste geval begaan noch de redder noch het slachtoffer een fout. Dit valt ongetwijfeld onder de wettelijke regeling.
In een tweede geval begaat het slachtoffer een fout. Kan de redder tegen het slachtoffer een vordering in aansprakelijkheid instellen voor de vergoeding van zijn schade ?
In een derde hypothese begaan noch de redder noch het slachtoffer een fout, maar begaat een derde een fout. Heeft de redder voor de vergoeding van zijn schade een vordering tegen deze derde ?
Indien men de tussenkomst van het fonds in deze hypothese mogelijk acht, zou men uitdrukkelijk moeten stellen dat de redder zijn vordering niet kan cumuleren met een vordering krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Bovendien zou de minister van Justitie in dat geval een regresvordering moeten kunnen uitoefenen tegen de aansprakelijke derde.
Wat met de redder die tussenbeide komt in een verkeersongeval ? Is artikel 29bis (objectieve aansprakelijkheid tegenover de zwakke weggebruiker) van de wet op de motorrijtuigenverzekering dan toepasselijk ? Is slachtoffer in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet, iedereen die betrokken is bij het auto-ongeval ? Het begrip « betrokken zijn bij het auto-ongeval » is breder dan het causaal verband.
Spreker meent uiteraard dat een daad van moed noodzakelijkerwijze moet worden vergoed. Uiteraard is definiëring noodzakelijk en moet men duidelijk de gevallen onderzoeken waarbij een vergoeding reeds is toegekend.
Indien het fonds betaalt, zou de indeplaatsstelling van het fonds moeten worden overwogen.
Een lid verduidelijkt dat de samenstelling van de commissie werd bepaald bij koninklijk besluit. Er zijn twee kamers, die elk samengesteld zijn uit drie leden. Een magistraat zit voor, de andere leden zijn een advocaat en een ambtenaar. De procedure is duidelijk vastgesteld bij koninklijk besluit.
Het onderscheid met betrekking tot de nationaliteit werd overgenomen uit de wet van 1 augustus 1985, gewijzigd door de wet van 17 februari 1997. Het wetsvoorstel wil tevens tegemoetkomen aan de situatie waarbij een Belg een daad van moed stelt in het buitenland.
Spreker begrijpt dat deze bepaling voor sommigen te ver gaat en dat er een bewijsprobleem kan zijn.
Tussenkomst bij levensgevaar of bij ernstig gevaar is een optie die moet worden genomen. Hierover kan worden gediscussieerd.
Wat betreft de subrogatie, verwijst spreker naar de reeds bestaande wetgeving. De wet op schadevergoeding bij slachtoffers van opzettelijke gewelddaden vermeldt dat de Staat in de plaats wordt gesteld van de begunstigde tegen de aansprakelijke derde. De commissie kan ook rekening houden met de financiële toestand van het slachtoffer.
De commissie moet rekening houden met alle omstandigheden en enkel de werkelijke slachtoffers van een daad van moed vergoeden.
Een lid meent dat het onderscheid tussen Belg en niet-Belg dient te worden opgeheven voor daden die in België zijn verricht.
Het feit dat ook de in het buitenland gestelde daden van moed kunnen worden vergoed, kan verregaande gevolgen hebben.
Tevens wenst spreker te weten hoeveel geld er in het fonds zit.
Een lid heeft de indruk dat de commissie zich kan scharen achter de doelstelling van het voorstel. De samenleving moet waardering hebben voor personen die hun eigen leven in gevaar brengen om een ander te redden. Schiet het wetsvoorstel zijn doel echter niet voorbij ?
De redder kan worden betrokken bij een langdurige gerechtelijke procedure over de vraag wie uiteindelijk verantwoordelijk is. De daad moet worden vergoed, en de hulpverlener moet de afhandeling van een langgerekte procedure niet afwachten.
Een lid verwijst naar artikel 36 : « La commission statue en équité. » De wet volstaat. Uiteraard rijst de vraag naar de werking van de commissie. Zij heeft echter de wettelijke mogelijkheid voorschotten te verlenen. De commissie beslist hoorzittingen te organiseren.
de heer Jean-Claude Dirick en mevrouw Orban, respectievelijk voorzitter en secretaresse van het Nationaal Werk van hulpverlening aan de wezen van de slachtoffers van moed en zelfopoffering;
de heer Philippe Verhoeve, adjunct-adviseur bij de Commissie voor hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden;
de heer Olivier Crabbe, adjunct-adviseur bij de Steundienst slachtofferzorg;
de heer Pierre Lecour, penningmeester van het Koninklijk Nationaal Verbond der maatschappijen van gedecoreerden voor daden van moed;
de heer Alphonse de Decker, bestuurder van de Koninklijke Maatschappij « de redders van Antwerpen ».
1. Uiteenzetting van de heer Dirick, voorzitter van het Nationaal Werk van hulpverlening aan de wezen van de slachtoffers van moed en zelfopoffering
In België zijn er meerdere verenigingen van redders werkzaam. Spreker geeft enkele voorbeelden, zoals :
la Fédération nationale des sociétés de sauveteurs;
de « redders van Antwerpen et Merksem »;
de « redders van Gent »;
les sauveteurs et ambulanciers du Tournaisis;
l'OEuvre nationale de parrainage des orphelins de victimes d'actes de courage.
Spreker is zelf voorzitter van het Nationaal Werk van hulpverlening aan de wezen van de slachtoffers van daden van moed en zelfopoffering. Deze vereniging is werkzaam op het volledige Belgisch grondgebied. De genoemde verenigingen zijn sinds geruime tijd werkzaam en tellen enkele honderden leden.
Het nationaal werk werd opgericht in 1962 bij de invoering van de artikelen betreffende « het niet verschaffen van hulp aan personen in nood » in het Strafwetboek. De vraag rees naar de schadeloosstelling van de personen die hun leven op het spel zetten om een andere persoon te redden. De benaming van het nationaal werk toont duidelijk aan welke de bedoeling was van de vereniging, namelijk het ten laste nemen van de wezen van de slachtoffers van daden van moed.
Die organisatie heeft zich vooral toegelegd op de burgerlijke erkenning, sedert 1972, van bepaalde daden die jonge hulpverleners hebben gesteld, meer bepaald studenten (toekenning van studiebeurzen).
De wet van 1 augustus 1985 zorgt voor een bewustwording van de slachtofferrol van bepaalde personen in duidelijk omschreven gevallen, meer bepaald gevallen waarin opzettelijke gewelddaden worden gepleegd die in strijd zijn met het strafrecht. In die erg goed uitgewerkte tekst is sprake van een bijzondere hulp aan vrijwillige hulpverleners in speciale gevallen, meer bepaald gevallen waarin sprake is van geweld bij overtredingen van de strafwet. Waarom heeft men geen regeling uitgewerkt voor alle andere vrijwillige hulpverleners die hun daad stellen in toevallige en buitengewone omstandigheden ?
De organisatie is gedurende ettelijke jaren opgetreden als voogd voor een dertigtal wezen van ouders die het leven lieten bij daden van moed. De echtgenoten, vooral weduwen, hebben het met familieleden ten laste moeten rooien met betrekkelijk lage overlevingspensioenen.
Met het statuut van vrijwillige hulpverlener wil men bereiken dat dergelijke personen door de staat ten laste worden genomen in een poging om hun moeilijke levensomstandigheden te verbeteren. Het fonds van 1985 voorziet reeds in tal van ingrijpende maatregelen voor slachtoffers, meer bepaald voor de rechtstreekse slachtoffers (de hulpverleners) en de onrechtstreekse slachtoffers (de getroffen familie) van gewelddaden in strijd met het strafrecht. Een daad van moed wordt door de gehele bevolking erkend. In sommige gevallen overlijdt de hulpverlener en soms loopt hij verwondingen op. Elk jaar zijn er een dertig tot veertig van die daden. In de meeste gevallen loopt het goed af.
In andere gevallen is de redder gewond en heeft hij niet de nodige financiële middelen om zich te laten verzorgen.
De commissie heeft de jongste jaren meer dan een miljoen frank overhandigd. De financiële impact is dus gering.
Het gaat om een belangrijke bijdrage in de erkenning door het Rijk van burgers die hun leven op het spel hebben gezet en in sommige gevallen zijn overleden.
Enkele supplementaire miljoenen zouden welkom zijn om de gewonde redders tevreden te stellen.
Een daad van moed kan nooit worden voorspeld. Met een tamelijk beperkt aantal financiële middelen zou men voor de enkele ernstige gevallen die zich jaarlijks in België voordoen, gemakkelijk een bevestiging kunnen geven van de erkentelijkheid van de Staat, die reeds in de vorm van een medaille wordt uitgedrukt.
Een lid vraagt of het voorliggende wetsvoorstel tegemoetkomt aan de bekommernissen van de spreker.
De heer Dirick antwoordt bevestigend.
2. Uiteenzetting van de heer Verhoeve, adjunct-adviseur bij de Commissie voor hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden
Spreker verontschuldigt de voorzitter, mevrouw Delesie. Sinds 1983 staat hij aan het hoofd van het secretariaat van de commissie. De uiteenzetting van de heer Dirick kan ook worden teruggevonden in de verhalen van de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Een aantal slachtoffers moet worden afgewezen. Ook in de wet van 1985 wordt niet in een oplossing voorzien voor alle mogelijke slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.
De commissie voor hulp aan slachtoffers vindt het voorstel zeer welkom. Er moet aandacht worden besteed aan de slachtoffers van daden van moed. Zij heeft echter wel een belangrijke bedenking, namelijk de vraag of deze bevoegdheid moet worden toegekend aan deze commissie of aan iemand anders. Wie gaat het geld verdelen ? De commissie is er niet van overtuigd dat zij bevoegd zou zijn. De benaming van de commissie « hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden » is misleidend. Hoe gaan de slachtoffers van daden van moed weten dat zij zich tot deze commissie moeten wenden ?
In de wet van 1985 zijn er twee belangrijke afdelingen. Afdeling II (artikel 28 en volgende) en afdeling III met betrekking tot de bijzondere vergoeding. Deze bepaalt dat de vergoeding eveneens kan worden toegekend aan een persoon die in een toestand van blijvende algehele invaliditeit verkeert als gevolg van vrijwillige hulpverlening aan een slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad. Deze afdeling III voorziet reeds in de mogelijkheid om aan een hulpverlener een bijzondere vergoeding toe te komen. Deze vergoeding bedraagt 750 000 frank (geïndexeerd) en is dus reeds hoger dan wat de commissie kan toekennen. Deze vergoeding wordt toegekend door de minister van Justitie en niet door de commissie.
Spreker merkt wel op dat voor de toepassing van afdeling III wordt vereist dat het slachtoffer of de vrijwillige hulpverlener overleden is of een blijvende algehele invaliditeit kent. In deze afdeling III vallen dus nog een aantal mensen uit de boot. Met een beperkte invaliditeit komt men niet in aanmerking voor dit regime, maar komt men wel in aanmerking voor afdeling II. Eigenlijk zijn er zeer weinig dossiers ingediend met betrekking tot daden van moed. Daden van moed komen weinig voor, maar zijn meestal zeer tragisch.
Spreker wenst nog een aantal bedenkingen te uiten over de artikelen zelf, incoherenties tussen de wet van 1985 en het voorstel van de heer Monfils.
Artikel 43ter
Eerste lid : aan de Staat vragen « via het fonds » ...
Wie betaalt uiteindelijk deze vergoeding : het fonds (dit wil zeggen de daders van bepaalde misdrijven) of de minister van Justitie/Binnenlandse Zaken ?
Wordt hier « via het fonds » de commissie of het fonds bedoeld ? Men zou kunen denken dat hiermee de commissie bedoeld wordt, want in artikel 43quater is er sprake van enerzijds toekenning door het fonds en anderzijds de begroting van het ministerie van Justitie of Binnenlandse Zaken. Dit wil zeggen een gelijkaardig financieringsmechanisme als hetgeen gehanteerd wordt voor de bijzondere vergoeding van afdeling III.
« ... legt de kosten ten laste van het ministerie van Justitie, via het fonds bepaald in artikel 28 van de wet » :
Betekent dit :
een krediet op het budget Justitie, gefinancierd via het fonds (zoals afdeling II);
of
toe te kennen door de commissie en te betalen door het ministerie (zoals afdeling III) : de volgende zin « in dit geval ... » duidt veeleer op deze oplossing.
« in dit geval wordt de noodzakelijke schadevergoeding uitgetrokken op de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en gestort aan het in artikel 28 bedoelde fonds » : dit lijkt mij een vrij ingewikkelde betalingsregeling.
Tweede lid :
Er wordt verwezen naar artikel 31, § 2 : dit artikel vereist een opzettelijke gewelddaad, en onrechtstreeks naar artikel 30, § 1, dat een vonnis of burgerlijke partijstelling vereist : dit zal niet altijd voorhanden zijn. Zie de opmerkingen onder b).
Derde lid : geldt ook in het buitenland (afdeling II en afdeling III gelden daar niet)
Dit zorgt voor discriminatie tussen daders van moed onderling : indien de feiten een opzettelijke gewelddaad uitmaken wordt de plaats van de daad beperkt tot België (artikel 31, § 1, of artikel 42, § 4, juncto artikel 42, § 6). In alle andere gevallen (waarin in dit wetsvoorstel wordt voorzien) mag de daad ook in het buitenland gepleegd zijn.
Artikel 43quater
Eerste lid :
Een dubbel gebruik met afdeling II is mogelijk.
Kan iemand de twee hulpen aanvragen ? Afdeling II, voorziet in artikel 31, § 1, 1, het subsidiariteitsbeginsel, waardoor dubbel gebruik in deze richting uitgesloten lijkt.
Welk systeem heeft voorrang : afdeling II of afdeling IIIbis : deze vraag wordt relevant indien de betaling niet door het fonds moet gebeuren maar door de minister van Justitie.
Artikel 43quinquies
« rechthebbende » : wat betekent dit ?
Artikel 43ter hanteert dezelfde begrippen als afdeling II : betekent het gebruik van deze term
een inkrimping : alleen erfgenamen in de strikte zin, of
een verruiming : overerving van dit recht, wanneer betrokkene niet overlijdt ten gevolge van de daad van moed ?
Een oplossing zou kunnen zijn :
De vrijwillige hulpverlener of de door artikel 31, § 2, bedoelde personen ... Merk op dat in casu nog een oplossing moet worden gevonden voor het probleem dat onder artikel 43ter, tweede lid, aangehaald werd.
Verwijziging naar artikel 36 : zie infra.
Artikel 43sexies
Verwijzing naar artikel 45, tweede lid
Wordt hier verwezen naar artikel 43quater, tweede lid.
Binnen de drie jaar na de feite : dat wil zeggen dat voor de rest de termijn van afdeling II geldt (binnen drie jaar na een vonnis).
Uitspraak binnen het jaar : alleen in dit geval.
Artikel 43septies
Dat wil zeggen dat het subsidiariteitsbeginsel geldt.
De wetgever geeft aan de Koning de bevoegdheid om de wet aan te passen.
In afdeling II is in deze mogelijkheid enkel voorzien voor bedragen en dan alleen via in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Het zou beter zijn dat de wetgever zelf de wet wijzigt en dat met betrekking tot de procedure door de Koning een afdeling Xbis en hoofdstuk IV of een hoofdstuk IVbis zou ingevoerd worden in het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.
Artikelen die aanleiding kunnen geven tot problemen :
Artikel 30 : benaming van de commissie ?
Artikel 31, § 1, als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad.
Artikel 31, § 1, 3 : burgerlijke partijstelling rechtstreekse dagvaarding procedure.
Artikel 31, § 2 : ten gevolge van een opzettelijke gewelddaad.
Artikel 34, § 1, 3 : beschrijving van de opzettelijke gewelddaad.
Artikel 34, § 1, 5 : vermelding klacht burgerlijke partijstelling datum beslissing.
Artikel 34, § 1, laatste paragraaf : afschrift.
Artikel 34, § 2
Artikel 34, § 3
Artikel 34, § 4 : mededeling strafdossier.
Artikel 36, § 2
Artikel 38, § 1
Artikel 40 : datum van inwerkingreding.
Artikel 12 van de wet van 18 februari 1997 tot wijziging van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden : datum van inwerkingtreding.
De heer Crabbe maakt deel uit van de wetswinkels voor slachtoffers. Hij treedt op als vertegenwoordiger van de ministers ten opzichte van de commissie. De taak van de afgevaardigde bestaat erin betogen op te stellen in antwoord op het verzoek vanwege het slachtoffer en aanwezig te zijn op de hoorzittingen van de commissie. Het betreft een advies omtrent de grondslag en de ontvankelijkheid van het verzoek van het slachtoffer.
Hij is het eens met de heer Verhoeve. Er bestaat een verplichting inzake hulp aan een persoon die in gevaar verkeert, aangezien er gevallen zijn geweest waarin personen die dat niet hadden gedaan, werden veroordeeld. De wet van 1 augustus 1985 voorziet in een schadevergoeding voor de slachtoffers van opzettelijke daden. In de rechtspraak wordt rekening gehouden met de daad van moed voor de toekenning van hulp; een slachtoffer dat blijk van moed heeft gegeven, krijgt meer geld. In de wet zelf wordt bepaald dat de commissie rekening moet houden met het gedrag van het slachtoffer, maar een daad van moed wordt als zodanig niet in de wet vermeld. Dat hangt dus af van de kamer die het dossier onderzoekt.
De commissie is opgericht bij de wet van 1 augustus 1985, die voorziet in een bijzondere schadevergoeding (artikel 42) in geval van volledige verlamming of overlijden. Er dient steeds sprake te zijn van een opzettelijke gewelddaad. De hulp wordt toegekend door het ministerie van Justitie.
Uiteraard moet er iets worden gedaan voor slachtoffers die blijk van moed hebben gegeven. De Commissie voor slachtofferhulp mag echter niet bij die schadevergoeding worden betrokken, tenzij er ook sprake is van een opzettelijke gewelddaad.
Er rijzen netelige vragen. Is de minister van Binnenlandse Zaken eveneens bevoegd ? Waarom moet degene die werd gered, niet tussenbeide komen ?
Het wetsvoorstel sluit niet echt aan bij de opvattingen van de Commissie voor slachtofferhulp.
Spreker haalt volgend voorval aan dat enkele maanden geleden gebeurde ten noorden van Antwerpen. Een jongen van 19 jaar misstapt zich van de trein en valt tussen het perron en de trein. Zijn vriend heeft hem kunnen redden, maar werd gewond en bleef 6 maanden ongeschikt. Men moet zich realiseren dat een redding spontaan gebeurt. Niemand denkt aan de eventueel rampzalige gevolgen. Tussenkomst is noodzakelijk om de financiële drama's tegemoet te treden ...
Het wetsvoorstel wordt gesteund.
Zij steunen het wetsvoorstel.
Spreker kan zich volkomen aansluiten bij de heer Dirick. Men moet goed beseffen dat vele redders hun leven of een gedeelte van hun lichaam schenken.
Tevens lijkt het hem dat moeilijk kan worden ingeschat of er al dan niet een gewelddaad heeft plaatsgevonden. Indien hij tussenbeide komt bij een ontploffing, weet de redder bij zijn tussenkomst niet of die ontploffing al dan niet opzettelijk veroorzaakt werd.
Aangezien de redder bij zijn tussenkomst niet weet of het om een opzettelijke daad gaat, moet elke redder gelijk worden behandeld.
Een lid wenst te reageren op de tussenkomst van de heer Verhoeve, die stelde dat de wet van 1 augustus 1985 reeds tegemoetkwam aan verscheidene situaties van daden van moed.
Spreker onderstreept dat de wet van 1 augustus 1985 slachtoffers van opzetttelijke gewelddaden op het oog heeft.
De wet van 1985 beoogt niet de toevallige vrijwilliger, maar wel de beroepsvrijwilliger.
Een wetsvoorstel is dus absoluut noodzakelijk om tegemoet te komen aan de toevallige vrijwilligers. Wel rijst de vraag naar het beste systeem om dit te verwezenlijken ? Sluit men zich aan bij de wet van 1985 ?
Dit lijkt het meest eenvoudig. Het geraamte van de tussenkomst is reeds bepaald en objectiviteit is gewaarborgd. Hoewel de oorsprong verschillend is, zijn de gevolgen van een daad van moed en van opzettelijke gewelddaad gelijklopend. Het is belangrijk dat deze door dezelfde commissie worden behandeld en dat de rechtspraak in verband met een eventueel verantwoordelijke derde op gelijkvormige wijze wordt toegepast. Blijkbaar zijn er wel problemen met betrekking tot de werking van deze commissie. De pers vermeldde onlangs dat een bepaald bedrag (800 miljoen) niet werd verdeeld.
Waarom rijzen deze problemen ? De wet lijkt immers volledig.
De heer Crabbe wijst erop dat de wet van 1985 van algemene aard is en niet alleen op slachtofferhulp betrekking heeft. De bepalingen inzake de hulp aan slachtoffers van opzettelijke daden vallen uiteen in twee delen : de Commissie voor slachtofferhulp en artikel 42. Artikel 42 voorziet in een speciale forfaitaire schadevergoeding voor bepaalde personen. In paragraaf 4 is sprake van de vrijwillige hulp die door een particulier wordt verstrekt. Die persoon, die het slachtoffer is van een opzettelijke gewelddaad, zou een grotere schadevergoeding kunnen krijgen.
De heer Dirick komt tot het besluit dat het voorstel van de heer Monfils betrekking heeft op een materie die in de wet van 1985 niet aan bod komt. Die wet regelt de hulp aan vrijwilligers wanneer het gaat om een opzettelijke gewelddaad die strafrechtelijk wordt bestraft. Waarom zou men niet dezelfde hulp kunnen toekennen op basis van artikel 42 voor alle overige accidentele feiten ? Het onderscheid is erg klein. De artikelen in het strafrecht betreffende het niet verlenen van hulp aan personen die in gevaar verkeren, vormen de band tussen beide gevallen. De parketten stellen ook vervolging in tegen hen die geen hulp bieden in het geval van een toevallig feit. Waarom kunnen ze niet worden vergoed ?
Een lid is van oordeel dat het duidelijk is dat afdeling III niet slaat op de soort van schadevergoeding waarin is voorzien voor alle slachtoffers van opzettelijke gewelddaden zoals bepaald in afdeling II. Het gaat om twee totaal verschillende zaken. In artikel 42 is sprake van een tegemoetkoming van 750 000 frank voor morele schade voor een hele reeks slachtoffers, onverminderd de wet inzake de arbeidsongevallen of de schadeverzekeringen. Het gaat dus om professionelen, ook al treden ze op als vrijwilligers, die schade hebben geleden bij hun optreden. Ze hebben recht op een aanvullende schadevergoeding bovenop de mogelijkheden waarin wordt voorzien door de wetgeving inzake arbeidsongevallen en andere ongevallen.
Het voorstel wil een vergoeding toekennen aan slachtoffers die geen mogelijkheid hebben tot schadevergoeding, behalve een eventuele schadeclaim ten opzichte van een derde die aansprakelijk is voor de gevaarlijke situatie en die dus aan de oorzaak ligt van het optreden van een vrijwillige hulpverlener.
Het voorstel heeft dus wel degelijk betrekking op afdeling II, die zou moeten gelden voor iedereen die slachtoffer is van een daad van zelfopoffering.
Er is een fundamenteel juridisch onderscheid tussen sectie II en sectie III. De auteur van het wetsvoorstel wenst dat sectie II van toepassing is op de slachtoffers van daden van moed.
De heer Crabbe merkt op dat het bedrag van 750 000 frank geïndexeerd is en momenteel ongeveer 3 000 000 frank bedraagt.
Een lid blijft bij zijn standpunt. Deze bijkomende vergoeding voor morele schade is fundamenteel verschillend van de vergoeding die wordt bedoeld in afdeling II, waarbij men wenst tegemoet te komen in alle geleden schade (facturen van hospitalisatie, ziekenvervoer).
De heer Verhoeve wenst tussen te komen over de vraag met betrekking tot de werking van de commissie. De commissie maakte inderdaad het voorwerp uit van een audit van het Rekenhof gedurende ongeveer 6 maanden.
Een gehele reeks dossiers werd onderzocht om de werking van de commissie na te gaan. De pers rapporteerde dat het vijf jaar duurt eer slachtoffers iets krijgen. Men rekent dan wel vanaf de datum van de feiten en niet vanaf de datum van de indiening van de dossiers. Dit onderscheid dient te worden gemaakt. Een dossier binnen de commissie duurt gemiddeld twee jaar. Indien alle elementen van het koninklijk besluit zouden worden gevolgd en de commissie optimaal werkt, duurt het in ieder geval nog 17 maanden vooraleer zij in staat is om iemand financieel te kunnen helpen. Zelfs in geval van noodhulp duurt het nog een jaar. Het systeem is dus inderdaad niet snel.
Het onderscheid tussen afdelingen II en III werd gemaakt om aan te duiden dat men eigenlijk alle kanten uit kan.
Indien men de vergoeding van slachtoffers van daden van moed hecht aan afdeling II, zou men toch een aantal aanpassingen moeten doen om de procedure aan te passen aan de verschillende situaties. De slachtoffers van opzettelijke gewelddaden beschikken immers over een vonnis met burgerlijke partijstelling. Dit bestaat niet voor de slachtoffers van daden van moed. Men kan dus moeilijk dezelfde wetgeving toepassen.
Een lid verwijst naar het voorgestelde artikel 43septies dat bepaalt dat bepalingen van afdeling II van toepassing zijn mits de noodzakelijke aanpassingen door de Koning zijn aangebracht.
De heer Verhoeve is van oordeel dat het Parlement dit zal dienen te regelen, niet de Koning. De procedure wordt immers bepaald door de wet.
De heer Crabbe onderstreept dat ook de benaming van de commissie zal dienen te worden gewijzigd.
Het gaat om twee verschillende procedures. Bij een opzettelijke gewelddaad is er een strafrechtelijke procedure.
Het parket zendt het dossier over.
Voor een vrijwilliger van een daad van moed zal dit dossier moeten worden samengesteld.
De filosofie is verschillend.
Een lid antwoordt dat de benaming geen fundamenteel probleem vormt. Tevens stipt hij aan dat 80 % van de procedure wordt geregeld door het koninklijk besluit van 18 december 1986. Indien er een verantwoordelijke derde is moet deze procedure uiteraard worden gevolgd. De Staat wordt dan in de plaats gesteld.
Uiteraard kan men ook overwegen de bepalingen met betrekking tot de procedure in de wet in te schrijven.
De heer Reys begrijpt niet goed waarom de heren Verhoeven en Crabbe op de rem gaan staan. Zij hebben trouwens zelf uitgelegd dat slachtoffers van daden van moed reeds werden vergoed door de commissie omdat dossiers hangende waren.
De heer Crabbe antwoordt dat deze dossiers vrijwilligers betreffen die de toepassing van artikel 42 vragen. Dit is niet de bevoegdheid van de commissie.
Spreker herhaalt dat de wet van 1985 inderdaad is gebaseerd op de aanwezigheid van een strafrechtelijk element.
Het gaat dus om een totaal verschillende procedure.
Een lid stipt aan dat de procedure zelf niet fundamenteel verschillend kan zijn naargelang het gaat om een procedure met betrekking tot een opzettelijke gewelddaad of om een procedure met betrekking tot een daad van moed.
Zo bepaalt artikel 34, § 4, dat de commissie inlichtingen kan inwinnen over de financiële toestand van de betrokkenen. Er zijn slechts weinig artikelen over de procedure in de wet van 1985. Deze kunnen, eventueel mits kleine aanpassingen (bijvoorbeeld termijnen), worden toegepast op de procedure met betrekking tot daden van moed.
Alle andere bepalingen met betrekking tot de procedure staan in het koninklijk besluit van 18 december 1986.
Spreker ziet het nut van een afzonderlijk systeem niet in. De grond van de zaak wordt hier helemaal niet gewijzigd.
De indiener van het wetsvoorstel stelt voor amendementen voor te bereiden om de aanpassingen door te voeren.
Een lid is het eens met de doelstellingen van de auteur van het wetsvoorstel.
De wet moet echter doeltreffend zijn.
De pers hekelde de langdurige procedure en verzocht de wetgever tussen te komen.
Anderzijds legde de pers de reden van de slechte werking van de commissie bij het gebrek aan middelen, het gebrek aan personeel, en niet bij lacunes in de wet van 1985. Wat is de mening van de Commissie voor hulp aan slachtoffers in verband met de vertraging in de schadeloosstelling van slachtoffers die te wijten zijn aan lacunes in de wet ?
Het voorstel van de heer Monfils strekt ertoe het toepassingsgebied uit te breiden tot personen waarop afdeling II geen betrekking heeft. Wat moet er in de wet worden gewijzigd opdat het politieke doel van het voorstel wordt bereikt ?
Een derde punt heeft betrekking op de bevoegdheid van de minister van Justitie of van de minister van Binnenlandse Zaken. Wat is het standpunt van de Commissie voor slachtofferhulp ?
In welk opzicht zou het gaan om een materie die ressorteert onder de minister van Justitie of onder de minister van Binnenlandse Zaken (aansprakelijkheid van een derde minister van Binnenlandse Zaken) ?
Welke tekst regelt het huidig statuut van vrijwillig brandweerman ?
Hoe gebeurt dat in onze buurlanden ?
De heer Crabbe wijst erop dat hij spreekt als ambtenaar en afgevaardigde van de minister die samenwerkt met de commissie. De Commissie voor slachtofferhulp is een onafhankelijk administratief rechtscollege.
De heer Crabbe brengt advies uit over de dossiers, maar het is de commissie die beslist. Hij maakt deel uit van de centrale administratie die zich ontfermt over de slachtoffers en in dat kader brengt hij advies uit over de wetten en over de werking van de commissie.
Er rijzen reeds problemen op het gebied van de concrete toepassing van de wet van 1985. Daarom is het des te meer verontrustend dat er een nieuw voorstel zou komen waarover niet voldoende werd nagedacht.
Met betrekking tot de bevoegdheid van de minister van Justitie of van de minister van Binnenlandse Zaken deelt de heer Crabbe mee dat de Commissie voor slachtofferhulp onafhankelijk is. Het budget wordt uit een bijzonder fonds gehaald.
Het probleem van de bevoegdheid werd behandeld in het kader van artikel 42. In welke mate valt een vrijwillige daad onder Justitie ? Daarover moet worden nagedacht.
De heer Verhoeve verwijst naar een aantal bepalingen uit het wetsvoorstel waarbij de wet van 1985 wordt toegepast, terwijl aanpassingen zich opdringen.
Artikel 36 over de noodhulp wordt aldus toegepast op slachtoffers van daden van moed. Artikel 36, § 2, stelt echter dat noodhulp kan worden gevraagd zodra de benadeelde zich burgerlijke partij heeft gesteld of een klacht heeft ingediend.
Artikel 31, § 1, 3º, bepaalt dat het slachtoffer zich burgerlijke partij moet hebben gesteld en een vonnis moet hebben. Ook dit zou moeten worden geschrapt.
Deze aanpassingen kunnen niet door de Koning gebeuren.
De wet van 1985 is geschreven met een rechtsstrijd tussen twee partijen voor ogen. Bij een daad van moed is er geen sprake van een discussie.
Men wenst dezelfde procedure van een wet toe te passen op twee verschillende situaties.
Spreker is bevreesd dat het slachtoffer van een daad van moed wordt onderworpen aan een systeem dat eigenlijk niet voor hem bedoeld is en noodzakelijkerwijze met een aantal vertragingen wordt geconfronteerd.
De aanpassingen zouden, in het voordeel van de slachtoffers, zo correct mogelijk moeten worden doorgevoerd.
Indien de wet zonder meer wordt toegepast zullen er praktische problemen rijzen. Het slachtoffer zal niet begrijpen waarom hem bepaalde gegevens worden gevraagd.
De indiener van het voorstel zal dit verder onderzoeken. Men kan preciseren dat een aantal bepalingen niet van toepassing zijn op de daden van moed.
Indien een bijkomende aanpassing noodzakelijk is, kan ook dat bij amendement worden rechtgezet.
Het gaat niet om een strafwet, wel om een wet tot schadeloosstelling en niet ter vervolging van het individu.
De aard van het werk van de commissie wordt niet fundamenteel gewijzigd. De daden van moed zijn eenvoudiger te behandelen. Het zoeken naar aansprakelijkheid is dezelfde. Bovendien zijn er jaarlijks slechts weinig dossiers.
Er zullen amendementen worden ingediend (cf. artikelsgewijze bespreking).
De heer Dirick is van oordeel dat aanpassingen mogelijk zijn. Men moet het menselijk aspect centraal stellen.
Juridische problemen kunnen worden verholpen.
Spreker heeft geen kennis van een toepassing van het voorgestelde systeem in de omringende landen.
Met betrekking tot de pompiers werd de minister van Binnenlandse Zaken verzocht dit probleem te regelen.
Wezen werden reeds opgevangen door zijn verenigingen.
Een lid onderstreept dat het belangrijk is dat personen die daden van moed en zelfopoffering hebben gesteld niet de politieke onmacht zouden aanvoelen op het ogenblik dat ze in een procedure verzeild raken die niet voor hun feitelijke situatie is bedoeld. Dit is juist de bekommernis van de commissie. De mensen mogen niet verloren gaan in een administratief doolhof.
Daarom ook is de benaming van de commissie geen bijkomstigheid, maar een essentieel element.
De bekommernis is een efficiënte en snelle procedure te hebben.
1. Onderzoek van de amendementen nrs. 1 tot 7
Verschillende amendementen werden ingediend om tegemoet te komen aan de gemaakte opmerkingen. Zo stelt het amendement nr. 1 van de heer Monfils (Stuk Senaat, nr. 2-326/2) dat de woorden « vrijwillige hulpverlener » beter worden vervangen door de woorden « toevallige hulpverlener ». De toevallige hulpverlener wordt dan gedefinieerd als eenieder die buiten de uitoefening van een beroepsactiviteit die verband houdt met de veiligheid en buiten welke medewerking ook aan enige vereniging die is opgericht met het doel bijstand en hulp te verlenen aan derden, een daad van moed stelt.
Op de vrijwillige hulpverleners die geen toevallige hulpverleners zijn, is artikel 42 van de wet van 1 augustus 1985 van toepassing. Voorliggend wetsvoorstel beoogt slechts de daden van moed die toevallig gesteld worden door iemand die daarop niet is voorbereid.
Amendement nr. 7 van de heer Dubié (Stuk Senaat, nr. 2-326/2) stelt voor het wetsvoorstel uit te breiden tot personen die iemand helpen die in buitengewoon gevaar verkeert. Amendement nr. 2 van de heer Monfils (Stuk Senaat, nr. 2-326/2) beoogt een verduidelijking van de tekst van het voorgestelde artikel 43ter, tweede lid.
Amendement nr. 3 van de heer Monfils (Stuk Senaat, nr. 2-326/2) vervangt het derde en het vierde lid van het voorgestelde artikel 43ter en bepaalt dat de daad van moed in België gesteld moet zijn. Hierdoor stapt men af van het criterium van de nationaliteit; de nationaliteit van de hulpverlener of het slachtoffer speelt geen rol; het enige criterium dat gehanteerd moet worden is de plaats waar de daad van moed verricht wordt.
Amendement nr. 4 van de heer Monfils (Stuk Senaat, nr. 2-360/2) vervangt de voorgestelde artikelen 43quater tot 43septies als volgt :
« Art. 43quater. De vergoeding kan door het fonds worden toegekend zelfs indien de gevaarlijke toestand die aanleiding heeft gegeven tot de daad van moed, zijn oorsprong niet vindt in een schuld waardoor iemand aansprakelijk kan worden gesteld.
In dat geval is artikel 34 van toepassing op het verzoek tot hulp, met uitzondering van § 1, 5º, § 1, laatste lid, § 3 en § 4, tweede lid.
De commissie raamt zelf de schade die in aanmerking kan worden genomen voor de toekenning van de hulp.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid moet het verzoek tot hulp, op straffe van verval, worden ingediend binnen drie jaar te rekenen van de dag waarop de daad van moed de schade veroorzaakt heeft. De commissie spreekt zich in dat geval definitief uit binnen het jaar volgend op de indiening van het verzoek.
Het verzoek tot storting van noodhulp bedoeld in artikel 36 kan worden ingediend zodra de schade ten gevolge van de daad van moed zichtbaar geworden is.
Art. 43quinquies. Indien de gevaarlijke toestand zijn oorsprong vindt in een schuld waardoor een derde of de geholpen persoon zelf burgerrechtelijk aansprakelijk of strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld, moet het verzoek om hulp voldoen aan de voorschriften van de artikelen 31, § 1, 3º, en 34.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid treedt de Staat van rechtswege in de rechten van de toevallige hulpverlener onder de voorwaarden bedoeld in artikel 38, §§ 1 en 2.
Art. 43sexies. In de gevallen bedoeld in de artikelen 43quater en 43quinquies zijn de artikelen 31, § 1, 1º, 35, 38, § 3, 38, laatste lid, en 39 mede van toepassing.
Art. 43septies. De toevallige hulpverlener of zijn rechthebbende kan aanspraak maken op de hoofdhulp, de noodhulp en de aanvullende hulp bedoeld in de artikelen 33, 36 en 37. »
Voor de organisatie van de procedure die de toevallige hulpverlener moet volgen bij het indienen van het verzoek tot hulp, steunt het wetsvoorstel op de procedure die thans, overeenkomstig de wet van 1 augustus 1985, van toepassing is op slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.
De schadevergoedingsprocedure waarin die wet voorziet, is evenwel zo georganiseerd dat er per definitie steeds een dader is die verantwoordelijk is voor de door het slachtoffer geleden schade.
De rode draad in de wet van 1 augustus 1985 is dus het subsidiariteitsbeginsel : het fonds keert slechts een schadevergoeding uit wanneer de dader die voor de feiten verantwoordelijk is, het slachtoffer niet kan vergoeden. Het slachtoffer wordt dus verzocht de dader van de feiten vooraf burgerrechtelijk aansprakelijk of strafrechtelijk verantwoordelijk te stellen, tenzij wanneer het om noodhulp gaat.
In de gevallen die het voorstel beoogt, gaat het evenwel om een redding in situaties waarvoor niemand verantwoordelijk kan worden gesteld.
Na een algemene verwijzing naar de huidige procedure waarin de wet van 1 augustus 1985 voorziet werd aanvankelijk voorgesteld dat de Koning de nodige aanpassingen zou aanbrengen om rekening te kunnen houden met de omstandigheid dat in een aantal situaties niemand verantwoordelijk kan worden gesteld voor de door de redder geleden schade.
Van die regeling wordt nu afgestapt. Het lijkt immers verkieselijk in het wetsvoorstel de verschillende situaties en hun gevolgen ten opzichte van de bepalingen van de wet van 1 augustus 1985 te preciseren.
Deze amendementen maken een duidelijk onderscheid tussen daden van moed zonder dat er sprake kan zijn van een schuld waardoor iemand aansprakelijk kan worden gesteld en de daden van moed die wel degelijk hun oorsprong vinden in een schuld. Sommige bepalingen zijn van toepassing op de twee gevallen terwijl andere bepalingen van toepassing zijn op een van beide gevallen.
Zo kan er bijvoorbeeld een brand ontstaan ten gevolge van een reeks omstandigheden of toevalligheden waarvoor geen schuldige kan worden aangewezen. De persoon die in die omstandigheden de inwoners van een brandend huis geholpen heeft, moet vanzelfsprekend in aanmerking komen voor de hulp waarin de wet voorziet, ook al is er geen aanwijsbare schuld.
De brand kan evenwel ook te wijten zijn aan een burgerrechtelijke of strafrechtelijke fout die door een derde of door de geholpen persoon is begaan. Is er dus een aanwijsbare schuld, dan zal de schadevergoedingscommissie de redder vragen vooraf het bestaan van de schuld voor de rechter te bewijzen. Gaat de Staat over tot een schadeloosstelling voordat de rechter een uitspraak heeft gedaan, dan treedt de Staat overeenkomstig artikel 38 in de rechten van het slachtoffer tegen degene die als schuldige kan worden aangewezen.
2.1. Bevoegdheid van de minister van Justitie en van de minister van Binnenlandse Zaken
De bevoegdheid van de minister van Justitie om mensen te vergoeden die daden van moed stellen kan worden in vraag gesteld.
De minister verwijst naar de hoorzittingen.
Ten eerste ontbreekt het element opzet in het voorliggende wetsvoorstel. Opzet is nochtans de fundamentele basis bij tussenkomst van de commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.
Het begrip « slachtoffer » wordt niet gebruikt in de gebruikelijke betekenis van het woord binnen Justitie.
Verder kan men verwijzen naar artikel 42 van de wet van 1 augustus 1985.
Dat artikel voorziet in een speciale vergoeding van 750 000 frank voor de morele schade die is geleden door de personen vermeld in § 2 die hun dienst definitief moeten opgeven wegens fysieke ongeschiktheid, of die wordt geleden door hun rechthebbenden, in geval van overlijden.
Die schadevergoeding moet worden uitgekeerd wanneer de schade het gevolg is van feiten die als een opzettelijke gewelddaad kunnen worden gecatalogeerd, of wanneer ze voortvloeit uit de redding van personen van wie het leven in gevaar was.
Indien er sprake is van overlijden of van blijvende invaliditeit ten gevolge van vrijwillige hulpverlening aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, is reeds in een schadevergoeding voorzien.
Ten slotte wordt de interventie van de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden volkomen gewijzigd door voorliggend wetsvoorstel. De commissie zou dan ook geld uitkeren aan slachtoffers, zonder dat ergens sprake is van een strafrechtelijke daad.
De rode draad voor vergoeding door de commissie is precies het strafrechtelijk karakter.
De minister suggereert het wetsvoorstel te laten bestuderen door een grondwetspecialist ten einde uitsluitsel te krijgen over de bevoegdheid van Justitie.
Een lid stipt aan dat deze bedenkingen reeds werden geuit.
Artikel 42 betreft niet het geval bedoeld in het wetsvoorstel.
De speciale schadevergoeding waarvan sprake is in dat artikel, wordt inderdaad toegekend aan de personen vermeld in § 2, meer bepaald :
de personen vermeld in artikel 11 van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht;
de leden van de gemeentepolitie;
de leden van de buitendiensten van de afdeling « Staatsveiligheid », bij het bestuur voor de Staatsveiligheid van het ministerie van Justitie;
de personeelsleden van de strijdkrachten en de burgerlijke personeelsleden van het ministerie van Landsverdediging;
de officieren en leden van de gerechtelijke politie bij de parketten;
de leden van de diensten voor burgerbescherming;
de leden van de brandweerdiensten van de gemeenten, agglomeraties, federaties van gemeenten en intercommunale verenigingen;
de leden van de buitendiensten van het bestuur der strafinrichtingen.
Artikel 42 heeft alleen betrekking op niet-occasionele vrijwillige hulpverleners.
Het wetsvoorstel heeft betrekking op occasionele hulpverleners.
De referentie aan artikel 42, waar het om beroepsvrijwilligers gaat, is irrelevant.
Verder ziet spreker er geen graten in de bevoegdheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken te laten spelen indien er geen fout is. In de gevallen die het voorstel beoogt, gaat het om een redding in situaties waarvoor niemand verantwoordelijk kan worden gesteld.
De voorgestelde artikelen 43quater tot septies (zie amendement nr. 4) maken een duidelijk onderscheid tussen daden van moed zonder dat er sprake kan zijn van een schuld waardoor iemand aansprakelijk kan worden gesteld en de daden van moed die wel degelijk hun oorsprong vinden in een schuld.
Het lijkt verkieslijk dezelfde commissie te laten tussenkomen voor slachtoffers van daden van moed en slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.
De commissie zal dan nagaan of iemand al dan niet aansprakelijk kan worden gesteld.
De bedoeling is aan de procedure van uit de wet van 1 augustus 1985 zo weinig mogelijk wijzigingen aan te brengen.
Een beroep op een grondwetspecialist lijkt niet noodzakelijk. De hulp aan slachtoffers van daden van moed heeft slecht een gering financieel impact.
Een lid gaat akkoord met het principe vervat in het wetsvoorstel. Er moet enkel worden uitgemaakt onder wiens bevoegdheid de vergoeding valt : Justitie of Binnenlandse Zaken ?
Wat is de precieze intentie van de regering om de middelen te vinden om aan de bekommernis van het wetsvoorstel tegemoet te komen ?
Indien Justitie niet wenst tussen te komen, welk is dan daarvoor de precieze reden ? Is dit omdat de sommen toegekend door de commissie worden geput uit veroordelingen of omdat de tegemoetkoming van de commissie gebaseerd is op strafrechtelijke aansprakelijkheid ?
De minister acht het raadzaam contact op te nemen met het kabinet Binnenlandse Zaken. Ook de wet van 1 augustus 1985 is reeds het resultaat van een compromis. Reeds toen werd de bevoegdheid van Justitie in vraag gesteld. Uiteindelijk werd Justitie bevoegd geacht omdat het fonds wordt gespijsd via veroordelingen.
Naar aanleiding van deze discussie, nam de indiener van het wetsvoorstel contact op met de minister van Binnenlandse Zaken, die als volgt stelt :
« Met aandacht heb ik kennnis genomen van het voorstel om in hoofdstuk III van de wet het 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere maatregelen een afdeling IIIbis in te voegen met betrekking tot de slachtoffers van daden van moed. Volgens artikel 43quater mag er een schadevergoeding worden toegekend, zelfs wanneer er geen opzettelijke gewelddaad aan de oorzaak ligt van de situatie die aanleiding gaf tot de daad van moed.
Ik ben van oordeel dat deze materie tot de bevoegdheid van de minister van Justitie behoort. De verplichting die voor iedereen geldt inzake de bijstand aan een persoon in gevaar, tenzij men zelf een ernstig risico loopt, wordt inderdaad geregeld bij de artikelen 422bis en 422ter van het Strafwetboek.
Daarenboven werd bij de wet van 1 augustus 1985 het Fonds voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden ingeschreven op de begroting van het ministerie van Justitie. De Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden beoordeelt zelf de schade die voor de toekenning van hulp in aanmerking kan worden genomen.
De wet van 17 februari 1997 (Belgisch Staatsblad van 11 september 1997) tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 voorziet niet in een vertegenwoordiger van het ministerie van Binnenlandse Zaken in de kamers van die commissie. »
2.2. Bevoegdheid van de gemeenschappen
De minister wijst op een mogelijk bijkomend communautair probleem. Hij verwijst terzake naar de samenwerkingsakkoorden in verband met slachtofferzorg.
Alles wat hulp aan slachtoffers betreft, wordt althans van Vlaamse zijde beschouwd als een bevoegdheid van de Vlaamse regering.
Justitie is enkel bevoegd voor slachtofferonthaal op hoven en rechtbanken.
Langs Franstalige zijde is er geen duidelijkheid.
Een lid meent dat dit nieuw bevoegdheidsconflict weinig steek houdt. Wat dan met artikel 42 van de wet van 1 augustus 1985, waarnaar de regering heeft verwezen ? Hoe valt dit dan te rijmen met de bevoegdheid op grond van de samenwerkingsakkoorden ?
De minister antwoordt dat de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een onafhankelijk administratief rechtscollege is. Het fonds is enkel ingeschreven op de begroting van Justitie.
Een lid leidt hieruit af dat het systeem van 1985 dient te worden behouden. Zijn voorstel wijzigt de concepties en de economie van de wet van 1 augustus 1985 absoluut niet. Het wetsvoorstel strekt er enkel toe dit systeem toe te passen op enkele bijkomende gevallen.
3.1. De voorgestelde vergoedingsregeling
Naar aanleiding van de opmerkingen van de minister, dient de heer Monfils het amendement nr. 8 (Stuk Senaat, nr. 2-326/3) in, luidende :
« Dit artikel vervangen als volgt :
In de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) In het opschrift van afdeling 3 van hoofdstuk III worden de woorden « vrijwillige hulpverleners » vervangen door de woorden « vrijwillige of toevallige hulpverleners ».
B) Artikel 42, § 2, wordt aangevuld met een 9º, luidende :
« 9º aan de toevallige hulpverleners, dat wil zeggen eenieder die buiten de uitoefening van een beroepsactiviteit die verband houdt met de veiligheid en buiten welke medewerking ook aan enige vereniging die is opgericht met het doel bijstand en hulp te verlenen aan derden, een daad stelt om personen te redden van wie het leven in gevaar is. »
C) Artikel 42 wordt aangevuld met een § 4bis, luidende :
« § 4bis. Voor de in § 2, 9º, bedoelde toevallige hulpverleners wordt de bijzondere vergoeding beperkt tot een bedrag van 2 500 000 frank. Die vergoeding vergoedt de schade bedoeld in artikel 32, § 1. Is het slachtoffer overleden aan de gevolgen van zijn reddende daad, dan zijn de rechthebbenden van het slachtoffer de echtgenoot of, wanneer die er niet is, de familieleden ten laste van het slachtoffer. De rechthebbenden kunnen, binnen die perken van 2 500 000 frank, de in artikel 32, § 2, bedoelde schadevergoeding verkrijgen. »
Verantwoording
De wet van 18 februari 1997 voorziet in een uitbreiding van de vergoedingsregeling waarin de wet van 1 augustus 1985 voorzag ten behoeve van sommige slachtoffers.
Artikel 11 van de wet van 1997 heeft de vergoeding immers uitgebreid tot de gevallen « waarin de schade het gevolg is van de redding van personen van wie het leven in gevaar is ». Die uitbreiding was nodig omdat er behoefte was aan een wettelijke compensatie voor de bepaling die zegt dat elke burger zijn medeburgers moet te hulp komen.
Uit de woorden van de toenmalige regering die het initiatief tot die uitbreiding heeft genomen, blijkt duidelijk dat de nieuwe schadevergoeding bedoeld was voor reddingen die los staan van elke opzettelijke gewelddaad. Het voorbeeld dat ter ondersteuning van het regeringsinitiatief is gebruikt (de brand waarvan niet kan worden uitgemaakt of hij te wijten is aan toeval of kwaad opzet) is in dit verband veelzeggend.
Derhalve is het billijk dat de schade die de redder zelf oploopt ten gevolge van zijn reddende daad, in beginsel vergoed wordt. Vandaar de noodzaak om dit principe uit te breiden tot de toevallige hulpverleners, aangezien thans enkel de vrijwillige hulpverleners (brandweerlui, civiele bescherming, Rode-Kruis) aanspraak kunnen maken op vergoeding.
Bovendien lijkt het eveneens billijk de schadevergoedingsbedragen voor de toevallige hulpverleners te verhogen, waarbij een bovengrens van 2 500 000 frank geldt, net als voor de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en waarbij voor hen niet alleen de morele schade maar elke vorm van geleden schade in aanmerking wordt genomen. Objectief beschouwd is dit verschil in behandeling verantwoord : het gaat immers om redders die alleen, zonder enige begeleiding en onvoorbereid hun daad hebben gesteld. In tegenstelling tot de vrijwillige hulpverleners die gewoonlijk goed omringd en degelijk voorbereid zijn op de risico's, kan de toevallige hulpverlener niet rekenen op dezelfde structuren om de geleden schade te beperken en hem een minimale psychologische, sociale en financiële opvang te garanderen.
Amendement nr. 8 is gesteund op een bestaand wettelijk systeem. Er wordt alleen één categorie toegevoegd aan de personen die een vergoeding kunnen krijgen, overeenkomstig artikel 42.
Bovendien worden de schadevergoedingsbedragen voor de toevallige hulpverleners verhoogd. De wet wordt geenszins gewijzigd.
Het verwijt van ongrondwettelijkheid is niet meer aan de orde, wegens de nieuwe basis van amendement nr. 8. Het lijkt hem niet meer nodig naar de Raad van State te gaan. Het gaat hier om een uitbreiding van artikel 42, dat ressorteert onder de federale bevoegdheid.
3.2. Standpunt van de minister
De minister kan zich aansluiten bij het door amendement nr. 8 voorgestelde systeem.
Er is een enkele contradictie met betrekking tot de bedragen. Voor de vrijwillige hulpverleners wordt bepaald dat zij een bijzondere vergoeding ontvangen van 2 500 000 frank. Voor de vrijwillige hulpverlener maakt de wet gewag van 750 000 frank geïndexeerd. Misschien zou het opportuun zijn ook voor hen in te schrijven dat dit 2 500 000 frank bedraagt.
Wat punt c) betreft, moet de verwijzing naar artikel 32 worden verduidelijkt.
Artikel 42 kan immers enkel worden ingeroepen indien een vrijwillige hulpverlener een volledige permanente arbeidsongeschiktheid heeft opgelopen. Een toevallige hulpverlener zou daarentegen kunnen worden vergoed op een ruimere basis. Volgens artikel 32 is immers geen volledige en permanente arbeidsongeschiktheid vereist. Wordt hier geen discriminatie ingebouwd ?
Een lid antwoordt, wat het bedrag betreft, dat er geen andere oplossing bestaat. Men vertrekt immers van het huidige bedrag, wat betekent 2 500 000 frank. Actualisering is noodzakelijk. Men kan onmogelijk in een wet van 2001 inschrijven dat het bedrag 750 000 frank bedraagt, geïndexeerd vanaf 1985. De essentie is echter dat het wel degelijk om hetzelfde bedrag gaat.
Wat het gemaakte onderscheid tussen vrijwillige en toevallige hulpverleners betreft, verduidelijkt de indiener dat dit wel degelijk is gewild. Er is immers ook een verschil tussen de situatie van een vrijwillige en van een toevallige hulpverlener. Een toevallige hulpverlener wordt niet gedekt door enige verzekering. Het gaat dus om verschillende categorieën. De minister behoudt echter de vrijheid al dan niet tegemoet te komen. Het bedrag is beperkt tot 2 500 000 frank, maar de minister kan een hele reeks elementen in aanmerking nemen voor de vergoeding. De wet somt enkel de punten op waarvoor hij kan tegemoetkomen, zonder hem daartoe enigszins te verplichten.
Op verzoek van een lid verduidelijkt hij dat ook het bedrag van 2 500 000 frank gekoppeld is aan het indexcijfer der consumptieprijzen. Dit kan eventueel uitdrukkelijk worden vermeld in § 4bis (zie artikel 42, § 1, laatste lid).
De heer Monfils dient daartoe amendement nr. 15 in (Stuk Senaat, nr. 2-326/4).
Mevrouw De Schamphelaere dient de amendementen nrs. 9 tot 14 in, die een ander systeem voor schadeloosstelling invoeren en het voorstel vervangen.
De bedoeling is de schadevergoeding voor slachtoffers van daden van moed uit de justitiële sfeer te houden.
Het amendement nr. 10 luidt als volgt :
« Het voorgestelde artikel 43bis vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 43bis. § 1. Er wordt een bijzonder Fonds tot hulp van de Staat aan vrijwillige hulpverleners bij daden van moed opgericht bij de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken.
§ 2. De financiering van het in § 1 bedoelde Fonds gebeurt uit de algemene middelen van het ministerie van Binnenlandse Zaken op basis van een door de Koning uit te werken regeling. »
Het verdient de voorkeur het fonds op te richten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het is immers dit ministerie en meer bepaald de dienst Protocol dat de lijst van daden van moed bijhoudt en dat zich met de problematiek van de daden van moed inlaat.
Bovendien kan het opzet van deze regeling zich moeilijk aansluiten bij de logica van de hulp van de Staat aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Deze hulp situeert zich in een justitiële logica, hetgeen vaak op zichzelf aanleiding kan geven tot complexe procedures. Bovendien is het aantal toepassingsgevallen in strafzaken veel hoger.
De extra-justitiële logica, en het beperkt aantal toepassingsgevallen maakt dat hier een eenvoudige en efficiënte procedure bij de minister van Binnenlandse Zaken te verantwoorden is. Dit zal geenszins de creatie van grote diensten vereisen, noch een onaanvaardbare belasting van Binnenlandse Zaken met zich brengen. Een snelle uitkering van de hulp staat centraal.
De financiering van het hier bedoelde fonds gebeurt niet via bijzondere bijdragen naar aanleiding van strafrechtelijke veroordelingen zoals bedoeld in artikel 29 van deze wet, maar wel via de algemene middelen van Binnenlandse Zaken. Ook dit principe strookt beter met de logica van huidig voorstel. De jaarlijkse kost is eerder beperkt.
Ten slotte is het niet de bedoeling de complexe procedure van afdeling II en III over te nemen maar een eenvoudige procedure in te voeren die tot een snelle schadeloosstelling van de vrijwillige hulpverlener kan leiden. Er staat niet in de wet dat bepaalde aspecten van de regelgeving rond de vergoeding van slachtoffers van opzettelijke gewelddaden gelijklopend kunnen zijn met huidige regelgeving. Voor zover zij worden overgenomen, moeten zij worden herhaald in deze afdeling. Dit komt de leesbaarheid van de tekst ten goede.
Een lid verwijst naar het standpunt van de minister van Binnenlandse Zaken (cf. supra). Er is een duidelijk onderscheid tussen het bijhouden van een lijst van daden van moed en de schadeloosstelling ervan.
Indien men opteert voor het in het amendement voorgestelde systeem, moet alles vanaf nul herbeginnen.
Spreker kan zich niet vinden in zulke ingewikkelde procedure. Hij verklaart zich voorstander om de mogelijkheid in te lassen zich schadeloos te laten stellen indien men slachtoffer is van een daad van moed. Men moet hier echter geen « recht » van maken. De minister moet appreciatieruimte hebben bij de behandeling van de ingediende dossiers.
De indiener van de amendementen stipt aan dat het helemaal niet de bedoeling is een zwaardere procedure te creëren. Ook het voorstel van de heer Monfils zal op problemen stuiten wegens de huidige werking van de administratie.
Bovendien is het onjuist dat de amendementen nrs. 9 tot 14 een recht inbouwen op schadeloosstelling. De aanvraag is zeer eenvoudig. De minister kent de hulp toe. Het oordeel blijft bij de minister.
Het amendement nr. 8 en het subamendement nr. 15 worden aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.
De amendementen nrs. 1 tot 7 zijn zonder voorwerp.
De amendementen nrs. 9 tot 14, die een ander systeem beogen, zijn zonder voorwerp.
Artikel 1 wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Het geamendeerde artikel 2 wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.
Het geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Dit verslag is goedgekeurd met 7 stemmen bij 1 onthouding.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Jean-François ISTASSE. | Josy DUBIÉ. |