2-105

2-105

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 29 MAART 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de minister van Landbouw en Middenstand over źde toegelaten arbeid bij arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen╗ (nr. 2-420)

De voorzitter. - De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt.

De heer Jan Steverlynck (CVP). - Een arbeidsongeschikte werknemer mag, mits toestemming van de adviserende geneesheer, zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor onbepaalde tijd cumuleren met een beperkte beroepsactiviteit en dit met toepassing van artikel 100 ž2 van de geco÷rdineerde Wet 14 juli 1994. Daarbij is het van geen belang of het gaat om de voorheen uitgeoefende beroepsactiviteit of om een andere activiteit.

Ook in het stelsel van de zelfstandigen is een `begeleide werkhervatting' mogelijk. De in de praktijk gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandige kan dan, mits toestemming van de adviserende geneesheer, zijn uitkeringen behouden en toch een beroepsactiviteit hervatten.

Hij kan dit ofwel gedurende ten hoogste 6 maanden indien hij een andere beroepsactiviteit hervat, hetzij als zelfstandige of helper, hetzij in een andere hoedanigheid, met toepassing van artikel 23 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, ofwel gedurende 6 maanden, maar verlengbaar tot hoogstens 18 maanden, indien hij dezelfde beroepsactiviteit gedeeltelijk hervat en dit met toepassing van artikel 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, zoals gewijzigd door art. 1 van het koninklijk besluit van 17 november 2000.

Na die termijnen dient de zelfstandige de hervatte bezigheid stop te zetten of zijn uitkeringen te laten vallen. De wetgever gaat er immers van uit dat de zelfstandige in staat moet zijn om voor 100% zijn werkzaamheden te hervatten. In het andere geval kan de zelfstandige enkel voor 100% terugvallen op de ziekte-uitkering. Een gedeeltelijke uitoefening van een beroepsactiviteit is dan niet meer mogelijk.

De beperkte periode van begeleide werkhervatting kan de gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandige voor een verscheurende keuze plaatsen. Ofwel is hij in staat om bijvoorbeeld gedeeltelijk te werken en heeft hij geen recht meer op een ziekte-uitkering ofwel stopt hij zijn beroepsactiviteit volledig en behoudt hij zijn recht op een ziekte-uitkering.

Het minste dat van dergelijke regeling kan worden gesteld is dat ze de hervatting van de beroepsactiviteit niet stimuleert. De als het ware `opgelegde' inactiviteit leidt bovendien op termijn tot sociale uitsluiting. Ook dat komt het genezingsproces niet ten goede. De hele regeling staat dan ook in schril contrast met het begrip actieve welvaartstaat.

Een verschillende behandeling naargelang het gaat om het hervatten van dezelfde beroepsbezigheid of een andere activiteit - een verschil dat onlangs door art. 1 van het koninklijk besluit van 17 november 2000 nog groter geworden is - lijkt mij in dit kader trouwens ook niet langer gerechtvaardigd.

Bij koninklijk besluit van 17 november 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, werden in hetzelfde besluit een artikel 23ter en een artikel 23quater ingevoegd. Hierdoor wordt de zelfstandige die zonder voorafgaande toestemming van de adviserende geneesheer van het ziekenfonds arbeid heeft verricht en daardoor niet meer aan de voorwaarden voor erkenning van de arbeidsongeschiktheid voldoet, toch nog vermoed arbeidsongeschikt erkend te zijn "op voorwaarde dat hij, van geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 procent behouden heeft." Een gelijksoortige regeling bestond reeds bij de loontrekkenden.

Waarom werd de mogelijkheid tot hervatting van de voorheen uitgeoefende zelfstandige beroepsbezigheid (artikel 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971) verruimd van maximum 12 tot maximum 18 maanden, terwijl de hervatting van een andere beroepsbezigheid (artikel 23 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971) tot 6 maanden beperkt bleef? Overweegt de minister maatregelen om de termijn voorzien in artikel 23 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 te verlengen en het verschil in behandeling tussen artikel 23 en artikel 23bis op te heffen? Overweegt hij desgevallend de verwijzing naar maximumtermijnen in artikel 23 en artikel 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 op te heffen en, zoals in het werknemersstelsel, de begeleide werkhervatting voor onbepaalde tijd toe te laten?

Welke draagwijdte hebben de nieuwe artikelen 23ter en quater van het koninklijk besluit van 20 juli 1971? Wat betekent een vermindering van het "vermogen" van ten minste 50%? Gaat het om het vermogen om te arbeiden of om het verdienvermogen? Die vermindering moet bovendien beoordeeld worden "van geneeskundig oogpunt uit". Wat betekenen deze nieuwe begrippen in de ziekteverzekering voor zelfstandigen?

Mogen de nieuwe artikelen 23ter en 23quater in het koninklijk besluit van 20 juli 1971 ge´nterpreteerd worden als een eerste stap naar een "deeltijdse arbeidsongeschiktheid" bij zelfstandigen? Is de minister bereid een onderzoeksopdracht uit te schrijven om de mogelijke invoering van een blijvende deeltijdse arbeidsongeschiktheid in het stelsel van de zelfstandigen te onderzoeken?

De heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. - Minister Vandenbroucke verontschuldigt zich voor zijn afwezigheid. Ik lees zijn antwoord voor.

De problematiek van de verhoging van de activiteitsgraad van de als arbeidsongeschikt erkende gerechtigde is een van de prioriteiten op beleidsvlak. Het RIZIV is op mijn vraag reeds begonnen met een studie en een concrete opdracht wat betreft de uitkeringsverzekering voor de loontrekkenden.

Ik moet hierbij wel bevestigen dat een analoog, even concreet, project voor het stelsel van de zelfstandigen momenteel ontbreekt. Dat betekent echter niet dat ik ongevoelig ben voor het sociaal statuut van de zelfstandigen of er minder prioriteit aan hecht. Zoals de heer Steverlynck ongetwijfeld weet, was het opstarten van de werkgroep Cantillon een van mijn eerste beleidsdaden. Deze werkgroep had als specifieke opdracht het sociaal statuut van de zelfstandigen in totaliteit in beeld te brengen en voorstellen te suggereren. In deze studie komt trouwens ook de toegelaten arbeid ter sprake, waarbij wel wordt geconcludeerd dat dit nog verder moet worden onderzocht en uitgewerkt. Welnu, het is mijn vast voornemen om op basis van deze studie ook deze problematiek niet uit het oog te verliezen, maar dan wel in het totale kader van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen. Ik meen dat het belangrijk is om eerst het globale statuut van de zelfstandige te herbekijken en te herformuleren, alvorens nu over te gaan tot een verdere aanpassing van specifieke onderdelen.

Niettemin moet de mogelijkheid die nu aan de zelfstandige gerechtigde geboden wordt om zijn vroegere zelfstandige activiteit deeltijds te hervatten voor een periode van 18 maanden in plaats van 12 maanden voordien, toch als een eerste stap in een verdere herwaardering van zijn statuut worden beschouwd. Deze maatregel werd als prioritair beschouwd aangezien de als arbeidsongeschikt erkende gerechtigde veelal zijn vroegere zelfstandige activiteit deeltijds wenst te hervatten.

Een aanpassing van de termijn van 6 maanden, die nog steeds van toepassing is wanneer de zelfstandige een andere beroepsactiviteit hervat, sluit ik zeker niet uit maar houd ik wel in beraad.

Wat betreft punt a) en met name de draagwijdte van de artikelen 23ter en 23quater van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, is het zo dat deze artikelen bepalen dat de arbeidsongeschikt erkende zelfstandige, die een activiteit heeft hervat zonder de voorafgaandelijke toestemming van de adviserend geneesheer, onder bepaalde voorwaarden zijn verzekerbaarheid behoudt in het raam van de uitkeringsverzekering en de verzekering voor geneeskundige verzorging. Ik wijs erop dat een gelijkaardige procedure reeds geruime tijd bestaat in de uitkeringsverzekering voor loontrekkenden in casu via artikelen 101 en 102 van de geco÷rdineerde wet van 14 juli 1994. Waar de betrokkene vroeger door de hervatting van deze niet vooraf toegelaten activiteit een einde stelde aan zijn arbeidsongeschiktheid, wordt hij nu vermoed verder arbeidsongeschikt te zijn gebleven, weliswaar onder de strikte voorwaarde dat hij een vermindering van zijn vermogen heeft behouden van ten minste 50% van geneeskundig oogpunt uit, tijdens de periode van niet toegelaten activiteit. De betrokkene kan nadien opnieuw aanspraak maken op uitkeringen indien hij verder arbeidsongeschikt erkend wordt. Zie hiervoor de artikelen 19 en volgende van het koninklijk besluit van 20 juli 1971.

Wat punt b) van de derde vraag betreft, kan ik mededelen dat met "vermogen van 50%" de mogelijkheid van de betrokkene wordt bedoeld om een activiteit te verrichten. Deze evaluatie gebeurt enkel op basis van medische gronden. Dit houdt in dat de sociaal-economische factoren, die normaal bij de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid in aanmerking worden genomen, hier dus niet meespelen.

Inzake de vraag omtrent de nieuwe bepalingen van de artikelen 23ter en 23quater van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, moet ik benadrukken dat de uitbreiding van 12 tot maximum 18 maanden "toegelaten arbeid" niet kan worden beschouwd als een invoering van het begrip "deeltijdse arbeidsongeschiktheid". Het "vermogen van 50%" waarvan eerder sprake, moet louter als instrument of criterium worden beschouwd voor de toepassing van artikel 23ter en 23quater. Voor de tijdvakken van niet toegelaten activiteit wordt dus enkel een vermoeden van arbeidsongeschiktheid ingevoerd met het oog op het behoud van de verzekerbaarheid van de betrokkenen. De techniek van een vermoeden van arbeidsongeschiktheid bestaat reeds geruime tijd in de uitkeringsverzekering.

De heer Jan Steverlynck (CVP). - Ik dank de minister voor de klare antwoorden op de gestelde vragen. Ik blijf er evenwel bij dat het zeker zinvol zou zijn nu reeds te onderzoeken op welke wijze een permanente deeltijdse arbeidsongeschiktheid voor de zelfstandigen zou kunnen ingevoerd worden. De minister stelde dat nu reeds een studie besteld is bij het RIZIV voor de loontrekkenden, maar het is overduidelijk dat dit ook voor de zelfstandigen het geval zou moeten zijn. Dit is des te meer zo daar in het rapport-Cantillon staat dat er verder onderzoek moet gebeuren. De arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen is pas dertig jaar oud. In 1971 heeft men blijk gegeven van zeer veel creativiteit om een dergelijke verzekering in te passen zonder rekening te houden met geneeskundige percentages. Het bestaande percentage van 50% is nieuw; tevoren ging het telkens om inactiviteit ten gevolge van letsels. Als men nu wil zoeken naar een regeling voor een permanent deeltijdse arbeidsongeschiktheid, denk ik dat het zinvol is om op dezelfde manier te werk te gaan als dertig jaar geleden, via een multidisciplinair onderzoek dat rekening houdt met de specificiteit van de zelfstandige activiteit. Daarom wil ik de suggestie doen dat de minister nu reeds, parallel, de onderzoeksopdracht zou geven, zodat men met kennis van zaken de beslissingen kan nemen die zich opdringen in het geheel van de verbetering van het sociaal statuut.

-Het incident is gesloten.