2-700/2 | 2-700/2 |
26 MAART 2001
Art. 3
Het artikel doen vervallen.
Verantwoording
De bedoeling van het ontworpen artikel 3 is dubbel :
1º Het toezicht op het gevangeniswezen, dat volgens de wet van 7 december 1998 in geval van nood aan de federale politie werd toevertrouwd, tevens aan de lokale politie toe te vertrouwen.
2º De uitvoering van deze opdrachten aan de dwingende richtlijnen van de minister van Binnenlandse Zaken toe te vertrouwen.
Gezien de geringe middelen waarover de lokale politie zal beschikken, is het niet aangewezen de lokale politie met een bijkomende en zeer zware taak te belasten.
Bovendien breidt de minister zijn bevoegdheid om aan de lokale politie dwingende richtlijnen op te leggen, uit, hetgeen indruist tegen de algemene filosofie van de wet van 7 december 1998.
De memorie van toelichting bepaalt immers dat de lokale politie in geval van onlusten kan worden ingezet door de minister van Binnenlandse Zaken.
Welnu, is de handhaving van de openbare orde per definitie een lokale bevoegdheid, dat door het lokale niveau moet worden uitgevoerd, zonder dat de federale overheid dwingende maatregelen hiervoor hoeft op te leggen.
Art. 11bis (nieuw)
Een artikel 11bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 11bis. In dezelfde wet wordt een artikel 12bis ingevoegd, luidende :
« Art. 12bis. Wanneer in de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de vertegenwoordiging van de gemeente geen enkel lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, maakt het eerste niet verkozen gemeenteraadslid per gemeente dat behoort tot de niet in de politieraad vertegenwoordigde taalgroep, er van rechtswege deel van uit. Het aantal leden bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt in dat geval telkens vermeerderd met één eenheid. In deze gemeenten kan daartoe in de voordrachten bedoeld in artikel 16, melding worden gemaakt van de taalaanhorigheid van de kandidaten.
De taalaanhorigheid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis, § 2, van de gemeentekieswet. »
Verantwoording
Dit amendement beoogt de samenwerking te bevorderen binnen de diverse politieraden van de twee gemeenschappen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest samenleven. Gelet op het belang van de politieraden in het algemeen en mede gelet op het specifieke belang van de politieraden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is het daarbij immers ondenkbaar dat de Nederlandstaligen geen stem zouden hebben in het veiligheidsbeleid van ons hoofdstedelijk gewest met zijn miljoen inwoners.
Art. 22
In het ontworpen artikel 140ter, tweede lid, 6º, de woorden « of het aanleveren van de vereiste aan het sociaal secretariaat GPI » weglaten.
Verantwoording
De onduidelijke redactie van deze bepaling leidt tot rechtsonzekerheid.
Zo is het bijvoorbeeld niet duidelijk door welke overheid en onder welke voorwaarden de personeelsleden van de lokale politie zullen worden uitbetaald. Het ontworpen artikel 140ter, tweede lid, 6º, lijkt een alternatief te bieden (« het uitvoeren van de betaling voor rekening van de zone of het aanleveren van de vereiste betalingselementen aan het sociaal secretariaat GPI »).
Door het weglaten van het tweede lid van punt 6 wordt deze ambiguïteit opgeheven.
In het derde lid van hetzelfde artikel lijkt die taak daarentegen te worden toevertrouwd aan de Centrale Dienst voor vaste uitgaven (« voert de CDVU de beslissingen (...) uit »), terwijl volgens het ontworpen artikel 140quater, derde lid, 2º, de lokale politie vraagt om de overzending van de berekening en de gegevens die noodzakelijk zijn voor de betaling, wat erop lijkt te wijzen dat de gemeente of de meergemeentezone, indien ze haar personeel zelf zou willen uitbetalen, daarom moet verzoeken.
Het woordje « vragende » dient bijgevolg te worden geschrapt. Iedere gemeente dient immers zelf haar personeel te kunnen uitbetalen, zonder dat zij daar specifiek moet om verzoeken.
Art. 23
In het ontworpen artikel 140quater, derde lid, 2º, het woord « vragende » weglaten.
Verantwoording
De onduidelijke redactie van deze bepaling leidt tot rechtsonzekerheid.
Zo is het bijvoorbeeld niet duidelijk door welke overheid en onder welke voorwaarden de personeelsleden van de lokale politie zullen worden uitbetaald. Het ontworpen artikel 140ter, tweede lid, 6º, lijkt een alternatief te bieden (« het uitvoeren van de betaling voor rekening van de zone of het aanleveren van de vereiste betalingselementen aan het sociaal secretariaat GPI »).
Door het weglaten van het tweede lid van punt 6 wordt deze ambiguïteit opgeheven.
In het derde lid van hetzelfde artikel lijkt die taak daarentegen te worden toevertrouwd aan de Centrale Dienst voor vaste uitgaven (« voert de CDVU de beslissingen (...) uit »), terwijl volgens het ontworpen artikel 140quater, derde lid, 2º, de lokale politie vraagt om de overzending van de berekening en de gegevens die noodzakelijk zijn voor de betaling, wat erop lijkt te wijzen dat de gemeente of de meergemeentezone, indien ze haar personeel zelf zou willen uitbetalen, daarom moet verzoeken.
Het woordje « vragende » dient bijgevolg te worden geschrapt. Iedere gemeente dient immers zelf haar personeel te kunnen uitbetalen, zonder dat zij daar specifiek moet om verzoeken.
| Hugo VANDENBERGHE. Erika THIJS. |