2-98

2-98

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 22 FEBRUARI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank (Stuk 2-441)

Algemene bespreking

Mevrouw Martine Taelman (VLD), rapporteur. - Het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank staat vandaag opnieuw op de agenda van de Senaat.

De vrederechters en de rechters in de politierechtbank hadden er moeite mee dat zij, in tegenstelling tot alle andere magistraten, niet door hun gelijken zouden worden geŰvalueerd.

Het wetsontwerp, dat door de Kamer op 11 januari 2001 werd teruggezonden, vindt zijn oorsprong in het wetsvoorstel dat in de Senaat op 18 mei 2000 werd ingediend door de heer Vandenberghe.

Hoewel de basisfilosofie van het voorstel werd behouden, heeft de Kamer de tekst op diverse punten gewijzigd. De toegang tot de algemene vergadering wordt uitgebreid tot de toegevoegde vrederechters en de toegevoegde rechters in de politierechtbanken. Het woord "politierechter" wordt vervangen door de woorden "rechter in de politierechtbank". De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zal optreden als korpschef van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank in zijn gerechtelijke arrondissement. De evaluatie zal echter gebeuren door de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank. De evaluatieprocedure zelf wordt verfijnd. Er worden wijzigingen aangebracht in de wet van 8 maart 1999 tot instelling van een adviesraad van de magistratuur teneinde het probleem van de vertegenwoordiging van de magistraten van het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie te regelen. Er worden bepalingen toegevoegd aan het ontwerp met het oog op de aanpassing van de overgangsmaatregelen bepaald in de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en de aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem. Een overgangsbepaling regelt het probleem van de benoemingen tot de mandaten die vˇˇr de inwerkingtreding van de wet betreffende de Hoge Raad voor de Justitie, namelijk 2 augustus 2000, waren open verklaard, maar op die datum nog niet waren ingevuld. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de tijdelijke mandaten, waardoor die moeilijk ingevuld geraken. Om dit probleem op te lossen bepaalt de huidige tekst dat alle aanwijzingen tot de mandaatfuncties behoren tot de bevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie.

Over deze wijziging werden in de commissie voor de Justitie verschillende vragen gesteld. Er werd onder meer een vraag gesteld in verband met de prejudiciŰle vraag die over dit probleem aan het Arbitragehof is gesteld. De spreker vreesde dat er om een einde te maken aan de discriminatie die ten grondslag lag aan de prejudiciŰle vraag, een nieuwe discriminatie in het leven zal worden geroepen. Dit probleem is volgens de minister niet aan de orde, omdat de thans voorgestelde regeling een juridische vacuŘm voor de aanwijzing van de tijdelijke mandaten zal opvullen.

De commissie ging akkoord met de meeste door de Kamer aangebrachte wijzigingen, maar had vragen bij het principe dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de korpschef blijft.

Er werd een amendement ingediend om het tweede lid van het artikel te doen vervallen. Volgens de indiener verzekert het ontwerp geen democratische legitimiteit. Hij is daarom voorstander van het behoud van de regel uit het gemeenrecht, dus van het behoud van het principe van de volstrekte meerderheid. De minister vroeg de commissie het amendement te verwerpen, omdat de overgangsregeling uitsluitend op de eerste algemene vergadering van toepassing is en bij de volgende verkiezing van de voorzitter van de algemene vergadering de regel van de volstrekte meerderheid zal gelden. Het amendement werd verworpen.

Het wetsontwerp in zijn geheel werd eenparig aangenomen.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Het wetsontwerp is inderdaad geamendeerd in de Kamer. De toegang tot de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank werd daardoor uitgebreid tot de toegevoegde vrederechters en toegevoegde rechters in de politierechtbank. Er werden eveneens technische verbeteringen aangebracht. Het probleem dat werd veroorzaakt door aan de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank de hoedanigheid te verlenen van korpschef, werd opgelost door opnieuw het principe te hanteren dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg optreedt als korpschef van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank van zijn gerechtelijk arrondissement.

Tijdens de bespreking in de commissie heb ik er reeds op gewezen dat het eigenaardig is dat iemand korpsoverste kan zijn van een korps waarvan hij zelf geen lid is. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg behoort immers niet tot het korps van vrederechters en rechters in de politierechtbank. Uiteindelijk werd een andere oplossing gevonden, die ik aanvaard.

We hadden enkele amendementen ingediend over de eerste verkiezingen van de voorzitter van de algemene vergadering. Mevrouw Taelman heeft dat vermeld. Gelet op de opinie van de meerderheid over deze amendementen, achtte ik het niet nuttig om ze opnieuw in te dienen.

Nadat het verslag was opgesteld, heeft de commissie een advies ontvangen van de Hoge Raad voor de Justitie betreffende artikel 20 van het wetsontwerp. De Hoge Raad heeft een aantal bezwaren naar voor gebracht die verband houden met de mogelijke ongrondwettelijkheid van het eerste lid van het voorgestelde artikel 101bis van de wet van 22 december 1998, zoals opgenomen in artikel 20 van het wetsontwerp. Er waren ook nog enkele andere opmerkingen van eerder terminologische of louter technisch-juridische aard.

De tekst van het advies van de Hoge Raad van Justitie is rondgedeeld. Ik zal er nu niet uitvoerig op ingaan. Om de minister de gelegenheid te geven te reageren, heb ik enkele argumenten uit dit advies, die voornamelijk betrekking hebben op de mogelijke ongrondwettelijkheid, in een amendement gegoten en aldus ingediend. Wij moeten het advies van de Hoge Raad van Justitie grondig onder ogen nemen.

Het amendement dat ik heb ingediend op artikel 7, is louter technisch. Het amendement voegt in artikel 7, dat wijzigingen aanbrengt in artikel 259decies van het Gerechtelijk Wetboek, een 1░bis in. Ik zou graag de opinie van de minister van Justitie over dit amendement kennen.

De CVP-fractie zal in ieder geval, wat het lot van de amendementen ook mag zijn, het wetsontwerp goedkeuren.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe kon op mijn steun rekenen omdat het een oplossing biedt voor problemen die niet door de wet werden geregeld.

Op de twee opmerkingen van de heer Vandenberghe wil ik het volgende antwoorden.

In mijn brief van 30 januari 2001 aan de Senaatsvoorzitter en aan de voorzitter van de commissie voor de Justitie heb ik formele bezwaren geformuleerd bij het advies van de Hoge Raad voor de Justitie. Ik vind het nogal merkwaardig dat de Hoge Raad voor de Justitie regeringsamendementen naar zich toetrekt. De Raad van State gaat ook niet op die manier te werk. In de wet op de Hoge Raad voor de Justitie hebben wij een dergelijke tussenkomst precies willen vermijden.

Ik kan het evenmin appreciŰren dat de Hoge Raad op een bepaald ogenblik aankondigde dat hij ambtshalve een advies zou uitbrengen en daaraan meteen toevoegde dat het een negatief advies zou zijn. De Hoge Raad had dus reeds stelling ingenomen nog vˇˇr het advies werd uitgebracht.

Wat de beweerde ongrondwettelijkheid betreft, verwijs ik naar de verantwoording van het amendement dat ik destijds heb ingediend. Uit die verantwoording blijkt voldoende dat de paragrafen 3 tot en met 6 van artikel 151 van de Grondwet in werking zullen treden na de installatie van de Hoge Raad voor de Justitie. Dit staat in de overgangsbepaling van artikel 151 van de Grondwet. De Hoge Raad is ge´nstalleerd op 1 januari 2000. Met ingang van 1 januari 2000 zijn de paragrafen 3 tot 6 van artikel 151 van de Grondwet dus in werking. Per 1 januari 2000 kwam een einde aan de overgangsbepalingen. De grondwettelijke basis voor de oude benoemingsprocedure is dus weggevallen.

Het amendement tot invoeging van een 1░bis in artikel 7 heb ik voorgelegd aan mijn administratie en zij deelt mij mee dat het weliswaar om een tekstverbetering zou kunnen gaan, maar dat artikel 7 het nu al perfect mogelijk maakt de nodige maatregelen te treffen. In die omstandigheden verzoek ik de Senaat dan ook om het amendement van de heer Vandenberghe te verwerpen.

-De algemene bespreking is gesloten.