2-610/1 | 2-610/1 |
22 DECEMBER 2000
In onze maatschappij is het stellen van borgtocht een noodzaak, want het vergemakkelijkt de kredietverstrekking en wordt bijvoorbeeld systematisch toegepast om jonge ondernemingen investeringskrediet te verschaffen. Het kan ook kredietmogelijkheden bieden in die zin dat de borgstellers zelf geen rechtstreekse kredieten hoeven aan te vragen.
Uit de praktijk is evenwel gebleken dat borgstelling ook, soms verrassende, nadelige gevolgen teweegbrengt.
De wet organiseert geen enkele openbaarmaking van onderhandse borgtochten, zodat een handtekening soms al te vlug vergeten wordt, vooral indien de personen die zich borg hebben gesteld, na de plaatsing van de handtekening, niet dezelfde zijn als die voor wie het krediet verleend is.
Hoeveel mensen zijn zo al niet voor de onaangename verrassing komen te staan dat ze een zeer oud krediet moesten terugbetalen dat, naar ze dachten, al lang afbetaald was.
Er zijn tal van ongelukkige voorbeelden :
ouders stellen zich borg « voor alle sommen » opdat hun kind een woning kan kopen. Veel later blijkt dat dit kind deze borgtocht gebruikt heeft om een nieuw krediet te vragen dat niets te maken heeft met zijn woning, terwijl de ouders te goeder trouw dachten dat door de terugbetaling van het woonkrediet een einde was gekomen aan de borgtocht;
een bedrijfsleider stelt zich borg voor zijn vennootschap. Nadien verkoopt hij zijn vennootschap maar hij vergeet dat hij zich jaren voordien borg gesteld heeft. Indien de vennootschap het faillissement aanvraagt, kan de borg nog dertig jaren lang voor betaling aangesproken worden;
een erfgenaam aanvaardt een nalatenschap waardoor hij de som van 500 000 frank kan erven. Drie jaar later verneemt deze erfgenaam dat de overledene zich hoofdelijk borg had gesteld voor een krediet van 2 000 000 frank. Door de nalatenschap te aanvaarden zou de erfgenaam theoretisch gezien aangesproken kunnen worden ten belope van 2 000 000 frank, hoewel hij slechts 500 000 frank geërfd heeft.
Artikel 2
Het eerste lid van artikel 2 van dit voorstel beoogt een wijziging aan te brengen in artikel 2016 van het Burgerlijk Wetboek om duidelijk aan te geven binnen welke grenzen borgtocht verleend wordt.
Aangezien het contract in de meeste gevallen de grenzen van de borgtocht niet duidelijk vermeldt, gebeurt het vaak dat wanneer de kredietnemer in gebreke blijft, de goederen van de borg in beslag genomen en verkocht worden, niet alleen om het geleende hoofdbedrag te betalen maar ook de rente en de bijkomende kosten die ten laste van de borg kwamen.
In dit opzicht maakt het Burgerlijk Wetboek het de borgsteller niet gemakkelijk, omdat artikel 2013, dat over de omvang van de borg spreekt, de grenzen hiervan niet duidelijk bepaalt. Artikel 2016 maakt de situatie nog ingewikkelder door de onbepaalde borgtocht van een hoofdverbintenis uit te breiden tot alles wat bij de schuld komt, inclusief de kosten die gemaakt zijn nadat van deze vordering kennis is gegeven aan de borg.
Wij achten het beter duidelijk te bepalen binnen welke grenzen de borgtocht van toepassing is op de verbintenis, of indien deze verbintenis duidelijk genoeg afgelijnd is, welke bestanddelen van de schuld door de borgtocht gedekt worden.
De praktijk toont aan dat de kredietinstellingen vrij algemeen gebruik maken van de borgtocht « voor alle sommen ». Het risico van het krediet weegt aldus zwaarder op de borg dan op de kredietgever, terwijl dit risico uiteindelijk van commerciële aard is en dan ook niet volledig op de borg mag rusten. Billijkheidshalve kan men van de kredietgever eisen dat hij ook een deel op zich neemt van het risico dat aan elk krediet verbonden is. Door de borgtocht uitsluitend te beperken tot de hoofdverbintenis, met uitsluiting van de rente en de bijkomende kosten, zal het borgstellingscontract dichter komen te staan bij de werkelijke verbintenis van de borg, namelijk de duidelijk afgelijnde verplichting om een welbepaalde som te betalen wanneer de schuldenaar van het krediet in gebreke blijft.
In het voorstel wordt de toepassing van dit eerste lid beperkt tot de natuurlijke personen, want de handelsvennootschappen die zich borg stellen, moeten noodzakelijkerwijs handelen binnen het kader van hun maatschappelijk doel of, indien het maatschappelijk doel niets over deze mogelijkheid vermeldt, binnen het kader van hun eigen activiteit.
De jurisprudentie stelt zich reeds zeer terughoudend op ten aanzien van een borgstelling door een vennootschap die geen enkel belang blijkt te hebben bij het krediet waarvoor ze zich borg heeft gesteld. Een bijkomende bescherming is niet noodzakelijk aangezien door handelsvennootschappen aangegane borgtochten handelingen zijn van personen die in zaken thuis zijn en geen betrekking hebben op hun persoonlijke goederen, aangezien deze beschermd worden door de beperkte aansprakelijkheid van de handelsondernemingen.
Het tweede lid beoogt borgtocht « voor alle sommen » niet meer toe te staan boven een termijn van 10 jaar, wanneer de persoon die de borgtocht verkregen heeft, een professionele kredietverstrekker is.
Door de beperking van de geldigheidsduur van een borgstelling tot tien jaar zien de kredietinstellingen die onder de wet van 22 maart 1993 vallen, zich genoodzaakt na deze periode over een nieuwe borgtocht te onderhandelen en daarover een overeenkomst te sluiten.
De periode van tien jaar stemt over het algemeen overeen met de gebruikelijke maximumduur van kaskredieten, investeringskredieten of kredieten voor de aankoop van verbruiksgoederen, hetgeen dan ook de omvang van het risico vermindert voor de kredietinstellingen.
Het derde lid van dit artikel verplicht de kredietinstellingen ertoe de borgstellers regelmatig over het bestaan van hun verbintenissen te informeren door hen daar op gezette tijdstippen aan te herinneren. Met deze jaarlijkse kennisgeving zal men degenen die zich borg hebben gesteld, grondiger kunnen inlichten over de verplichtingen die op hen rusten.
Als men deze informatieplicht zou opleggen aan particulieren en aan vennootschappen die zich niet met professionele kredietverstrekking bezighouden, zou dit meebrengen dat de burger in zijn dagelijkse praktijk een weinig gebruikelijke formaliteit moet naleven, met alle schadelijke gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien wanneer hij daardoor zijn recht verliest. Om deze reden blijft deze verplichting beperkt tot de professionele kredietverstrekkers.
In het vierde lid wordt voorgesteld deze verplichting niet op te leggen voor borgtochten waarbij een hypotheek gesteld wordt op een onroerend goed. Deze hypothecaire borgstelling valt reeds onder de openbaarmaking die door de hypotheekwet ingevoerd is. Dit soort borgstelling kan wettelijk niet worden toegepast zonder dat een aantal vormen in acht worden genomen (notariële akte), hetgeen bij de personen die de akte ondertekend hebben, beter in het geheugen zal blijven, want een bezoek aan de notaris vergeet men niet zo gemakkelijk.
Bovendien biedt de hypothecaire borgtocht een aantal voordelen op het vlak van de informatie door het feit dat de akte voorgelezen wordt door de notaris, die bovendien verplicht is zich ervan te vergewissen dat de personen die zich borg stellen, de omvang van hun verbintenissen wel degelijk begrijpen. Om deze redenen is het niet raadzaam af te wijken van de geldigheidsduur van de hypotheken, die thans dertig jaar bedraagt.
Artikel 3
Artikel 3 van dit voorstel beoogt artikel 2017 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen, om de conflicten en misbruiken te voorkomen waartoe een door de overledene aangegane hoofdelijke borgtocht aanleiding kan geven ten aanzien van de erfgenamen. Bij een overlijden kunnen de erfgenamen vrij vlug weten welke omvang de werkelijke verbintenissen van de overledenen hebben, maar ze zullen waarschijnlijk niet op de hoogte worden gebracht van het bestaan van een borgstelling, want dit maakt vaak deel uit van de bijzondere betrekkingen die tussen borgsteller en kredietnemer bestaan. Een borgtocht heeft volgens de huidige wet evenwel een theoretische geldigheidsduur van 30 jaar, zodat de erfgenamen nog lange jaren na de aanvaarding van de nalatenschap verontrust kunnen worden.
Het is dan ook redelijk en billijk de reikwijdte van de borgtocht te beperken tot het nettoaandeel van de erfenis.
Het is eveneens nuttig te vermelden dat wanneer degene die zich borg gesteld heeft, komt te overlijden, de erfgenamen de kennisgevingen bedoeld in het derde lid van artikel 2016 van het Burgerlijk Wetboek eveneens dienen te ontvangen.
| Olivier de CLIPPELE. Jean-François ISTASSE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 2016 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Art. 2016. Niettegenstaande enige andersluidende overeenkomst mag de borgtocht aangegaan door een natuurlijke persoon niet hoger zijn dan het verschuldigde saldo in hoofdstom van de verbintenis waarvoor de borgtocht aangegaan is, met uitsluiting van de rente, de vergoedingen en de aanvullende kosten.
De borgtocht aangegaan door een natuurlijke persoon is niet meer geldig indien de borg of de borgen meer dan tien jaar na het sluiten van de borgtocht worden aangesproken.
Ingeval de begunstigde van de borgtocht een kredietinstelling erkend bij de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen is, wordt van het borgtochtcontract bericht gegeven door middel van een gewone rappel aan elke borg, minstens eenmaal per jaar, vanaf de datum van het sluiten van de borgtocht. Indien deze rappel gedurende vijf opeenvolgende jaren niet verzonden wordt, kan de begunstigde van de borgtocht zijn rechten verliezen, onverminderd het recht om door alle middelen, met uitzondering van het bewijs door getuigen en de eed, te bewijzen dat de borg of de borgen altijd regelmatig ingelicht werden over het bestaan van de borgtocht.
De hypothecaire borgtocht volgt evenwel de geldigheidsduur van de hypotheek, zonder dat andere formaliteiten vervuld hoeven te worden. »
Art. 3
Artikel 2017 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 december 1949, wordt aangevuld als volgt :
« Art. 2017. Deze verbintenissen zijn evenwel beperkt tot het erfdeel dat aan elke erfgenaam toekomt.
In geval van samenloop van verschillende schuldeisers wordt gehandeld zoals bij een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap. »
| Olivier de CLIPPELE. Jean-François ISTASSE. |