2-441/8

2-441/8

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

14 JANUARI 2001


Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR MEVROUW TAELMAN


De commissie voor de Justitie heeft dit wetsontwerp besproken in aanwezigheid van de minister van Justitie tijdens haar vergaderingen van 17 januari en 14 februari 2001.

1. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Het ontwerp dat door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 11 januari 2001 werd teruggezonden vindt zijn oorsprong in het wetsvoorstel dat in de Senaat op 18 mei 2000 door de heer Vandenberghe is ingediend.

De vrederechters en de rechters in de politierechtbank hadden er moeite mee dat zij, in tegenstelling tot alle andere magistraten, niet door hun gelijken zouden worden geëvalueerd. De indiener van het voorstel heeft die toestand willen verhelpen door de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank.

De regering die het doel van dit parlementair initiatief steeds heeft gesteund, heeft evenwel vastgesteld dat het ontwerp dat door de Senaat op 6 juli 2000 is goedgekeurd (Stuk Senaat, nr. 2-441/5) bepaalde problemen deed rijzen.

Hoewel de tekst die door de Kamer werd teruggestuurd, trouw is gebleven aan de principes die in het oorspronkelijk ontwerp worden gehuldigd (Stuk Kamer, nr. 50 0800-10), bevat hij heel wat wijzigingen en aanvullingen van de door de Senaat goedgekeurde tekst en wel op de volgende punten :

­ de toegang tot de algemene vergadering werd uitgebreid tot de toegevoegde vrederechters en de toegevoegde rechters in de politierechtbank (artikel 2);

­ er werden technische verbeteringen goedgekeurd teneinde het woord « politierechter » te vervangen door de woorden « rechter in de politierechtbank »;

­ door aan de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank de hoedanigheid te verlenen van korpschef, zorgde de oorspronkelijke tekst voor een aantal praktische problemen. Zo vormde deze oplossing bijvoorbeel een hinderpaal voor de toepassing inzake de artikelen 259ter en 259quater van het Gerechtelijk Wetboek.

Het is derhalve verkieslijk gebleken opnieuw het principe te hanteren volgens hetwelk de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg optreedt als korpschef van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank van zijn gerechtelijk arrondissement, waarbij evenwel de evaluatie buiten zijn bevoegdheden valt. De evaluatie geschiedt door de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank (artikelen 4 en 6);

­ de evaluatieprocedure werd verfijnd waarbij onder meer bepaald werd dat de gegevens betreffende de benoemingsprocedure bij het evaluatiedossier worden gevoegd;

­ er werden wijzigingen aangebracht in de wet van 8 maart 1999 tot instelling van een adviesraad van de magistratuur, teneinde het probleem van de vertegenwoordiging van de magistraten van het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie te regelen (artikel 16);

­ er werden bepalingen toegevoegd aan het ontwerp met het oog op de aanpassing van de overgangsmaatregelen bepaald in de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel 2 van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem.

De reeds genoemde wet van 22 december 1998 heeft het stelsel van de (definitieve) benoemingen en de (tijdelijke) aanwijzingen tot deze mandaten grondig gewijzigd. Een overgangsbepaling regelt het probleem van de benoemingen tot de mandaten die vóór de inwerkingtreding van de wet betreffende de Hoge Raad voor de Justitie waren openverklaard, maar op die datum nog niet ingevuld (2 augustus 2000). Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de aanwijzingen tot de tijdelijke mandaten, waardoor het moeilijk wordt deze mandaten in te vullen.

Om dit probleem op te lossen, bepaalt de ontworpen tekst dat alle aanwijzingen tot mandaatfuncties, ook die welke opengevallen zijn vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 december 1998, behoren tot de bevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie. Deze oplossing sluit perfect aan bij het streven van de wetgever om de benoemingen en aanwijzingen van magistraten te depolitiseren.

2. BESPREKING

Een lid is het eens met de meeste door de Kamer aangenomen wijzigingen. Toch verbaast spreker zich erover dat het principe behouden is volgens hetwelk de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg korpschef blijft. Het is toch niet logisch dat de korpschef van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank zelf niet tot een van deze korpsen behoort.

Wat betreft de wijzigingen aangebracht in de wet van 22 december 1998 betreffende de Hoge Raad voor de Justitie, herinnert spreker aan de verklaringen van de minister tijdens de bespreking in de Kamercommissie voor Justitie, die luidde : « de directe aanleiding van het amendement was een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof met betrekking tot de toepasbaarheid van de nieuwe benoemingsprocedure op de aanwijzing voor mandaten » (Stuk Kamer, nr. 50 0800-009, blz. 30).

Kan de minister verklaren hoe de artikelen 19 en 20 van het ontwerp tot stand zijn gekomen ?

Overigens stelt spreker vast dat de voorgestelde oplossing tot doel heeft twee dossiers te regelen over de aanwijzing tot mandaten die in de pers veel aandacht hebben gekregen en waarvoor de vorige benoemingen door de Raad van State waren vernietigd. Hij vraagt zich evenwel af of de oplossing die wordt voorgesteld om een einde te maken aan de discriminatie die aanleiding gaf tot een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, geen andere discriminatie in het leven zal roepen : een afgewezen kandidaat zou immers kunnen aanvoeren dat de wetgever door de regels voor de aanwijzing te wijzigen in de loop van een procedure die was gestart overeenkomstig de oude wet, de gelijkheid van kansen van de verschillende kandidaten heeft geschonden.

De minister antwoordt dat op het ontbreken van een overgangsmaatregel in de wet van 22 december 1998 voor de aanwijzing tot korpshoofd of tot adjunctmandaten is gewezen tijdens een vergadering van de Kamer, de Senaat, de Hoge Raad voor de Justitie en de minister van Justitie over de dotatie van de Hoge Raad voor de Justitie. Tijdens deze vergadering is ook gesproken over het beroep van een korpshoofd van een rechtbank van koophandel dat heeft geleid tot de prejudiciële vraag aan het Arbitragehof.

Men kan zich inderdaad afvragen of de Koning nog kan overgaan tot benoemingen tot het mandaat van korpschef of tot adjunctmandaten na de inwerkingtreding van de wet van 22 december 1998, aangezien deze wet alleen aanwijzingen toelaat tot tijdelijke mandaten en een benoeming niet dezelfde gevolgen heeft als een aanwijzing.

De minister herinnert eraan dat de overgangsbepaling van de wet van 22 december 1998, die de kwestie regelt van de plaatsen die vacant zijn verklaard voor de inwerkingstreding van de wet maar die nog niet ingevuld zijn op 2 augustus 2000, alleen van toepassing is op de benoemingen en niet op de aanwijzingen. Voor deze laatste categorie was er een juridisch vacuüm.

De Hoge Raad voor de Justitie heeft voorgesteld om dit probleem te regelen door een aanpassing van de overgangsbepalingen van de wet van 22 december 1998. De regering heeft amendement nr. 18 ingediend (Stuk Kamer, nr. 50 0800-007), dat aan de basis ligt van artikel 20 van het voorliggende wetsontwerp. Het bepaalt dat alle aanwijzingen in een mandaatfunctie, ook degene die opengevallen zijn vóór de inwerkingstreding van de desbetreffende bepalingen van de wet van 22 december 1998, moeten worden toegewezen aan de bevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie.

Op vraag van een commissielid, bevestigt de minister dat de Hoge Raad voor de Justitie hierover geen officieel advies heeft uitgebracht. Tijdens de vergadering waar de minister naar verwijst, is echter gebleken dat de Hoge Raad het met deze oplossing eens is.

De minister merkt overigens op dat er volgens de oude procedure geen aanwijzing in een mandaatfunctie kan plaatshebben zonder dat deze vatbaar is voor een vernietiging door de Raad van State. Het Hof van Cassatie heeft immers, vanwege het principe van de scheiding der machten, beslist dat de korpsoversten niet meer mogen ingaan op vragen om advies. Het zijn echter precies die adviezen die de minister in staat stelden om zijn beslissing te motiveren, door de titels en de verdiensten van de kandidaten te vergelijken.

Om al deze redenen vindt de minister dat de aanpassing van de overgangsbepalingen van de wet van 22 december 1998 volledig verantwoord is.

De heer Vandenberghe dient een amendement in dat ertoe strekt het opschrift van de wet te wijzingen (Stuk Senaat, nr. 2-441/8). Volgens de indiener bevat het wetsontwerp wijzigingen van de wet van 22 december 1998 die niets te maken hebben met de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank. Hij stelt dus voor het opschrift aan te vullen.

Volgens de minister is het huidige opschrift zeer algemeen en geeft het geenszins aanleiding tot verwarring inzake de wijzigende aard van de voorgestelde bepalingen. Hij vraagt dus om het huidige opschrift van het wetsontwerp te behouden.

De indiener trekt zijn amendement in.

Op de overgangsbepalingen als voorgesteld in artikel 22bis van het ontwerp, stelt de heer Vandenberghe bij amendement voor, het tweede lid van het artikel te doen vervallen (Stuk Senaat, nr. 2-441/8, amendement nr. 8).

Volgens de indiener staat het ontwerp toe dat wanneer er meerdere gegadigden zijn, een van hen wordt aangewezen als voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank die weliswaar het grootste aantal stemmen heeft behaald doch niet op een democratische legitimiteit kan steunen. De indiener verklaart voorstander te zijn van het behoud van de regel uit het gemeenrecht (volstrekte meerderheid van stemmen) met zo nodig een tweede stembeurt om uit te maken wie van de twee gegadigden met het meeste aantal stemmen het uiteindelijk haalt.

De minister antwoordt dat de overgangsregeling uitsluitend op de eerste algemene vergadering van toepassing is. Bij de volgende verkiezing van de voorzitter van de algemene vergadering geldt de regel van de volstrekte meerderheid.

Met de overgangsregeling valt een polarisatie tussen de verschillende groepen in de algemene vergadering te vermijden.

Door de volstrekte meerderheid als regel op te leggen werkt men een corporatistische reactie in de hand bij de vrederechters en de rechters in de politierechtbank. Zij zouden immers stemmen voor een gegadigde die deel uitmaakt van hun eigen categorie.

Bijgevolg vraagt de minister het amendement te verwerpen.

3. STEMMINGEN

De artikelen 1 tot 21 worden eenparig aangenomen door de tien aanwezige leden.

Amendement nr. 8 van de heer Vandenberghe wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Artikel 22 wordt aangenomen met 8 tegen 2 stemmen.

Artikel 23 wordt eenparig aangenomen door de tien aanwezige leden.

4. EINDSTEMMING

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de tien aanwezige leden.

Dit verslag is goedgekeurd door 8 stemmen en 3 onthoudingen.

De rapporteur,
Martine TAELMAN.
De voorzitter,
Josy DUBIÉ.