2-647/1 | 2-647/1 |
8 FEBRUARI 2001
De ervaring met de opeenvolgende verbodsbepalingen op mijnen tijdens de jongste jaren toont aan dat het van essentieel belang is de definities ruim genoeg op te stellen om alle soorten tuigen die de wetgever wil verbieden, te omvatten, en nauwkeurig genoeg om te vermijden dat bepaalde tuigen aan het verbod ontsnappen door een bijzondere interpretatie van de wet.
Artikel 4, vijfde lid, van de wapenwet van 3 januari 1933, gewijzigd door de wet van 9 maart 1995 bepaalt dat « als antipersonenmijn, valstrikmijn of soortgelijk mechanisme moet worden beschouwd ieder tuig dat op of onder enig oppervlak of in de nabijheid daarvan wordt geplaatst, en ontworpen of aangepast is om te ontploffen of uiteen te spatten door de aanwezigheid of nabijheid van of het contact met een persoon ». Ter herinnering : de wet van 30 maart 2000 heeft een definitief verbod op dit soort wapens ingevoerd.
Op het eerste gezicht omvat deze definitie ook de antihanteerbaarheidsmechanismen. Het lijkt er echter op dat zij nog op uiteenlopende manieren geïnterpreteerd kan worden, in het bijzonder wat deze antihanteerbaarheidsmechanismen betreft (1). Deze mechanismen vormen een bedreiging voor ten minste drie soorten potentiële slachtoffers : de beroepsontmijners, de burgerbevolking en de ontmijners zonder specifieke opleiding (dorpsbewoners bijvoorbeeld).
België heeft het voortouw genomen in de strijd tegen antipersoonsmijnen omdat het als eerste land ter wereld een wettelijk verbod heeft ingevoerd. Ons land blijft tot op heden een van de actiefste landen wat de follow-up van het Verdrag van Ottawa betreft.
België neemt thans, tot september 2001, het voorzitterschap waar van het Comité over het statuut en de algemene werking van het Verdrag van Ottawa van 1997.
In deze belangrijke instantie vergaderen driemaal per jaar de Staten die partij zijn. Een doorbraak vanwege ons land om ook antihanteerbaarheidsmechanismen duidelijk en voorgoed te verbieden, zou het comité in staat stellen dit verbod op internationaal vlak ingang te doen vinden. België zou zich dat tot een eer rekenen.
| Philippe MAHOUX. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 4, vijfde lid, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, gewijzigd door de wet van 9 maart 1995, wordt aangevuld als volgt :
« Deze definitie is van overeenkomstige toepassing op antihanteerbaarheidsmechanismen. Een antihanteerbaarheidsmechanisme is een mechanisme dat deel uitmaakt van een mijn, dat eraan verbonden of vastgehecht is, of eronder geplaatst wordt, en dat in werking treedt door de aanwezigheid of nabijheid van of het contact met een persoon. »
| Philippe MAHOUX. |
(1) Cf. Landmine Monitor Report 2000.