Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-26

ZITTING 2000-2001

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Financiën

Vraag nr. 845 van de heer de Clippele d.d. 23 oktober 2000 (Fr.) :
Gerechtelijke organisatie op fiscaal vlak. ­ Wet van 23 maart 1999. ­ Overgangsbepalingen. ­ Verschillende behandeling.

Artikel 11, tweede lid, van de wet van 23 maart 1999 luidt als volgt :

« In afwijking van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, is de mogelijkheid om ten vroegste zes maanden of negen maanden na de datum van ontvangst van het administratief beroep een vordering in te leiden zo over dat beroep geen uitspraak is gedaan, niet van toepassing wanneer dat beroep betrekking heeft op een aanslag betreffende het aanslagjaar 1998 of een vorig aanslagjaar, wat de inkomstenbelastingen (...) betreft. Voor de bezwaarschriften die nog bij de administratie hangende zijn en waarover op 31 maart 2001 geen beslissing is genomen, vervalt deze bepaling. »

In de eerste zin van artikel 11, tweede lid, van de wet van 23 maart 1999 wordt de mogelijkheid uitgesloten om voor aanslagjaar 1998 of een vorig aanslagjaar beroep in te stellen bij de rechtbank van eerste aanleg als de gewestelijke directeur van de directe belastingen binnen zes maanden na ontvangst van het bezwaarschrift geen beslissing heeft genomen (« verlof om te dagvaarden » ingevoerd door artikel 9 van diezelfde wet, waarin een nieuw artikel 1385undecies wordt ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek).

De tweede zin van datzelfde lid is het resultaat van een subamendement van de heren Delcroix en Weyts, dat een uitzondering maakt op deze uitsluitingsregel voor bezwaarschriften « die nog bij de administratie hangende zijn en waarover op 31 maart 2001 geen beslissing is genomen ». In dat geval geldt het « verlof om te dagvaarden » ook voor het aanslagjaar 1998 en de aanslagjaren daarvoor, als de directeur zes maanden na ontvangst van het bezwaarschrift nog geen beslissing heeft genomen.

Deze tweede zin van artikel 11, tweede lid, van de wet is bijzonder slecht geformuleerd en veroorzaakt heel wat problemen. De tekst heeft het over « bezwaarschriften die nog hangende zijn », maar geeft hiervoor geen datum op.

Gaat het hier over de datum van inwerkingtreding van de wet, dus 6 april 1999, of over 31 maart 2001 ?

De eerste interpretatie komt overeen met de verantwoording bij het subamendement van de heren Delcroix en Weyts dat geleid heeft tot deze tekst : « De overgangsbepaling in het tweede lid mag geen voorwendsel zijn om de karrenvracht aan hangende gedingen op het moment van inwerkingtreding van de wet, aan hun lot over te laten. Daarom is het de bedoeling om met dit amendement uiterlijk op 31 maart 2001 de belastingplichtige de mogelijkheid te geven eindelijk naar de rechter te stappen, indien de fiscus op dat moment nog steeds geen beslissing genomen heeft over zijn bezwaar, dat op dat moment notabene al meer dan drie jaar zal liggen wachten. » (Stuk Senaat, 1998-1999, nr. 1-966/11, blz. 238).

De tweede interpretatie maakt de tekst overbodig : als de tekst doelt op de bezwaarschriften die op 31 maart 2001 nog hangende zijn, waarom staat er dan « en waarover op 31 maart 2001 geen beslissing is genomen » ? Als een bezwaarschrift op die datum nog hangende is, is het nogal logisch dat er op die datum nog geen beslissing over is genomen ...

Welke interpretatie ook gekozen wordt, het lijkt mij dat de tekst bezwaarschriften over het aanslagjaar 1998 en de aanslagjaren daarvoor verschillend behandelt naar gelang zij vóór of na 6 april 1999 (eerste interpretatie) of 31 maart 2001 (tweede interpretatie) zijn ingediend.

Met een bezwaarschrift dat ingediend is vóór de bedoelde datum (6 april 1999 of 31 maart 2001), kan men zich tot de rechtbank wenden als de directeur zes maanden na ontvangst van het bezwaarschrift nog geen beslissing heeft genomen. Als het bezwaarschrift echter na die datum is ingediend en de directeur neemt geen beslissing binnen zes maanden na ontvangst, zou beroep dat ingesteld wordt bij de rechtbank wel eens niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard.

De belastingplichtige die een bezwaarschrift heeft ingediend, zou dus moeten wachten op de beslissing van de directeur alvorens ­ indien nodig ­ beroep te kunnen instellen bij de rechtbank. De belastingplichtige die voor dit probleem komt te staan, zou de rechtbank kunnen verzoeken het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van de wettekst met het grondwettig principe van gelijkheid voor de wet.

De verschillende behandeling waar de tekst mijns inziens aanleiding toe geeft, gaat in tegen de bedoeling van de wetgever. Toch roept de tekst problemen op, maar het spreekt voor zich dat de interpretatie van de tekst niet onverenigbaar kan zijn met de bepalingen ervan.

Kan de geachte minister duidelijkheid verschaffen over de interpretatie van de betwiste tekst en zeggen wat hij vindt van de verschillende behandeling waartoe de tekst aanleiding geeft ?

In de geachte minister het ermee eens dat de tekst gewijzigd moet worden, zodat dit probleem kan worden opgelost voordat het Arbitragehof hierover een prejudiciële vraag krijgt ?