2-89

2-89

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 18 JANUARI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over ęde vermindering van het loon van de vissers naar aanleiding van de hoge brandstofprijzenĽ (nr. 2-459)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Het loon van de vissers wordt ingevolge het verouderde, maar nog steeds van toepassing zijnde sociaal statuut van de vissers uit 1928 toen er nog met zeilschepen werd gevist, berekend op de bruto-besomming van het vissersschip, namelijk vůůr de aftrek van de gasoliekosten die er bij het begin van de eeuw niet waren. Ingevolge de verhoging van de brandstofprijzen in de voorbije maanden hebben de reders ter visserij actie gevoerd en willen zij net als in Nederland hun verlies compenseren door vooraf 10 tot 15% van de besomming af te trekken voor brandstofkosten vooraleer het loonprocent voor de bemanning te berekenen. Dit komt neer op een loonsverlaging voor de vissers. Vooreerst moet de vraag worden gesteld in hoever dit wettelijk toelaatbaar is. De oude wet betreffende het sociaal statuut is nog altijd van toepassing. In tegenstelling tot BelgiŽ past Nederland nog steeds het hele oude maatschapssysteem toe. Vele Belgische vissers varen op Nederlandse boten onder Belgische vlag en laten zich graag verleiden om op zelfstandige basis als maat te gaan werken. De reders hebben in dit verband dan ook de verlaging of de overname van hun sociale patronale bijdragen door de overheid gevraagd. Deze bijdragen worden immers forfaitair per vaardag berekend en niet op basis van het loon. Zo dit niet door de Europese Commissie wordt toegestaan, stellen ze de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing voor in toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 1997, wat al in de baggersector gebeurt, en in toepassing van een nog te nemen uitvoeringsbesluit bij de artikelen 4 en 12 van de wet van 24 december 1999 houdende fiscale en sociale bepalingen. Daarbij zouden 350 miljoen vrijkomen die zouden moeten worden gebruikt in het kader van het sociaal statuut. Hierdoor wordt een situatie gecreŽerd waarbij de werknemers eventueel de nadelen van de hoge olieprijzen moeten dragen, maar de winsten op de investeringen van de reders onverkort gehandhaafd blijven. Dat is toch wel een vorm van discriminatie.

Naast de vraag of het omzeilen van het oude statuut wettelijk toelaatbaar is had ik graag van de minister vernomen of hij in verband met de patronale bijdragen reeds een antwoord heeft bekomen van de Europese Commissie? Ik heb in de krant gelezen dat hij de Commissie daarover heeft ondervraagd. Zo ja, wat is dat antwoord, zo neen, voor wanneer wordt het verwacht?

Heeft de minister in verband met het voorstel voor een eventuele vrijstelling van bedrijfsvoorheffing en voor het gebruik van het bedrag in het kader van het sociaal statuut zijn collega van FinanciŽn reeds gecontacteerd? Zo ja, wat is het resultaat, zo neen, op welke wijze kan het genoemde statuut het loonverlies ongedaan maken?

Op welke wijze kan het eventueel vrijgekomen bedrag worden gebruikt in het kader van het sociaal statuut of de geldende CAO?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - In antwoord op de vraag van senator Maertens wens ik mee te delen dat de sector naar aanleiding van de gasoliecrisis de minister van Landbouw en Middenstand heeft gecontacteerd. Deze neemt de coŲrdinatie van dit dossier op zich. Aangezien hij momenteel in het buitenland verblijft, geef ik zijn volgende elementen van antwoord. Mijn bevoegdheid in dit dossier beperkt zich tot de vermindering van de patronale bijdragen en bijgevolg tot de eerste van zijn concrete vragen.

Voorafgaandelijk wil ik preciseren hoe de bemanning in de sector actueel wordt verloond.

In de jaren `70, ten tijde van de eerste oliecrisis, werd inderdaad beslist om ten gevolge van de gestegen brandstofprijzen de lonen niet langer op het geheel van de besomming te berekenen, maar slechts op 90%. Dit tijdelijke loonverlies werd in de volgende jaren terug rechtgezet door een verhoging met 1% van het percentage van het loon op de besomming, van gemiddeld 4% naar gemiddeld 5%. Er bestaan evenwel onderlinge verschillen binnen de sector. Deze maakt van de gelegenheid gebruik om tijdens de lopende onderhandelingen over een nieuwe CAO niet enkel te komen tot een uniforme verloningswijze, maar ook om de verloning op 100% van de besomming te herstellen, waarbij uiteraard ook het percentage van het loon terug zal worden herzien.

In antwoord op zijn eerste vraag kan ik de heer Maertens meedelen dat ik door de minister van Landbouw en Middenstand werd gecontacteerd over het verzoek of er aan de visserijsector een vermindering van sociale bijdragen kan worden toegestaan. In navolging van dit overleg heb ik de permanente vertegenwoordiging van BelgiŽ bij de Europese Unie op 14 december 2000 schriftelijk gevraagd of aan de Belgische visserijsector, naar analogie met de zeevaartsector, een vermindering van sociale bijdragen kan worden toegestaan en of er andere specifieke steunmaatregelen kunnen worden uitgevaardigd.

De permanente vertegenwoordiging heeft ons op 17 januari 2001 het vademecum communautaire regels voor steunmaatregelen van de staten overgezonden. Op basis hiervan zal zo spoedig mogelijk onderzocht worden welke steunmaatregelen eventueel aan de visserijsector kunnen worden toegekend.

In antwoord op zijn tweede vraag deelt de minister van Landbouw en Middenstand mee dat de sector hem op 15 januari jongstleden de vraag met betrekking tot de bedrijfsvoorheffing heeft overgemaakt. Het kabinet van de minister heeft hiervoor contact opgenomen met de minister van FinanciŽn en er werd een overleg tussen beide kabinetten gepland.

In antwoord op de derde vraag deelt de minister van Landbouw en Middenstand mee dat hij niet vooruit wenst te lopen op de resultaten van het onderzoek in verband met de patronale bijdragen en de bedrijfsvoorheffing.

Hij wijst er bovendien op dat het tot de bevoegdheid van de sociale partners behoort om over de aanwending van deze eventueel vrijgekomen bedragen te onderhandelen.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - De minister deelt mij het antwoord mee van zijn collega van Landbouw en Middenstand die tot voor kort voor de visserijsector bevoegd was.

Het is duidelijk dat er ook over het sociaal statuut moet worden onderhandeld. Ik heb het daarover in het verleden al gehad. Er moeten maatregelen komen om het verouderd sociaal statuut van de vissers aan te passen aan deze tijd.

Ik ben ervan overtuigd dat het antwoord van de minister in de sector met tevredenheid zal worden onthaald.