2-87 | 2-87 |
(Voor de tekst aangenomen door de commissie, zie stuk 2-600/7.)
De voorzitter. - Volgende amendementen werden ingediend:
Artikel 69
Amendement nr. 3 van de heer Verreycken (Stuk 2-600/2)
Amendement nr. 20 van de heer Vandenberghe (Stuk 2-600/2)
Amendement nr. 101 van de heer Dallemagne (Stuk 2-600/2)
Artikel 70
Amendement nr. 21 van de heer Vandenberghe (Stuk 2-600/2)
Amendement nr. 41 van de heer Dallemagne (Stuk 2-600/2)
Amendement nr. 106 van de heer Dallemagne (Stuk 2-600/9)
Amendement nr. 113 van de heer Van Quickenborne (Stuk 2-600/12)
Artikel 71
Amendementen nr. 22 en 23 van de heer Vandenberghe (Stuk 2-600/2)
Amendement nr. 104 van de heer Dallemagne (Stuk 2-600/2)
Amendementen nr. 114 en 115 van de heer Van Quickenborne (Stuk 2-600/12)
Artikel 71bis (nieuw)
Amendement nr. 100 van mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)
Amendement nr. 107 van de heer Dallemagne (Stuk 2-600/9)
Artikel 72bis (nieuw)
Amendement nr. 103 van de heer Dallemagne (Stuk 2-600/2)
Artikel 74
Amendement nr. 19 van de heer Verreycken (Stuk 2-600/2)
Amendement nr. 30 van de heer Vandenberghe (Stuk 2-600/2)
Amendementen nr. 31 tot en met 35 van de heer Van Quickenborne (Stuk 2-600/2)
Artikel 74bis (nieuw)
Amendement nr. 36 van de heer Van Quickenborne (Stuk 2-600/2)
Artikelen 74bis (nieuw) tot en met 74septies (nieuw)
Amendementen nr. 24 tot en met 29 van de heer Vandenberghe (Stuk 2-600/2)
Artikel 82
Amendement nr. 110 van de heer Dallemagne (Stuk 2-600/9)
(De tekst van de amendementen wordt uitzonderlijk in de bijlage gepubliceerd.)
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Voor amendement nr. 20 verwijs ik naar de toelichting in het gedrukt stuk.
M. Georges Dallemagne (PSC). - En ce qui concerne l'amendement n° 101, comme je l'ai dit tout à l'heure, cet article va dans la bonne direction. Cela dit, il aurait pu être complété. En effet, les étrangers en situation précaire peuvent parfois être victimes de personnes qui leur proposent d'autres types de biens et de services que des logements à des prix prohibitifs. Je pense notamment à des moyens de transport, à des soins, à des documents et à de la nourriture. Il aurait donc été judicieux de préciser dans cet article que les personnes qui abuseraient de la situation de précarité de ces étrangers pourraient être poursuivis. Voilà pourquoi je maintiens cet amendement.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Mijn amendement nr. 113 strekt ertoe bij de eventuele uitbesteding aan een commerciële particuliere organisatie te zorgen voor een associatie met het openbaar bestuur of met een vereniging, zodat de uiteindelijke verantwoordelijkheid niet bij de particuliere organisatie ligt, maar bij een instelling van openbaar nut of bij een openbaar bestuur. Daarom wordt die bijkomende garantie ingebouwd in artikel 70.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Wij hebben al onze amendementen toegelicht in onze diverse uiteenzettingen. Het enige amendement waarover ik nog iets wil zeggen is dat over de opeising, nummer 30.
M. Georges Dallemagne (PSC). - L'amendement n° 104 vise à supprimer le deuxième point du premier paragraphe de l'article. Il me semble difficile de demander à des personnes déjà réparties sur le territoire en fonction du plan des CPAS, de retourner dans des centres d'accueil.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De bedoeling van amendement 114 bestaat erin de bijzondere omstandigheden die in de programmawet zijn opgenomen, te laten omschrijven door een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit en de beslissing daarover niet alleen te laten afhangen van de bevoegde minister. In die bijzondere omstandigheden kunnen asielzoekers immers toch nog aan een OCMW worden toegewezen. In de memorie van toelichting worden twee concrete voorbeelden gegeven. Als de bijzondere omstandigheden specifiek worden omschreven, vrees ik dat de dispatching van de dienst vreemdelingenzaken autonoom zal optreden en willekeurig beslissingen zal nemen. Daarom stel ik voor de volledige Ministerraad daarover te laten beslissen.
Amendement 115 heeft betrekking op de inwerkingtreding van dat gedeelte van de programmawet. Momenteel is bepaald dat de datum van inwerkingtreding de datum is waarop de programmawet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Wij vrezen dat een aantal verkeerde beslissingen worden genomen als overhaast tewerk wordt gegaan. De paniek van de laatste weken en dagen toont aan dat een aantal mensen daarvan het slachtoffer kunnen worden. Daarom willen wij dat de bepalingen in werking treden op 1 juli 2001, zodat er nog een redelijke termijn rest om de maatregelen concreet uit te werken en om in voldoende opvangplaatsen te voorzien.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Iedereen kan gerust voor mijn amendement nr. 100 stemmen, want het is niet in tegenspraak met de verklaring die de minister heeft gegeven nadat bij de OCMW's ongerustheid was ontstaan over de overgang van financiële hulp naar materiële opvang. Wij stellen een overgangsperiode voor zodat de OCMW's zich rustig kunnen voorbereiden.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Voor mijn amendement 19 verwijs ik naar mijn betoog van gisteren waarbij ik mijn twee amendementen verdedigd heb.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Voor mijn amendement 31 verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording, maar ik maak van deze gelegenheid gebruik om te repliceren op wat de minister daarnet heeft gezegd. De uitspraken die ik heb aangehaald komen uiteraard van twee parlementsleden die vandaag tot de meerderheid behoren, namelijk tot de VLD en de PRL. Het subtiele nuanceverschil dat de minister heeft gemaakt, vind ik in hun uitspraken niet terug. Volgens mij hebben ze gewoon gezegd dat een opeising een manifeste inbreuk is op het eigendomsrecht en dus niet kan, behalve in oorlogstijd. De grieven van die twee parlementsleden zijn vandaag als sneeuw voor de zon weggesmolten. Vandaag vinden ze het ook niet meer nodig daarop terug te komen.
Ten tweede heeft de minister gezegd dat de wet-Onkelinx er gekomen is omdat het onaanvaardbaar was dat daklozen geen goede huisvesting konden vinden, terwijl sommige panden verwaarloosd werden. Beseft de minister wel dat zijn verklaring hier in de openbare vergadering en ook in de Kamer over de betekenis van een verlaten woning gevolgen kan hebben? De minister zegt namelijk dat een verlaten woning iets anders is dan een verwaarloosde woning en maakt daarom een onderscheid tussen de wet-Onkelinx en deze wet. Graag wil ik van hem vernemen wat hij precies verstaat onder "verlaten woning". Nemen we het voorbeeld van een kansarme buurt, waar een gezin een woning erft van een ouder, maar niet over de middelen beschikt om daarin te investeren en daar dus een tijdje niets mee doet. Is dat dan een verlaten woning? Met mijn amendement doe ik een poging om aan die situatie een definitie te geven. Om een uitzondering te kunnen maken op het eigendomsrecht vereist het legaliteitsbeginsel immers dat die uitzondering duidelijk wordt omschreven.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - In verband met mijn amendement nr. 30 wil ik ook even reageren op de opvatting daarover van de minister waarmee ik het niet eens ben. Artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet streeft ernaar iets te doen aan de verkrotting, leegstand en grondspeculatie met het oog op de huisvesting van daklozen. Daarbij wordt het begrip "verlaten woning" gehanteerd. Vandaag wil de overheid kandidaat-vluchtelingen huisvesten. De minister wil de eigenaars verschillend behandelen al naargelang de woning gaat naar daklozen of vluchtelingen. Wij begrijpen dat onderscheid niet. Als er al een onderscheid zou moeten worden gemaakt, zouden de criteria voor opeising voor kandidaat-vluchtelingen strenger moeten zijn dan voor daklozen, voor wie alleen verwaarloosde woningen in aanmerking komen. Ik denk dan ook dat de meerderheid niet anders kan dan mijn amendement aannemen.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Amendement nr. 33 bepaalt dat bij opeising de voorrang wordt gegeven aan gebouwen die eigendom zijn van de staat. Het is de bedoeling dat de regering ertoe wordt aangezet een inventaris op te stellen van verlaten gebouwen en eigendommen van de staat, zodat deze bij voorrang kunnen worden opgeëist. Het amendement legt een zekere hiërarchie op in het opeisingsrecht. Dit komt tegemoet aan de bezorgdheid van diegenen die zeggen dat de overheid niet bij machte is haar eigendommen te inventariseren, maar wel particulieren lastigvalt met een opeising.
De beslissing over "Zon en Zee" heeft ons wel wat verrast. Heeft de regering misschien nog plannen in verband met de opeising van woningen? Want artikel 134bis van de wet-Onkelinx werd nooit uitgevoerd, omdat het volgens de Raad van State onwettelijk was.
De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. - Men ondervraagt de regering niet over haar intenties.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Het amendement nr. 35 is gelijklopend met het amendement van collega Vandenberghe. Het betreft een van de garanties die is ingeschreven in artikel 134bis, namelijk dat de opeising moet gebeuren binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop de minister of zijn gemachtigde de eigenaar op de hoogte heeft gebracht. De minister zegt dat het om een tijdelijke maatregel gaat, maar ik vind dat niet terug in de wet. Een opeisingsmaatregel die niet aan de tijd is gebonden, is al te drastisch.
Het amendement nr. 32 heeft betrekking op de definitie van een verlaten gebouw. De minister zei in de Kamer dat het moet gaan om een gebouw dat nooit is gebruikt of nooit gebruikt zal worden. Omwille van de legaliteitsvereisten moet het begrip leegstaand gebouw opnieuw worden gedefinieerd. Ook hiervoor baseer ik mij op artikel 134bis van de gemeentewet: het moet gaan om een bebouwd onroerend goed dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, en dat bewust niet gebruikt wordt, noch werkelijk bestemd is voor een activiteit van welke aard ook.
Het woord "bewust" wijst op het uitsluiten van noodgedwongen verlaten gebouwen. Deze laatste categorie wordt in de programmawet niet uitgesloten.
"Met name in kansarme buurten erven kansarme gezinnen een verwaarloosd pand dat aan hun ouders toebehoorde. Uit respect voor hun ouders verkopen ze het niet en hopen ze op betere tijden om het pand zelf op te knappen. Anderen stellen het geërfde pand te koop of te huur, maar boeken geen resultaat vanwege de ligging in een achtergestelde buurt". Deze ruime omschrijving van een verlaten gebouw heeft de minister in de Kamer gegeven. Ik vind dat een dergelijk gebouw niet kan worden opgeëist en dat in de definitie het woord "bewust" moet worden opgenomen.
De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. - Dat heer Van Quickenborne bevestigt wat ik heb gezegd. Een gebouw dat vroeger in gebruik is geweest en nu een periode niet meer, komt niet in aanmerking.
De wet-Onkelinx leunde dicht bij een sanctie aan. Van sommige eigenaars werd vastgesteld dat ze een gebouw niet wilden ter beschikking stellen op de woningmarkt. Dus gingen we ervan uit dat de gemeente of het OCMW deze gebouwen moest kunnen opvorderen om het ter beschikking te stellen. Het gebouw van iemand die zonder succes probeerde te verhuren en van goede wil was, kon niet worden opgeëist. Dat is de geest van de wet en het koninklijk besluit, waarin de meeste bepalingen staan die de heer Van Quickenborne aanhaalt.
In de programmawet is de situatie anders. We gaan er niet van uit dat er sprake is van kwade wil, maar wel dat de mogelijkheid bestaat om deze woning te gebruiken. Als iemand er niet in slaagt om een woning in een kansarme buurt te verhuren, is er toch geen enkel probleem als de overheid voorstelt om het tegen een vergoeding op te eisen. Ik vermoed dat een eigenaar met een bescheiden inkomen maar al te blij zal zijn met een dergelijk voorstel. Hij krijgt eindelijk huur.
We gaan er dus niet van uit dat de eigenaar de woning bewust onbewoond laat en dat we ze om sociale redenen op de markt brengen. We stellen vast dat een gebouw helemaal niet wordt gebruikt, terwijl wij het maar al te goed kunnen gebruiken omdat er een tekort aan huisvesting is. Bijgevolg nemen we het tegen een billijke vergoeding in gebruik. Men zou kunnen zeggen dat het gaat om een gedwongen verhuring tegen een marktconforme prijs.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik citeer letterlijk uit pagina 20 van de memorie van toelichting van het Kamerdocument omdat dit het stuk zal zijn waarop een eventuele rechtzaak gebaseerd zal zijn. Uit de wet is trouwens moeilijk op te maken voor welke rechtbank moet worden geprocedeerd. Misschien zijn het de algemene regels, maar daar kom ik bij de bespreking van een volgend amendement nog op terug. In de memorie van toelichting staat dat verlaten betekent dat het gebouw "in het verleden of in de toekomst structureel niet werd of niet zal worden gebruikt".
De vice-eerste minister zegt dat eigenaars van een woning in een kansarme buurt tevreden zouden zijn als de woning via de opeising wordt in gebruik genomen.
De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. - Waarom heb ik het woord structureel gebruikt? Een huis staat een paar maanden leeg omdat een huurder vertrekt en de nieuwe huurder er nog niet onmiddellijk intrekt. Dat huis staat niet structureel leeg, het gaat om frictieleegstand. In het voorbeeld van de heer Van Quickenborne gaat het wel om structurele leegstand want de buurt is blijkbaar niet aantrekkelijk genoeg om het huis tegen een aanvaardbare prijs te verhuren. Dit is geen frictieleegstand.
Wij gaan woningen die om een of andere reden niet worden gebruikt, gebruiken. Meer mag er niet achter worden gezocht. Het sluit dan ook veel beter aan bij het eigendomsrecht. We geven een vergoeding voor iets wat op de woningmarkt geen succes heeft. Waarom is dit strijdig met het eigendomsrecht?
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Als u van oordeel bent dat een woning die zich in een kansarme buurt bevindt en bijgevolg niet verhuurd geraakt in aanmerking komt voor opeising, stel ik toch wel vragen. Hebt u bijvoorbeeld al eens gedacht aan de mensen die een emotionele band hebben met hun ouderlijke huis dat leegstaat? Of bent u van mening dat die mensen tevreden zullen zijn omdat ze geld voor die woning krijgen en dat die woning bijgevolg zo snel mogelijk moet worden verkocht?
Bij opeising moet het werkelijk om noodsituaties gaan. Ik ben van oordeel dat u de uitzondering niet respecteert die in artikel 1 van het eerste protocol wordt ingeschreven, namelijk de randvoorwaarden, de legaliteitsvereisten, het proportionaliteitsbeginsel, en dergelijke. U krijgt te veel ruimte om discretionair allerlei regelingen te treffen bij koninklijk besluit. Daarom doen wij vanuit de oppositie een poging om een definitie vast te leggen. Ofwel wordt dit gedeelte van de programmawet niet uitgevoerd, en dan is het een maat voor niets, ofwel wordt het uitgevoerd en dan zullen ongetwijfeld processen worden ingespannen. Elke opeising zal gepaard gaan met een juridische procedure.
De wetgever heeft tot taak het eigendomsrecht, dat inderdaad niet absoluut is, zo goed mogelijk te beschermen. De uitzonderingen die worden toegestaan, moeten geheel conform de internationale verdragen en de Grondwet zijn. Als dat niet zo is, verwaarlozen wij onze taak als wetgever.
Amendement 34 strekt ertoe een voorwaardevereiste in te voegen. Als u toch kiest voor opeising, moet u de persoon wiens gebouw in aanmerking komt voor opeising inlichten per aangetekende brief met ontvangstmelding of via deurwaardersexploot. We stellen meteen ook een procedure in om eventueel verzet aan te tekenen. Op die manier proberen we om de uitzondering op het eigendomsrecht ordentelijk en respectvol te laten inroepen. Als dit amendement niet wordt goedgekeurd, beschikt u over een totale vrijheid.
Amendement 36 strekt ertoe een artikel 22 toe te voegen in het Gerechtelijk Wetboek, waarbij bepaald wordt aan welke rechter de geschillen betreffende de opeising worden toegewezen.
Een van de bepalingen in de wet-Onkelinx betreft een toevoeging aan artikel 591 van het Gerechtelijk Wetboek dat de bevoegdheden van de vrederechter vastlegt. Mijnheer de vice-eerste minister, kunt u me meedelen tot welke rechtbank ik me, als onwetende burger wiens gebouw wordt opgeëist, bij een geschil inzake het opeisingsrecht moet wenden om een procedure te starten? Ik heb op deze vraag alsnog geen antwoord gekregen.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik reageer niet op elke uiteenzetting van collega Van Quickenborne, maar dat betekent zeker niet dat ik afkeur wat hij zegt. Ik ben het altijd met zijn argumenten eens en wil daaraan twee zaken toevoegen.
Ten eerste vergt het legaliteitsbeginsel dat in de wet het evenwicht tussen het algemeen welzijn en de individuele rechtsposities tot uitdrukking komt. De Raad van State heeft daarop trouwens gewezen en het is de grondslag van artikel 1, eerste protocol. Wij vinden dat de tekst niet beantwoordt aan dit principe. De tekst geeft enkel een opeisingsrecht aan de overheid, maar geen wettelijk kader voor de bescherming van de eigenaar.
Ten tweede gaat het hier niet enkel om het formeel verdedigen van het eigendomsrecht, maar ook om het geven van een zekerheid - of althans het idee van zekerheid - dat de overheid niet willekeurig optreedt bij het opeisen van goederen. Om dat duidelijk te maken, is het noodzakelijk minimale randvoorwaarden vast te leggen.
Om die redenen hebben de heer Van Quickenborne en ikzelf amendementen ingediend, die veel minder ver gaan dan wat de liberale partijen aan beide zijden van de taalgrens in 1993 hebben verdedigd. Na ons debat van vanmorgen over het verlaten van de bescherming van de privacy, heb ik echter de indruk dat we nu geconfronteerd worden met liberale partijen die niet de woning, maar het eigendomsrecht "verlaten".
Voor mijn amendementen 24 tot 29 verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording.
M. Georges Dallemagne (PSC). - Je propose, à travers l'amendement n° 110 à l'article 82, que l'article 71 entre en vigueur le 1er juillet 2001 au lieu du 10 janvier. J'ai bien compris que le ministre n'avait pas l'intention de passer à travers un système... (Interruptions de M. Cheron)
Une série d'opérateurs se sont mis à spéculer à la suite de l'annonce de la privatisation de l'accueil des réfugiés. (Interruptions de M. Cheron)
M. Fournaux, bourgmestre de Dinant, avait le droit d'être informé, monsieur Cheron. Or, il ne l'a pas été. Mme Lizin s'est d'ailleurs exprimée dans ce sens. En réalité, je demande simplement d'attendre que des places d'accueil soient disponibles en suffisance avant de mettre la loi en place, de façon à couper court aux spéculations et éviter des incidents comme celui qui s'est produit à Dinant.
-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.