2-590/2 | 2-590/2 |
14 DECEMBER 2000
Evocatieprocedure
Artikel 71 van de nieuwe gemeentewet bepaalt dat onder meer de arrondissementscommissarissen alsmede de leden van hun personeel geen deel mogen uitmaken van een gemeenteraad, noch tot burgemeester worden benoemd. Voor de personeelsleden van de arrondissementscommissarissen heeft die bepaling niet langer zin, want zij zijn opgenomen in het personeelsorganogram van de provinciale gouvernementen. De functie van personeelslid van de gouverneur of het ambt van lid van de bestendige deputatie of van provinciegriffier is evenwel niet onverenigbaar met de hoedanigheid van gemeenteraadslid of burgemeester.
In de praktijk geldt die bepaling slechts voor het personeel van de adjunct-arrondissementscommissaris van Eupen, Malmedy en Sankt-Vith; ook voor hen heeft die bepaling niet langer zin want het gaat om het personeel van de « Centrale Dienst voor Duitse vertalingen » van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Die mensen voeren geen controletaken uit. Er is dus bepaald dat die onverenigbaarheid vanaf 1 januari 2001 zou worden opgeheven.
Een lid heeft akte genomen van de doelstellingen van het ontwerp, en heeft daar geen principiële bezwaren tegen.
Nochtans vindt hij het bij herhaling voorleggen van ontwerpen of voorstellen van wet die de specifieke toestand van één bepaalde persoon moeten regelen een slechte manier van werken.
Er zijn immers tientallen gevallen die zich kunnen voordoen, en waarbij een onverenigbaarheid tussen een openbaar ambt en een politiek mandaat als onbillijk kan worden beschouwd.
Wat te denken van een ambtenaar van een gemeente of een OCMW die provincieraadslid wil worden ?
Er zijn zoveel denkbare onbillijke onverenigbaarheden, dat het tijd wordt daaraan een globale studie te wijden.
De minister vindt deze methodologische opmerking pertinent. Het is raadzaam de discussie uit te breiden en alle onverenigbaarheden onder de loep te nemen, om zo te beoordelen welke onverenigbaarheden nog zin hebben, en welke we moeten afschaffen.
Hij heeft tijdens discussies over soortgelijke voorstellen aan het einde van de vorige zitting gemerkt dat er steeds meer wordt gevoeld voor een radicale vereenvoudiging.
Hier moet rekening mee worden gehouden.
Een lid gaat hiermee akkoord en denkt aan een wetsvoorstel van de heer Poty (nr. 2-404/1), waarover de discussie naar een latere datum is verschoven.
Er zijn geen amendementen ingediend. Het wetsontwerp in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.
Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.
| De rapporteur, Olivier de CLIPPELE. |
De voorzitter, Anne-Marie LIZIN. |