(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Zijn leveringen van aan accijnzen onderworpen goederen, in België opgeslagen op plaatsen die volgens artikel 4, b, van de richtlijn 92/12/EEG belastingentrepots zijn, vrijgesteld van de BTW wanneer de regeling inzake het entrepot van toepassing blijft ?
Wanneer en door wie is de BTW verschuldigd wanneer artikel 4, b, van de genoemde richtlijn niet meer van toepassing is op de goederen ?
Blijven de goederen vrijgesteld van de BTW wanneer ze worden overgebracht naar een ander in België gelegen belastingentrepot ?
Antwoord : Voor de toepassing van het BTW-Wetboek worden de volgende goederen overeenkomstig de reglementering uitgevaardigd door de Europese Gemeenschappen als « accijnsproducten » gecatalogeerd :
a) de minerale oliën;
b) alcohol en alcoholhoudende dranken;
c) tabaksfabrikaten.
Artikel 39quater, § 2, 1º, van het BTW-Wetboek bepaalt dat, voor accijnsproducten, de plaatsen die aangemerkt worden als belastingentrepots in de zin van artikel 4, b), van de richtlijn 92/12/EEG, beschouwd worden als andere entrepots dan douane-entrepots.
Hieruit volgt dat de regeling van de vrijstelling van de BTW inzake de andere entrepots dan douane-entrepots bedoeld in artikel 39quater van het BTW-Wetboek, ambtshalve van toepassing is ten aanzien van de accijnsproducten die door deze BTW-regeling beoogd worden en die zich onder schorsing van de accijns op dergelijke plaatsen bevinden.
Het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, genomen ter uitvoering van artikel 39quater van het BTW-Wetboek, staat de plaatsing onder de regeling toe van de volgende accijnsproducten :
voor ingevoerde goederen :
· minerale oliën;
· alcohol en alcoholhoudende dranken;
· tabaksfabrikaten;
voor de nationale of communautaire goederen :
· de minerale oliën, die onder code 2707 vallen van de gezamenlijke nomenclatuur, evenals de ruwe olie uit aardolie die onder de codes 2709 tot 2711 vallen.
Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, kunnen de door het geachte lid gestelde vragen als volgt beantwoord worden.
De leveringen van accijnsproducten die niet zijn opgesomd in voornoemd koninklijk besluit nr. 54 en die in België opgeslagen zijn op plaatsen die aangemerkt worden als belastingentrepots in de zin van artikel 4, b), van de richtlijn 92/12/EEG, zijn onderworpen aan de gewone BTW-regeling.
De leveringen van accijnsproducten die wel in voornoemd koninklijk besluit nr. 54 zijn opgesomd en die in België opgeslagen zijn op plaatsen die aangemerkt worden als belastingentrepots in de zin van artikel 4, b), van de richtlijn 92/12/EEG, zijn vrijgesteld van de BTW krachtens artikel 39quater, § 1, 2º, van het BTW-Wetboek indien de regeling van dit entrepot gehandhaafd wordt.
Indien de goederen, na het voorwerp te hebben uitgemaakt van leveringen vrijgesteld door artikel 39quater, § 1, 2º, van het BTW-Wetboek, niet langer onder de regeling vallen bedoeld door artikel 4, b), van de richtlijn 92/12/EEG, worden deze goederen onttrokken aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot die op dat moment een einde neemt.
Indien de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot het gevolg is van een levering onder bezwarende titel, zijn op deze levering de gewone regels van een binnenlandse levering van toepassing (opeisbaarheid van de belasting, schuldenaar, ...) daaronder begrepen alle vrijstellingen die er eventueel op toegepast kunnen worden (artikelen 39, 39bis, 39quater en 42 van het BTW-Wetboek). In een dergelijke situatie moet geen enkele regularisatie worden verricht met betrekking tot de vrijstelling die werd toegepast op de handelingen verricht onder de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
Indien de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot daarentegen het gevolg is van hun wegneming, los van elke handelstransactie, door hun eigenaar, moet de levering verricht aan deze persoon onder de vrijstellingsregeling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 2º, van het BTW-Wetboek, het voorwerp uitmaken van een regularisatie. Omdat de medecontractant van de leverancier door artikel 51, § 2, 3º, van het BTW-Wetboek aangemerkt wordt als schuldenaar van de belasting voor de levering van goederen bedoeld in artikel 39quater van het BTW-Wetboek, moet deze eigenaar de regularisatie verrichten van de belasting die, overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54, opeisbaar wordt op het tijdstip van de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
Deze regularisatie moet evenwel enkel worden verricht indien de goederen in België blijven of, ten gevolge van hun overbrenging naar een andere lidstaat van de Gemeenschap in het kader van een van de handelingen beoogd door artikel 12bis, tweede lid, 5º, 6º of 7º, van het BTW-Wetboek, als zodanig moeten beschouwd worden.
Wanneer de accijnsproducten die beoogd worden door de vrijstellingsregeling van artikel 39quater van het BTW-Wetboek, overgebracht worden van één plaats die door richtlijn 92/12/EEG wordt aangemerkt als belastingentrepot, naar een ander in België gelegen belastingentrepot, zijn er bepaalde beperkingen om de vrijstelling van de BTW te handhaven, ongeacht of deze overbrenging het gevolg is van een levering van de betrokken goederen dan wel van een gewone verplaatsing omdat hun eigenaar het zo wil.
Deze beperkingen vloeien voort uit de bepalingen met betrekking tot de werking van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot die hiervoor reeds in herinnering zijn gebracht, met name, enerzijds, dat de plaatsing onder de regeling van nationale of communautaire accijnsproducten beperkt is tot minerale oliën en ruwe olie uit aardolie aangeduid door de codes 2707, 2709, 2710 en 2711 van de gezamenlijke nomenclatuur en, anderzijds, dat de uitslag van de goederen uit het belastingentrepot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot beëindigt.
Hieruit volgt dat, bij de overbrenging van een accijnsproduct van één belastingentrepot naar een ander in België gelegen belastingentrepot, de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot enkel kan behouden blijven voor voornoemde oliën.
De levering van deze goederen ter gelegenheid waarvan ze worden overgebracht van het ene entrepot naar het andere, is in principe aan de BTW onderworpen. Ze is evenwel vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 1º, van het BTW-Wetboek omdat het gaat om een levering van goederen met plaatsing onder de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
Indien deze overbrenging door de eigenaar plaatsvindt los van elke handelstransactie, wordt de belasting opeisbaar bij het verlaten van het eerste entrepot over de levering toegestaan aan deze persoon. Omdat een dergelijke handeling geen plaatsing van de goederen in het tweede entrepot inhoudt, kan deze handeling in voorkomend geval enkel de gewone vrijstellingen genieten voorzien voor de binnenlandse leveringen (bijvoorbeeld de vrijstellingen voorzien door artikel 42 van het BTW-Wetboek).