2-581/1

2-581/1

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

24 NOVEMBER 2000


Voorstel van resolutie over de opheffing van de verplichting de uitslag van een aids-test voor te leggen om een Belgisch visum, een werkvergunning of een verblijfsvergunning te verkrijgen

(Ingediend door de heren Georges Dallemagne en Vincent Van Quickenborne)


TOELICHTING


Bepaalde Belgische ambassades in het buitenland eisen dat de uitslag van een aidstest wordt voorgelegd vóór zij een visum, een werkvergunning of een verblijfsvergunning afgeven. Deze praktijk is zinloos en zwaar discriminerend. De betrokken personen voelen zich vernederd door deze onderzoeken die hun privé-leven schenden. Zij begrijpen niet waarom deze verplichting wordt opgelegd. Dit voorstel van resolutie heeft tot doel een einde te maken aan deze praktijk.

Georges DALLEMAGNE.
Vincent VAN QUICKENBORNE.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE

De Senaat,

A. overwegende dat het bijna 1 december 2000 is, Wereldaidsdag;

B. overwegende dat sinds 1987 de uitslag van een aidstest kan worden geëist wanneer een visum in het kader van een studiebeurs, een werkvergunning of een verblijfsvergunning voor België wordt gevraagd, en dat dit tot voor kort inderdaad gebeurde, met name in de Belgische ambassades in Argentinië, Brazilië, Thailand, Rwanda en Congo;

C. overwegende dat een beperking van het vrije verkeer van burgers niet mag raken aan de fundamentele rechten die het internationaal recht aan elk individu toekent, zoals de eerbiediging van het privé- en het gezinsleven en het verbod op onmenselijke en vernederende behandelingen (artikelen 8 en 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens) en dat het eisen van een aidstest voor het afgeven van een visum wel degelijk een beperking van het vrije verkeer van burgers inhoudt die deze fundamentele rechten schendt;

D. overwegende dat deze praktijk een ernstige discriminatie inhoudt, dat zij bijzonder vernederend is voor de betrokken personen en dat zij ondoeltreffend is in de strijd tegen de verspreiding van het virus;

E. overwegende dat het Comité van ministers van de Raad van Europa in zijn aanbeveling nr. R (89) van 24 oktober 1989 over de ethische repercussies van de HIV-infectie op het sociale vlak en op het vlak van de volksgezondheid verklaart dat het verplichte, systematische en routinematige opsporen van aids ethisch onverantwoord en ondoeltreffend is, indruist tegen de eerbiediging van het privé-leven, dat het discriminerend is en nefast kan zijn;

F. overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 30 maart 1989 betreffende de bestrijding van aids verklaart dat de systematische en verplichte opsporing van het HIV-virus vanuit preventief oogpunt ondoeltreffend is en dat het de lidstaten vraagt om het idee van HIV-tests aan de grenzen te laten varen en om personen afkomstig uit derde landen niet uit te wijzen of te isoleren om redenen die verband houden met het HIV- of het aidsvirus;

G. overwegende dat de Raad van ministers van Volksgezondheid van de EU-lidstaten in een voorstel voor een besluit, bekendgemaakt op 10 maart 1993, benadrukt dat de groei van het toerisme en het toenemende aantal reizen vanuit en naar de Gemeenschap en vanuit en naar derde landen de verspreiding van het HIV-virus vergemakkelijkt maar desondanks meent dat de bestrijding van het fenomeen door de beperking van het vrije verkeer tussen de Staten onaanvaardbare gevolgen zou hebben en bovendien ondoeltreffend zou zijn;

H. overwegende dat de Europese Commissie in een mededeling betreffende een communautair actieprogramma inzake de preventie van aids en bepaalde overdraagbare ziekten in het kader van een actie op het gebied van de volksgezondheid (1) de discriminatie van met aids besmette personen veroordeelt; dat de Commissie vaststelt dat ernstige sociale spanningen kunnen ontstaan wanneer deze discriminatie gepaard gaat met een vooroordeel tegen gemarginaliseerde groepen en minderheden, zoals homoseksuelen en migranten; dat de Commissie bij deze vormen van discriminatie de verplichte opsporing van het HIV-virus voor immigranten vermeldt;

L. overwegende dat andere landen de uitslag van HIV-tests blijven eisen voor het afgeven van een visum;

vraagt de regering :

1. de maatregelen af te schaffen die de Ministerraad op 3 maart 1987 heeft genomen en die bepaalden dat kandidaat-beursstudenten, studenten of stagiairs in hun land op aids moesten worden onderzocht alvorens zij definitief als beursstudent erkend konden worden en naar België mochten komen,

2. alle nodige maatregelen te nemen opdat de aidstest niet langer geëist wordt om een visum, een studiebeurs, een arbeidsvergunning of een verblijfsvergunning te kunnen krijgen,

3. contact te nemen met de landen die de uitslag van een aidstest eisen voor de toekenning van een visum, een studiebeurs, een arbeidsvergunning of een verblijfsvergunning, om hen ertoe aan te zetten met die praktijk te stoppen,

4. meer in het algemeen, om een doeltreffend informatienetwerk op te zetten met en tussen onze diplomatieke posten in het buitenland.

Georges DALLEMAGNE.
Vincent VAN QUICKENBORNE.

(1) Com. (94) 413, 9 november 1994, blz. 5.