2-76 | 2-76 |
De voorzitter. - De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - In het antwoord van de minister van Economische Zaken op de mondelinge vragen gesteld in de Kamer over de import van producten uit de door Israël bezette gebieden en provincies en in de Senaat over de implementatie van handelsakkoorden tussen de Europese Unie en Israël en de controle van de Belgische douane hierop, zei de minister dat op basis van de informatie verstrekt door de Europese Commissie aan de Belgische administratie der douane en accijnzen, negen certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 zijn onderworpen aan een a posteriori-procedure. Deze a posteriori-controles werden intussen uitgevoerd op wijn en cosmeticaproducten. De minister heeft ons verder meegedeeld dat "Israëlische autoriteiten reeds een antwoord hebben gegeven met betrekking tot één certificaat inzake het goederenverkeer EUR.1, waarbij de Israëlische oorsprong van het cosmeticaproduct werd bevestigd."
In welk jaar en in welke maand heeft de Belgische administratie der douane en accijnzen een a posteriori-controleprocedure gestart voor het certificaat met betrekking tot bovengenoemd cosmeticaproduct?
Sinds het antwoord van de minister heb ik opgemerkt dat ongeveer twee jaar geleden de Israëlische vredesbeweging, Gush Shalom, een lijst publiceerde van bedrijven die opereren in Israëlische nederzettingen en van het type producten dat zij produceren. Op deze lijst komen drie bedrijven voor die cosmeticaproducten produceren, namelijk Dead Sea Health Products; Ahava Halabin Industries en InterCosma.
In de zaak met betrekking tot het cosmeticaproduct waarvan de Israëlische douane heeft bevestigd dat de oorsprong Israëlisch is, is mijn vraag of de Belgische douane en accijnsdienst enige informatie heeft aangetroffen op het certificaat of op het etiket van het product en of het product hoort bij een van de drie bovengenoemde bedrijven? Werd de inhoud van de betrokken import daadwerkelijk geïnspecteerd door de Belgische douane- en accijnsdienst of ging het om een papieren controle?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - De minister van Financiën heeft mij verzocht volgend antwoord te verstrekken.
Zoals met mijn antwoord van 6 juli 2000 is meegedeeld, werden, op basis van gegevens die door de Europese Commissie aan de Belgische administratie van douane en accijnzen zijn verstrekt, negen certificaten inzake goederenverkeer EUR 1 onderworpen aan de procedurecontrole-a posteriori.
Deze controles-a posteriori werden verricht op wijn- en cosmeticaproducten, namelijk witte, rode en rosé wijn van GS code 22.04 en cosmetica voor huid- en haarverzorging van GS code 33.04.
Voor één certificaat inzake goederenverkeer EUR 1 hebben de Israëlische autoriteiten reeds een antwoord bezorgd. Ze hebben de Israëlische oorsprong van de cosmeticaproducten bevestigd. Het antwoord werd door de Belgische administratie echter in beraad gehouden omdat er nog geen antwoord binnen is voor de acht andere certificaten die aan een onderzoek werden onderworpen.
In de zaak van het cosmeticaproduct waarvan de Israëlische ambassade de oorsprong heeft bevestigd, heeft de Belgische douane op het certificaat of op de begeleidende documenten geen enkele aanduiding aangetroffen die doet vermoeden dat het product aan één van de genoemde bedrijven toebehoort.
Voor de betrokken invoer werd door de betrokken douanediensten een verificatie op documenten uitgevoerd.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Het verwondert mij dat de minister van Financiën op mijn vraag antwoordt en niet de minister van Economie.
Er wordt voor de afronding van het onderzoek in kwestie nog geen termijn vooropgesteld. Volgens mij zijn dergelijke zaken, hoe miniem ze ook mogen lijken, van uitzonderlijke betekenis in de Israëlisch-Palestijnse kwestie. Aan de hand daarvan kunnen we immers nagaan in hoever de akkoorden worden gerespecteerd.