2-69

2-69

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DINSDAG 10 OKTOBER 2000 - OPENINGSVERGADERING

(Vervolg)

Toespraak van de voorzitter

De voorzitter. - Heren ministers, waarde collega's,

Nadat ik eerst, naar goede gewoonte, ons oudste lid heb bedankt, zou ik u bij deze opening van het parlementaire jaar willen zeggen met hoeveel genoegen ik u hier allen terugzie na een zomers intermezzo, dat voor de meesten van u wellicht volledig in het teken stond van de verkiezingen van verleden zondag.

Ik hoop dat die verkiezingen voor u naar wens zijn verlopen en dat de vermoeienissen van die drukke periode u niet zullen beletten om met veel energie en overtuiging het nieuwe parlementaire zittingsjaar aan te vangen en uw grote federale verantwoordelijkheid weer op te nemen.

Waarde collega's,

De laatste weken hebben vooraanstaande leden van onze Assemblee zwaar uitgehaald naar de Hoge Vergadering, waarvoor zij nochtans verkozen of opnieuw verkozen hebben willen zijn. (Samenspraken)

Zij namen daarbij de kritiek over die geregeld door waarnemers en door een gedeelte van de pers wordt geuit.

Uiteraard moet de werking van de Senaat, na de hervorming door de grondwetgever in 1993, aan een kritische analyse worden onderworpen. Toch wil ik niet verhelen hoezeer ik deze verklaringen afkeur, omdat ze het principe zelf van het tweekamerstelsel op de helling zetten in plaats van zich te beperken tot de huidige verschijningsvorm daarvan, die inderdaad voor verbetering vatbaar is.

Ik betreur ook de niet erg fijngevoelige stijl van onze collega's, die ten onrechte het vaak opmerkelijke werk van hun gelijken in diskrediet hebben gebracht.

Wat mij ten slotte ontgoochelt, is dat deze ongezouten kritiek komt van degenen die de politieke verantwoordelijkheid dragen voor de hervorming die zij in 1993 zelf aan de Senaat hebben opgedrongen. (Applaus bij PS, PRL-FDF-MCC en VLD)

Natuurlijk moest de Senaat worden aangepast aan de omvorming van België tot een federale Staat. Maar is de doorgevoerde hervorming wel de juiste geweest? Zorgde deze hervorming voor een modernere federale Staat, met een meer efficiënte democratische werking en meer voeling met de burger? Of diende ze een verborgen agenda, die tot doel had om eerst de rol van de Senaat uit te hollen en vervolgens een eenkamerstelsel in te voeren, zoals dat bestaat in de gecentraliseerde eenheidsstaten van Scandinavië?

Dit is een actuele vraag en ik zou u willen uitnodigen om er tijdens dit nieuwe zittingsjaar samen over na te denken.

Tijdens het grondwettelijke debat van 1993, waaraan ik net als vele anderen onder u persoonlijk heb deelgenomen, is door velen uitgebreid gewezen op de zwakheden van de hervorming van de Senaat.

Het behoud van het Belgische tweekamerstelsel is tijdens dat hele debat echter door niemand in twijfel getrokken.

We stellen immers vast dat het bicamerisme onlosmakelijk verbonden is met het federalisme. Alle federale Staten ter wereld hebben twee wetgevende kamers: de ene vertegenwoordigt de natie, de andere de deelgebieden.

Het bicamerisme biedt bovendien nog andere onmiskenbare voordelen voor de democratie.

De tweede bespreking van een tekst door de Senaat vraagt tijd en geeft er ruchtbaarheid aan, waardoor meer burgers kennis kunnen nemen van de besproken materie. Bovendien kan een tweede lezing, door andere verkozenen met een andere achtergrond, het debat alleen maar verrijken en de kwaliteit van de wetgeving verhogen.

Nu onze samenleving steeds ingewikkelder wordt, kunnen deze voordelen van het tweekamerstelsel alleen maar zwaarder doorwegen.

Om die reden is het bicamerisme, ondanks alle kritiek van de regeringen, die de neiging hebben het vaak als tijdverlies te beschouwen, het parlementaire systeem waarin de meeste inwoners van deze planeet leven en waarvoor de belangrijkste democratische Staten hebben gekozen.

Er is trouwens - en dat verheugt ons - een duidelijk verband tussen de huidige heropleving van het tweekamerstelsel en de vooruitgang van de democratie.

Dat blijkt bijvoorbeeld duidelijk bij de kandidaat-lidstaten voor de Europese Unie: na Tsjechië zal nu ook Hongarije opnieuw een tweede Kamer invoeren.

In de jaren zeventig vonden velen, ook grondwetsspecialisten, het tweekamerstelsel een bron van tijdverlies.

Kwantiteit en snelheid kregen toen, volgens de tijdgeest, wel vaker voorrang op kwaliteit.

Onze maatschappij is sindsdien sterk veranderd. De burger, veel beter geïnformeerd dan vroeger, duldt geen half werk meer.

Behoorlijk bestuur is overal de leidende gedachte van de ware democraten geworden. Het is hoofdzakelijk dit fenomeen dat de toenemende wereldwijde belangstelling voor het tweekamerstelsel verklaart, ook bij de grondwetsspecialisten, want alleen dit stelsel biedt de nodige garantie voor een optimale kwaliteit van de besluitvorming en van de wetgeving.

Bovenop die wezenlijke eigenschappen van het tweekamerstelsel komt nog de specifieke opdracht die de grondwetgever van 1993 aan onze Assemblee heeft gegeven: een reflectiekamer zijn.

Reeds in 1830 verdedigde Joseph Lebeau, een van de grondleggers van onze staatsvorm, de oprichting van de Senaat met de woorden: "Het beste argument is het gevaar voor overhaasting".

Vandaag maakt een verstandig gebruik van het evocatierecht het mogelijk tijd en middelen vrij te maken voor het opmaken of verbeteren van basiswetten.

Ik denk in dit verband aan het werk dat de jongste maanden door onze collega's werd verricht op het bijzonder delicate terrein van de euthanasie en het levenseinde.

Die rol als reflectiekamer is fundamenteel en wij moeten daar niet minachtend over doen.

Georges Clemenceau, die nochtans slechts een gematigd voorstander van het parlementair stelsel was, heeft rond 1910 verklaard dat hij een groot deel van zijn leven geloofd had in een eenkamerstelsel waarbij de enige kamer de directe afspiegeling was van de volkswil, maar dat hij daarvan teruggekomen was. De gebeurtenissen hadden hem immers geleerd dat het volk de tijd moet krijgen om na te denken en tijd om te bezinnen is er in de Senaat.

Het was ook de taak van onze Senaat om als reflectiekamer te streven naar een verbetering van de kwaliteit van de wetten en die wetten dus te evalueren.

Ik heb er persoonlijk op toegezien dat de nieuwe dienst Wetsevaluatie onverwijld zou worden geïnstalleerd, wat begin mei jongstleden gebeurd is.

Overmorgen zal de werkgroep die zich gebogen heeft over het wetsontwerp betreffende de wetgeving op de VZW's, beschikken over de opmerkingen van onze nieuwe dienst over deze moeilijke en belangrijke aangelegenheid. Dit bijkomende instrument zal de Senaat ongetwijfeld in staat stellen bij te dragen tot verbetering en vereenvoudiging van de wetgeving.

Bovendien zal onze Senaat dankzij themadebatten, colloquia en verslagen de grote actuele vraagstukken grondig kunnen bestuderen en de uitoefening van bepaalde bevoegdheden door de overheid kunnen analyseren.

Nu al kan ik u aankondigen dat de Senaat tegen half december een colloquium zal organiseren over de uitbreiding van de Europese Unie en over de grenzen ervan. Kort na de Top van Nice en aan de vooravond van het Belgische voorzitterschap van de Europese Raad is dit colloquium natuurlijk niet zonder belang. Mijns inziens moet onze Senaat meer betrokken worden bij de invulling van ons buitenlands beleid. Zo heeft de grondwetgever het immers gewild.

Voorts hoop ik dat in de Senaat ook kan worden nagedacht over andere thema's. Na de gebeurtenissen van de jongste maanden denk ik in de eerste plaats aan de mobiliteit maar ook aan de stand van het wetenschappelijk onderzoek in ons land of aan het gezondheidsbeleid.

Waarde collega's,

De Belgische Senaat bestaat sedert bijna 170 jaar maar de huidige bevoegdheids- en werkingsregels zijn nog maar vijf jaar van kracht.

Om onze rol correct in te vullen, een rol die van wezenlijk belang is voor de kwaliteit van de wetgeving, is een sterke Senaat nodig die voldoende leden telt, over de nodige bevoegdheden beschikt en procedures heeft die op die belangrijke taak berekend zijn.

Na vijf jaar ervaring en rekening houdend met diverse reacties van senatoren en andere mensen uit de politieke en academische wereld, lijkt het mij noodzakelijk dat met het oog op de volgende zittingsperiode de hervorming van 1993 wordt bijgestuurd en vereenvoudigd.

Ik ben vandaag dan ook zo vrij twee voorstellen te formuleren:

Het eerste heeft betrekking op het aantal leden.

Zoals mijn voorganger meen ik dat het huidige aantal senatoren onvoldoende is om onze Assemblee in staat te stellen de taken die men van haar verwacht, op de beste manier te vervullen. Indien onze debatten soms wat gehalte missen, is dat onder meer te wijten aan het te beperkte aantal senatoren. Als men het aantal senatoren op honderd brengt, kan men de vertegenwoordiging van onze gewesten en gemeenschappen versterken maar kan men ook het aantal gecoöpteerde senatoren verhogen, die volgens mij gekozen moeten worden onder vooraanstaande personen die buiten de politieke wereld staan. Daardoor kunnen wij een betere vertegenwoordiging geven aan het maatschappelijk middenveld en kunnen we onze debatten verrijken met een veelheid van uiteenlopende ervaringen.

Mijn tweede voorstel heeft betrekking op de wetgevingsprocedure.

Het evocatiesysteem, dat op zichzelf voordelen heeft, schenkt thans geen voldoening omdat het slecht ontworpen is, omdat het te complex is en omdat het aanleiding geeft tot kunstgrepen en speculaties.

Het huidige systeem, met een onderzoekstermijn voor de geëvoceerde ontwerpen, is niet alleen ingewikkeld maar schenkt ook geen voldoening, zoals we opnieuw hebben kunnen vaststellen tijdens onze laatste zitting van juli jongstleden. Daarom stel ik voor om na de evocatie van het ontwerp geen onderzoekstermijn meer vast te leggen, maar terug te keren naar de klassieke bicamerale procedure.

In dat nieuwe systeem zou men kunnen overwegen de lijst te herzien van de bicamerale aangelegenheden die in artikel 77 van de Grondwet opgesomd zijn, om zowel de "gemengde" als de "samenhangende" wetsontwerpen uit te schakelen, zodat men zich tal van technische discussies daarover kan besparen.

Mijn beste collega's, een instelling is een afspiegeling van de leden waaruit ze samengesteld is.

De Senaat kan niets zonder zijn senatoren.

Wil de Senaat het tweekamerstelsel zijn volle betekenis geven, dan moet hij volgens mij zijn eigenheid verder ontwikkelen en doen uitkomen dat hij anders is. Hij moet de zaken anders bekijken. Daarom wil ik een dringende oproep doen: u moet zich bewust zijn van de eigen opdracht van de Senaat. Het is nutteloos en overbodig de debatten van de Kamer van volksvertegenwoordigers over te doen. Wij moeten ons toeleggen op het bieden van kwaliteit en mogen nooit onze eerste taak uit het oog verliezen, namelijk de verbetering van de wetgeving.

Maar in de wereld waarin we leven, is wat niet bekend is onbestaande.

Daarom denk ik dat onze Senaat op het vlak van de communicatie nog heel wat vooruitgang moet boeken.

Mijn collega van de Kamer en ik onderhandelen op dit ogenblik met de televisiestations om de parlementaire werkzaamheden in de berichtgeving beter aan bod te laten komen.

Die verbetering komt er natuurlijk niet zonder de medewerking en de inspanning van alle senatoren en zonder een aanpassing van onze werkwijze.

Ik heb u al gesproken over de noodzaak om zowel in de commissies als in de plenaire vergadering aanwezig te zijn. De debatten zelf moeten beknopter en levendiger worden. Om ze aantrekkelijker te maken ben ik er thans van overtuigd, zoals velen onder u, dat de algemene bespreking van de wetsontwerpen en -voorstellen in de commissies voortaan in openbare zitting kan worden gehouden. De regel van de besloten vergadering geldt alleen nog voor de bespreking van de artikelen en voor de redactie van de wet.

Inzake spreektijd zijn er reeds voortreffelijke maar nog weinig talrijke initiatieven genomen. Naar mijn mening moet het reglement op dat vlak gewijzigd worden.

Beste collega's,

U hebt me tot voorzitter gekozen. Het is dan ook mijn plicht om, getrouw aan de Grondwet, de instelling te verdedigen die ik, zoals u, eervol mag dienen.

Ik zal dat in alle omstandigheden doen.

Ik vraag u met mij mee te werken aan de opbouw van een politieke consensus, die ons in de volgende zittingsperiode in staat kan stellen ons tweekamerstelsel te verbeteren en dat in het grootste belang van ons land en van onze medeburgers.

Ik verklaar de Senaat voor samengesteld.

Hiervan zal kennis worden gegeven aan de Koning, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, alsook aan de gewest- en gemeenschapsraden.

Hiermit erkläre ich den Senat für konstituiert.

Der König, die Kammer der Abgeordneten sowie die Regional- und Gemeinschaftsräte werden hiervon in Kenntnis gesetzt.

Ik wens u allen een uitnemend parlementair zittingsjaar. (Applaus van de meeste leden)

De heer Louis Tobback (SP) (persoonlijk feit). - Mijnheer de voorzitter, ik neem graag de handschoen op, want ik voel mij geviseerd. Ik vraag dus het woord voor een persoonlijk feit.

Ten eerste is het de traditie van onze assemblees dat de voorzitter, wanneer hij in een polemiek treedt met een van de leden, op het spreekgestoelte komt en niet vanop zijn troon spreekt.

Ten tweede wijs ik erop dat de Senaat, zoals wij hem hebben opgevat, onder meer tot taak heeft grondig na te denken over de staatshervorming en dat daarbij geen enkel onderwerp uit de weg kan worden gegaan, ook niet de hervorming of zelfs de afschaffing van deze Senaat. Dat is de rol van deze Senaat: nadenken over de rol van de instellingen. Volgens mij is het daarbij niet verboden vraagtekens te plaatsen bij de eigen instelling.

Ten derde geloof ik dat u eigenlijk te voorzichtig bent geweest. U heeft gezegd: we gaan nadenken over de rol van de Senaat. Het is misschien niet veel waard, maar ik heb daarover al nagedacht en ik ben tot een conclusie gekomen. Dus heb ik liever dat we dit onderwerp niet langer onder mekaar in de wandelgangen aansnijden of in de besloten kring van senatoren en ministers, van kamerleden onderling of van kamerleden en senatoren, maar dat we hierover eens een publiek debat voeren. Als u de debatten toch openbaar wil maken - wat ik geen slecht idee vind - laten we hierover dan een debat organiseren. Ik ben vragende partij.

Ten vierde wekt u in uw toespraak de indruk dat nadenken over monocameralisme een schandelijke daad is, terwijl hierover destijds bij het tot stand komen van de Grondwet in het Nationaal Congres lang is gedebatteerd. Ik merk toch op dat er in ons land zonder hiërarchie der normen nogal wat monocamerale assemblees bestaan die decreten maken die geen tweede lezing kunnen krijgen, meer bepaald de gewest- en gemeenschapsraden. Het monocameralisme is in ons land op het ogenblik talrijker aanwezig dan het bicameralisme.

Ten slotte hoor ik u spreken over colloquia en krijg ik deze week een oproeping voor de werkgroep "ruimtevaart". Mag ik een misschien minder diepzinnige opmerking maken: we beginnen op de Raad van Europa te lijken en daar ben ik geen kandidaat voor. Ik wil aan politiek doen, ik wil de regering kunnen ondervragen, ik wil wetten goedkeuren. Als ik naar colloquia wil gaan dan hoef ik mij, met de grootste universiteit van het land in mijn stad, echt niet naar Brussel te verplaatsen.

De heer Jean-Luc Dehaene (CVP) (persoonlijk feit). - Mijnheer de voorzitter, hoewel u geen namen genoemd heeft, vraag ik toch het woord voor een persoonlijk feit. Het spreekt bijna vanzelf dat ik het volkomen eens met wat de heer Tobback heeft gezegd. Ik wil daar alleen een paar bedenkingen aan toevoegen.

Bij de staatshervorming hebben we Kamer en Senaat elk een eigen specialisatie willen geven: de Kamer zou de politieke kamer worden en de Senaat de reflectiekamer. Toen u voorzitter werd, heb ik u reeds gezegd dat u tegen die bedoeling inging, toen u de eerste minister vroeg om zijn beleidsverklaring ook in de Senaat af te leggen. Dit hoort bij de taken van de Kamer en niet bij die van de Senaat.

U vraagt nu dat wij geen dubbel werk verrichten, maar het is precies uw taak dat te voorkomen. Kwesties die in de Kamer zijn afgehandeld moeten hier niet nog eens worden bediscussieerd. Wij kunnen enkel respect afdwingen wanneer wij de overeengekomen taakverdeling eerbiedigen.

U zegt dat onze taak erin bestaat te evoceren. Maar toen de Senaat vlak voor het reces een legistiek slecht geredigeerde programmawet evoceerde, heeft hij onder druk van de regering deze wet toch goedgekeurd, ook al wisten alle senatoren dat ze technisch en zelfs grondwettelijk niet in orde was. Ook u heeft als voorzitter toen niet gereageerd. (Applaus)

M. Philippe Mahoux (PS). - Ce n'est pas la première fois !

De heer Jean-Luc Dehaene (CVP). - U verwijst naar andere federale staten. Ik ben het met u eens dat onze Senaat niet de klassieke samenstelling van een Senaat van een federale staat heeft. Wat dit betreft zijn er twee mogelijkheden: ofwel opteren we voor een echte federale staat zoals de Verenigde Staten maar dan zijn wetten met een dubbele meerderheid in de Kamer onmogelijk. Wij hebben voor een ander institutioneel systeem gekozen en we moeten daar alle consequenties van aanvaarden.

De Senaat heeft inzake euthanasie zonder twijfel goed werk geleverd. Dat valt perfect onder het soort taken die we de Senaat wilden toekennen.

Hij kan zich maar waarmaken indien hij zich houdt aan een specialisatie en niet probeert gewoon het werk van de Kamer over te doen. Daarom ben ik het niet eens met uw suggesties, want die gaan juist in de richting van het dubbel werk met de Kamer.

Ook ik ben er voorstander van om over de taakverdeling tussen Kamer en Senaat een debat te houden. De bedenkingen die de heer Tobback en ikzelf hebben geformuleerd hebben geen andere bedoeling. Vijf jaar na de staatshervorming is het tijd om daarover eens rustig een evaluatie te maken. Wij kunnen daar nuttig werk doen, op voorwaarde dan we correct durven doordenken over de taken van onze instellingen. (Applaus)

Mme Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - À mon avis, M. le président a voulu que cette séance de rentrée soit quelque peu animée. C'est réussi! Il a fait diverses déclarations relatives au Sénat et il a enguirlandé certains sénateurs qui ont tenu des propos qui lui ont déplu. Encore faudrait-il voir clair en ce qui concerne le rôle du Sénat.

De voorzitter. - Hebt u wel naar mij geluisterd?

Mme Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Je vous ai écouté. J'avais cru comprendre sous la législature précédente que le Sénat avait un véritable droit d'évocation, comme l'a dit notre collègue M. Dehaene. Lors de la dernière législature, le Sénat a effectivement réalisé un remarquable travail de correction de lois examinées un peu rapidement par la Chambre, travail salué par l'ensemble des observateurs. Il semble qu'il soit devenu impossible d'agir ainsi sous cette législature puisque lorsque nous proposons des amendements sérieux, à la loi-cadre par exemple, le président du Sénat parle de corrections techniques.

De voorzitter. - Absoluut.

Mme Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Lors de la dernière séance du mois de juillet, les membres du CVP et du PSC ont exprimé leur courroux quant à cette manière de voir. Il faut savoir ce que l'on veut : soit on donne de l'importance au Sénat et, dès lors, on admet qu'il corrige certaines lois venant de la Chambre...

De voorzitter. - Ik ben het helemaal met u eens.

Mme Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - ... soit, on part du principe que le Sénat n'est qu'une chambre de réflexion, ce qui implique alors d'apporter des modifications quant au rôle actuel du Sénat.

En ce qui concerne la discussion relative au fait que le Premier ministre présente sa déclaration gouvernementale au Sénat, je ne partage pas le point de vue de M. Dehaene. Je trouve en effet qu'une déclaration gouvernementale est susceptible de contenir des éléments de nature à alimenter le travail d'une chambre de réflexion. Par conséquent, je pense qu'il est intéressant que le Premier ministre vienne au Sénat.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ik ga akkoord met mevrouw Willame wanneer ze zegt dat de Senaat in de vorige en in de huidige legislatuur fouten en vergetelheden, te wijten aan het snelle werken van de Kamer, heeft opgespoord en rechtgezet.

Aan de heren Dehaene en Tobback wil ik zeggen dat het me verheugt dat ze vandaag aanwezig zijn. Ze hadden hier echter al veel eerder hun werk kunnen doen en al hun opmerkingen niet naar de pers, maar in de Senaat zelf kunnen kenbaar maken. De Senaat is daarvoor immers het forum bij uitstek.

De heer Louis Tobback (SP). - Mevrouw Leduc, ik ben hier elke donderdag aanwezig en voor u ben ik er alleszins één keer te veel geweest.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik behoor tot het kamp van de abolitionisten. Ik heb hier vorig jaar heel veel werk geleverd en heb, nog vóór de start, gezegd dat ik deze instelling overbodig vond. Op een bepaald ogenblik heb ik getwijfeld en dacht ik dat we een kans maakten om inderdaad de wetten te verbeteren. Die kans hebben we echter gemist. We hebben het ontwerp tijdens de zomer behandeld en ik blijf erbij dat dit gepaard ging met een ongrondwettelijke ingreep.

Nu vertelt u, mijnheer de voorzitter, opnieuw het verhaaltje van het tweekamerstelsel dat u al drie of vier keer hebt bovengehaald. U bent een enorme voorstander van dit tweekamerstelsel en vindt zelfs in Afrika voorbeelden om het te ondersteunen. U verwijst naar eminente sprekers om te bewijzen dat er nood is aan een senaat. Ik heb misschien niet zo'n grote cultuurkennis als u, maar ik ken wel de feiten van het voorbije jaar. Welgeteld één wetsontwerp, dat op de informaticacriminaliteit, hebben we dankzij evocatie kunnen wijzigen. We hebben daarvoor hoorzittingen georganiseerd en enorm veel werk geleverd, overigens in een zeer constructieve geest, met meerderheid en oppositie samen. Welnu, in de maand september werden in de kamercommissie voor de Justitie al onze amendementen in een half uurtje weggestemd. Het resultaat van ons wetgevend werk is dus nihil. Dit is een lege doos en we maken ons illusies.

In één zaak is onze instelling wel goed: het bezinningswerk. Voor de wetgeving rond euthanasie werd goed werk geleverd. We moeten alleen nog kijken of het ook goed afloopt. De vraag is echter of alleen daarvoor een instelling nodig is. Aan die instelling wil u ook nog eens twee zaken wijzigen: de evocatieprocedure en het aantal leden, dat zou moeten worden opgetrokken tot een honderdtal. Ik merk wel dat u één verandering hebt laten vallen. Als ik me niet vergis hebt u in Le Soir gesuggereerd de minimumleeftijd van 21 naar 30 jaar op te trekken. Beschouw dit ook een beetje als een persoonlijk feit van mijnentwege.

Ik sluit af met nog één bedenking. Op 25 oktober 1999 heb ik een voorstel tot wijziging van het reglement ingediend om commissievergaderingen een meer open karakter te geven. Dat voorstel is op het Bureau echter nooit ter sprake gekomen, ook al heb ik het aan leden van het Bureau verscheidene malen gesignaleerd. Het is bedroevend dat u deze discussie nooit hebt willen voeren. Verscheidene malen hebben collega's, onder meer collega De Schamphelaere, en ikzelf gesuggereerd dat er een grondig debat moest komen over de Senaat als instelling. U hebt dit steeds geweigerd. U organiseerde persconferenties en verwees naar Afrika. Het wordt tijd dat u dit debat met ons voert en ten gronde.

Mme Anne-Marie Lizin (PS). - Je voudrais émettre quatre réflexions.

Tout d'abord, notre groupe souhaite vous féliciter, monsieur le Président, pour le contenu de ce discours qui ouvre un véritable débat de fond. Vous avez exprimé avec force ce que la rentrée du Sénat signifie dans le débat politique. Merci d'avoir participé à cette élévation.

Comme Mme Willame l'a souligné - nous l'avons vécu à plusieurs reprises au sein de la commission de l'Intérieur -, il nous faudra accepter l'idée de refuser parfois certains textes de la Chambre qui, pour des raisons diverses, ne seraient pas corrects. Je suis convaincue que nous pourrons aboutir sur cette question.

M. Jean-Luc Dehaene (CVP). - Vous auriez déjà pu le faire.

Mme Anne-Marie Lizin (PS). - Pour notre groupe, le bicaméralisme est fondamental, non seulement pour le fédéralisme, mais également pour une démocratie qui prend le temps.

Je suggère à tous ceux qui nous écoutent de lire les déclarations de notre collègue Dehaene dans Le Soir du 1er septembre. Ils verront qu'il ne s'exprimait pas sur le sujet mais que ses propos étaient très négatifs.

Enfin, je précise que Lebeau était un Hutois.

De voorzitter. - Zoals iedereen zal ook ik mijn eigen taal spreken als u het mij toelaat.

Je voudrais tout d'abord me réjouir d'avoir provoqué ce débat...

M. Jean-Luc Dehaene (CVP). - C'est nous qui l'avons provoqué ; c'est un comble.

M. le président. - Non, monsieur Dehaene, vous n'avez pas provoqué le débat, vous avez condamné unilatéralement.

J'ai siégé quatorze ans à la Chambre et je connais les caractéristiques et l'attrait de cette assemblée. J'y ai participé à tous les débats de réforme des institutions et, vous pouvez relire les travaux préparatoires, j'ai combattu la réforme du Sénat. Les Annales parlementaires de l'époque attestent, monsieur Dehaene, que nous avions eu un échange de plus d'une heure et demie durant lequel vous m'interrompiez sans cesse. Mais à l'époque, vous présentiez le nouveau Sénat comme une des merveilles du monde.

M. Jean-Luc Dehaene (CVP). - Je devais bien défendre cette réforme qui était un compromis mais qui ne correspondait pas à mon souhait.

M. le président. - Vous assumiez la responsabilité de cette réforme.

Si vous m'avez bien compris aujourd'hui - et mon texte sera disponible dans les deux langues -, vous aurez constaté que, bien évidemment - et c'était déjà ma position à l'époque -, je défends fondamentalement le bicaméralisme dans un État fédéral. Il n'existe aucun État fédéral au monde qui ne soit pas bicaméral.

M. Tobback a pris l'exemple des conseils régionaux et communautaires qui sont monocaméraux. Pour avoir été président d'un parlement régional qui fonctionne relativement bien, je vous dirai que je n'ai jamais été convaincu par le système unicaméral. Une deuxième lecture au niveau régional permettrait une amélioration sensible du travail législatif.

Par ailleurs, je ne partage pas l'avis de M. Dehaene lorsqu'il regrette que le Premier ministre vienne prononcer devant le Sénat son discours sur « l'état de l'Union ». Les élus les plus représentatifs de la Belgique fédérale dont vous êtes siègent ici, monsieur Dehaene, et j'estime qu'ils ont droit aux déclarations les plus essentielles du Premier ministre. Les sénateurs ont droit, comme les députés, à l'information politique complète, même s'ils n'exercent pas la sanction.

En outre, je m'accorde avec vous pour dire que la Chambre et le Sénat doivent se spécialiser et que le Sénat doit accepter fondamentalement son nouveau rôle. Je le dis également à l'intention de mes collègues sénateurs que j'invite à s'imprégner du rôle spécifique de leur assemblée.

Je voudrais souligner aussi que jamais la Chambre n'aura le temps d'effectuer le travail que fait le Sénat pour le moment sur un sujet comme l'euthanasie. Or, la Belgique a besoin d'un lieu où ce type de débat puisse se dérouler en profondeur et calmement. Après l'euthanasie, nous traiterons d'ailleurs de la bioéthique et d'autres sujets.

Enfin, en ce qui concerne le droit d'évocation, j'estime que le Sénat devrait être beaucoup plus sévère par rapport aux textes qu'il examine venant de la Chambre. Je voudrais dire au gouvernement, puisqu'il est présent, que nous n'accepterons plus que des textes soient déposés aussi tardivement que l'autre fois. Je l'ai d'ailleurs écrit au premier ministre. Nous n'accepterons pas davantage d'encore examiner des textes lorsque la Chambre est en vacances. Si cela se reproduit, je demanderai le renvoi des textes à la rentrée. Je suis persuadé que tous les groupes politiques de notre assemblée me soutiendront.